id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 08 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20210308.4 Rolnummer: 2016AR1507 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2022-05-03 Raadplegingen: 159 - laatst gezien 2026-06-13 17:52 Fiche Bij toepassing van het K.B. van 10 december 1987 konden financiële instellingen met het vroegere Fonds voor beroepsziekten (thans Fedris) een overeenkomst afsluiten om aan hun cliënten rekeningen aan te bieden waarop de vergoedingen voor beroepsziekten konden worden overgeschreven. Volgens deze eenvormige overeenkomst dient de bankinstelling (
- a)het Fonds te verwittigen van het overlijden van de begunstigde van de vergoeding voor een beroepsziekte en (
- b)ingeval van een onverschuldigde betaling namens het Fonds, over te gaan tot terugbetaling van het onverschuldigde. De bijzondere verjaringstermijn van 3 jaar is echter niet van toepassing op deze onverschuldigde betalingen. Artikel 44 § 2 van de beroepsziektenwet heeft enkel betrekking op de begunstigde van uitkeringen ten laste van het Fonds en niet op financiële instellingen. Op deze laatste is de tienjarige verjaringstermijn (artikel 2262bis (oud) B.W.) van toepassing. In de relatie tussen de bank en de begunstigden (of hun nabestaanden) geldt de driejarige verjaringstermijn wel, waardoor een vrijwarings- of regresvordering niet meer kan plaatsvinden. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Oneigenlijke contracten - Onverschuldigde betaling SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Beroepsziekte - Overheidsdiensten - Verjaring SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Beroepsziekte - Fonds voor beroepsziekten Vrije woorden: Verzekeringen, K.B. van 10 december 1987, Fedris, uitkering polis, onverschuldigde betaling na overlijden rechthebbende, recht tot terugvordering, terugbetaling met eigen fondsen, verjaring, artikel 44 §2 beroepsziektenwet, informatieplicht financiële instelling. Tekst van de beslissing ARREST N° Het hof van beroep te Brussel, burgerlijke eerste kamer, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2021/ A.R. nr. 2016/AR/1507 INZAKE VAN : De NV AXA BANK BELGIUM (voorheen AXA BANK EUROPE), ON 0404.476.835, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Troonplein 1, appellante, vertegenwoordigd door Meester LOUBKINE Alexei, advocaat te 1050 ELSENE, Louizalaan 221; tegen : 1. Het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR BEROEPSRISICO'S (FEDRIS) en voorheen HET FONDS VOOR DE BEROEPSZIEKTEN, openbare instelling van sociale zekerheid, met zetel te 1210 BRUSSEL, Sterrenkundelaan 1, Eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester RAATS Michel, advocaat te 1150 SINT-PIETERS-WOLUWE, Tervurenlaan 270; 2. A.A., vertegenwoordigd door Meester E. STAPPERS loco Meester GEUKENS Rik, advocaat te 3700 TONGEREN, Moerenstraat 1; 3. A.B., overleden op 17 juli 2019, voor wie het geding hervat wordt door zijn wettige erfgenamen, zijnde : a. A.C., , b. A.D., , c. A.E., d. A.F., vertegenwoordigd door mr. GEUKENS Rik, advocaat te 3700 TONGEREN, Moerenstraat 1 geïntimeerden, Meester E. STAPPERS loco Meester GEUKENS Rik, advocaat te 3700 TONGEREN, Moerenstraat 1; 4. A.G., Vierde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester E. STAPPERS loco Meester GEUKENS Rik, advocaat te 3700 TONGEREN, Moerenstraat 1; 5. A.H., Vijfde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester E. STAPPERS loco Meester GEUKENS Rik, advocaat te 3700 TONGEREN, Moerenstraat 1; 6. A.I., Zesde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester E. STAPPERS loco Meester GEUKENS Rik, advocaat te 3700 TONGEREN, Moerenstraat 1; 7. A.J., Zevende geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester E. STAPPERS loco Meester GEUKENS Rik, advocaat te 3700 TONGEREN, Moerenstraat 1; 8. A.K., Achtste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester E. STAPPERS loco Meester GEUKENS Rik, advocaat te 3700 TONGEREN, Moerenstraat 1 9. A.L., Negende geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester LIMME An-Sofie, advocaat te 1853 STROMBEEK-BEVER, De Villegas de Clercampstraat 182; 10. A.M., Tiende geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester LIMME An-Sofie, advocaat te 1853 STROMBEEK-BEVER, De Villegas de Clercampstraat 182; --------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Gelet op de procedurestukken: het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 6 juni 2016, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 12 september 2016; de syntheseconclusie van geïntimeerde sub 1 neergelegd ter griffie op 7 augustus 2017; de syntheseconclusie van appellante neergelegd ter griffie op 23 oktober 2017; de syntheseconclusie van geïntimeerden sub 2 t.e.m. 8 neergelegd ter griffie op 21 november 2017; de syntheseconclusie van geïntimeerden sub 9 en 10 neergelegd ter griffie op 23 november 2017; de akte van gedinghervatting neergelegd ter zitting van 18 januari 2021 ingevolge het overlijden van A.B. (= oorspronkelijke geïntimeerde sub 3) op 17 juli 2019. Gehoord de advocaten ter zitting van 18 januari 2021 en gelet op de door partijen neergelegde stukken waarna de zaak in beraad werd genomen voor uitspraak op uiterlijk 1 maart 2021. Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. De oorspronkelijke eis van huidige geïntimeerde sub 1 strekte ertoe appellante te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 31.449,55 euro plus intresten. Appellante verzocht om
(1)deze vordering minstens deels onontvankelijk te verklaren wegens verjaring,
(2)te zeggen voor recht dat zij niet met haar eigen vermogen gehouden kan zijn tot terugbetaling aan geïntimeerde sub 1,
(3)haar vrijwaringsvordering gericht tegen geïntimeerden sub 2 t.e.m. 10 gegrond te verklaren,
(4)de tussenvorderingen ingesteld door geïntimeerden sub 2 t.e.m. 10 tegen haar ongegrond te verklaren en
(5)haar tegenvordering gericht tegen geïntimeerde sub 1 tot terugbetaling van het te veel betaalde in het dossier A.N. gegrond te verklaren. Geïntimeerden sub 2 t.e.m. 8 vroegen
(1)de vordering van appellante lastens hen onontvankelijk te verklaren en
(2)bij wijze van tegeneis appellante te veroordelen tot terugbetaling van een bedrag van 1.201,20 euro plus intresten. Geïntimeerden sub 9 en 10 verzochten
(1)de vordering van appellante lastens hen onontvankelijk te verklaren, minstens ongegrond en
(2)bij wijze van tegeneis appellante te veroordelen tot terugbetaling van een bedrag van 21.014,40 euro plus intresten. 1.2. De eerste rechter heeft
(1)de vordering van geïntimeerde sub 1 ontvankelijk en gegrond verklaard,
(2)appellante veroordeeld tot de betaling aan geïntimeerde sub 1 van de som van 31.449,55 euro plus intresten,
(3)de vrijwaringsvordering van appellante tegen geïntimeerden sub 2 t.e.m. 10 afgewezen,
(4)de tegenvorderingen van geïntimeerden sub 2 t.e.m. 10 afgewezen als ongegrond,
