id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 02 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20210302.8 Rolnummer: 2020/FA/206 Rechtsgebied: Overige - Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2022-08-12 Raadplegingen: 180 - laatst gezien 2026-06-13 17:46 Fiche Een partij die tijdig een aanspraak formuleert en reeds ter ondersteuning van deze aanspraak een aantal stukken bijbrengt, moet de mogelijkheid krijgen om, in het geval er sprake is van betwisting van deze aanspraak door de andere partij, deze aanspraak, die tijdig is geformuleerd, aan de hand van aanvullende stukken verder te ondersteunen. De expliciete keuze voor het Italiaanse huwelijksvermogensstelsel, met een expliciete verwijzing naar artikel 162 Codice Civile in een door partijen ondertekend document, behelst eveneens een rechtskeuze voor het Italiaanse recht overeenkomstig de bepalingen van artikelen 49 en 52 WIPR. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Mededeling van de stukken GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Algemeen (internationaal privaatrecht - wetboek IPR) GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Huwelijksrelatie - Recht toepasselijk op het huwelijksvermogen - Rechtskeuze inzake huwelijksvermogen Tekst van de beslissing INZAKE VAN: A.B., appellant, vertegenwoordigd door mr. BROOTHAERS Walter, advocaat te 3090 OVERIJSE, Esdoornenlaan 5, TEGEN: C.D., geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. APS Febian, advocaat te 3001 HEVERLEE, Ambachtenlaan
- * * * * * * * * * * Gelet op de stukken van de procedure, inzonderheid: - het vonnis van 11 december 2019 op tegenspraak uitgesproken door de familierechtbank bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, waarvan partijen ter zitting verklaren dat dit niet betekend werd; - het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 8 april 2020 waarbij een regelmatig en tijdig hoger beroep werd ingesteld; - de syntheseberoepsconclusie van appellant neergelegd op 13 oktober 2020; - de syntheseberoepsconclusie van geïntimeerde neergelegd op 18 december 2020; - de neergelegde stukken. Voorgaanden
- Partijen traden in het huwelijk te Cagliari (Italië) op 18 december
- Uit voormeld huwelijk zijn twee kinderen geboren, met name: - X., geboren te Ukkel op 26 november 1996; - Y., geboren te Ukkel op 10 februari
- Geïntimeerde ging over tot dagvaarding in echtscheiding op 6 december
- Bij vonnis van de burgerlijke rechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel van 13 mei 2014 werd de echtscheiding tussen partijen uitgesproken op grond van artikel 229, § 2 oud BW. Dit vonnis stelde notaris Tom VERHAEGEN te Overijse aan voor de verrichtingen van vereffening en verdeling. Het echtscheidingsvonnis werd betekend op 30 juni 2013 en is derhalve in kracht van gewijsde getreden op 31 juli
- De echtscheiding werd overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand van Brussel-Stad op 26 augustus
- Op 7 november 2014 werd een proces-verbaal van opening van werkzaamheden opgemaakt door de notaris en op 22 april 2016 een proces-verbaal van verderzetting van de opening van werkzaamheden. Op 3 juni 2016 werd een boedelbeschrijving op verklaring opgemaakt. Partijen verzochten de notaris om standpunt in te nemen over het toepasselijke huwelijksvermogensrecht, waarop de notaris in zijn proces-verbaal opnam dat hij van oordeel was dat het Italiaanse stelsel van scheiding van goederen van toepassing is. In het tussentijdse proces-verbaal van geschillen of moeilijkheden van 16 januari 2019 is de notaris van mening dat partijen overeenkomstig de toepasselijke Italiaanse wetgeving geldig, minstens impliciet, rechtskeuze hebben gedaan voor het Italiaanse recht, en in het bijzonder het Italiaanse stelsel van scheiding van goederen hebben aangenomen. Appellant heeft hierop zwarigheden geformuleerd bij nota van 22 februari
