id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 30 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20101130.6 Rolnummer: 2006AR2023 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-12-06 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-07-01 14:12 Fiche Aansprakelijkheid van de overheid. Melkproducent. Omvang van de melkproductie op een bedrijf. Melkquota. Overschrijding van de melkquota. Extraheffingen. Fout in hoofde van de Belgische Staat omdat zij onzorgvuldig geweest bij de verzameling, verwerking en verspreiding van de informatie. Dit is een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Fout - de daad - Zorgvuldigheid BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid - Uitvoerende macht BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Begroting schade - Algemene beginselen schadebepaling Vrije woorden: Melkproducent. Melkquota. Extraheffingen. Fout van de overheid. Onzorgvuldigheid. Verkeerde informatie. Tekst van de beslissing HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL 1e kamer, A.R. Nr.: 2006/AR/2023 zetelend in burgerlijke zaken, Rep. nr.: 2010/ na beraad, wijst volgend arrest: INZAKE VAN: C. appellant, vertegenwoordigd door Mr. LEKENS Philip, advocaat te 3500 HASSELT, Isabellastraat 52 B4 ; TEGEN: Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door zijn Regering, in de persoon van de Vlaamse Minister van Institutionele Hervormingen, Landbouw, Zeevisserij en Plattelandsbeleid, Agentschap voor Landbouw en Visserij, Elipsgebouw, Koning Albert II laan, 35, 1000 BRUSSEL, waar keuze van woonst wordt gedaan, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. CLAES loco Mr. VANHOUTTE Inge, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Everdijstraat 43 ;
- De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 9 maart
- De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis werd betekend op 27 juni
- De heer C. heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 19 juli
- Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
- De feiten Het VLAAMSE GEWEST zet uiteen dat de heer C. een melkveehouder is aan wie een quotum van 399.344 liter is toegekend. Tijdens de campagne 1994-95 leverde hij aan de melkerij 457.215 liter melk, of, na correctie voor het vetgehalte, 506.423 liter. Na aftrek van een vrijstelling van 13.640 liter was er een overschrijding van het quotum van 91.789 liter. Die overschrijding komt overeen met een extra heffing van 1.375.596 BEF. De extra heffing wordt normaal voldaan via afhouding door de afnemers (de melkerijen) op de prijs van de melk; hier is dat niet gebeurd omdat de heer C. zijn activiteit heeft beëindigd in
- De extra heffingen zijn alleen verschuldigd bij overschrijding van het quotum indien ook het nationale quotum wordt overschreden. Andere producenten hebben de BELGISCHE STAAT gedagvaard tot vergoeding van de schade die zij beweren te hebben geleden doordat de BELGISCHE STAAT foutieve informatie had verspreid met betrekking tot de al geleverde quota. De heer C. is in die procedure tussengekomen (AR 1995/11.755/A). Die zaak is hangende voor de eerste rechter.
- Het onderwerp van de vordering 3.
- Voor de eerste rechter vorderde de BELGISCHE STAAT, nadien opgevolgd door het VLAAMSE GEWEST, de veroordeling van de heer C. tot betaling van 34.100,13 EUR (1.375.596 BEF), nadien verminderd tot 31.215,22 EUR (1.262.446 BEF) te vermeerderen met de moratoire intresten vanaf 14 november 1995, de gerechtelijke intresten en de kosten. De heer C. concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering. Bij tegeneis vorderde hij de veroordeling van het VLAAMSE GEWEST tot betaling van hetzelfde bedrag aan hem, plus de vergoedende intresten vanaf 30 oktober 1996 en de gerechtelijke intresten. De heer C. liet gelden dat hij zijn productie had afgestemd op de door de BELGISCHE STAAT verspreide informatie met betrekking tot de tijdens de campagne reeds gedane leveringen. Nadien bleek die informatie foutief te zijn, omdat een koper niet was meegeteld. De heer C. stelt dat door de foutieve informatie de indruk was gewekt dat het nationale quotum niet bereikt zou worden, en dat zijn overschrijding van het quotum het gevolg was van de fout van de BELGISCHE STAAT. De BELGISCHE STAAT antwoordde dat een foute melding was gedaan door een koper, en dat hij daar niet voor aansprakelijk was. 3.
