← België

ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20210309.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 09 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20210309.10 Rolnummer: 2020/FA/405 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-08-12 Raadplegingen: 186 - laatst gezien 2026-06-13 17:53 Fiche De oude procedure vereffening-verdeling voorziet geen termijn voor het formuleren van zwarigheden/opmerkingen. Indien de notaris geen termijn oplegt en zelf geen opmerkingen maakt m.b.t. de tijdigheid, moet ervan uitgegaan worden dat de zwarigheden tijdig zijn. Een vordering tot herschatting van onroerende goederen is onontvankelijk voor zover de schatting in de oorspronkelijke staat reeds werd weerhouden en hiertegen geen tijdig bezwaar werd geformuleerd. Een bevel tot gerechtelijke vereffening en verdeling van een onverdeeldheid is te onderscheiden van een bevel tot omzetting van (erfrechtelijk/huwelijksvermogensrechtelijk) vruchtgebruik. Het omzettings(vraag)recht van het vruchtgebruik raakt de openbare orde niet, zodat het, behoudens enkele uitzonderingen, kan worden uitgebreid, gemoduleerd of ontnomen. Artikel 890 oud BW is echter niet van toepassing op de vordering tot omzetting en de waardering van het om te zetten vruchtgebruik. De vordering tot actualisering van de waardeschatting van de woonhuizen is ongegrond om boven- staande redenen en omdat de notaris, ondanks een gebrek aan wettelijke verplichting, de waarde van het vruchtgebruik reeds actualiseerde aan de hand van de omzettingstabellen. Deze tabellen werden toegepast gelet op het feit dat zij zeer gezaghebbend zijn, hoewel zij wettelijk gezien niet moesten worden toegepast in de huidige procedure. Geen van de partijen formuleerde tegen deze methode bezwaren. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Vruchtgebruik - Einde BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling - Uit onverdeeldheidtreding Tekst van de beslissing INZAKE VAN: R.P., hierna: partij 1, vertegenwoordigd door Mr. BEELEN Katrien (LEUVEN) loco Mr. BEELEN Bert, advocaat te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 24, S.T., hierna: partij 2, vertegenwoordigd door Mr. BEELEN Katrien (LEUVEN) loco Mr. BEELEN Bert, advocaat te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 24, A.B., hierna: partij 3, vertegenwoordigd door Mr. BEELEN Katrien (LEUVEN) loco Mr. BEELEN Bert, advocaat te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 24, TEGEN: S.U., hierna: partij 4, in persoon, S.V., hierna: partij 5, vertegenwoordigd door mr. VAN BOSSTRAETEN Marcelline, advocaat te 3012 WILSELE, Lange-Beemdenlaan

  1. * * * * * * * * * * Gelet op de stukken van de procedure, inzonderheid: - het vonnis op tegenspraak uitgesproken door de familierechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 17 maart 2020 waarbij deze zich zonder rechtsmacht verklaart en het dossier voor verdere behandeling naar het hof van beroep te Brussel verwijst; - de conclusie voor partij 1, 2 en 3 neergelegd op 15 november 2020; - de conclusie voor partij 4, neergelegd op 31 december 2020; - de conclusie neergelegd voor partij 5 op 30 november 2020; - het door partij 4 neergelegde dossier. Feitelijke en procedurele voorgaanden
  2. P. R. was gehuwd met W.S. onder het stelsel van algehele gemeenschap, ingevolge huwelijkscontract verleden op 18 mei 1954, zoals gewijzigd bij akten verleden op 6 mei 1992 en 13 september 2011 zonder wijziging van het bestaande stelsel en nadien niet meer gewijzigd. W.S. overleed testamentloos op 21 februari
  3. Hij liet de volgende wettelijke erfgenamen na: - zijn langstlevende echtgenote, partij 1; - zijn zoon X., overleden op 17 september 2010, met als erfgenamen zijn langstlevende echtgenote, partij 3 en zijn zoon, partij 5; - zijn zoon T., partij 2; - zijn dochter U., partij
  4. Ingevolge vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 18 september 2006 en 3 september 2007 werd notaris Andrée Verelst te Grimbergen aangesteld om over te gaan tot de omzetting van het vruchtgebruik met toewijzing in volle eigendom aan de langstlevende echtgenote van de hiernavolgende goederen, en om de rekeningen en de staat van vereffening op te maken: - een landbouwerswoning, op landbouwgrond, gelegen [adres 1], ten kadaster gekend [kadastraal nummer 1 en 2], met een oppervlakte van 1a 60ca voor de woning en 11a 20ca voor een hangaar; - een perceel weide, gelegen [adres 2], ten kadaster gekend onder nummer [kadastraal nummer 3], genaamd "J.", met een oppervlakte van 1ha 85a en 96ca.