- Geïntimeerde heeft bij schrijven van 23 februari 2019 haar opmerkingen ter kennis gebracht. De notaris heeft een advies opgesteld op 3 mei 2019 waarbij hij repliceert op de zwarigheden opgeworpen door appellant. De notaris maakte vervolgens de zaak aanhangig bij de familierechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Vonnis a quo In het bestreden vonnis van 11 december 2019 van de familierechtbank bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel werd het advies van notaris Tom Verhaegen zoals opgenomen in het proces-verbaal van 3 mei 2019 bevestigd en werd voor recht gezegd dat in deze het Italiaanse recht van toepassing is, meer bepaald het Italiaanse stelsel van scheiding van goederen. De eerste rechter heeft vervolgens het dossier terug overgemaakt aan notaris Tom Verhaegen tot voortzetting van de procedure van vereffening en verdeling. Voorwerp van het hoger beroep. Overeenkomstig zijn conclusie voor het hof vordert appellant het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtsprekende: Voor recht te zeggen dat uitsluitend het Belgische recht van toepassing is op de verrichtingen van vereffening en verdeling van het ontbonden huwelijksvermogensstelsel van partijen en meer bepaald, bij gebreke aan een geldig huwelijkscontract, het Belgische wettelijk stelsel van gemeenschap van goederen, en het dossier met deze richtlijn en beslissing opnieuw naar notaris Tom Verhaegen te zenden voor de voortzetting van de werkzaamheden. Geïntimeerde vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Beoordeling Overwegende dat de wet van 13 augustus 2011 tot hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling in werking is getreden op 1 april 2012; Dat de notaris-vereffenaar werd aangesteld bij vonnis van 13 mei 2014 en de nieuwe procedurewet inzake gerechtelijke vereffening van toepassing is; Dat dit aanstellend vonnis immers als het sleutelmoment wordt beschouwd voor de toepassing van de nieuwe wet van 13 augustus
- Aangaande de tijdige mededeling van stukken 1.
- Overwegende dat appellant van oordeel is dat de notaris in diens advies nopens het tussengeschil ten onrechte rekening heeft gehouden met de stukken die door geïntimeerde op 7 augustus 2018 werden meegedeeld; Dat appellant van oordeel is dat overeenkomstig de afgesproken kalender, de aanspraken en stukken van partijen uiterlijk tegen 8 april 2018 overgemaakt moesten worden; Dat appellant van oordeel is dat er, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1220, § 1 en 1222, §2 Ger.W., geen rekening gehouden mag worden met deze laattijdig meegedeelde stukken; Dat appellant verder van oordeel is dat dit evenmin nieuwe stukken zijn in de zin van artikel 1219 Ger.W. 1.
- Overwegende dat geïntimeerde van oordeel is dat er tussen partijen werd afgesproken om de procedure van het tussengeschil te volgen, dat in het kader van dit tussengeschil een nieuwe kalender werd afgesproken voor de mededeling van stukken, dat de nieuwe stukken waarvan sprake reeds voordien waren meegedeeld en er aldus geen sprake is van laattijdige mededeling van stukken; Dat geïntimeerde verder opwerpt dat zij in ieder geval bijkomende en aanvullende stukken kan bijbrengen voor een aanspraak die tijdig geformuleerd werd of een zwarigheid die tijdig geformuleerd was. 1.
- Overwegende dat de notaris in diens advies van oordeel is dat in zoverre het voorliggende geschil, met name de aanwijzing van het toepasselijke huwelijksvermogensrecht, onderworpen zou zijn aan de sanctieregeling zoals bepaald in artikel 1220, §1 Ger.W., het door geïntimeerde bijgebrachte afschrift van de huwelijksakte opgemaakt door de parochiepriester van Cagliari een nieuw stuk is van overwegend belang waarmee overeenkomstig artikel 1120, §1 Ger.W. rekening moet worden gehouden. 1.
- Overwegende dat de eerste rechter eveneens van oordeel is dat de door geïntimeerde overgemaakte stukken niet geweerd moeten worden. 1.
