← België

ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20101130.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 30 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20101130.7 Rolnummer: 2010kr272 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-12-06 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-07-01 14:12 Fiche Artkel 584 Ger. W. Een zaak vertoont het vereiste hoogdringend karakter wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om een schade van bepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen. De vordering is ongegrond wanneer de aangehaalde urgentie te wijten is aan de eisende partij zelf, omdat de eisende partij onnodig lang gedraald heeft om de tegenpartij te dagvaarden. Rechtsmacht. De rechter in kort geding is bevoegd om t.a.v. het bestuur, dat zich aan een foutieve aantasting van een subjectief recht schuldig heeft gemaakt, bij voorraad de nodige maatregelen ter bescherming van de rechten van particulieren te nemen , zulks voor zover hij zich niet in de plaats stelt van het bestuur. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Mest - Vlaanderen Vrije woorden: Mestdecreet. Artikel 48, §1. Mestvoerder. Vergunning. Besluit Vlaamse regering 19 juli 2007 tot het bepalen van nadere regels voor het vervoer van meststoffen. Tekst van de beslissing HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL 1e kamer, A.R. Nr.: 2010/KR/272 zetelend in burgerlijke zaken, Rep. nr.: 2010/ na beraad, wijst volgend arrest: INZAKE VAN: HAGRICO N.V., met maatschappelijke zetel te 2370 ARENDONK, Houwendijk 15, ingeschreven met KBO-nummer 0433.312.064, appellante, vertegenwoordigd door Mr. POELVOORDE loco Mr. SURMONT Jan, advocaat te 2300 TURNHOUT, de Merodelei 112 ; TEGEN: De VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ N.V., met maatschappelijke zetel te 1060 BRUSSEL, Gulden Vlieslaan 72, ingeschreven met KBO-nummer 0236.506.685, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. VAN GINDERACHTER loco Mr. STAELENS Bart, advocaat te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46 bus 1 ; Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.: § de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zetelend in kort geding, na tegenspraak uitgesproken op 31 augustus 2010, waarvan geen betekening wordt voorgelegd; § het verzoekschrift tot hoger beroep, op 3 september 2010 ter griffie van het hof neergelegd; § de conclusie van geïntimeerde. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 9 november 2010 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Procedure 1. Appellante stelt hoger beroep in tegen de bestreden beschikking waarbij haar vordering ongegrond wordt verklaard en appellante veroordeeld wordt tot de gerechtskosten. Appellante vordert met de hervorming van de bestreden beschikking, om geïntimeerde, in afwachting van een in kracht van gewijsde gegane uitspraak van de bodemrechter, verbod op te leggen om de erkenning van appellante als mestvoerder in te trekken, zulks onder verbeurte van een dwangsom van 1.000.000 euro. Zij vraagt alleszins, indien geïntimeerde de erkenning zou intrekken vooraleer een arrest tussenkomt, haar in afwachting van een uitspraak van de minister in toepassing van artikel 19, § 2 van het Besluit van de Vlaamse Minister en een gebeurlijk arrest van de Raad van State in het kader van een beroep tegen een tussen te komen uitspraak van de Minister, om geïntimeerde verbod op te leggen om de intrekking van de erkenning van appellante als mestvoerder uit te voeren, op welkdanige wijze dan ook, zulks onder verbeurte van een dwangsom van 1.000.000 euro. Appellante vordert bovendien de gerechtskosten van beide aanleggen, inclusief de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, begroot op 1.200 euro. 2. Geïntimeerde besluit tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep, met veroordeling van appellante tot alle kosten, inclusief de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, begroot op 1.200 euro. II. Relevante feitelijke gegevens 3. Appellante is actief in de landbouwsector en voornamelijk in het vervoer van mest. Zij beschikt over een erkenning als mestvoerder die haar op 1 december 2008 door de Afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij werd verleend voor een looptijd tot 30 november 2013. 