  5. U.S. tekende hoger beroep aan tegen voormelde vonnissen, waarop de 1ste kamer van het hof van beroep te Brussel, bij arrest van 14 december 2010, dit hoger beroep ontvankelijk en gegrond verklaarde in die zin dat de vordering van P. R. ontvankelijk maar ongegrond werd verklaard. Het hof motiveerde zijn beslissing samengevat als volgt: "(...) Wanneer de langstlevende echtgenoot in samenloop is met kinderen van de overleden echtgenoot, kan de langstlevende de omzetting van zijn vruchtgebruik vragen, op de drie wijzen voorzien in artikel 745quater, § 1 van het Burgerlijk Wetboek, en de inkoop van de blote eigendom is daar niet bij. De mogelijkheid van inkoop van de blote eigendom uit artikel 745quater, § 2 geldt niet in de hypothese van samenloop van een langstlevende echtgenoot met afstammelingen van de overledene, zoals hier het geval is. (...)"
  6. Partij 1, 2 en 3 stelden een voorziening in cassatie in. Het Hof van Cassatie heeft bij arrest van 10 mei 2012 het arrest van het hof van beroep te Brussel van 14 december 2010 vernietigd, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart en de incidentele vordering van "de eiseres" ontvankelijk maar ongegrond verklaart. De zaak werd verzonden naar het hof van beroep te Antwerpen dat bij arrest van 22 september 2014 het hoger beroep van huidige partij 4 ongegrond verklaarde, en dat de bestreden vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 18 september 2006 en 3 september 2007 bevestigde.
  7. Naar aanleiding van de vereffening-verdeling van de huwgemeenschap zoals die bestond tussen de echtgenoten S. - R., heeft P.R., op grond van het keuzebeding bedongen in de laatste wijziging van het huwelijkscontract, bij akte verleden voor notaris Andrée Verelst te Grimbergen op 17 mei 2002, de keuze gemaakt dat het gemeenschappelijk vermogen haar toekomt voor de roerende goederen voor de geheelheid in volle eigendom en voor de onroerende goederen voor de helft in volle eigendom en de andere helft in vruchtgebruik. Wijlen X.S., zoon van W.S., heeft bovendien zijn onverdeeld aandeel in blote eigendom in voormelde onroerende goederen overgedragen aan zijn broer T.S., partij
  8. Zijn erfgenamen, dit zijn partij 3 en partij 5 hebben bijgevolg geen eigendomsrechten meer in de goederen waarvan de omzetting in vruchtgebruik werd bevolen. Ook P.R. heeft haar onverdeeld aandeel in de blote eigendom van de onroerende goederen overgedragen aan haar zoon T.S. Gelet op wat voorafgaat, behoren voormelde onroerende goederen toe

(1)aan P.R. voor de geheelheid in vruchtgebruik,
(2)aan T.S. voor 5/6 in blote eigendom, en
(3)aan U.S. voor 1/6 in blote eigendom.
  1. Notaris Verelst opende de werkzaamheden bij proces-verbaal van 7 juni
  2. Zij stelde op 16 september 2016 een staat van vereffening houdende de gerechtelijke omzetting van erfrechtelijk vruchtgebruik op. In deze staat heeft de aangestelde notaris de goederen waarvan de omzetting van het vruchtgebruik is bevolen gedetailleerd beschreven, rekening houdende met de eigendomsoverdrachten en kadasterwijzigingen die zijn gebeurd na het vonnis van 3 september
  3. De landbouwerswoning, op landbouwgrond, gelegen [adres 1], ten kadaster gekend [kadastraal nummer 1], met een oppervlakte van 1a 60ca voor de woning en 11a 20ca voor een hangaar, is thans nog gekend op het kadaster onder dezelfde nummers. Het perceel weide, gelegen [adres 2], ten kadaster gekend onder [kadastraal nummer 3], genaamd "J.", met een oppervlakte van 1ha 85a en 96ca, werd inmiddels door de diensten van het kadaster opgesplitst in vier nieuwe percelen, dit zijn [kadastraal nummer 4], [kadastraal nummer 5], [kadastraal nummer 6] en [kadastraal nummer 7], waarbij het [kadastraal nummer 4] slaat op de woning die T.S. inmiddels heeft opgericht.