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 1217 Ger.W. de notaris-vereffenaar bij de opening van de werkzaamheden met alle partijen geheel of gedeeltelijk het tijdschema bepaalt voor het verdere verloop van de gerechtelijke verdeling, tenzij zij van de bepaling van dergelijk tijdschema afzien; Dat de overeengekomen termijnen worden vermeld in het proces-verbaal van opening van de werkzaamheden of in latere processen-verbaal, wat de termijnen betreft die in de loop van de procedure worden overeengekomen; Dat elk proces-verbaal de dag en het uur waarop of de termijn waarbinnen de volgende verrichting zal plaatsvinden vermeldt; Overwegende dat in het proces-verbaal van afsluiting van de opening van werkzaamheden van 8 februari 2018 bepaald werd dat partijen uiterlijk tegen 8 april 2018 mededeling moesten doen van hun definitieve aanspraken en hun stukken. 1.
- Overwegende dat geïntimeerde in haar tijdige nota met aanspraken reeds expliciet vermeldt dat het Italiaanse recht van toepassing is op de vereffening en verdeling en meer bepaald het Italiaanse stelsel van scheiding van goederen zoals bepaald door de artikelen 215-219 Codice Civile; Dat geïntimeerde alsdan, ter ondersteuning van dit standpunt, de huwelijksakte als stuk bijbracht, afgeleverd door de ambtenaar van de burgerlijke stand van Cagliari op 20 oktober 2011; Dat geïntimeerde in haar tijdige nota liet gelden dat partijen aldus expliciete rechtskeuze hadden gedaan zich naar het Italiaanse recht te gedragen. 1.
- Overwegende dat appellant in zijn tijdige nota met aanspraken stelt dat: - partijen huwden voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Cagliari; - er geen huwelijkscontract bestaat; - ze het met elkaar eens zijn dat ze met elkaar huwden onder het stelsel van scheiding van goederen (zie nota pagina 1 onder relevante feitelijke gegevens en procedurevoorgaanden); - de vereffening en verdeling moet gebeuren met toepassing van de regels van het Belgische recht en het Belgische stelsel van scheiding van goederen omdat partijen geen expliciete rechtskeuze hebben gedaan om zich naar Italiaans recht te gedragen; - dergelijke rechtskeuze moet gebeuren overeenkomstig artikel 52, eerste lid WIPR in een gedateerd en een door beide echtgenoten ondertekend document, wat volgens appellant niet bestond. 1.
- Overwegende dat geïntimeerde vervolgens aan de notaris bij brief van 10 april 2018 te kennen gaf dat nopens het toepasselijke recht een tussengeschil was gerezen en het aangewezen was dat dienaangaande een tussentijds geschil zou worden opgeworpen voor de rechtbank; Dat op 30 mei 2018 een proces-verbaal werd opgesteld van meegedeelde stukken en aanspraken door de notaris; Overwegende dat appellant bij brief van 1 juni 2018 te kennen gaf dat, nu er over het toepasselijke recht, wat een essentieel geschilpunt is, tussen partijen geen overeenstemming kon worden bereikt, deze rechtsvraag, voorafgaandelijk aan de verdere verrichtingen van de vereffening en verdeling, ter berechting aan het oordeel van de rechtbank onderworpen moest worden bij tussentijds proces-verbaal overeenkomstig artikel 1216, §1 Ger.W.; Dat appellant bij dit schrijven als stuk een afschrift voegde van een arrest van het hof van beroep te Luik van 22 oktober 2014 waarop hij zich steunde om zijn aanspraak te staven dat het Belgische recht van toepassing was en hij aldus zelf een aanvullend stuk overmaakte (buiten de oorspronkelijke termijnen) ter staving van zijn tijdig geformuleerde aanspraak; Dat appellant bij schrijven van 7 augustus 2018 gericht aan de notaris aandrong om dit geschil te beslechten via een tussentijds proces-verbaal; Overwegende dat geïntimeerde een replieknota opstelde en antwoordde dat er wel degelijk een gedateerd en door beide echtgenoten ondertekend geschrift voorhanden is en geïntimeerde voor de volledigheid een afschrift van de huwelijksakte voegde waarop zowel haar handtekening als die van appellant was geplaatst; Dat appellant vervolgens op 8 augustus 2018 een replieknota opstelde en opwierp dat het bijgebracht afschrift van de huwelijksakte een laattijdig bijgebracht stuk was waarmee geen rekening gehouden kon worden. 1.