4. De heer Joannes Hertogs, zaakvoerder van appellante werd door de correctionele rechtbank te Turnhout bij vonnis van 24 juni 2008 tot een gevangenisstraf van 8 maanden en een geldboete van 300,00 euro veroordeeld wegens valsheid in geschriften, meer bepaald bij het opstellen van documenten m.b.t. mestafzet. Deze veroordeling werd door het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, bij arrest van 22 januari 2009 bevestigd. De voorziening in cassatie werd bij arrest van 16 juni 2009 door het Hof van Cassatie verworpen. 5. Bij aangetekende brief van 1 juni 2010 schreef de VLM aan appellante, met verwijzing naar artikelen 6 en 19 § 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot het bepalen van de nadere regels voor het vervoer van meststoffen en houdende de uitvoering van artikel 8, § 5, 3° van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen : Door de hiervoor genoemde veroordeling voldoet U niet meer aan de voorwaarden waaraan U als erkende mestvoerder moet voldoen, als vermeld in artikel 6 van het bovenvermelde besluit. Dienvolgens legt de Mestbank U krachtens artikel 19, § 1 van hetzelfde besluit, de verplichting op U binnen een termijn van drie maand, zijnde uiterlijk op 1 september 2010, in de regel te stellen met de erkenningsvoorwaarden. U dient hiervan het bewijs over te maken aan de Mestbank uiterlijk op 1 september 2010 op het adres (...) Indien de Mestbank binnen de vooropgestelde termijn geen bewijs heeft ontvangen waaruit blijkt dat U zich in de regel gesteld heeft met de erkenningsvoorwaarden, zal de Mestbank overgaan tot de intrekking van uw erkenning als erkende mestvoerder klasse B. 6. Bij aangetekende brief van 23 augustus 2010 protesteerde de raadsman van appellante tegen de aanmaning om zich in orde te stellen en tegen de gebeurlijke intrekking van erkenning. De VLM werd in gebreke gesteld om tegen 25 augustus 2010 toe te zeggen dat de erkenning niet zou worden ingetrokken, minstens dat appellante in haar verweer zou gehoord worden. 7. De VLM liet bij e-mail van 26 augustus 2010 weten dat de Mestbank zou overgaan tot de intrekking van de erkenning indien zij uiterlijk op 1 september 2010 geen bewijs zou ontvangen dat appellante zich in regel heeft gesteld met de erkenningvoorwaarden als mestvoerder. Het was bovendien niet meer mogelijk om binnen de korte tijdspanne vóór 1 september 2010 een hoorzitting te organiseren. Alleszins bestond de mogelijkheid om tijdens de beroepsprocedure voor de minister gehoord te worden. 8. De raadsman van appellante nam hiervan akte en de vordering in kort geding werd bij exploot van 26 augustus 2010 voor de eerste rechter ingesteld. De eerste rechter heeft deze vordering dus bij de bestreden beschikking van 31 augustus 2010 als ongegrond afgewezen. 9. Bij aangetekende brief van 6 september 2010 werd appellante in kennis gesteld van de intrekking van haar erkenning als mestvoerder: Gelet op voorgaande en de zwaarwichtigheid van de feiten wordt uw erkenning als erkende mestvoerder klasse B ingetrokken met ingang van 6 september 2010 in uitvoering van artikel 19 § 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot het bepalen van de nadere regels voor het vervoer van meststoffen. Deze beslissing tot intrekking wordt binnen de 14 dagen na verzending van deze brief bekend gemaakt in minstens twee dagbladen. U kunt tegen deze beslissing (...) met een aangetekende brief met bericht van ontvangst, beroep aantekenen bij de minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur (...), en dit binnen een termijn van dertig dagen (...) 