(5)de tegenvordering van appellante afgewezen als ongegrond en
(6)appellante veroordeeld tot betaling van de gerechtskosten in hoofde van geïntimeerde sub 1 en de gerechtskosten tussen appellante en geïntimeerden sub 2 t.e.m. 10 omgeslagen. 1.3. In hoger beroep vraagt appellante: "Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en het vonnis op 6 juni 2016 gewezen door de Nederlandstalige Rechtbank van Eerste Aanleg Brussel (gekend onder het rolnummer 2014/3887/A) te bevestigen in de mate dat het de vorderingen van de oorspronkelijke verweerders in gedwongen tussenkomst en vrijwaring lastens AXA Bank Belgium NV afwijst en te hervormen zoals hierna bepaald, hierbij doende hetgeen de Eerste Rechter diende te doen en de volgende oorspronkelijke vorderingen van AXA Bank Belgium NV ontvankelijk en gegrond verklarend: A.Bij tussenarrest: Op hoofdvordering: - de vordering van het Federaal Agentschap voor Beroepsrisico's minstens gedeeltelijk onontvankelijk te verklaren en; - voor het overige voor recht te horen zeggen dat de terugstortingsverplichting van AXA Bank Belgium NV zich beperkt tot het creditsaldo van de rekening van de oorspronkelijke verweerders in tussenkomst en vrijwaring bij AXA Bank Belgium NV vermits: o In hoofdorde: AXA Bank Belgium NV niet met eigen vermogen tot de terugbetaling is gehouden aan het Federaal Agentschap voor Beroepsrisico's van de door haar ten onrechte aan de oorspronkelijke verweerders in tussenkomst en vrijwaring uitgekeerde bedragen; o In ondergeschikte orde: AXA Bank Belgium NV gelet op de eigen fout van het Federaal Agentschap voor Beroepsrisico's niet tot terugbetaling kan zijn gehouden van de bedragen die door het Federaal Agentschap voor Beroepsrisico's ten onrechte aan de oorspronkelijke verweerders in tussenkomst en vrijwaring werden uitgekeerd; - en bijgevolg de hoofdvordering minstens gedeeltelijk ongegrond te verklaren; Op vordering in gedwongen tussenkomst en vrijwaring: De oorspronkelijke verweerders in tussenkomst en vrijwaring te horen veroordelen tot het vrijwaren van AXA Bank Belgium NV voor elke veroordeling die ten aanzien van AXA Bank Belgium NV op vordering van het Federaal Agentschap voor Beroepsrisico's zou worden uitgesproken, en meer bepaald: A.A., A.B., A.G., A.H., A.I., A.J., A.K. solidair, minstens in solidum, te veroordelen tot vrijwaring van AXA Bank Belgium NV voor elke veroordeling die ten aanzien van haar zou worden uitgesproken op vordering van het Federaal Agentschap voor Beroepsrisico's voor wat betreft hun aandeel in de totale hoofdvordering, in de huidige stand van de procedure door het Federaal Agentschap voor Beroepsrisico's begroot op 4.257,90 EUR in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten; A.L. en A.M. solidair, minstens in solidum, te veroordelen tot vrijwaring van AXA Bank Belgium NV voor elke veroordeling die ten aanzien van haar zou worden uitgesproken op vordering van het Federaal Agentschap voor Beroepsrisico's voor wat betreft hun aandeel in de totale hoofdvordering, in de huidige stand van de procedure door het Federaal Agentschap voor Beroepsrisico's begroot op 26.045,87 EUR in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten; En de zaak te verwijzen naar de algemene rol teneinde de partijen toe te laten om de zaak verder in staat te stellen aangaande de berekening van de conform het tussenvonnis onderling verschuldigde bedragen; De beslissing aangaande de kosten aan te houden; B. Bij eindarrest Na verdere instaatstelling einduitspraak te doen aangaande de door de partijen onderling verschuldigde bedragen en aangaande de kosten van het geding als volgt: - in geval van afwijzing van de oorspronkelijke hoofdvordering, het Federaal Agentschap voor Beroepsrisico's te veroordelen tot betaling van alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op 2.200,00 EUR per aanleg; - in geval de oorspronkelijke vordering op tussenkomst en vrijwaring ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard, de oorspronkelijke verweerders in tussenkomst en vrijwaring te veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in hoofde van AXA Bank Belgium NV begroot als volgt: lastens A.A., A.B., A.G., A.H., A.I., A.J., A.G. solidair, minstens in solidum, op 990,00 EUR per aanleg; lastens A.L. en A.M solidair, minstens in solidum, op 2.200,00 EUR per aanleg;" 1.4. Geïntimeerde sub 1 verzoekt het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te willen verklaren en bijgevolg het bestreden vonnis integraal te willen bevestigen. 1.5. Geïntimeerden sub 2 t.e.m. 8 verzoeken het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te willen verklaren en bijgevolg het bestreden vonnis te willen bevestigen. 1.6. Geïntimeerden sub 9 en 10 stellen incidenteel beroep in en hernemen hun aanvankelijke tegenvordering tegen appellante ten beloop van het bedrag van 21.014,40 euro plus intresten. II. De relevante feiten. 2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.2. Samengevat komt het hierop neer dat bij toepassing van het K.B. van 10 december 1987 tot vaststelling van de wijze van betaling van de vergoedingen die verschuldigd zijn krachtens de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten financiële instellingen met het vroegere FONDS een overeenkomst konden afsluiten om zodoende aan hun cliënten rekeningen aan te bieden waarop de vergoedingen voor beroepsziekten konden worden overgeschreven. Een dergelijke overeenkomst werd afgesloten tussen de rechtsvoorgangers van appellante enerzijds en de rechtsvoorganger van geïntimeerde sub 1 anderzijds op 9 februari 1988. 2.3. De rechtsvoorgangers van geïntimeerden sub 2 t.e.m. 10 dienden het voorziene formulier in om betaling te verkrijgen van hun respectieve vergoedingen voor beroepsziekten op hun rekening. 2.4. De rechtsvoorganger van geïntimeerde sub 1 ging over tot uitbetaling van de respectieve vergoedingen voor beroepsziekten tot en met januari 2013 ondanks het overlijden van de heer A.N. op 18 maart 2002, van de heer A.D. (= rechtsvoorganger van geïntimeerden sub 2 t.e.m. 8) op 19 maart 2000 en van de heer A.O. (= rechtsvoorganger van geïntimeerden sub 9 en 10) op 27 oktober 1999. Het ging in concreto om hierna volgende dossiers: - Begunstigde A.P. nr. 191.389 voor een bedrag van 2.616,07 EUR; - Begunstigde A.N. nr. 67.883 voor een bedrag van 2.598,07 EUR; - Begunstigde A.D. nr. 69.368 voor een bedrag van 5.459,10 EUR; en - Begunstigde A.O. nr. 299.545 voor een bedrag van 47.060,27 EUR. Voor begunstigde A.P. ging het FBZ op 6 februari 2013 over tot ingebrekestelling van AXA Bank tot nakoming van haar verplichtingen conform artikel 3.3 van de eenvormige overeenkomst (stuk 16). Op 18 februari 2013 ontving het FBZ volledige terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde vergoedingen. Voor begunstigden A.N., A.D. en A.O., waartoe AXA Bank op respectievelijk 6 februari 2013, 8 februari 2013 en 18 februari 2013 eveneens in gebreke werd gesteld door het FBZ (stukken 6-7-8), ontving het FBZ tot op heden slechts een gedeeltelijke terugbetaling. Hangende de procedure in eerste aanleg werd tussen AXA en A.N. wederzijds afstand gedaan van hun vorderingen zoals ook vermeld wordt in het beschikkende gedeelte van het bestreden vonnis. 