← België

ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20101214.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 14 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20101214.1 Rolnummer: 2007AR3225 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-12-14 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-01 14:19 Fiche De langstelvende echtgenoot die in samenloop is met afstammelingen van de decuyus kan geen toepassing maken van artikel 745quter, §2 BW en de blote eigendom van bepaalde goederen inkopen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Onderscheiden orden - Langstlevende echtgenoot Vrije woorden: I. Langstlevende echtgenoot. Vruchtgebruik. Omzetting. Inkoop van blote eigendom. Artikel 745quater, §1 versus §2 BW. II. Inleiding van de vordering bij verzoekschrift. Quid bij toepassing van artikel 807 Ger. W.: omzetting van een vordering tot uitonverdeeldheidtreding in vordering tot omzetting van het vruchtgebruik. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 745quater, §1 en §2 Tekst van de beslissing HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL 1e kamer, A.R. Nr.: 2007/AR/3225 zetelend in burgerlijke zaken, Rep. nr.: 2010/ na beraad, wijst volgend arrest: INZAKE VAN: D. D., appellante, die verschijnt, bijgestaan door Mr. TILLEMANS D. loco r. DEVLIES Carl, advocaat te 3000 LEUVEN, Bondgenotenlaan 132 ; TEGEN:

  1. B. G.,
  2. D. J.,
  3. D. R., geïntimeerden, allen vertegenwoordigd door Mr. BEELEN K. loco Mr. BEELEN Bert, advocaat te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 24 ; OMZETTING VAN VRUCHTGEBRUIK VAN DE LANGSTLEVENDE ECHTGENOOT - INKOOP VAN BLOTE EIGENDOM
  4. De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 18 september 2006 en 3 september
  5. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis van 3 september 2007 werd betekend op 7 november
  6. Mevrouw D. D. heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd op de griffie van het hof op 6 december
  7. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld. De zaak werd behandeld op de zitting van 11 mei 2010 en werd daar in voortzetting gesteld naar de zitting van 17 mei 2010, enkel om de raadsman van geïntimeerden toe te laten de vonnissen van de vrederechter te Grimbergen op grond van artikel 25 van de Pachtwet neer te leggen. De andere stukken die de raadsman heeft neergelegd, een akte van verzet en conclusies, worden uit het beraad geweerd.
  8. De feiten Mevrouw B. is de weduwe van Jan D., overleden op 21 februari
  9. Hun kinderen zijn de heer J. D., de heer R. D. en mevrouw D. D.. Ingevolge het huwelijkscontract van 18 mei 1954, nadien twee maal gewijzigd, waren de echtgenoten gehuwd onder het stelsel van de algemene gemeenschap. Zij waren landbouwers en hadden verscheidene onroerende goederen. De helft daarvan komt toe aan mevrouw B. in volle eigendom. Zij is vruchtgebruikster van de andere helft, waarvan de drie kinderen samen naakte eigenaars zijn. J. D. en D. D. zijn ook landbouwers, en hebben onder meer gronden van de onverdeeldheid in gebruik.
  10. Het onderwerp van de vordering 3.
  11. Op 1 juni 2005 dagvaardden geïntimeerden mevrouw D. D. om de uitonverdeeldheidtreding te horen bevelen met betrekking tot twee onverdeelde goederen. Nadien vorderde mevrouw B. de omzetting van het vruchtgebruik met betrekking tot de landbouwerswoning met hangar en een perceel weide. Geïntimeerden vorderden niet meer de uitonverdeeldheidtreding. Mevrouw D. D. concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering. 3.
  12. Bij vonnis van 18 september 2006 verklaarde de eerste rechter de vordering ontvankelijk en principieel gegrond. Hij beval de heropening van de debatten om partijen toe te laten gegevens te verstrekken over de ligging en de oppervlakte van de weide. In conclusie na het vonnis handhaafde mevrouw B. haar vordering; mevrouw D. D. hernam haar verweer met betrekking tot de onontvankelijkheid en de ongegrondheid van de vordering. Bij vonnis van 3 september 2007 beval de eerste rechter de omzetting van het vruchtgebruik met het oog op toewijzing in volle eigendom aan mevrouw B. van de bedoelde onroerende goederen (een landbouwerswoning, op landbouwgrond, gelegen W.-Straat 43, kadastraal bekend als 352 c en 352 e van wijk C, met een oppervlakte van 1 a 60 ca voor de woning en 11 a 20 ca voor een hangar, en een perceel weide, gelegen W...., kadastraal bekend als nummer 0352 L Wijk C, genaamd " de W...", met een oppervlakte van 1 ha 85 a en 96 ca. 3.