10. Appellante heeft op 8 september 2010 bij de Vlaamse minister van Leefmilieu beroep aangetekend. Bij ministerieel besluit van 3 november 2010 heeft de minister het beroep ongegrond verklaard. III. Bespreking 1°. Ontvankelijkheid van het hoger beroep 11. Geïntimeerde draagt een exceptie van ontoelaatbaarheid van het hoger beroep voor omdat het verzoekschrift in hoger beroep aan haar op dinsdag 7 september 2010 en aan haar raadsman op 8 september 2010 door de griffie ter kennis werd gebracht. De zaak werd op 10 september 2010 voor de eerste kamer bis van het hof ingeleid, zijnde minder dan twee dagen na de kennisgeving aan haar advocaat. Volgens geïntimeerde is het hoger beroep wegens miskenning van de wachttermijn van twee dagen (artikel 1035, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek) ontoelaatbaar. 12. De kennisgevingen van het verzoekschrift tot hoger beroep gericht aan geïntimeerde zowel als aan haar raadsman (dossier van de rechtspleging, stuk 3) zijn gedateerd op 6 september 2010. De ontvangstbewijzen van deze kennisgevingen zijn op 7 september 2010 gedateerd wat geïntimeerde (te Brussel) betreft en op 8 september 2010 wat de raadsman (te Brugge) betreft. Bij brief van 9 september 2010 heeft de raadsman van geïntimeerde een schriftelijke verklaring van verschijning naar de griffie van het hof verzonden. De raadsman van geïntimeerde heeft zijn cliënte op de zitting van 10 september 2010 vertegenwoordigd en heeft toen een conclusie van 20 bladzijden neergelegd. Het hof heeft op die dag de zaak naar de zitting van de eerste kamer van 27 september 2010 uitgesteld. Ter zitting heeft de raadsman van appellante bovendien gepleit dat hij nog op vroegere datum kopie van zijn verzoekschrift tot hoger beroep aan zijn confrater had gefaxt, wat niet tegengesproken werd. Hieruit leidt het hof af dat het verzuim of onregelmatigheid in de kennisgeving van het verzoekschrift tot hoger beroep alleszins niet tot nietigheid kan leiden nu de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt (artikel 867 van het Gerechtelijk Wetboek.) Het hoger beroep is ontvankelijk. 2°. De urgentie 13. Geïntimeerde betwist het spoedeisend karakter van de vordering in kort geding. Zij stelt dat appellante al bij brief van 1 juni 2010 door de VLM gewaarschuwd werd voor een mogelijke intrekking van haar erkenning als erkende mestvoerder klasse B en dat zij de situatie tot eind augustus ongewijzigd heeft gelaten en zich pas op de valreep tot de kort gedingrechter heeft gewend met de verklaring dat er geen bestuurder kon gevonden worden. 14. Een zaak vertoont het vereiste hoogdringend karakter wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om een schade van bepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen. De vordering is ongegrond wanneer de aangehaalde urgentie te wijten is aan de eisende partij zelf, omdat de eisende partij onnodig lang gedraald heeft om de tegenpartij te dagvaarden. 15. Het staat vast dat schade van een bepaalde omvang door appellante te vrezen is nu zij een groot deel van haar omzet uit het mestvervoer haalt (haalde) en thans dreigt failliet te worden verklaard. Een procedure van gerechtelijke reorganisatie is overigens sinds 29 december 2009 geopend (zie stukken appellante 10 tot 13.) 