2.5. Appellante is tot een deelse terugbetaling overgegaan ervan uitgaande dat de 3 - jarige verjaringstermijn van toepassing was zoals voorzien in artikel 44, §2, eerste lid van de beroepsziektenwet van 3 juni 1970. Deze terugbetaling gebeurde door tegoeden te debiteren op de rekeningen in handen van de diverse erfgenamen. De erfgenamen werden van die handelwijze op de hoogte gebracht alsmede van het feit dat hun rekeningen geblokkeerd werden zolang de betwisting met het FONDS duurde. 2.6. Geïntimeerde sub 1 was het niet eens met de stelling van appellante. Zij was de mening toegedaan dat een bankinstelling zich niet kan beroepen op voormeld artikel 44 omdat de in dat artikel bedoelde verjaringstermijn alleen zou gelden t.a.v. de rechthebbende zelf. 2.7. Geïntimeerde sub 1 (= het toenmalige FONDS) is dan overgegaan tot het dagvaarden van appellante die op haar beurt overgegaan is tot het dagvaarden in gedwongen tussenkomst en vrijwaring van geïntimeerden sub 2 t.e.m. 10 (zijnde de erfgenamen van A.D. en de erfgenamen van A.O.). III. Bespreking. 3.1. De eerste rechter heeft: - De stelling gevolgd van het FONDS wat de verjaringstermijn betreft voorzien in artikel 44 van de Beroepsziektenwet; - Beslist dat de tienjarige verjaringstermijn begint te lopen vanaf februari/maart 2013, tijdstip waarop het FONDS kennis nam van de overlijdens van A.N. (niet meer inzake), van A.D. (= rechtsvoorganger van geïntimeerden sub 2 t.e.m. 8) en van A.O. (= rechtsvoorganger van geïntimeerden sub 9 en 10; - Beslist dat het al dan niet naleven van de informatieplicht door appellante in deze niet relevant is; - Beslist dat appellante hoe dan ook gehouden is tot terugbetaling aan het FONDS, ook met fondsen afkomstig van haar eigen vermogen; - De vrijwaringsvorderingen van appellante die erop gericht zijn dat de erfgenamen haar zouden moeten vrijwaren voor datgene dat zij bovenop het reeds terugbetaalde nog zou verschuldigd zijn, afgewezen als ongegrond; - Beslist dat van enig rechtsmisbruik in hoofde van appellante bij het debiteren van de rekeningen van de rechtsvoorgangers van geïntimeerden sub 2 t.e.m. 10 geen afdoend bewijs voorhanden was; - De tegenvordering van appellante waarin zij voorhoudt teveel te hebben terugbetaald aan het FONDS afgewezen als ongegrond. 3.2. Het wettelijk kader werd door geïntimeerde sub 1 terecht als volgt omschreven: "FEDRIS is een federale overheidsinstelling en behoort tot de openbare instellingen van sociale zekerheid. De materie beroepsziekten wordt voor de privésector geregeld door de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970 (hierna: de "Beroepsziektenwet"). De beroepsziektenwet heeft de oprichting van het Fonds voor de Beroepsziekten (hierna: FBZ of (...) vastgesteld en bevat de verschillende opdrachten die aan het FBZ zijn toegewezen. Het FBZ oefent zijn bevoegdheden uit met betrekking tot de werknemers uit de privésector en heeft twee kernopdrachten: de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit deze ziekten voortvloeit. In het kader van zijn tweede kernopdracht vergoedt het FBZ begunstigden voor de schade die voortvloeit uit hun beroepsziekte. Aldus vergoedt het FBZ jaarlijks bijna 55.000 zieken en meer dan 12.000 rechthebbenden van overleden arbeidszieken. Deze vergoedingen worden bijna altijd elektronisch uitbetaald op een bankrekening van de begunstigde. In dit verband werd door artikel 47 van de Beroepsziektenwet aan de Koning de bevoegdheid gegeven om de uitbetaling van de vergoedingen te reguleren: "De Koning bepaalt de regelen van uitbetaling der vergoedingen." Het Koninklijk Besluit van 10 december 1987 tot vaststelling van de wijze van betaling van de vergoedingen die verschuldigd zijn krachtens de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten (hierna: "KB van 10 december 1987") regelt in haar artikel 3 het wettelijk kader van deze uitbetaling. Onder meer wat betreft de terugbetaling van ten onrechte overgeschreven bedragen (eigen onderlijning): "De personen aan wie het Fonds voor de beroepsziekten vergoedingen verschuldigd is, kunnen op hun aanvraag de uitbetaling ervan verkrijgen door overschrijving op hun rekening bij één van de in België gevestigde financiële instellingen die met het Fonds een overeenkomst hebben gesloten waarvan het model door de Minister van Sociale Zaken wordt vastgesteld. De overeenkomst bepaalt inzonderheid de onderscheiden verplichtingen van het Fonds en van de financiële instellingen met betrekking tot het overschrijven van de vergoedingen en het crediteren van de rekening van de begunstigde; ze bepaalt eveneens de verplichtingen van hun financiële instelling met betrekking tot de terugbetaling van ten onrechte overgeschreven bedragen. ..." Het Ministerieel Besluit van 22 december 1987 houdende vaststelling van de modellen van overeenkomst en van aanvraagformulier voor de betaling door overschrijving bedoeld bij artikel 3 van het KB van 10 december 1987 (hierna: "MB van 22 december 1987") stelt dit model van eenvormige overeenkomst vast in overeenstemming met de voorschriften van het KB van 10 december 1987 (bijlage 1 bij het MB van 22 december 1987) (hierna de "eenvormige overeenkomst"). De eenvormige overeenkomst bepaalt ondubbelzinnig in haar artikel 3.3. dat (eigen onderlijning): "Zodra de financiële instelling kennis heeft van het overlijden van de gerechtigde van een op een rekening gestorte vergoeding, verwittigt zij de uitbetalingsinstelling met vermelding van het dossiernummer toegekend door de uitbetalingsinstelling. In geval van overlijden van de begunstigde, verbindt de financiële instelling zich, de ingevolgde het overlijden onverschuldigde betaling terug te storten op de rekening van de uitbetalingsinstelling, zelfs indien het beschikbaar tegoed op de rekening niet meer volstaat om het ten onrechte gecrediteerde bedrag terug te betalen. De restitutie van de ten onrechte gecrediteerde bedragen geschiedt binnen de tien werkdagen te rekenen vanaf het ogenblik dat de financiële instelling vanwege de uitbetalingsinstelling kennisgeving ontvangt van die onverschuldigde bedragen." Het MB van 22 december 1987 bepaalt eveneens het formulier tot verzoek om uitbetaling van de beroepsziektevergoedingen door overschrijving op een rekening bij een financiële instelling, waarmee de begunstigde verzoekt om zijn beroepsziektevergoedingen te laten betalen op zijn of haar bankrekening (bijlage 2 bij het MB van 22 december 1987). Ook dit formulier verwijst naar de eenvormige overeenkomst. Het vak voorbehouden aan de financiële instelling vermeldt (eigen onderlijning): "De ondergetekende financiële instelling aanvaardt de beroepsziektevergoedingen die op de rekening van de ondertekenaar(