- Overwegende dat de notaris vervolgens een tussentijds proces-verbaal van geschillen of moeilijkheden heeft opgesteld op 16 januari 2019 met zijn standpunt nopens het toepasselijke recht; Dat dit proces-verbaal aan partijen werd verzonden op 23 januari 2019; Dat de notaris van oordeel is dat partijen expliciet rechtskeuze hebben gedaan voor het Italiaanse recht en in het bijzonder het Italiaans stelsel van scheiding van goederen hebben aangenomen; Dat in datzelfde proces-verbaal werd bepaald dat partijen binnen de maand (na verzending op 23 januari 2019) hun opmerkingen konden formuleren; Dat appellant zijn opmerkingen tijdig formuleerde op 22 februari 2019 en geïntimeerde tijdig haar opmerkingen formuleerde op 23 februari
- 1.
- Overwegende dat het hof samen met de notaris en de eerste rechter van oordeel is dat het afschrift van de huwelijksakte van partijen, dat door hen beiden voor de parochiepriester werd ondertekend, niet als laattijdig geweerd moet worden; Dat artikel 1216, §2 Ger.W. immers bepaalt dat: ‘Behoudens andersluidend akkoord van alle partijen en van de notaris-vereffenaar betreffende de navolgende termijn, betekent de notaris-vereffenaar aan de partijen bij gerechtsdeurwaardersexploot of stuurt hij ze bij aangetekende brief of overhandigt hij ze tegen gedagtekend ontvangstbewijs een afschrift van het tussentijds proces-verbaal bedoeld in § 1, binnen twee maanden na de vaststelling van de geschillen of moeilijkheden die bepalend waren voor de opstelling van voornoemd proces-verbaal. Hij stuurt eveneens binnen dezelfde termijn een afschrift van dit proces-verbaal aan hun raadslieden bij gewone brief, fax of elektronische post. De notaris-vereffenaar nodigt gelijktijdig de partijen uit om hem hun standpunten betreffende de vastgestelde geschillen of moeilijkheden mee te delen.' Dat hieruit en uit hetgeen vermeld in punt 1.
- volgt dat partijen na de mededeling van het tussentijdse proces-verbaal nog beschikten over een maand om hun standpunten mee te delen; Dat deze termijn kadert in de procedure van het tussentijdse geschil dat, met akkoord van de beide partijen, door de notaris aan de eerste rechter werd voorgelegd voorafgaand aan de verdere afhandeling van de vereffening en verdeling; Dat bijgevolg wordt afgeweken van de oorspronkelijke termijnen zoals opgenomen in het proces-verbaal van afsluiting van de opening van werkzaamheden van 8 februari
- 1.