  13. In hoger beroep herneemt mevrouw D. D. haar oorspronkelijke verweer. Geïntimeerden concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidentele vordering vragen zij de veroordeling van mevrouw D. D. tot de betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van 3.000,00 EUR.
  14. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
  15. Mevrouw D. D. laat gelden dat de vordering tot uitonverdeeldheidtreding onontvankelijk is, omdat deze vordering ondeelbaar is en in casu niet alle onverdeelde goederen het voorwerp uitmaakten van de vordering. Dit middel is zonder belang, omdat geïntimeerden niet meer de uitonverdeeldheidtreding vragen. 4.
  16. Vervolgens werpt mevrouw D. D. op dat de vordering tot omzetting van het vruchtgebruik niet ontvankelijk is, omdat dit een nieuwe vordering is die buiten de grenzen gaat van een wijziging of uitbreiding van de vordering overeenkomstig artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek. Zij laat daarbij gelden dat de vordering tot omzetting volgens artikel 745sexies, §2, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek moet ingesteld worden bij verzoekschrift. Dat laatste klopt, maar het sluit op zich niet uit dat de vordering wordt ingesteld bij wijziging van een vordering die is ingeleid door dagvaarding. De toelaatbaarheid van een dergelijke uitbreiding of wijziging wordt beheerst door artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, dat oplegt dat de nieuwe "conclusies berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is". De nieuwe vordering is in deze duidelijk gebaseerd op feiten aangevoerd in de dagvaarding, met name de beëindiging van de huwelijksgemeenschap en het openvallen van de nalatenschap van J. D.. Uiteraard is de omzetting van het vruchtgebruik een ander voorwerp van de vordering, maar dat laat artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek toe. De eerste rechter heeft de vordering dus terecht ontvankelijk verklaard. 4.
  17. Met betrekking tot de grond van de vordering werpt mevrouw D. D. op dat de vordering van mevrouw B. een verkeerd gebruik uitmaakt van het omzettingsrecht van de langstlevende echtgenote, en dat, samengevat, het voorwerp van de vordering tot omzetting, de woning, de weide en een perceel met hangar, niet beantwoordt aan het wettelijk voorwerp van het omzettingsrecht van de langstlevende echtgenoot. De vordering van mevrouw B. tot omzetting van haar vruchtgebruik op drie goederen in volle eigendom maakt inderdaad een verkeerde toepassing van de bepalingen met betrekking tot de rechten van de langstlevende echtgenoot uit artikel 745quater van het Burgerlijk Wetboek, dat luidt als volgt: " § 1 Wanneer de blote eigendom behoort aan de afstammelingen van de vooroverleden echtgenoot, aan zijn geadopteerde kinderen of aan de afstammelingen van dezen, kan de langstlevende echtgenoot of een van de blote eigenaars vorderen dat het vruchtgebruik geheel of ten dele wordt omgezet, hetzij in de volle eigendom van met vruchtgebruik belaste goederen, hetzij in een geldsom, hetzij in een gewaarborgde en geïndexeerde rente. § 2 Wanneer de blote eigendom behoort aan andere personen dan die bedoeld in § 1, kan de langstlevende echtgenoot die omzetting eisen binnen vijf jaar na het openvallen van de nalatenschap. In hetzelfde geval kan hij te allen tijde eisen dat de blote eigendom van de goederen bedoeld in § 4 hem tegen geld wordt overgedragen. De rechtbank kan de omzetting van het vruchtgebruik en de toewijzing van de volle eigendom weigeren, wanneer zulks de belangen van een onderneming of van een beroepsarbeid ernstig zou schaden. Indien de rechtbank het billijk acht wegens omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, kan zij een vordering tot omzetting toewijzen, die is ingesteld door een andere blote eigenaar dan die bedoeld in § 1 of, na de termijn van vijf jaar, door de langstlevende echtgenoot. § 3 De omzetting van het vruchtgebruik van de goederen onderworpen aan het recht van wettelijke terugkeer, kan alleen worden gevorderd door degene die dat recht bezit. § 4 Het vruchtgebruik