- s)van dit document worden gestort, uit te betalen overeenkomstig de voorwaarden bepaald bij de overeenkomst afgesloten tussen de financiële instelling en het Fonds voor de beroepsziekten. Zij verklaart de handtekeningen van de titularis(sen) te hebben geverifieerd." 3.3. AXA beroept zich op artikel 44, §2 van de beroepsziektenwet en is de mening toegedaan dat in deze zaak de bijzondere verjaringstermijn, voorzien in voornoemde bepaling, in deze zaak van toepassing is. In haar aangetekend schrijven van 12 juli 2013 gericht aan het FONDS stelde AXA immers het volgende: "Wij stellen anderzijds vast dat overeenkomstig de bepalingen van artikel 44 §2, 1ste lid van het KB (lees: de wet) van 3 juni 1970 de rechtsvordering van uw instelling tot invordering van onterecht betaalde uitkeringen verjaart na verloop van 3 jaar. Wanneer u ons uw voormeld schrijven op 18 februari 2013 heeft gericht, was uw recht tot terugvordering reeds verjaard voor alle uitkeringen verricht vóór 18 februari 2010. Ter voldoening van de verbintenissen van de erfgenamen van wijlen A.O. en van onze instelling, schrijven wij derhalve een bedrag van EUR 21.014,40 over op de door u aangeduide bankrekening BE86 6790 0537 8850, welk bedrag overeenstemt met de door u gevorderde stortingen verricht vanaf 18 februari 2010." Per aangetekend schrijven van 5 augustus 2013 in het dossier A.O. (stuk 14 - soortgelijke brieven in de dossiers A.N. (stuk 12) en A.D. (stuk 13)) wijst het FBZ AXA Bank erop dat de bijzondere verjaringstermijn van artikel 44 §2 van de beroepsziektenwet enkel van toepassing is voor de sociaal verzekerden (dit zijn de getroffene of de rechthebbende, niet een financiële instelling) en verzoekt derhalve om terugbetaling van het nog openstaande saldo. 3.4. Artikel 44 § 2 van de beroepsziektenwet bepaalt het volgende: "De rechtsvordering tot terugvordering van de prestaties die ten onrechte werden toegekend als schadeloosstelling ingevolge deze wetten, verjaart na drie jaar, te rekenen van de datum waarop de uitbetaling is geschied. De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt teruggebracht tot zes maanden indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van het Fonds, waarvan de begunstigde van uitkeringen ten laste van het Fonds zich normaal geen rekenschap kon geven. De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt verlengd tot vijf jaar indien de onverschuldigde prestaties door bedrieglijke middelen of wegens verkeerde of bewust onvolledige verklaringen werden verkregen. Het Fonds is ertoe gehouden de in deze paragraaf bedoelde verjaringen ambtshalve toe te passen zonder daartoe aangezocht te worden door de begunstigde van uitkeringen ten laste van het Fonds." (onderstreping toegevoegd door het hof). In dit verband bracht de wet van 28 april 2010 houdende diverse bepalingen (B.S. 10 mei 2010) enkele tekstuele aanpassingen aan in artikel 44 van de beroepsziektenwet ten einde de bedoeling van de wetgever overduidelijk te maken. Artikel 91 van de wet van 28 april 2010 bepaalt het volgende: "In artikel 44 van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, gewijzigd door de wetten van 29 december 1990 en 13 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1) in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "de betrokkene" vervangen door de woorden "de begunstigde van uitkeringen ten laste van het Fonds"; 2) in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden "de getroffene of de rechthebbende" vervangen door de woorden "de begunstigde van uitkeringen ten laste van het Fonds"; 3) in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "aan de schuldenaar" vervangen door de woorden "aan de begunstigde van uitkeringen ten laste van het Fonds"; 4) in paragraaf 3, tweede lid, 7°, worden de woorden "de schuldenaar" vervangen door de woorden "de begunstigde van uitkeringen ten laste van het Fonds"; 5) in paragraaf 3, tweede lid, 10°, worden de woorden "de schuldenaar" vervangen door de woorden "de begunstigde van uitkeringen ten laste van het Fonds"; 6) in paragraaf 3, vijfde lid, worden de woorden "de belanghebbende" vervangen door de woorden "de begunstigde van uitkeringen ten laste van het Fonds". Het volledige artikel 44 van de beroepsziektenwet bepaalt thans het volgende: "§1. De Koning bepaalt in welke gevallen en onder welke voorwaarden het Fonds voor de beroepsziekten geheel of gedeeltelijk kan afzien van de terugvordering van ten onrechte betaalde uitkeringen. § 2. De rechtsvordering tot terugvordering van de prestaties die ten onrechte werden toegekend als schadeloosstelling ingevolge deze wetten, verjaart na drie jaar, te rekenen van de datum waarop de uitbetaling is geschied. De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt teruggebracht tot zes maanden indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van het Fonds, waarvan de begunstigde van uitkeringen ten laste van het Fonds zich normaal geen rekenschap kon geven. De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt verlengd tot vijf jaar indien de onverschuldigde prestaties door bedrieglijke middelen of wegens verkeerde of bewust onvolledige verklaringen werden verkregen. Het Fonds is ertoe gehouden de in deze paragraaf bedoelde verjaringen ambtshalve toe te passen zonder daartoe aangezocht te worden door de begunstigde van uitkeringen ten laste van het Fonds. § 3. Van de beslissing tot terugvordering wordt kennis gegeven aan de begunstigde van uitkeringen ten laste van het Fonds bij een ter post aangetekend schrijven. Ze moet de volgende vermeldingen bevatten: 1) de vaststelling van het onverschuldigde; 2) het totale bedrag van het onverschuldigde, evenals de berekeningswijze ervan; 3) de tekst van de bepalingen in strijd waarmee de betalingen werden verricht; 4) de in aanmerking genomen verjaringstermijn en de motivering ervan; 5) de refertes van het dossier en van de dienst die het beheert; 6) de mogelijkheid om opheldering te verkrijgen omtrent de beslissing bij de dienst die het dossier beheert of bij een aangewezen voorlichtingsdienst; 7) de mogelijkheid voor de begunstigde van uitkeringen ten laste van het Fonds om, op straffe van verval, bij wijze van dagvaarding door tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder, een beroep in te stellen bij de bevoegde arbeidsrechtbank, binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de beslissing tot terugvordering of na de kennisneming van de beslissing door de schuldenaar; 8) het adres van de bevoegde arbeidsrechtbank; 9) de bepalingen van artikel 728 van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 53 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970; 10) de mogelijkheid voor de begunstigde van uitkeringen ten laste van het Fonds om een met redenen omkleed voorstel tot terugbetaling in