- Overwegende dat het hof verder vaststelt dat geïntimeerde tijdig haar aanspraken formuleerde, namelijk reeds voorafgaand aan 8 april 2018 en geïntimeerde daar reeds liet gelden dat het Italiaanse recht van toepassing was en partijen het Italiaanse stelsel van scheiding van goederen hadden gekozen; Dat zij ter ondersteuning van haar aanspraak een afschrift van de huwelijksakte afgeleverd door de ambtenaar van de burgerlijke stand voegde als stuk; Dat appellant in zijn nota opwierp dat het Belgische recht van toepassing was omdat er geen gedateerd en door partijen ondertekend document was, waarbij zij expliciete rechtskeuze deden voor het Italiaanse recht; Overwegende dat geïntimeerde vervolgens, ter ondersteuning van haar tijdig geformuleerde aanspraak en in aanvulling op het reeds neergelegde stuk, op 8 augustus 2018 een bijkomend stuk meedeelde, namelijk een afschrift van de door beide partijen voor de parochiepriester ondertekende huwelijksakte, die gedateerd is en waarbij beide echtgenoten voor het Italiaanse stelsel van scheiding van goederen kiezen; Dat dit bijgevolg geen nieuwe aanspraak/nieuw standpunt betreft, maar een bijkomend stuk ter ondersteuning van een tijdig geformuleerde aanspraak en in antwoord op en ter neerlegging van de nota van appellant, waar deze beweerde dat er geen door beide partijen ondertekende huwelijksakte was; Dat appellant dit stuk bij het afsluiten van het huwelijk voor de parochiepriester in Cagliari wel degelijk heeft ondertekend en hij bijgevolg kennis had of moest hebben van dit stuk; Dat het hof van oordeel is dat een partij die tijdig een aanspraak formuleert en reeds ter ondersteuning van deze aanspraak een aantal stukken bijbrengt, de mogelijkheid moet krijgen om, in het geval er sprake is van betwisting van deze aanspraak door de andere partij, deze aanspraak, die tijdig is geformuleerd, aan de hand van aanvullende stukken verder te ondersteunen; Overwegende dat het hof samen met de notaris en de eerste rechter, gelet op voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd, dan ook van oordeel is dat dit stuk niet laattijdig is.
- Aangaande het toepasselijke recht 2.
- Overwegende dat appellant van oordeel is dat het Belgische recht van toepassing is en appellant nu stelt dat het Belgische wettelijk stelsel van toepassing is; Dat appellant stelt dat: - geïntimeerde, hierin ten onrechte gevolgd door de notaris en de eerste rechter, het onderscheid tussen een rechtskeuze en huwelijkse voorwaarden miskent, terwijl volgens een constante rechtspraak en rechtsleer de rechtskeuze door de echtgenoten voor een bepaalde nationale wetgeving duidelijk onderscheiden moet worden van een keuze voor bepaalde huwelijkse voorwaarden ( zoals de scheiding van goederen) die in verschillende Staten gangbaar zijn en op grond van artikel 52 WIPR een schriftelijke rechtskeuzeovereenkomst vereisen, waarin de partijen uitdrukkelijk bepalen en geldig vrijelijk, met een bewezen volwaardige wilsovereenstemming, overeenkomen welk recht op het door hun gekozen huwelijksvermogensstelsel van toepassing is; - geïntimeerde, hierin ten onrechte gevolgd door de notaris en de eerste rechter, de wettelijk dwingend vastgelegde formele geldigheidsvoorwaarden van een rechtskeuzeovereenkomst miskent, daar waar in het specifieke geval van partijen een rechtskeuze minstens en in ieder geval diende te geschieden bij een schriftelijke, gedagtekende en een door beide echtgenoten ondertekende overeenkomst, waardoor de rechtskeuze wordt vastgelegd; dat er aan deze vormvoorwaarde ontegensprekelijk niet is voldaan in het door geïntimeerde (volgens hem laattijdig) overgelegde afschrift van de kerkelijke huwelijksakte en een door beide echtgenoten ondertekende en gedagtekende schriftelijke overeenkomst een wettelijk vastgelegde vormvoorwaarde is voor het geldig bestaan van een overeengekomen rechtskeuze, die tot doel heeft te waarborgen dat de wilsovereenstemming tussen de partijen met zekerheid vaststaat; - nu de wet voor een rechtskeuzeovereenkomst een bijzondere verplichte vorm voorschrijft, geïntimeerde zich vruchteloos, met een miskenning van het aangaande het beweerde bestaan van een rechtskeuzeovereenkomst schriftelijk te leveren bewijs, beroept op de in de huwelijksakte opgenomen, door de echtgenoten niet ondertekende verklaring van een derde (de priester); dat volgens appellant die verklaring geenszins voldoet aan het toepasselijke