  4. U.S. formuleerde twee zwarigheden: - wat betreft de woning en tuin, opgericht door T.S. op de [kadastrale nummers 4 en 6], was U.S. van oordeel dat er voor de waardering van het vruchtgebruik zowel rekening moest worden gehouden met de waarde van de grond, als met de waarde van de constructies die er zich op bevinden, ook al werden deze constructies opgericht tijdens de duur van het vruchtgebruik; - wat betreft de waardering van de landbouwgronden verwees de aangestelde notaris volgens U.S. ten onrechte naar het schattingsverslag van landmeter Vanhaelewijn, nu deze er geen rekening heeft mee gehouden dat de landbouwgronden in casu vrij zijn van gebruik, terwijl er een aanzienlijk verschil in waarde bestaat al naargelang de gronden verpacht, dan wel vrij van gebruik zijn. De aangestelde notaris heeft op 5 december 2016 een adviesnota opgesteld waarin zij uiteenzet waarom zij bij haar eerder standpunt blijft.
  5. De familierechtbank van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel wees op 19 april 2018 vonnis en zond het dossier opnieuw naar de aangestelde notaris tot aanpassing van de staat van vereffening van 16 september 2016 als volgt: "Zegt dat bij de waardebepaling van de naakte eigendom van de onroerende goederen waaromtrent de toewijzing in volle eigendom aan mevrouw R. is toegestaan, rekening moet worden gehouden met de waarde van de woning opgericht door T.S., waarvan de naakte eigenaars ieder voor hun deel de volle eigendom hebben verworven, Zegt dat bij gebrek aan akkoord tussen partijen omtrent deze waarde, door de notaris een deskundig onderzoek dient te worden bevolen. De rechtsplegingsvergoedingen worden gecompenseerd."
  6. Partij 1, 2 en 3 tekenden hoger beroep aan tegen dit vonnis. Bij arrest van dit hof van 10 september 2019 werd het hoger beroep ontvankelijk, maar ongegrond verklaard en werd het incidenteel hoger beroep ontvankelijk, maar slechts gedeeltelijk gegrond verklaard in de hierna bepaalde mate: ‘Hervormt het bestreden vonnis enkel in zoverre het zegt dat bij de waardebepaling van de naakte eigendom van de onroerende goederen waaromtrent de toewijzing in volle eigendom aan mevrouw R. is toegestaan, rekening moet worden gehouden met de waarde van de woning opgericht door T.S., waarvan de naakte eigenaars ieder voor hun deel de volle eigendom hebben verworven; Enkel hieromtrent opnieuw rechtsprekend: Zegt dat naar aanleiding van de omzetting van vruchtgebruik zowel met betrekking tot de waardering van het vruchtgebruik als van de blote eigendom rekening moet worden gehouden met de waarde van de woning opgericht door T.S. gebouwd op het perceel weide genaamd "J.", en die aan partijen toebehoren als volgt: - 100% vruchtgebruik voor P.R.; - 5/6 blote eigendom voor T.S.; - 1/6 blote eigendom voor U.S.; Verzendt de zaak terug naar de aangestelde notaris Andrée Verelst teneinde de staat van vereffening en verdeling aan te passen, rekening houdend met de beslissingen van huidig arrest en de beslissingen van de eerste rechter in zoverre niet hervormd bij huidig arrest; Wijst alle partijen af van het meer of anders gevorderde.'
