id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 21 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20101221.4 Rolnummer: 2007AR1751 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-12-22 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-07-01 14:25 Fiche Een waterweg (Schelde) is gebrekkig is wanneer een vreemd voorwerp erin voorkomt, ook al is dit voorwerp geen intrinsiek kenmerk van deze zaak. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Zaken Vrije woorden: Waterweg. Schelde. Drijvende planken. Schade aan schroef van een schip Tekst van de beslissing HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL 1e kamer, A.R. Nr.: 2007/AR/2751 zetelend in burgerlijke zaken, Rep. nr.: 2010/ na beraad, wijst volgend arrest: INZAKE VAN:
- a. V. J., en zijn echtgenote b. A. A. appellanten, beiden vertegenwoordigd door Mr. POELMANS Adry, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Lange Gasthuisstraat 27 ; TEGEN:
- VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Vlaamse Minister bevoegd voor Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 20 bus 1, geïntimeerde, die niet verschijnt noch iemand in haar naam ;
- WATERWEGEN EN ZEEKANAAL N.V., extern verzelfstandigd agentschap van publiek recht, met maatschappelijke zetel te 2830 WILLEBROEK, Oostdijk 10, ingeschreven met KBO-nummer 0254.028.251, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr BOCKSTAEL I. loco Mr. AERTS Paul, advocaat te 9000 GENT, Coupure 5 ; Artikel 1384, eerste lid BW. Planken drijvend op een waterweg (in casu de Schelde) die schade berokkenen aan de schroef van een schip. Een gebrek in de zaak veronderstelt ieder abnormaal kenmerk of abnormale gesteldheid van de zaak waardoor zij ongeschikt wordt voor een normaal gebruik en aan derden schade kan berokkenen. Alle lichamelijke roerende of onroerende goederen kunnen aanleiding geven tot de toepassing van artikel 1384, lid 1 B.W. met uitzondering van de dieren (= artikel 1385 B.W.) en de gebouwen (= 1386 B.W.). Er wordt geen onderscheid gemaakt naargelang de lichamelijke zaak beweeglijk of onbeweeglijk is, gevaarlijk of ongevaarlijk, enkelvoudig of samengesteld is. Het enige relevante criterium is de vraag of de zaak vatbaar is voor bewaking door de persoon die als bewaarder wordt aangesproken. Een samengesteld geheel kan bijgevolg een zaak zijn die onder toepassing valt van artikel 1384, lid 1 B.W. Hieruit volgt dat een waterweg gebrekkig is wanneer een vreemd voorwerp hierin voorkomt, ook al is dit voorwerp geen intrinsiek kenmerk van deze zaak. De oorzaak van het gebrek speelt ook geen rol voor de toepassing van artikel 1384, lid 1 B.W. en het is evenmin van belang of de bewaarder al dan niet kennis heeft van het gebrek. Gelet op de procedurestukken: n het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van koophandel te Brussel op 31 juli 2007, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; n het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 12 oktober 2007; n de hernemende conclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 28 mei 2008; n de syntheseconclusie van de NV Waterwegen en Zeekanaal neergelegd ter griffie op 1 juli
- Gehoord de advocaten van de partijen op de openbare terechtzitting van 15 november
- Ter zitting van 15 november 2010 hebben appellanten afstand gedaan van hun hoger beroep in zoverre gericht tegen het Vlaamse Gewest . Het hoger beroep in zoverre gericht tegen de NV Waterwegen en Zeekanaal werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.
- De oorspronkelijke eis van appellanten strekte ertoe het Vlaamse Gewest te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 16.227,61 euro plus de vergoedende intresten vanaf 12 mei 2000 en de gerechtelijke intresten. De NV Waterwegen en Zeekanaal kwam vrijwillig tussen in het geding en appellanten stelden vervolgens hun oorspronkelijke vordering enkel tegen deze partij in . 1.
- De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard voor zover oorspronkelijk gericht tegen het Vlaamse Gewest en voor zover nadien ingesteld t.o.v. de vrijwillige tussenkomende partij . 1.
- Het hoger beroep van appellanten beoogde aanvankelijk de geïntimeerden te horen veroordelen tot het voorwerp van hun aanvankelijke vordering. Op de zitting van 15 november 2010 hebben appellanten afstand gedaan van hun hoger beroep in zoverre gericht tegen het Vlaamse Gewest. 1.
- De NV Waterwegen en Zeekanaal vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. II. De Feiten. 2.