recht inzake de formele geldigheid van een rechtskeuzeovereenkomst en die dan ook helemaal geen formeel geldige rechtskeuzeovereenkomst inhoudt en waaruit, bij gebreke aan enige inspraakmogelijkheid aangaande de juiste inhoud van de op de kerkelijke huwelijksakte door de priester bijgevoegde verklaring, laat staan - bij gebreke aan een ondertekening ervan door de echtgenoten - de bewezen aanvaarding ervan, niet met zekerheid en niet zonder een miskenning van het bewijsrecht en de bewijslast rustend op geïntimeerde, wettig en gerechtvaardigd met de vereiste zekerheid kan worden afgeleid dat partijen autonoom en met een volwaardige vrije wilsovereenstemming, die ontegensprekelijk vereist is voor de geldige totstandkoming van een overeenkomst, zijn overeengekomen welk recht er op hun huwelijksvermogenstelsel van toepassing zou zijn; - geïntimeerde het algemeen rechtsbeginsel miskent volgens hetwelk, indien de wet voor het aangaan van een rechtskeuzeovereenkomst een bijzondere verplichte vorm voorschrijft, de wilsuiting en de daartoe vereiste autonome en volwaardige wilsovereenstemming niet impliciet kan zijn, laat staan afgeleid zou kunnen worden uit feiten verklaard door een priester die ontegensprekelijk voor een verschillende uitlegging vatbaar zijn en waaruit niet met de vereiste zekerheid een rechtskeuze kan worden afgeleid. 2.
- Overwegende dat geïntimeerde van oordeel is dat er toepassing moet worden gemaakt van artikel 127, §2 WIPR, dat bepaalt dat indien partijen voorafgaand aan de inwerkingtreding van het WIPR rechtskeuze deden, deze oudere rechtskeuze wordt gevalideerd; Dat geïntimeerde van oordeel is dat er wel degelijk een door beide partijen ondertekend document voorhanden is waarbij beide partijen, niet impliciet, maar expliciet rechtskeuze hebben gedaan door te kiezen voor het Italiaanse stelsel van scheiding van goederen; Dat de wilsuiting van partijen dienaangaande volgens geïntimeerde voor geen enkele andere interpretatie vatbaar is; Dat partijen huwden in Cagliari (Italië), waar geïntimeerde woonde en waar partijen een onroerend goed hadden, en zij volgens geïntimeerde gekozen hebben voor het Italiaanse stelsel van scheiding van goederen. 2.
- Overwegende dat zowel de notaris als de eerste rechter van oordeel zijn dat er een door beide partijen ondertekend en gedateerd document voorligt, waaruit blijkt dat partijen rechtskeuze hebben gedaan voor het Italiaanse recht en voor het Italiaanse stelsel van scheiding van goederen. 2.
- Overwegende dat partijen gehuwd zijn vóór de inwerkingtreding van het Wetboek op het internationaal privaatrecht maar deze wet in artikel 127, §2 WIPR bepaalt dat een door de partijen vóór de inwerkingtreding van deze wet gedane rechtskeuze geldig is indien zij voldoet aan de voorwaarden van deze wet, dat wil zeggen van het WIPR; Dat het hof bijgevolg onderzoekt of er door partijen rechtskeuze werd gedaan; Overwegende dat het hof, bij de beoordeling ervan, aldus rekening houdt met: - artikel 49 WIPR dat bepaalt: §1 Het huwelijksvermogen wordt beheerst door het recht dat de echtgenoten kiezen. § 2 De echtgenoten kunnen slechts een van de volgende rechtsstelsels aanwijzen: 1° het recht van de Staat op wiens grondgebied zij na de voltrekking van het huwelijk hun eerste gewone verblijfplaats vestigen; 2° het recht van de Staat op wiens grondgebied een van hen op het tijdstip van de keuze zijn gewone verblijfplaats heeft; 3° het recht van de Staat waarvan een van hen op het tijdstip van de keuze de nationaliteit heeft. - artikel 50 WIPR dat bepaalt: § 1 De rechtskeuze kan worden gedaan vóór de voltrekking van het huwelijk of tijdens het huwelijk. Zij kan een eerdere keuze wijzigen. § 2 De keuze moet gebeuren overeenkomstig artikel 52, eerste lid. Zij moet het gehele vermogen van de echtgenoten betreffen. § 3 De uit de keuze van de echtgenoten voortvloeiende wijziging van het toepasselijk recht heeft slechts gevolg voor de toekomst. De echtgenoten kunnen anders beslissen, maar mogen de rechten van derden niet schaden. - artikel 52 WIPR dat bepaalt: De keuze van een huwelijksvermogensstelsel is naar de vorm geldig indien zij in overeenstemming is ofwel met het op het huwelijksvermogen toepasselijk recht ten tijde van de keuze, ofwel met het recht van de Staat op wiens grondgebied zij is gedaan. Zij moet ten minste in een gedateerd en door beide echtgenoten ondertekend geschrift worden vastgesteld. 2.