  7. Notaris Andrée Verelst heeft vervolgens op 24 september 2019 een aangepaste staat van vereffening houdende de gerechtelijke omzetting van erfrechtelijk vruchtgebruik opgesteld en bij aangetekend schrijven van 8 oktober 2019 werd deze aangepaste staat aan de partijen verstuurd, met de mededeling dat de partijen tijdig hun opmerkingen/zwarigheden moesten te kennen geven. In datzelfde schrijven van 8 oktober 2019 werden partijen aangemaand aanwezig te zijn op een vergadering bij de notaris op 15 november
  8. U.S. stelt dat zij zich op 8 november 2019 aanbood op het kantoor van notaris Boes, opvolger van notaris Verelst sedert 7 oktober 2019, met enerzijds een verzoekschrift tot vervanging van de notaris en anderzijds een nota met haar zwarigheden tegen de aangepaste staat van vereffening. De notaris tekende enkel het verzoek tot haar vervanging voor ontvangst af. Op de vergadering van 15 november 2019 legde U.S. haar nota met zwarigheden neer. De notaris stelde een proces-verbaal van zwarigheden op op 15 november 2019 en een proces-verbaal van advies op 17 december
  9. De notaris maakte vervolgens het dossier voor beoordeling over aan de familierechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Bij vonnis van de familierechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 17 maart 2020 verklaarde de rechtbank zich zonder rechtsmacht, daarbij verwijzende naar de devolutieve werking van het hoger beroep na arrest van dit hof van 10 september 2019 en de rechtbank verwees het dossier voor verdere behandeling door naar het hof van beroep te Brussel. Voorwerp van de vorderingen
  10. Overeenkomstig hun conclusie voor het hof vorderen partij 1, 2 en 3 de zwarigheden van U.S. onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren en de aangepaste staat van vereffening en verdeling van de notaris te homologeren.
  11. Overeenkomstig haar conclusie vordert partij 4 haar zwarigheden ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens: - te zeggen voor recht dat op tegensprekelijke wijze een volwaardige herschatting, met inbegrip van een plaatsbezoek op heden dient te gebeuren van de volgende onroerende goederen: ° het woonhuis op en met grond en aanhorigheden gelegen [adres 1 A], [kadastraal nummer 8] (volgens recent kadastraal uittreksel) met een oppervlakte volgens kadaster van 2a, 66ca; ° het woonhuis op en met grond en aanhorigheden gelegen [adres 1], gekadastreerd volgens recent kadastraal uittreksel [kadastraal nummer 9 en 10] met een oppervlakte volgens titel en kadaster van 1a60 voor de woning en 43a94 voor de grond; - te zeggen voor recht dat zij slechts gehouden is tot haar aandeel in de kosten ten belope van haar gerechtigdheden in de massa. Verder vraagt partij 4 de notaris te vervangen.
  12. Overeenkomstig zijn conclusie gedraagt partij 5 zich naar de wijsheid van het hof. BEOORDELING
  13. Aangaande de tijdigheid van de zwarigheden van U.S. 1.
  14. Overwegende dat partij 1, 2 en 3 opwerpen dat de zwarigheden van partij 4 tegen de aangepaste staat van de notaris uiterlijk op 8 november 2019, namelijk een maand na de kennisgeving van de aangepaste staat, overgemaakt moesten worden, dat deze zwarigheden slechts op de vergadering bij de notaris op 15 november 2019 werden meegedeeld en aldus laattijdig zijn. 1.
  15. Overwegende dat partij 4 opwerpt dat in het schrijven van de notaris van 8 oktober 2019 werd gemeld dat zij haar zwarigheden tijdig moest overmaken maar niet werd meegedeeld wanneer zij uiterlijk haar zwarigheden moest meedelen, dat zij zich op 8 november 2019 naar het kantoor van de notaris begaf met enerzijds een verzoek tot vervanging van de notaris en anderzijds haar nota met zwarigheden; Dat volgens partij 4 de notaris hierop het verzoek tot vervanging voor ontvangst ondertekende maar stelde dat de nota met zwarigheden niet voor ontvangst ondertekend moest worden omdat de geplande vergadering van 15 november 2019, ingevolge het verzoek tot haar vervanging toch niet zou kunnen doorgaan zoals gepland; Dat de vergadering toch zoals gepland op 15 november 2019 heeft plaatsgehad en U.S. daar haar zwarigheden heeft overgemaakt en de notaris een proces-verbaal van zwarigheden heeft opgesteld; Dat volgens U.S. niemand op de vergadering gewag heeft gemaakt van het feit dat haar zwarigheden laattijdig zouden zijn. 1.
  16. Overwegende dat de notaris in diens advies geen standpunt inneemt nopens de tijdigheid van de zwarigheden van U.S. 1.