- Bij vonnis van 16 juni 2005 verklaarde de eerste rechter de vordering ontvankelijk en beval hij de heropening van de debatten met het oog op een standpuntbepaling van partijen met betrekking tot drie vragen:
- Wie is de koper waarvan [het VLAAMSE GEWEST] beweert dat deze onjuiste gegevens zou medegedeeld hebben?
- Worden deze gegevens schriftelijk aan [het VLAAMSE GEWEST] bezorgd? In het affirmatieve geval wenst de rechtbank een kopie van het bewijsstuk waaruit de verkeerde informatie blijkt.
- Wanneer werd de al dan niet verkeerde informatie aan [het VLAAMSE GEWEST] overgemaakt? Waarom heeft [het VLAAMSE GEWEST] gewacht tot februari 1995 alvorens het een en ander recht te zetten? Bij conclusie van 20 december 2005 antwoordde het VLAAMSE GEWEST op de drie vragen:
- Comelco Group
- De gegevens werden door de Nationale Zuiveldienst telefonisch opgevraagd bij de kopers
- De onjuiste gegevens werden vanaf mei 1994 overgemaakt aan de Nationale Zuiveldienst, op 21 februari 1995 werden de nieuwe gegevens bekendgemaakt. De heer C. nam geen conclusie na het vonnis van 16 juni
- Bij vonnis van 3 maart 2006 (het vonnis waartegen het hoger beroep gericht is) verklaarde de eerste rechter de vordering van het VLAAMSE GEWEST gegrond en de tegenvordering ongegrond. 3.
- In hoger beroep vraagt de heer C. de vordering van het VLAAMSE GEWEST ongegrond te verklaren, "minstens de tegeneis gegrond te verklaren", zijnde de vordering tot veroordeling van het VLAAMSE GEWEST tot betaling van 34.100,13 EUR plus de vergoedende intresten vanaf 30 oktober 1996 en de gerechtelijke intresten. Het VLAAMSE GEWEST concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.
- De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen De heer C. ontwikkelt eigenlijk geen middel tegen de vordering van het VLAAMSE GEWEST. Hij betwist niet dat hij zijn persoonlijk quotum heeft overschreden, dat het nationaal quotum is overschreden, en dat in dat geval de extra heffing verschuldigd is. Ook over de hoeveelheden en bedragen op zich wordt geen betwisting gevoerd. De vordering komt derhalve gegrond voor. Tegenover de vordering van het VLAAMSE GEWEST stelt de heer C. wel zijn eigen vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad. Die tegenvordering kan uiteraard alleen bestaan voor zover de vordering van het VLAAMSE GEWEST wordt gegrond verklaard; anders lijdt de heer C. niet het verlies dat hij in zijn tegenvordering kwalificeert als schade. Uit de door partijen uiteengezette feiten is duidelijk dat de heer C. zijn productie kon afstemmen op de cijfers die door het VLAAMSE GEWEST (eigenlijk de Nationale Zuiveldienst van de BELGISCHE STAAT, opgevolgd door het VLAAMSE GEWEST) werden gepubliceerd in de vakpers, en dat voor het seizoen 1994-95 dat afliep op 31 maart 1995, op 21 februari 1995 werd meegedeeld dat de tot dan gepubliceerde cijfers foutief waren. De foutieve cijfers vonden samengevat hun oorsprong in het feit dat een afnemer na opslorping van een andere afnemer bij de mededelingen aan de Nationale Zuiveldienst geen rekening had gehouden met de leveringen aan de opgeslorpte afnemer. Het VLAAMSE GEWEST houdt voor dat de extra heffing het loutere gevolg is van de eigen beslissing van de heer C. om zijn quotum te overschrijden; het VLAAMSE GEWEST suggereert aldus dat de heer C. zelf een fout heeft begaan die de schade heeft veroorzaakt. Het kan de heer C. echter niet ten kwade geduid worden te streven naar een maximale productie die een extra heffing ontwijkt. De heer C. stelt en het VLAAMSE GEWEST ontkent niet dat hij ook in 1993-94 het quotum heeft overschreden maar dat toen geen extra heffing werd opgelegd omdat het nationaal quotum niet werd overschreden, en dat de producenten