- Overwegende dat uit de stukken van het dossier blijkt dat: - appellant de Braziliaanse nationaliteit heeft en geïntimeerde de Italiaanse nationaliteit; - geïntimeerde afkomstig is van Cagliari (Italië)en daar opgroeide; - partijen ervoor kozen te huwen in Cagliari; - partijen hun huwelijk aangingen voor een priester en (anders dan in het Belgische recht) voor deze priester een akte werd ondertekend door partijen, de priester en getuigen, die vervolgens werd overgemaakt aan de diensten van de burgerlijke stand; - in casu dergelijk document werd ondertekend door de beide echtgenoten op 20 december 1993 en dit document eveneens werd ondertekend door de priester en door vier getuigen; - dit document expliciet vermeldt dat partijen kiezen voor het stelsel van scheiding van goederen en deze vermelding op deze akte nogmaals ondertekend werd door de priester; - dit document vervolgens werd overgemaakt aan de dienst van de burgerlijke stand te Cagliari en hierbij eveneens vermeld werd dat beide echtgenoten kozen voor het Italiaanse stelsel van scheiding van goederen; - naar Italiaans recht (het recht van de plaats waar het document werd ondertekend), namelijk artikel 162 Codice Civile, de keuze voor een stelsel zonder enige notariële akte kan gebeuren; - de keuze voor het Italiaanse stelsel van scheiding van goederen gebeurde overeenkomstig de naar Italiaans recht opgelegde voorwaarden. 2.
- Overwegende dat de partijen aldus kozen voor het huwelijksvermogensstelsel van het recht van de Staat op wiens grondgebied één van hen op het tijdstip van de keuze zijn gewone verblijfplaats heeft, namelijk Italië, waar geïntimeerde ten tijde van het huwelijk haar gewone verblijfsplaats had (zie huwelijksakte); (artikel 49, §2, 2° WIPR) en de echtgenoten deze keuze deden op het ogenblik van het voltrekken van het huwelijk (artikel 50, §1 WIPR); Dat de huwelijkskeuze ook naar de vorm geldig is vermits het voor de priester ondertekende (voorgedrukt) document overeenstemt met de naar Italiaans recht opgelegde voorwaarden (artikel 162 Codice Civile dat bepaalt: "La scelta del regime di separazione può anche essere dichiarata nell'atto di celebrazione de l matrimonio" Vrije vertaling : "De keuze voor het stelsel van scheiding van goederen kan ook worden gedaan n.a.v. de sluiting van het huwelijk"; Overwegende dat het feit dat een latere Italiaanse wetgeving, namelijk Wet nr. 218 van 31 mei 1995, aan de rechtskeuze van het toepasselijke recht andere formaliteiten heeft verbonden - zo onder meer de medeondertekening door een tolk - niets afdoet aan het feit dat ten tijde van de huwelijkssluiting voldaan is aan de alsdan geldende formele voorwaarden van het recht van de Staat op wiens grondgebied één van hen op het tijdstip van de keuze zijn gewone verblijfplaats heeft; Dat deze wet immers pas in werking is getreden op 1 september 1995, terwijl de keuze van partijen in casu dateert van 18 december
- 2.