- De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
- Samengevat komt het hierop neer dat appellanten schippers zijn en eigenaar van het binnenschip "I." dat in een vaste pendeldienst vaart op het transport - traject Antwerpen - Ruien - Antwerpen. Appellanten houden voor dat op 12 mei 2000 tijdens een dergelijke vaart de motor van hun schip uitviel ter hoogte van Zele. Zij wijten dit aan het feit dat in de Schelde ronddrijvende houten planken voorkwamen waardoor de schroef van het schip vastliep. Appellanten hebben het roer kunnen vrijmaken en hebben later een noodreparatie uitgevoerd. Op 22 mei 2000 deden appellanten aangifte van het schadegeval bij hun verzekeraar die op 23 mei 2000 het schadegeval meldde aan het Vlaamse Gewest. Op 20 november 2000 ging een tegensprekelijke expertise door doch enkel wat de omvang van de schade betreft. M.b.t. de aansprakelijkheid maakte het Vlaamse Gewest een voorbehoud. III. Bespreking. 3.
- Appellanten steunen hun vordering op artikel 1384, lid 1 B.W. (= gebrek in de zaak). De eerste rechter was de mening toegedaan - in tegenstelling met appellanten - dat de aanwezigheid van een houten plank in de waterweg geen gebrek in de zaak uitmaakte. Hij voegde er ten overvloede aan toe dat in casu niet eens bewezen was dat de schade veroorzaakt werd door een drijvende houten plank die in de schroef zou zijn terecht gekomen gelet o.a. op het feit dat appellanten slechts na 10 dagen het schadegeval meldden aan hun verzekeraar. 3.
- Het wordt niet betwist dat de NV Waterwegen en Zeekanaal de beheerder en de bewaarder was van de Schelde ten tijde van het ongeval. Bij decreet van 2 april 2004 en bij besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2004 trad tweede geïntimeerde in de rechten en verplichtingen van het Vlaamse Gewest ook voor wat de hangende geschillen betreft. 3.
- Tweede geïntimeerde - hierin gevolgd door de eerste rechter - houdt voor dat niet eens vaststaat dat de schade die het schip onderging te wijten was aan onder water drijvende vreemde voorwerpen. Uit het feit dat appellanten eerst aangifte deden van het ongeval op 22 mei 2000 - d.i. 10 dagen na het schadegeval - kan niet afgeleid worden dat het ongeval zich niet zou hebben voorgedaan zoals door hen beschreven. Appellanten zijn schippers die opdrachten dienen uit te voeren binnen een bepaalde tijdslimiet waardoor zij niet steeds in de materiële mogelijkheid verkeren om hun administratie even snel te verwerken als een gewone burger. Over de schade werd een tegensprekelijk rapport opgesteld op 20 november
- In dit verslag worden de nodige herstellingswerken opgesomd die aantonen dat de schade slechts kan zijn ontstaan door een impact van de boot met een hard voorwerp. De opdracht aan de deskundige bestond er overigens uit om "onder voorbehoud van alle rechten van hun opdrachtgevers en zonder enige nadelige erkenning voor wat de schuldvraag betreft, de schade welke volgens de mededelingen van schipper J. V. zou ontstaan zijn tengevolge een schroefaanslag te Zele op 15 mei 2000 en waarbij betrokken het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, vast te stellen, te begroten en daarover verslag op te stellen". Deze deskundige heeft bijgevolg, overeenkomstig zijn opdracht, enkel die herstellingswerken opgesomd die veroorzaakt werden door een schroefaanslag. Tweede geïntimeerde stelt bijgevolg thans op niet gefundeerde basis de bevindingen van haar eigen expert in vraag en gaat hierbij voorbij aan de door haarzelf omschreven opdracht. Het staat afdoend vast dat de schade aan het schip van appellanten wel degelijk veroorzaakt werd door een impact tussen het schip en een hard voorwerp dat zich in de waterweg bevond. Het bestreden vonnis wordt op dat punt hervormd . 3.
- De eerste rechter was verder de mening toegedaan dat de loutere aanwezigheid van een houten plank in het water op zich geen afwijkend kenmerk van het water is omdat dat water, ondanks de aanwezigheid van die plank, aan zijn model blijft beantwoorden of m.a.w. de houten plank geen blijvend kenmerk is van het water. Een gebrek in de zaak veronderstelt ieder abnormaal kenmerk of abnormale gesteldheid van de zaak waardoor zij ongeschikt wordt voor een normaal gebruik en aan derden schade kan berokkenen. Alle lichamelijke roerende of onroerende goederen kunnen aanleiding geven tot de toepassing van artikel 1384, lid 1 B.W. met uitzondering van de dieren (= artikel 1385 B.W.) en de gebouwen (= 1386 B.W.). Er wordt geen onderscheid gemaakt naargelang de lichamelijke zaak beweeglijk of onbeweeglijk is, gevaarlijk of ongevaarlijk, enkelvoudig of samengesteld is. Het enige relevante criterium is de vraag of de zaak vatbaar is voor bewaking door de persoon die als bewaarder wordt aangesproken. Een samengesteld geheel kan bijgevolg een zaak zijn die onder toepassing valt van artikel 1384, lid 1 B.W. Hieruit volgt dat een waterweg gebrekkig is wanneer een vreemd voorwerp hierin voorkomt, ook al is dit voorwerp geen intrinsiek kenmerk van deze zaak . De oorzaak van het gebrek speelt ook geen rol voor de toepassing van artikel 1384, lid 1 B.W. en het is evenmin van belang of de bewaarder al dan niet kennis heeft van het gebrek. Het bewijs van het bestaan van het gebrek kan rechtstreeks gebeuren of onrechtstreeks, waarbij het slachtoffer alle middelen van recht kan aanwenden. Het indirect bewijs wordt aangevoerd door aan te tonen dat de schade zich niet zou hebben voorgedaan indien de zaak niet door een gebrek was aangetast. In deze staat vast dat de opgelopen averij zich niet zou hebben kunnen voordoen indien zich in de waterweg geen harde objecten hadden bevonden. Het zijn juist die harde voorwerpen die zich in de schroef geboord hebben en de schade hebben veroorzaakt. Het bestreden vonnis wordt bijgevolg ook op dat punt hervormd. 3.