de overschrijding van hun individuele quotum ook kunnen opvangen door het gebruik van "geleasde" quota van wie minder produceerde. De situatie is niet ongelijk aan die van de onderneming die haar activiteit tracht te optimaliseren in functie van de fiscale wetgeving. Anders dan de eerste rechter beschouwt het hof dit niet als een speculeren maar als een risico-inschatting. Alleen blijkt dat de risico-inschatting van de heer C. is verstoord door de foutieve informatie verspreid door de BELGISCHE STAAT. Het is niet foutief in hoofde van de heer C. om zijn productie af te stemmen (zijn risico te bepalen) op grond van de informatie die de BELGISCHE STAAT verspreidde; een normaal zorgvuldige producent in dezelfde omstandigheden zal aannemen dat de informatie van de overheid correct is. Het staat vast dat de BELGISCHE STAAT foutieve informatie heeft verspreid. Ten onrechte werpt het VLAAMSE GEWEST op dat dit niet aan hem (of aan zijn rechtsvoorganger) kan worden verweten, omdat de informatie afkomstig was van de melkafnemers. De informatie werd verzameld en verwerkt door de BELGISCHE STAAT, die derhalve gehouden was dit op zorgvuldige wijze te doen. De gepubliceerde informatie waarvan een voorbeeld wordt neergelegd toont inderdaad een verzamelstaat opgesteld door de BELGISCHE STAAT. Het VLAAMSE GEWEST voert terecht aan dat de cijfers om technische redenen steeds slechts benaderend waren en dat de gepubliceerde cijfers uitdrukkelijk golden als voorlopig. Dat vormt echter geen verklaring voor de belangrijke fout die in deze werd gemaakt, waarbij de BELGISCHE STAAT gedurende maanden niet opmerkte dat een melkerij uit de tabellen was verdwenen. De BELGISCHE STAAT was als enige in staat om de afzonderlijke gegevens van de verschillende melkerijen te verzamelen en te controleren op hun volledigheid en hun consistentie. Dit wordt bevestigd door het feit dat de BELGISCHE STAAT de fout in de meegedeelde cijfers ook zelf heeft ontdekt, zij het pas in februari
- Het moet worden aangenomen dat de BELGISCHE STAAT pas laattijdig een correcte analyse van de cijfers heeft gemaakt of een vergelijking met andere jaren. De Belgische Staat is dus onzorgvuldig geweest bij de verzameling, verwerking en verspreiding van de informatie. Dit is een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Het VLAAMSE GEWEST werpt op dat zonder de fout van de melkerij de gegevens correct zouden zijn geweest, maar de fout van een derde die mee de schade zou hebben veroorzaakt ontheft het VLAAMSE GEWEST niet van zijn aansprakelijkheid voor de fout van zijn rechtsvoorganger. Zoals vermeld kon de heer C. zijn productie afstemmen op de gepubliceerde cijfers, en het lijkt niet betwistbaar dat hij zonder de foute cijfers zijn productie zou hebben aangepast en een overschrijding van zijn individuele quotum zou hebben vermeden en/of opgevangen door de vermelde "leasing", of wel de te veel geproduceerde melk anders kon hebben benut. Het verband tussen de schade van de heer C. en de fout van de BELGISCHE STAAT staat dus vast. Minder duidelijk is de omvang van de schade. De heer C. rekent daarvoor het hele bedrag van de extra heffing. Indien wordt aangenomen dat de heer C. voor de boven het quotum geproduceerde melk ook een prijs heeft ontvangen, dan moet die uiteraard verrekend worden. Voor de raming van de schade moet immers de situatie als gevolg van de fout vergeleken worden met de situatie zonder de fout. Zonder de fout zou de heer C. het quotum niet overschreden hebben, wat gevolgen zou gehad hebben op het vlak van inkomsten en op het vlak van uitgaven. Bij gebrek aan concrete gegevens ter zake en omdat het hof niet beschikt over de noodzakelijke technische kennis, stelt het een deskundige aan.