16. Appellante werd bij brief van 1 juni 2010 in gebreke gesteld om "zich in de regel te stellen met de erkenningsvoorwaarden", en zulks uiterlijk op 1 september 2010. Vóór het verstrijken van deze termijn heeft de raadsman van appellante bij brief van 23 augustus 2010 geprotesteerd tegen elke gebeurlijke intrekking. Nadat de VLM bij e-mailbericht van 26 augustus 2010 antwoordde dat zij haar standpunt handhaafde, heeft appellante onmiddellijk, dit is bij exploot van 26 augustus 2010, de vordering in kort geding ingesteld en gevorderd dat aan geïntimeerde verbod zou worden opgelegd om de erkenning in afwachting van een definitieve uitspraak van de minister en van een gebeurlijk arrest van de Raad van State in te trekken. Hieruit leidt het hof af dat de urgentie niet door de eigen nalatigheid van appellante gecreëerd werd. De eerste rechter oordeelde terecht dat de vordering spoedeisend was. 3°. Voorwerp van de vordering 17. Geïntimeerde houdt voor dat de vordering thans zonder voorwerp is geworden, nu de erkenning van appellante effectief ingetrokken werd (beslissing van 6 september 2010) en dat de Vlaamse minister van Leefmilieu het beroep van appellante tegen deze beslissing als ongegrond afgewezen heeft. 18. In zover de vordering ook ertoe strekt geïntimeerde verbod op te leggen om een gebeurlijke beslissing tot intrekking van de erkenning in afwachting van een arrest van de Raad van State of in afwachting van een definitieve beslissing van de bodemrechter uit te voeren, is zij ongetwijfeld niet zonder voorwerp. 4°. Rechtsmacht van de kort gedingrechter (in hoger beroep) 19. Appellante beroept zich op de onwettigheid van de administratieve beslissing tot intrekking van haar erkenning en op de aanzienlijke schade die deze beweerdelijk foutieve handeling van geïntimeerde in haar hoofde veroorzaakt. De rechter in kort geding is bevoegd om t.a.v. het bestuur, dat zich aan een foutieve aantasting van een subjectief recht schuldig heeft gemaakt, bij voorraad de nodige maatregelen ter bescherming van de rechten van particulieren te nemen , zulks voor zover hij zich niet in de plaats stelt van het bestuur. 5°. Ten gronde 20. De relevante bepalingen uit het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 luiden: Art. 6. Een erkend mestvoerder, ongeacht de klasse waartoe hij behoort, moet op ieder moment voldoen aan de volgende voorwaarden: 1°

  1. a)als het een natuurlijke persoon betreft : de Belgische nationaliteit of de nationaliteit van een andere lidstaat van de Europese Unie bezitten;
  2. b)als het een rechtspersoon betreft : opgericht zijn in overeenstemming met de Belgische wetgeving of met die van een andere lidstaat van de Europese Unie en haar hoofdzetel of haar hoofdvestiging hebben binnen de Europese Unie; 2° voldoen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen in verband met de uitoefening van de werkzaamheid waarvoor de erkenning wordt gevraagd; 3° voldoen aan de sociale en fiscale verplichtingen; 4° beschikken over de nodige informatica- en telefonieverbindingen met de Mestbank, zodat de mestvoerder op ieder moment bereikbaar is, zowel met een fax, als met een door de Mestbank goedgekeurde informaticaverbinding. Een erkend mestvoerder, mag, in de drie aan de ingangsdatum van de erkenning voorafgaande jaren, evenals gedurende de looptijd van de erkenning:
  3. a)geen strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen in het kader van het Mestdecreet, van de verordening nr. 1774/2002 of van de verordening nr. 259/93;
  4. b)in het kader van de uitoefening van zijn werkzaamheden als transporteur of als landbouwer, geen strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen in de lidstaat waar de aanvrager onderdaan van is;
  5. c)geen schorsing of intrekking van de erkenning als erkende mestvoerder of een wijziging van klasse van erkende mestvoerder, als sanctie, hebben opgelopen. Wanneer het een rechtspersoon betreft, dient de voorwaarde, als vermeld in het tweede lid, zowel in hoofde van de rechtspersoon zelf als in hoofde van éénieder die juridisch aansprakelijk is voor de rechtspersoon of die een leidinggevende functie in de rechtspersoon bekleedt, vervuld te zijn. Art. 19. § 1. Als de Mestbank vaststelt dat de mestvoerder niet, niet geheel of niet meer voldoet aan de voorwaarden tot erkenning, als vermeld in de artikelen 6 en 7, zal zij de erkende mestvoerder de verplichting opleggen om zich op straffe van schorsing of intrekking van de