  17. Overwegende dat notaris Andrée Verelst ingevolge vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 18 september 2006 en 3 september 2007 werd aangesteld om over te gaan tot de omzetting van het vruchtgebruik met toewijzing in volle eigendom aan de langstlevende echtgenote van een aantal onroerende goederen en om de rekeningen en de staat van vereffening op te maken; Dat artikel 745sexies, § 2, lid 2 oud BW stelt: Wanneer de rechtbank de eis geheel of ten dele toewijst, bepaalt zij de wijze van omzetting of de prijs die moet worden betaald voor de overdracht van de blote eigendom van de goederen bedoeld in artikel 745quater, §
  18. In voorkomend geval gelast zij de verkoop van de volle eigendom van het geheel of van een deel der goederen die met vruchtgebruik belast zijn, dan wel de verdeling van die goederen, zelfs indien ter zake van dat recht geen onverdeeldheid bestaat, tenzij zij verkiest de partijen naar een notaris te verwijzen om de omzetting te laten plaatshebben volgens de procedure omschreven in de artikelen 1207 tot 1225 van het Gerechtelijk Wetboek; Dat de rechtbank van eerste aanleg te Brussel er bij vonnissen van 18 september 2006 en 3 september 2007 aldus voor gekozen heeft de partijen naar de notaris te verwijzen om de omzetting te laten plaatshebben en de notaris bij diens werkzaamheden dienaangaande de procedure moet volgen van de gerechtelijke vereffening en verdeling (artikelen 1207 tot 1225 Ger.W.). 1.
  19. Overwegende dat voor zaken waarin de vordering tot vereffening en verdeling (en vorderingen tot omzetting verwezen naar de notaris) in beraad waren genomen vóór het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 13 augustus 2011 houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling (inwerkingtreding: 1 april 2012), zoals in casu het geval is, de bepalingen van toepassing blijven zoals die golden voorafgaand aan de nieuwe wet, zodat de oude wet van toepassing is; Dat in het kader van de procedure van vereffening en verdeling, de rechter overeenkomstig oud artikel 1223 Ger.W. behoudens akkoord van alle partijen of ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegend belang, enkel kennis neemt van de geschillen of moeilijkheden die voortvloeien uit de bezwaren vastgesteld in het proces-verbaal van de geschillen of moeilijkheden; Dat de geschillen of moeilijkheden opmerkingen zijn op de staat die de notaris-vereffenaar aflevert, en waarvan de schriftelijke neerslag in het proces-verbaal van geschillen en moeilijkheden toelaat het debat voor de homologatierechter af te bakenen; Dat geschillen of moeilijkheden geen vorderingen of aanspraken zijn die voordien al dan niet werden gesteld en die al dan niet werden opgenomen en behandeld in de staat; Overwegende dat de homologatierechter enkel kennis kan nemen van bezwaren vastgesteld in de staat die voor de notaris-vereffenaar werden opgeworpen en die in het proces-verbaal van geschillen en moeilijkheden werd opgenomen, tenzij in geval van akkoord van alle partijen, ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegende belang; Dat nieuwe geschillen in de regel niet voor de eerste maal voor de homologatierechter kunnen worden opgeworpen; Dat de oude artikelen 1209 tot 1223 Ger.W. aldus gelezen moeten worden dat slechts de betwistingen uitgedrukt of voortvloeiend uit de beweringen en zwarigheden die overeenkomstig artikel 1218 Ger.W. in het proces-verbaal van de boedelnotaris werden opgenomen, door de neerlegging ter griffie van de uitgifte van dit proces-verbaal bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt (vgl. Cass. AR 6958, 6 april 1990). 1.
  20. Overwegende dat in de oude artikelen geen wettelijke termijnen waren bepaald voor het formuleren van zwarigheden/opmerkingen; Dat het aldus aan de notaris toekwam om te bepalen binnen welke termijn partijen na kennisname van de staat of aangepaste staat op een tijdige wijze hun zwarigheden te kennen moesten geven; Dat in casu de notaris de aangepaste staat bij aangetekend schrijven van 8 oktober 2019 overmaakte aan partijen en hierin te kennen gaf dat partijen tijdig hun opmerkingen moesten formuleren zonder een termijn te bepalen daar waar er geen wettelijke termijn voor het formuleren van opmerkingen op een (aangepaste) staat in de oude wet was opgelegd; Dat ten overvloede het hof opmerkt, dat de notaris in diens proces-verbaal van zwarigheden geen melding maakt van laattijdig geformuleerde zwarigheden en ook geen van de andere partijen opmerkingen heeft laten gelden in verband met de tijdigheid van de bezwaren; Overwegende dat, gelet op voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd, de bezwaren van U.S. tijdig zijn.