schijven voor te leggen en om, door middel van het gepaste formulier opgemaakt door het Fonds voor de beroepsziekten, een aanvraag tot gehele of gedeeltelijke verzaking in te dienen. Indien de beslissing de in het eerste lid genoemde vermeldingen niet bevat, gaat de termijn om een beroep in te stellen niet in. De beslissing tot terugvordering kan slechts uitgevoerd worden na het verstrijken van de beroepstermijn. Wanneer de begunstigde van uitkeringen ten laste van het Fonds een aanvraag tot verzaking heeft ingediend, wordt de terugvordering geschorst tot het Beheerscomité van het Fonds voor de beroepsziekten over deze aanvraag uitspraak heeft gedaan. Het ter post neerleggen van het aangetekend schrijven alsmede alle daaropvolgende daden van invordering stuiten de verjaring." De memorie van toelichting van de wet van 28 april 2010 zet m.b.t. dit artikel het volgende uiteen: (stuk 15): "Artikel 44 van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, bepaalt de voorwaarden van het recht op terugvordering van onverschuldigde bedragen door het FBZ en de mogelijkheid voor het Fonds om af te zien van de terugvordering in sommige omstandigheden van de onterecht betaalde bedragen aan de slachtoffers van een beroepsziekte of aan hun rechthebbenden. Dit artikel verwijst soms naar het slachtoffer of naar zijn rechthebbenden en op andere plaatsen naar de schuldenaar. Terwijl de bepalingen van dit artikel zonder enige twijfel de begunstigden van uitkeringen ten laste van het FBZ beogen en niet de sociale of commerciële instellingen zoals banken of burgers tegenover wie het FBZ geen enkele uitkering verschuldigd is. Om elke betwisting over het toepassingsgebied van artikel 44 te vermijden wordt in heel het artikel alleen verwezen naar de ‘begunstigde van uitkeringen ten laste van het FBZ". (onderstreping toegevoegd door het hof). 3.5. De bijzondere verjaringstermijn van 3 jaar betreft een lex specialis ten opzichte van de gemeenrechtelijke verjaringstermijn. Er wordt algemeen aanvaard dat een lex specialis strikt moet worden geïnterpreteerd. Uit de tekst van de bepaling blijkt duidelijk dat artikel 44 van de beroepsziektenwet (ook artikel 44 §2) enkel werd opgesteld in het voordeel van de begunstigden van uitkeringen ten laste van het FBZ. Immers, in de tekst van de wet is enkel sprake van "de begunstigde van uitkeringen ten laste van het Fonds". Het FBZ is geen uitkering verschuldigd aan de financiële instelling, de bank is geen begunstigde van uitkeringen ten laste van het FBZ. Het hele artikel 44 heeft betrekking op de begunstigde en niet op de bankinstellingen in tegenstelling tot wat appellante voorhoudt. Terecht merkte de eerste rechter hierbij even terecht op dat een duidelijk onderscheid moet gemaakt worden tussen de onverschuldigde betaling (aan de begunstigde) en de terugbetalingsverplichting van de van dit onverschuldigd betaalde in hoofde van de bankinstelling (die geen begunstigde is van de vergoeding) en het dus niet onlogisch is dat de terugbetalingsverplichting van de bank (die afzonderlijk wordt bedongen) onder een andere verjaringstermijn valt dan deze die van toepassing is op de verhouding tussen het FONDS en de begunstigde (qq de erfgenamen). Deze bijzondere verjaringstermijn geldt dus niet in de rechtsverhouding tussen het FBZ en een financiële instelling zoals AXA Bank. In dit verband bracht de wet van 28 april 2010 houdende diverse bepalingen (B.S. 10 mei 2010) enkele tekstuele aanpassingen aan in artikel 44 van de beroepsziektenwet ten einde de bedoeling van de wetgever overduidelijk te maken. Ten overvloede wordt hierbij ook nog verwezen naar een schrijven dd. 18 juli 2013 uitgaande van appellante en gericht aan de betrokken erfgenamen van begunstigden: "Het blijkt dat FBZ geen kennis had van het overlijden van (...) en sindsdien ten onrechte voor hem bestemde tussenkomsten verder heeft betaald op de vermelde rekening. Het FBZ eist nu terugbetaling van deze tussenkomsten die in totaal (...) bedragen. (...) Op grond van de tussen het FBZ en AXA BANK gesloten overeenkomst, teneinde de uitbetaling van deze tussenkomsten op rekeningen bij onze bank toe te laten, zij wij verplicht om gevolg te geven aan deze vraag tot terugbetaling. Wij proberen niettemin het FBZ te overtuigen om de terugvordering te beperken tot de sommen die tijdens de 3 laatste jaren werden betaald, zijnde (...), maar dit zonder zekerheid dat dit kan bekomen worden." (onderstreping toegevoegd door het hof). De eerste rechter is dan ook op grond van oordeelkundige motieven tot de conclusie gekomen dat in de verhouding tussen appellante als bankinstelling en geïntimeerde sub 1 (= het vroegere FONDS) de tienjarige verjaringstermijn zoals voorzien in artikel 2262bis (oud) B.W. in deze van toepassing is. Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren immers na verloop van 10 jaar, met uitzondering van deze die voortvloeien uit een onrechtmatige daad. In deze gaat het om een rechtsvordering die betrekking heeft op de nakoming van een overeenkomst (zie verder nog punt 3.6. van huidig arrest). Het bestreden vonnis wordt op dat punt integraal bevestigd. 3.6. De vraag stelt zich vervolgens op welk ogenblik deze tienjarige verjaringstermijn een aanvang heeft genomen. Appellante sloot met geïntimeerde sub 1 een eenvormige overeenkomst af conform het model van bijlage 1 van het M.B. van 22 december 1987. Conform artikel 3.3. van de eenvormige overeenkomst heeft appellante een terugstortingsverplichting aangegaan t.a.v. geïntimeerde sub 1 die als volgt omschreven wordt: "Zodra de financiële instelling kennis heeft van het overlijden van de gerechtigde van een op een rekening gestorte vergoeding, verwittigt zij de betalingsinstelling met vermelding van het dossiernummer toegekend door de uitbetalingsinstelling. In geval van overlijden van de begunstigde, verbindt de financiële instelling zich, de ingevolge het overlijden onverschuldigde betaling terug te storten op de rekening van de uitbetalingsinstelling, zelfs indien het beschikbaar tegoed op de rekening niet meer volstaat om het ten onrechte gecrediteerde bedrag terug te betalen". (onderstreping toegevoegd door het hof). Volgens de eenvormige overeenkomst dient de bankinstelling (= appellante) (
- a)het vroegere FONDS te verwittigen van het overlijden van de begunstigde van de vergoeding voor een beroepsziekte en (