erkenning, binnen een termijn van drie maand, in regel te stellen en het bewijs hiervan te leveren. § 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 63 van het Mestdecreet kan de Mestbank de erkende mestvoerder die de bepalingen van het Mestdecreet en haar uitvoeringsbesluiten, de verordening nr. 259/93, de verordening nr. 1774/2002 of de regelgeving van het land of regio van bestemming overtreedt of verzuimt na te leven, de volgende sancties opleggen : 1° een aangetekende brief die geldt als waarschuwing; 2° een schorsing van de erkenning; 3° een intrekking van de erkenning. 21. Artikel 6, tweede alinea, a, bepaalt bijgevolg dat een erkend mestvoerder gedurende de looptijd van de erkenning, geen strafrechtelijke veroordeling mag hebben opgelopen in het kader van het Mestdecreet of van de geciteerde verordeningen. Deze voorwaarde dient vervuld te zijn zowel in hoofde van de rechtspersoon zelf als in hoofde van eenieder die juridisch aansprakelijk is voor de naamloze vennootschap. Zoals hierboven uiteengezet werd de heer J H. bestuurder van appellante, bij vonnis van de correctionele rechtbank te Turnhout, 14de kamer, veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden en tot een geldboete van 300 euro. Deze veroordeling is op 16 juni 2009 definitief geworden. 22. Appellante betwist dat haar bestuurder een veroordeling in de zin zoals bedoeld in artikel 6 van het besluit van 19 juli 2007 heeft opgelopen, te weten een veroordeling in het kader van het Mestdecreet. Volgens appellante impliceert artikel 6 dat de bestuurder een strafrechtelijke veroordeling moet hebben opgelopen op grond van een overtreding op de bepalingen van het Mestdecreet die strafrechtelijk gesanctioneerd zijn. 23. De veroordeling werd uitgesproken uit hoofde van feiten, gepleegd tussen 11 november 2004 en 13 september 2006, van valsheid in geschriften, "namelijk door ... de volgende vervalste mestafzetdocumenten te hebben opgesteld of te laten opstellen betreffende mesttransporten met als afnemer C. G. zonder diens medeweten onder de tekst "Ondergetekende bevestigt de bovenvermelde afname" terwijl in werkelijkheid de afnemer hiervan geen weet had, met het bedrieglijk opzet de Mestbank te misleiden en te verhinderen dat de Mestbank haar controleplicht daadwerkelijk kon uitvoeren en / of te verdoezelen dat meer dan de wettelijk toegelaten nutriënten werden opgebracht op bepaalde percelen, dan wel te bewerkstelligen dat wederrechtelijke mestafzet toch bewezen werd t.a.v. de Mestbank, te weten (etc.)" In het vonnis van 24 juni 2008 motiveerde de correctionele rechtbank o.m.: "Het bijzonder opzet in hoofde van beklaagde is dan ook manifest nu door de handelwijze van beklaagde, de heer C. in het ongewisse bleef omtrent de hoeveelheid mest welk uitgereden werd op zijn gronden en de Mestbank ook duidelijk misleid werd nopens het feit dat de afnemer (C.) met kennis van zaken op bewuste wijze zou hebben toegelaten dat alle mest waarvoor de kwestieuze afzetdocumenten zijn opgesteld op zijn gronden werden uitgereden." Het "Mestdecreet van 22 december 2006 bepaalt o.m. de regels inzake de afzet en het vervoer van mest. De documenten m.b.t. mestafzet worden expliciet in het decreet (artikel 48 § 2) verplicht gemaakt. Geïntimeerde heeft terecht kunnen vaststellen dat het vonnis van 24 juni 2008 een veroordeling in het kader van het Mestdecreet betreft. Dergelijke veroordelingen beperken zich immers niet tot de strafbepalingen die in het decreet opgenomen worden (artikel 70bis.) 24. Geïntimeerde heeft bijgevolg wettig kunnen vaststellen dat de mestvoerder niet, niet geheel of niet meer voldoet aan de voorwaarden tot erkenning, als vermeld in de artikelen 6 en 7 van het decreet van 19 juli 2007. In deze situatie " zal de Mestbank de erkende mestvoerder de verplichting opleggen om zich op straffe van schorsing of intrekking van de erkenning, binnen een termijn van