- Het beschikkend gedeelte Op grond van de bovenstaande overwegingen neemt het hof volgende beslissing. Het hof verklaart het hoger beroep van de heer C. ontvankelijk en ongegrond met betrekking tot de vordering van het VLAAMSE GEWEST, en in beginsel gegrond met betrekking tot zijn tegenvordering. Met betrekking tot die laatste vordering stelt het hof aan als deskundige de heer Dirk Wouters, Herentalsebaan 645 te 2160 Wommelgem, telefoon 03/355.50.90, bedrijfsrevisor, Met als opdracht een onderzoek te voeren naar en advies op te stellen over de raming van de schade geleden door de heer C. als gevolg van de overschrijding in 1994-95 van zijn individuele melkquotum Zegt dat deze deskundige zijn opdracht zal vervullen door: - De partijen gezamenlijk te horen in hun verklaringen en opmerkingen, tenminste hen daartoe behoorlijk op te roepen; - Kennis te nemen van de stukken die partijen hem voorleggen, en in voorkomend geval van de stukken die hij zich door partijen zal laten voorleggen; - Alle nuttige inlichtingen in te winnen en onderzoekingen te doen, waarbij hij zich voor technische vragen buiten zijn eigen vakgebied kan laten bijstaan door medewerkers of gespecialiseerde technici, maar zelf zal blijven instaan voor de verwerking van de door hen geleverde elementen; - Te antwoorden op alle nuttige vragen van partijen; - Te proberen partijen te verzoenen, en in geval van verzoening een schriftelijk protocol op te stellen van het akkoord tussen partijen, het door partijen te laten ondertekenen en een kopie daarvan neer te leggen op de griffie van dit hof; - In geval van niet-verzoening een schriftelijk en gemotiveerd voorverslag aan partijen en hun raadslieden toe te sturen met verzoek hun opmerkingen te ontvangen binnen een redelijke termijn die hij zal bepalen; - Vervolgens deze opmerkingen te beantwoorden, en in een definitief en onder eed bevestigd verslag zijn advies te geven over de hierboven in de opdracht omschreven punten; - Het besluit van dit verslag op te stellen in doorlopende tekst en niet onder de enkele verwijzing naar de overeenkomstige passages van zijn voorverslag; - Dit verslag samen met de schriftelijke opmerkingen van partijen in te dienen op de griffie van dit hof binnen de termijn die het hof bepaalt. Zegt dat de deskundige zijn opdracht zal uitvoeren met toepassing van de bepalingen van de artikelen 962 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek zoals gewijzigd door onder meer de wet van 30 december
- Zegt dat de deskundige zijn eindverslag zal neerleggen ten laatste op 1 juni
- Zegt dat de deskundige zijn ereloon zal aanrekenen aan uurtarief en zijn kosten zal aanrekenen per eenheid; Bepaalt het voorschot op de prijs van het onderzoek op 3.000 EUR, en zegt dat het VLAAMSE GEWEST dit zal consigneren op de griffie van het hof ten laatste op 15 januari 2011; zegt dat 2.000,00 EUR daarvan onmiddellijk kunnen worden vrijgegeven aan de deskundige; Verzendt de zaak voor het overige naar de bijzondere rol; Houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 30 november
- Waar aanwezig waren: Dhr. M. Debaere, Raadsheer, Mevr. B. Heymans, Griffier. B. Heymans M. Debaere Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div