- b)ingeval van een onverschuldigde betaling namens het vroegere FONDS, over te gaan tot terugbetaling van het onverschuldigde aan het vroegere FONDS. Conform artikel 3.3, laatste lid van de eenvormige overeenkomst ontstaat de eis tot terugstorting vanwege het vroegere FONDS t.a.v. appellante vanaf het aflopen van de termijn van tien dagen te rekenen vanaf het ogenblik dat de financiële instelling vanwege de uitbetalingsinstelling kennisgeving ontvangt van die onverschuldigde betaling. Appellante betwist niet dat het vroegere FONDS eerst kennis nam van de overlijdens van A.D. en A.O. in de loop van februari/maart 2013, tijdstippen waarop zij door het vroegere FONDS in gebreke werd gesteld om het onverschuldigde terug te betalen. Het vroegere FONDS is immers pas tot het in gebreke stellen van appellante kunnen overgegaan op het ogenblik dat zij kennis kreeg van de onverschuldigde betaling ingevolge het overlijden van de begunstigden. Gezien de vorderingen in terugbetaling werden ingesteld door het vroegere FONDS bij dagvaarding betekend op 9 juli 2014, zijn die vorderingen tijdig ingesteld en waren ze op dat ogenblik niet (deels) verjaard. 3.7. Appellante betwist verder dat zij gehouden zou zijn tot terugbetaling met eigen fondsen indien op de rekeningen van de begunstigden van een vergoeding voor beroepsziekten onvoldoende tegoeden zouden staan. Voor de goede orde wordt andermaal verwezen naar het reeds geciteerde artikel 3.3. van de eenvormige overeenkomst waarin duidelijk en ondubbelzinnig het volgende te lezen staat: "Zodra de financiële instelling kennis heeft van het overlijden van de gerechtigde van een op een rekening gestorte vergoeding, verwittigt zij de betalingsinstelling met vermelding van het dossiernummer toegekend door de uitbetalingsinstelling. In geval van overlijden van de begunstigde, verbindt de financiële instelling zich, de ingevolge het overlijden onverschuldigde betaling terug te storten op de rekening van de uitbetalingsinstelling, zelfs indien het beschikbaar tegoed op de rekening niet meer volstaat om het ten onrechte gecrediteerde bedrag terug te betalen". (onderstreping toegevoegd door het hof). Duidelijker kan deze bepaling niet zijn. Appellante als financiële instelling heeft zich nadrukkelijk verbonden t.a.v. het vroegere FONDS tot terugbetaling over te gaan van het onverschuldigde, zelfs indien het beschikbaar tegoed op de rekening van de begunstigde van de vergoeding voor beroepsziekten niet meer volstaat om het ten onrechte gecrediteerde bedrag terug te betalen. Appellante geeft een verkeerde lezing aan voornoemde bepaling. Nergens staat vermeld en nergens kan uit afgeleid worden dat enkel wanneer de financiële instelling haar informatieplicht niet naleeft, de instellingen zouden gehouden zijn tot terugbetaling van het onverschuldigde aan het vroegere FONDS met eigen tegoeden. Een overeenkomst strekt de partijen tot wet. Wanneer een overeenkomst geen dubbelzinnigheden bevat, kan er niet tot interpretatie worden overgegaan. De geciteerde eenvormige overeenkomst is duidelijk, behoeft geen verdere interpretatie en aan de duidelijke bewoordingen ervan wordt door appellante voorwaarden toegevoegd die er niet in staan vermeld. Ten overvloede wordt hieraan nog toegevoegd dat de door alle financiële bankinstellingen aangegane informatieplicht - in gelijkaardige dossiers - voortvloeit uit het feit dat de bankinstellingen doorgaans als eerste partij op de hoogte worden gesteld van een overlijden omdat een overlijden doorgaans de onmiddellijke blokkering van rekeningen als gevolg heeft. Appellante legt niet uit waarom dat in het geval van A.D. en A.O. niet het geval was. A.D. is overleden op 19 maart 2000 en A.O. op 27 oktober 1999 en het is slechts in februari 2013 dat het vroegere FONDS overging tot het ingebrekestellen van appellante tot terugbetaling van het onverschuldigde nadat zij eerst dan kennis had gekregen van het overlijden van voornoemde begunstigden. 3.8. Appellante gaat zelfs verder in haar redenering en is van oordeel dat het vroegere FONDS zelf een fout beging door geen systematische controle uit te voeren over de begunstigden. Appellante meent dat indien dergelijke systematische controles, bijvoorbeeld jaarlijks, zouden zijn toegepast, het FONDS het overlijden van de betrokken begunstigden veel vroeger had kunnen opsporen. Het ontgaat appellante hier blijkbaar opnieuw dat zij als enige contractspartij de informatieplicht voor haar rekening heeft genomen. Het behoorde enkel en alleen aan appellante om het vroegere FONDS in te lichten ingeval van overlijden van een begunstigde van een vergoeding voor beroepsziekten. Appellante kan evenmin haar nalatig optreden afschuiven op de erfgenamen van de begunstigden. Indien er al zo'n informatieplicht zou gelden in hoofde van de erfgenamen van de begunstigden geldt dit enkel t.o.v. het vroegere FONDS en niet t.a.v. de financiële instelling. De mogelijke informatieplicht van de erfgenamen van de begunstigden t.a.v. het vroegere FONDS ontslaat echter appellante niet van haar eigen informatieplicht t.a.v. het vroegere FONDS die wettelijk en contractueel vastgelegd is. 3.9. De eerste rechter is dan ook op grond van oordeelkundige motieven tot de conclusie gekomen dat appellante gehouden is tot terugbetaling aan het vroegere FONDS van wat onverschuldigd werd betaald ingevolge het overlijden van de begunstigde en dit desgevallend met eigen fondsen indien het beschikbaar tegoed op de rekening van de begunstigde van de vergoeding voor beroepsziekten niet meer volstaat om het ten onrechte gecrediteerde bedrag terug te betalen. Het bestreden vonnis wordt op dat punt tevens bevestigd. 3.10. Appellante stelt verder een vrijwaringsvordering/regresvordering in tegen de erfgenamen van de overleden begunstigden (= geïntimeerden sub 2 t.e.m. 10) ingeval zij zou worden veroordeeld t.a.v. het vroegere fonds. Hierbij is het nuttig terug te komen op artikel 44 § 2 van de beroepsziektenwet waarin het volgende staat: "De rechtsvordering tot terugvordering van de prestaties die ten onrechte werden toegekend als schadeloosstelling ingevolge deze wetten, verjaart na drie jaar, te rekenen van de datum waarop de uitbetaling is geschied. De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt teruggebracht tot zes maanden indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van het Fonds, waarvan de begunstigde van uitkeringen ten laste van het Fonds zich normaal geen rekenschap kon geven. De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt verlengd tot vijf jaar indien de onverschuldigde prestaties door bedrieglijke middelen of wegens verkeerde of bewust onvolledige verklaringen werden verkregen. Het Fonds is ertoe gehouden de in deze paragraaf bedoelde verjaringen ambtshalve toe te passen zonder daartoe aangezocht te worden door de begunstigde van uitkeringen ten laste van het Fonds." (onderstreping toegevoegd door het hof). Het spreekt voor zich dat voornoemde bepaling niet enkel van toepassing is op een begunstigde in persoon maar ook op diens nabestaanden die bij overlijden in de plaats worden gesteld van de begunstigde. Het vroegere FONDS heeft overigens nooit een vordering ingesteld tegen de nabestaanden van de desbetreffende begunstigden om de eenvoudige reden dat die vordering verjaard was overeenkomstig het hier voren geciteerd artikel 44, §2 van de beroepsziektenwet. Hiermee is op zich aangetoond dat de driejarige verjaringstermijn