van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende, en van het daarin aanwezige huisraad, kan niet worden omgezet dan met instemming van de langstlevende echtgenoot. " Mevrouw B. steunt haar vordering tot omzetting op artikel 745quater §1 van het Burgerlijk Wetboek, maar verduidelijkt dat zij daardoor "eigen baas" wil worden van de woning met weide en het perceel met de hangar. Zij vraagt enkel de omzetting van het vruchtgebruik op die drie goederen. Na de verwezenlijking daarvan kan dan, stelt zij, voor de overige goederen een volledige vereffening en verdeling gebeuren. Onder toepassing van artikel 745quater §2 kan de langstlevende echtgenoot eisen dat de blote eigendom van de gezinswoning hem tegen geld wordt overgedragen. Daarbij koopt de langstlevende de blote eigendom in, tegen geld, en behoudt hij voor het overige zijn vruchtgebruik op de overige goederen. Onder toepassing van artikel 745quater §1 kan de langstlevende echtgenoot de omzetting vorderen van het vruchtgebruik geheel of ten dele in de volle eigendom van met vruchtgebruik belaste goederen. Omzetting van het vruchtgebruik in volle eigendom in aanwezigheid van afstammelingen betekent niet dat de langstlevende de blote eigendom met eigen gelden kan inkopen. Bij omzetting in volle eigendom wordt het vruchtgebruik op sommige goederen geruild tegen blote eigendom op andere goederen tot beloop van dezelfde waarde. De langstlevende staat dus aan de kinderen vruchtgebruik op andere erfgoederen af tot beloop van dezelfde waarde als de blote eigendom van de gezinswoning. Inkoop met eigen gelden toestaan zou neerkomen op een echte onteigening van de kinderen. Die kan slechts gevorderd worden in het geval dat uitdrukkelijk door de wet voorzien is, met name artikel 745quater §2, in het geval dat de blote eigendom van de gezinswoning toebehoort aan anderen dan de afstammelingen . Wanneer de langstlevende echtgenoot in samenloop is met kinderen van de overleden echtgenoot, kan de langstlevende de omzetting van zijn vruchtgebruik vragen, op de drie wijzen voorzien in artikel 745quater, §1 van het Burgerlijk Wetboek, en de inkoop van de blote eigendom is daar niet bij. De mogelijkheid van inkoop van de blote eigendom uit artikel 745quater, § 2 geldt niet in de hypothese van samenloop van een langstlevende echtgenoot met afstammelingen van de overledene , zoals hier het geval is. Wat mevrouw B. in deze vordert, is een afgedwongen verkoop van de blote eigendom van de kinderen, en dat recht heeft zij niet. De vordering is dus ongegrond. Gelet op het bovenstaande zijn de overige middelen van partijen zonder belang. 4.
  18. Het hoger beroep is gegrond, en het blijkt niet dat mevrouw D. D. de procedure heeft gevoerd op een wijze die niet verzoenbaar is met het gedrag van een normaal zorgvuldige persoon in dezelfde omstandigheden. De vordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep is dus ongegrond.
  19. De kosten De partijen vragen voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de niet-waardeerbaarheid van de vordering 1.200,00 EUR. Dit is geen vordering tot vereffening en verdeling (meer), zodat er geen reden is om de kosten ten laste te leggen van een massa, zoals de eerste rechter heeft gedaan.
  20. Het beschikkend gedeelte Op grond van de bovenstaande overwegingen neemt het hof volgende beslissing. Het hof verklaart het hoger beroep van mevrouw D. D. ontvankelijk en gegrond als volgt: Verklaart de vordering van mevrouw B. ontvankelijk maar ongegrond, Verklaart de incidentele vordering van geïntimeerden ontvankelijk maar ongegrond. Verklaart geïntimeerden tot de kosten van beide aanleggen, die voor eerste aanleg begroot door de eerste rechter, en die in hoger beroep begroot op 186,00 EUR (rolrechten) + 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 14 december
  21. Waar aanwezig waren: Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter, Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer, Dhr. M. Debaere, Raadsheer, Mevr. B. Heymans, Griffier. B. Heymans M. Debaere E. Janssens de Bisthoven A. De Preester Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.