- Appellanten vorderen als schade 401.338 BEF of 9.948,91 euro uit hoofde van herstellingskosten, 222.008 BEF of 5.503,43 euro als dervingsvergoeding (= 22 kalenderdagen) en 31.274 BEF of 775,26 euro uit hoofde van expertisekosten. Tweede geïntimeerde meent dat niet alle 22 kalenderdagen op haar kunnen verhaald worden omdat in die periode ook andere herstellingen werden uitgevoerd ingevolge eerdere schadegevallen. Zij meent ook dat een aftrek dient te gebeuren voor de vetusteit ten beloop van 30% omdat oudere onderdelen vervangen werden door nieuwe. In het reeds geciteerde expertiseverslag wordt de schade ontstaan tengevolge van een schroefaanslag geraamd op 401.338 BEF en wordt een tijdverlet aangenomen vanaf 29 mei 2000 t.e.m. 19 juni 2000, hetzij 22 kalenderdagen. Appellanten vragen niets anders dan wat vastgesteld werd in het desbetreffende verslag. Nergens blijkt uit dat het schip tijdens voornoemde periode andere herstellingen onderging dan deze die omschreven werden als zijnde het gevolg van het ongeval van 12 mei
- De deskundige heeft het evenmin over een mogelijke vetusteit die in mindering zou moeten gebracht worden. Het is de afgevaardigde van de scheepvaartinspectie die onder zijn handtekening in het verslag liet optekenen dat er geen erkenning bestond voor wat de mogelijke vetusteit van de beschadigde onderdelen aanging. De herstellingswerken betreffen een zeer klein gedeelte van het ganse schip en het aanbrengen van een nieuw rooster en een nieuwe schroefas brengt zeker geen meerwaarde met zich mee voor het gehele schip. Het is dan ook terecht dat geen vetusteit in mindering werd gebracht. De vordering van appellanten is derhalve gegrond mits de enkele wijziging dat wat de expertisekosten betreft de intresten slechts beginnen te lopen vanaf de betaling ervan. 3.
- Beide partijen vragen in hoger beroep hen een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen van 1.100 euro wat neerkomt op het basisbedrag. Dit bedrag komt toe aan appellanten samen als de in het gelijk gestelde partijen die vertegenwoordigd worden door dezelfde raadsman. OM DEZE REDENEN HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken, Geeft akte aan appellanten van de afstand van hun hoger beroep in zoverre ingesteld tegen het Vlaamse Gewest. Verklaart het hoger beroep tegen de NV Waterwegen en Zeekanaal ontvankelijk en als volgt gegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre hierin de vordering tegen de NV Waterwegen en Zeekanaal ontvankelijk werd verklaard en de kosten begroot werden, En hervormend voor het overige, Verklaart deze vordering gegrond in de hierna bepaalde mate, Veroordeelt de NV Waterwegen en Zeekanaal om te betalen aan appellanten het bedrag van 16.227,61 euro plus de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet op het bedrag van 15.452,35 euro vanaf 12 mei 2000 en op het bedrag van 775,26 euro vanaf de datum van de effectieve betaling tot de datum van huidig arrest waarna vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan dezelfde intrestvoet. Veroordeelt de NV Waterwegen en Zeekanaal in de kosten van beide aanleggen, in hoger beroep in totaal begroot op 1.286 euro (186 euro rolrechten + 1.100 euro rechtsplegingsvergoeding). Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 21 december
- Waar aanwezig waren: Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter, Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer, Dhr. M. Debaere, Raadsheer, Mevr. B. Heymans, Griffier. B. Heymans M. Debaere E. Janssens de Bisthoven A. De Preester Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div