ook van toepassing is in de verhouding tussen het vroegere FONDS en de nabestaanden van de begunstigden. De cruciale vraag hierbij is wel te weten of de bescherming (= driejarige verjaringstermijn) waarover de begunstigden - en dus ook hun nabestaanden - genieten opzichtens het vroegere FONDS ook geldt in de relatie tussen de bank (= appellante) enerzijds en de begunstigde of diens nabestaanden anderzijds. Volgens appellante zou dat niet het geval zijn en zou in de relatie bankinstelling - begunstigde van de vergoeding voor beroepsziekten de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van toepassing zijn, meer bepaald de tienjarige verjaringstermijn zoals voorzien in artikel 2262bis, §1 (oud) B.W. In de stelling van de erfgenamen van de begunstigden van de vergoeding voor beroepsziekten zou ook in hun relatie met de bankinstelling de driejarige termijn voorzien in artikel 44, §2 van de beroepsziektenwet van toepassing zijn. In deze bestaat er enerzijds een contractuele relatie tussen de bankinstelling en het vroegere FONDS maar ook een contractuele relatie tussen de bank, het vroegere FONDS en de begunstigde anderzijds. De wettelijke bepalingen en de modelovereenkomsten die door de wetgever werden uitgewerkt bij K.B. van 10 december 1987 had tot doel de begunstigden van een vergoeding voor beroepsziekten de mogelijkheid te geven om deze vergoeding rechtstreeks te laten overschrijven op een bankrekening i.p.v. via een postmandaat. Indien een begunstigde gebruik wilde maken van het systeem van een rechtstreeks overschrijven op een rekening diende hij een "verzoek om uitbetaling van de beroepsziektenvergoeding door overschrijving op een rekening bij een financiële instelling" te ondertekenen. In voornoemd formulier/verzoek wordt het volgende vermeld: "Machtigt de genoemde financiële instelling op eenvoudig verzoek van het Fonds voor beroepsziekten alle ten onrechte betaalde sommen aan dit Fonds voor beroepsziekten terug te storten. Die machtiging blijft van kracht zelfs na zijn/haar overlijden en belast aldus zijn/haar nalatenschap. Verbindt zicht er toe: 1. de ten onrechte ontvangen bedragen onmiddellijk terug te betalen 2. het Fonds voor de beroepsziekten spontaan en zonder verwijl in te lichten over elke gebeurtenis die het recht op uitbetaling kan wijzigen (adreswijziging, verandering in de gezinstoestand, enz...) 3. bij ieder verzoek van het Fonds voor de beroepsziekten binnen de 15 dagen een volgens de vereiste voorschriften afgeleverd bewijs van leven of van burgerlijke staat over te leggen." Verder staat ook in dat zogenaamde verzoek nog te lezen: "De ondertekende financiële instelling aanvaardt de beroepsziektevergoedingen die op de rekening van de ondertekenaar(
- s)van dit document worden gestort, uit te betalen overeenkomstig de voorwaarden bepaald bij de overeenkomst afgesloten tussen de financiële instelling en het Fonds voor de beroepsziekten. (...)" In het model van eenvormige overeenkomst afgesloten tussen FBZ en AN HYP NV, rechtsvoorganger van huidige appellante, en tussen FBZ en IPPA BANK NV, rechtsvoorgangster van appellante, ondertekend door de betrokken partijen op 9 februari 1988, staat o.a. het volgende te lezen: "Deze overeenkomst strekt ertoe de personen aan wie door genoemde uitbetalingsinstelling vergoedingen worden toegekend (= FBZ), in de mogelijkheid te stellen de uitbetaling van de toegekende vergoedingen te bekomen door overschrijving op hun rekening bij de financiële instelling (= appellante). Verder werd in die modelovereenkomst een artikel 3.3. en 3.4. opgenomen dat als volgt luiden: "3.3. Zodra de financiële instelling kennis heeft van het overlijden van de gerechtigde van een op een rekening gestorte vergoeding, verwittigt zij de uitbetalingsinstelling met vermelding van het dossiernummer toegekend door de uitbetalingsinstelling. In geval van overlijden van de begunstigde, verbindt de financiële instelling zich, de ingevolge het overlijden onverschuldigde betaling terug te storten op de rekening van de uitbetalingsinstelling, zelfs indien het beschikbaar tegoed op de rekening niet meer volstaat om het ten onrechte gecrediteerde bedrag terug te betalen. (...). 3.4.Wanneer de uitbetalingsinstelling een vergoeding, geheel of gedeeltelijk, per vergissing heeft betaald, kan zij, steunend op de daartoe door de gerechtigde onderschreven verbintenissen, de financiële instelling erom verzoeken haar het ten onrechte betaalde bedrag zonder de tussenkomst van de gerechtigde terug te storten. De financiële instelling zal het bedrag terugbetalen tot beloop van het saldo dat op de rekening van de gerechtigde op het ogenblik van het verzoek beschikbaar is, na boeking eventueel van de debeteringsopdrachten ongeacht de vorm waaronder die gegeven werden." Uit de modelovereenkomsten die door de wetgever uitgewerkt werden bij K.B. van 10 december 1987, blijkt duidelijk dat de relatie die uitgewerkt werd tussen de financiële instelling en de begunstigde (qq de erfgenamen) enkel tot doel had de mogelijkheid te verschaffen aan de begunstigde om zijn vergoeding voor beroepsziekten voortaan te ontvangen via een overschrijving op zijn rekening i.p.v. via een postmandaat. Het verzoek van een begunstigde om de uitbetaling via een overschrijving te laten gebeuren wordt gericht aan het FONDS en wordt medeondertekend door de bankinstelling. Het wordt dan voor visa teruggestuurd aan het FONDS dewelke op basis van dat verzoek overgaat tot uitbetaling op de rekening van de begunstigde. Het enkele feit dat aan de begunstigde (qq de erfgenamen) de mogelijkheid wordt gegeven om de vergoeding die hij ontvangt van het FONDS rechtstreeks te laten overschrijven op zijn bankrekening i.p.v. via een postmandaat, kan en mag dus niet tot gevolg hebben dat de verjaringstermijn, voortvloeiende uit artikel 44, §2 van de Beroepsziektenwet, niet meer zou gelden en dat door die gewijzigde betalingsformule de begunstigde niet meer zou kunnen genieten van de bescherming hem verschaft door voornoemde wetsbepaling. Anders oordelen zou voorts tot gevolg hebben dat begunstigden die wel kiezen voor een uitbetaling via een postmandaat nog wel zouden kunnen genieten van de bescherming hen verleend door artikel 44, §2 Beroepsziektenwet en deze die opteren voor een betaling via een rechtstreekse uitbetaling op hun rekening niet meer. Dit komt neer op een oneigenlijke toepassing van voornoemd artikel van de Beroepsziektenwet dat van openbare orde is. Voornoemde argumentatie stemt bovendien overeen met wat bepaald is in artikel 1.1.1., alinea 3 van het Algemeen Reglement van de verrichtingen (= Algemene Bankvoorwaarden) - stuk 8 van het dossier van appellante in de versie van 2010 want eerdere versies van dit algemeen reglement worden niet neergelegd - waarin te lezen staat: "Indien een bepaling van de voornoemde overeenkomsten of reglementen (= allerlei interne bankreglementen) in strijd is met een wettelijke of reglementaire bepaling ter bescherming van een bepaalde categorie van personen, dan moet die bepaling beschouwd worden als niet toepasselijk op die categorie van personen."