- Overwegende dat er in ieder geval een gedateerd en door beide partijen ondertekend document voorligt (artikel 52 WIPR); Dat het feit dat partijen het document ondertekenden boven (en niet onder) de vermelding van de keuze voor het Italiaanse stelsel van scheiding van goederen, niets afdoet aan het feit dat dit document de handtekeningen van de partijen bevat en bovendien de priester de keuze voor het stelsel van scheiding van goederen onderaan nogmaals handtekende; Dat appellant geen elementen bijbrengt waaruit blijkt dat er naar Italiaans recht formele voorwaarden zijn om onderaan het document te handtekenen, er geen valsheid van geschrifte is opgeworpen en er uit geen enkel tegensprekelijk vastgestelden objectief element van het dossier blijkt dat het stuk vals zou zijn of de keuze voor het Italiaanse stelsel van scheiding van goederen achteraf zou zijn aangebracht; Dat dienaangaande trouwens opgemerkt wordt dat ook appellant in zijn aanvankelijke nota met aanspraken en zelfs in zijn nota en replieknota nopens het tussengeschil, steeds gewag maakte van het feit dat partijen gehuwd waren onder het stelsel van scheiding van goederen. 2.
- Overwegende dat de expliciete keuze voor het Italiaanse huwelijksvermogensstelsel, met een expliciete verwijzing naar artikel 162 Codice Civile in het door partijen ondertekende document, eveneens een rechtskeuze voor het Italiaanse recht behelst overeenkomstig de bepalingen van artikelen 49 en 52 WIPR. 2.
- Overwegende dat er geen sprake is van bewezen dwaling, bedrog of een ander wilsgebrek; Dat appellant dienaangaande in ieder geval geen overtuigende, bewijskrachtige en tegensprekelijke elementen bijbrengt; Dat de tekst van het document verder duidelijk is en niet voor een andere interpretatie vatbaar is, daar waar het duidelijk vermeldt dat partijen kiezen voor het Italiaanse stelsel van scheiding van goederen; Dat het hof van oordeel is dat er in casu aldus sprake is van een door beide partijen ondertekend document, dat werd opgesteld naar Italiaans recht (artikel 162 Codice Civile), dat er geen sprake is van bewezen wilsgebreken en dat er evenmin sprake is van formele gebreken (het document bevat een datum en de vereiste handtekeningen); Dat partijen aldus wel degelijk expliciet voor het Italiaanse recht en voor het Italiaanse stelsel van scheiding van goederen hebben gekozen; Dat, gelet op voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd, het hoger beroep ongegrond is. Aangaande de gerechtskosten Stelling van partijen Overwegende dat appellant vordert de kosten ten laste van de massa te leggen; Dat geïntimeerde vordert appellant te veroordelen tot de kosten van hoger beroep met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 1.440 euro. Beoordeling Overwegende dat de eerste rechter terecht de kosten van het geding begroot op 100 euro ten laste van de massa heeft gelegd en de rechtsplegingsvergoedingen heeft gecompenseerd, vermits de wederzijdse oorspronkelijke vorderingen deels gegrond en deels ongegrond werden verklaard; Overwegende dat gelet op het ongegrond hoger beroep het past appellant te veroordelen tot de gedingkosten van het hoger beroep, inbegrepen een rechtsplegingsvergoeding van 1.440 euro. OM DEZE REDENEN Het hof, 42e kamer (familiekamer) Rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond; Zendt de zaak terug naar notaris Tom Verhaegen te Overijse ter verderzetting van de verrichtingen van vereffening en verdeling; Veroordeelt appellant in de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van appellant op 20 euro bijdrage Begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand, en in hoofde van geïntimeerde op 1.440 euro rechtsplegingsvergoeding; Veroordeelt overeenkomstig artikel 269/2 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten appellant tot betaling aan de Belgische Staat, FOD Financiën, van het rolrecht hoger beroep ten bedrage van elk 400 euro. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van 42ste kamer, familiekamer van het hof van beroep te Brussel op 02 MAART
- Waar aanwezig waren: P. SENAEVE, voorzitter, J. DANCKAERTS, raadsheer, V. AELBRECHT, raadsheer, H. COEYMANS, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div