drie maand, in regel te stellen en het bewijs hiervan te leveren, wat zij bij aangetekende brief van 1 juni 2010 dan ook heeft gedaan. De verplichting om zich in de regel te stellen en om dit te bewijzen bestaat duidelijk op straffe van schorsing of intrekking van de erkenning. Artikel 48 § 1 van het Mestdecreet bepaalt inderdaad dat de Mestbank de erkenning van mestvoerders, die de bepalingen van het decreet overtreden of verzuimen na te leven, kan schorsen of intrekken, hetgeen impliceert dat de sanctie niet verplicht is. De beslissing tot intrekking van de erkenning d.d. 6 september 2010 is alleszins niet kennelijk onwettig of onredelijk nu geïntimeerde terecht laat gelden dat appellante niet meer aan de voorwaarden van artikel 6 van het besluit van 19 juli 2007 voldeed, dat de veroordeling betrekking heeft op zware feiten en dat de Mestbank het algemeen belang in het oog dient te houden en malafide praktijken ernstig dient te bestrijden, zo nodig mits het opleggen van zware sancties, vooral als de mestvoerder in het verleden "reeds voor gelijkaardige misdrijven werd veroordeeld" tot een gevangenisstraf (zie vonnis 24 juni 2008, p. 5.) 25. Appellante beroept zich ten slotte op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals o.m. het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel. Zoals hierboven uiteengezet maakt de opgelegde sanctie van intrekking van de erkenning in de concrete omstandigheden van de zaak geen onredelijke of onevenredige beslissing uit. Het bestaan van een toestand van overmacht in hoofde van appellante is alleszins niet aangetoond. Appellante benadrukt dat de Mestbank pas op 1 juni 2010 is opgetreden en een mogelijke intrekking van de erkenning heeft aangekondigd in het geval dat Hagrico zich niet in regel zou stellen, dan wanneer de correctionele veroordeling op 16 juni 2009 definitief is geworden. Hierdoor heeft appellante echter geen nadeel kunnen ondervinden nu zij verder haar activiteiten heeft kunnen uitoefenen en effectief over een bijkomende termijn heeft beschikt om zich in regel te stellen, meer bepaald om een andere bestuurder op te zoeken en aan te stellen. De beslissing tot intrekking van 6 september 2010 werd te dezen niet buiten een redelijke termijn genomen. Ten onrechte stelt appellante dat geïntimeerde in haar brief van 1 juni 2010 al heeft laten verstaan dat de erkenning zou worden ingetrokken en dat zij dus toen "prejugeerde". Geïntimeerde heeft in haar brief van 1 juni 2010 het artikel 19 § 1 van het besluit van 19 juli 2007 geciteerd en zij heeft haar beoordelingsvrijheid niet beperkt. Aldus werd het zorgvuldigheidsbeginsel niet geschonden. Ten slotte heeft geïntimeerde niet de hoorplicht geschonden nu de feitelijke omstandigheden niet zelf in discussie waren en dat appellante op afdoende wijze haar standpunt heeft kunnen verduidelijken, meer bepaald bij de brief van haar raadsman van 23 augustus 2010 en, tijdens de beroepsprocedure, voor de minister. Het verzoek van appellante om gehoord te worden was bovendien bijzonder laattijdig. Het hoger beroep is ongegrond. 26. De gerechtskosten: Partijen begroten hun rechtsplegingsvergoeding op 1.200 euro (niet in geld waardeerbare zaken). De kosten worden ten laste gelegd van appellante die in het ongelijk wordt gesteld. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtsprekende na tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt appellante in de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van haarzelf op 139 euro (rolrechten) + 1.200 euro rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 30 november 2010. Waar aanwezig waren: Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter, Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer, Dhr. M. Debaere, Raadsheer, Mevr. B. Heymans, Griffier. B. Heymans M. Debaere E. Janssens de Bisthoven A. De Preester Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.