(onderstreping toegevoegd). Ten overvloede wordt ook nog verwezen naar artikel 1.29.1 van voornoemd reglement waarin het volgende staat: "Een rechtsvordering van de klant tegen de Bank in verband met een verrichting beheerst door onderhavig reglement verjaart na verloop van drie jaar, te rekenen vanaf het feit of de gebeurtenis waarop de vordering is gesteund." Appellante legt niet verder uit of er geen sprake zou kunnen zijn van een manifeste wanverhouding tussen enerzijds de rechten van de bank en anderzijds de rechten van een klant wanneer zij blijft volhouden dat een klant binnen de drie jaar zijn rechtsvordering dient in te stellen tegen een bank op straffe van verjaring maar dat anderzijds de bank beschikt over een vorderingsrecht gedurende tien jaar t.a.v. diezelfde klant. Het bestreden vonnis wordt derhalve ook bevestigd in zoverre het de vrijwaringsvordering van appellante gericht tegen de erfgenamen van de begunstigden verworpen heeft. 3.11. De erfgenamen van A.D. vragen de bevestiging van het bestreden vonnis en dringen derhalve niet meer aan wat hun oorspronkelijke tegenvordering betreft gericht tegen appellante. De erfgenamen van A.O. stellen incidenteel beroep in voor wat hun oorspronkelijke tegenvordering betreft gericht tegen appellante. Zij vorderen de terugbetaling van een bedrag van 21.014 euro plus intresten vanwege appellante. Zij formuleren tevens een voorbehoud omtrent de schade die zij hebben geleden ingevolge het onrechtmatig blokkeren van de rekeningen van A.Q. Zij houden voor dat er in hoofde van appellante geen geldige rechtsgrond voorhanden was om te beschikken over de gelden van wijlen A.Q., minstens, als een dergelijke rechtsgrond voorhanden was, deze misbruikt werd door appellante daar deze niet beschikte over de minste titel om gelden van A.Q. door te storten aan het FBZ. De erfgenamen van A.O. geven hierbij geen nadere uitleg. Zij poneren enkel voorgaande stellingen zonder verdere juridische onderbouwing. Het verzoek om uitbetaling van beroepsziektevergoedingen ondertekend door A.O. op 1 maart 1989 vermeldt het volgende: "Machtigt de genoemde financiële instelling op eenvoudig verzoek van het Fonds voor beroepsziekten alle ten onrechte betaalde sommen aan dit Fonds voor de beroepsziekten terug te storten. Die machtiging blijft van kracht zelfs na zijn/haar overlijden en belast aldus zijn/haar nalatenschap." Zoals terecht opgemerkt door de eerste rechter impliceert een dergelijke machtiging noodzakelijkerwijs dat deze terugbetaling gebeurd door debitering van de rekening van de begunstigde waarop de vergoedingen werden gestort, zoniet zou een dergelijke volmacht zinloos zijn. A.Q. (= de echtgenote van A.O.) heeft het verzoek om uitbetaling van beroepsziektenvergoedingen mee ondertekend zodat zij zich hierdoor verbonden heeft de onverschuldigde vergoedingen terug te betalen met belasting van haar nalatenschap. De erfgenamen A.O. tonen verder niet aan dat appellante rechtsmisbruik zou hebben gepleegd, meer bepaald de haar toegekende machtiging zou hebben uitgeoefend op een manier die "kennelijk" de grenzen van een normale rechtsuitoefening door een goede huisvader te buiten gaat of op een wijze die "kennelijk" de grenzen te buiten gaat waarbinnen een bedachtzaam en voorzichtig persoon zich normaal gedraagt. In deze staat afdoend vast dat appellante beschikte over de nodige machtiging om gelden terug te storten van het FONDS via de rekening(
- en)van de begunstigde, zelfs na zijn overlijden, en dat appellante geenszins misbruik heeft gemaakt van dit recht/deze machtiging. Het bestreden vonnis wordt bevestigd in zoverre hierin de tegenvordering van de erfgenamen A.O. gericht tegen appellante wordt afgewezen als ongegrond. Het incidenteel beroep van de erfgenamen A.O. is ontvankelijk doch ongegrond. 3.12.1. Appellante begroot de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op 2.200 euro (= basisbedrag voor vorderingen in de schaal van 20.000,01 euro t.e.m. 40.000 euro vóór de indexatie van 1 juni 2016). Geïntimeerde sub 1 begroot die rechtsplegingsvergoeding op 2.400 euro (= basisbedrag voor vorderingen in de schaal van 20.000,01 euro t.e.m. 40.000 euro na de indexatie van 1 juni 2016). Geïntimeerden sub 2 t.e.m. 8 begroten die rechtsplegingsvergoeding op 1.440 euro (= basisbedrag voor vorderingen die niet in geld waardeerbaar zijn na de indexering van 1 juni 2016). Geïntimeerden sub 9 en 10 begroten die rechtsplegingsvergoeding op tweemaal 2.400 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basistarief. Appellante is de in het ongelijk gestelde partij t.a.v. geïntimeerden sub 1 t.e.m. 8. Appellante is derhalve een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd in hoger beroep van (
- a)2.400 euro in hoofde van geïntimeerde sub 1 afzonderlijk, en (
- b)1.440 euro in hoofde van geïntimeerden sub 2 t.e.m. 8 samen. Geïntimeerde sub 1 enerzijds, en geïntimeerden sub 2 t.e.m. 8 samen anderzijds worden vertegenwoordigd door een andere raadsman. In de verhouding tussen appellante en geïntimeerden sub 9 en 10 wordt elk van die partijen deels in het gelijk/ongelijk gesteld. Dit brengt met zich mee dat de rechtsplegingsvergoedingen dienen omgeslagen te worden en over en weer geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is. 3.12.2. Geïntimeerden sub 9 en 10 vraagt appellante te willen veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de betaling van de rechtsplegingsvergoeding aan elk van hen ook in eerste aanleg. Op dat punt stellen zij bijgevolg incidenteel beroep in. De eerste rechter heeft terecht de kosten tussen de NV AXA en de erfgenamen van A.O. omgeslagen gezien beide partij deels in het gelijk/ongelijk werden gesteld. Het bestreden vonnis wordt ook op dat punt bevestigd. 3.13. Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet terzake dienend in het licht van wat voorafgaat. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ingesteld door de erfgenamen van A.O. ontvankelijk doch ongegrond. Geeft akte aan A.C., A.D., A.E. en A.F. dat zij het geding hervatten voor A.B., overleden op 17 juli 2019. Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen. Veroordeelt appellante in de kosten van hoger beroep in hoofde van geïntimeerden sub 1 begroot op 2.400 euro (rechtsplegingsvergoeding) en in hoofde van geïntimeerden 2 t.e.m. 8, begroot op 1.440 euro (rechtsplegingsvergoeding). Slaat de rechtsplegingsvergoedingen tussen appellante en geïntimeerden sub 9 en 10 om. *********** Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 8 maart 2021, Waar aanwezig waren en zitting hielden: Astrid DE PREESTER, Voorzitter, bijgestaan door Darie VAN IMPE, griffier. D. VAN IMPE A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div