  21. Aangaande de opmerking voorafgaandelijk aan de zwarigheden van U.S. nopens de regelmatigheid van de procedure 2.
  22. Overwegende dat U.S., voorafgaandelijk aan de zwarigheden heeft opgeworpen dat de procedure tot aanpassing van de staat onregelmatig is gelet op het feit dat zij werd opgeroepen bij schrijven van 8 oktober 2019 uitgaande van de geassocieerde notarissen Andrée Verelst en Bénédicte Boes terwijl op 7 oktober 2019 notaris Andrée Verelst haar ambt als notaris heeft neergelegd zoals meegedeeld door Steven Praet bij mail van 9 november 2019; Dat volgens U.S. notaris Verelst op 8 oktober 2019 geen briefwisseling meer kon versturen onder de hoofding van notaris vermits zij die dag geen notaris meer was en dit een flagrante onregelmatigheid is waarvoor uiteindelijk notaris Boes verantwoordelijk is; Dat volgens U.S. de oproeping om te verschijnen op 15 november 2019 en de procedure verder te zetten flagrant onregelmatig is gebeurd. 2.
  23. Overwegende dat de notaris in diens advies dienaangaande als volgt heeft geantwoord: ‘In tegenstelling tot dat mevrouw U.S. laat uitschijnen, verduidelijkt ondergetekende notaris dat de brief met de oproeping door haar werd getekend en niet door notaris Andrée Verelst. Notaris Andrée Verelst heeft op 7 oktober 2019 haar ambt als notaris neergelegd en de brief is één dag later op 8 oktober 2019 door ondergetekende notaris Bénédicte Boes verstuurd. Het bezwaar dat de oproeping ‘flagrant' onregelmatig zou zijn omdat de hoofding van de brief nog melding maakt van ‘geassocieerde notarissen Andrée Verelst en Bénédicte Boes‘ is niet ernstig en getuigt van een houding die niet verzoenbaar is met wat van een redelijke en verantwoorde procespartij kan verwacht worden. Het vermelden van ‘Geassocieerde notarissen Andrée Verelst en Bénédicte Boes' in plaats van notaris Bénédicte Boes in de hoofding van de brief met de gegevens van het notariskantoor, heeft geen impact op de geldigheid van de oproeping zoals voorgeschreven door het Gerechtelijk Wetboek. Dit bezwaar dient dan ook te worden afgewezen.' 2.
  24. Overwegende dat partijen 1, 2 en 3 zich aansluiten bij het standpunt van de notaris op dat punt en partij 5 zich gedraagt naar de wijsheid van het hof. 2.
  25. Overwegende dat het hof vaststelt dat: - notaris Andrée Verelst haar ambt heeft neergelegd op 7 oktober 2019; - zij aldus vanaf die datum niet langer als notaris kan optreden; - het feit dat op de hoofding van de brief gericht aan U.S. (en de overige partijen) van 8 oktober 2019, nog melding wordt gemaakt van de geassocieerde notarissen Andrée Verelst en Bénedicte Boes, niet bewijst dat notaris Andrée Verelst alsdan nog als notaris optrad; - de brief van 8 oktober 2019 ondertekend werd door notaris Bénédicte Boes; Dat uit de voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd geenszins blijkt dat de rechten van U.S. op enige manier zijn geschaad door deze vermelding op het briefhoofd van de brief van 8 oktober 2019, noch dat er sprake zou zijn van enige onregelmatigheid in de te volgen procedure voor de verrichtingen, waarmee notaris Boes, als opvolger van notaris Verelst gelast werd; Dat het hof van oordeel is dat het bezwaar van U.S. op dit punt ongegrond is.
  26. Aangaande de ontvankelijkheid van het bezwaar van U.S. nopens de waardering van de onroerende goederen 3.
  27. Overwegende dat U.S. het volgende bezwaar heeft opgeworpen nopens de waardering van de woonhuizen: ‘De comparante kan zich geenszins akkoord verklaren met de waardering door de boedelnotaris in haar aangepaste staat van vereffening van 24 september 2019 met betrekking tot volgende onroerende goederen: 1) Het woonhuis op en met grond en aanhorigheden gelegen [adres 1 A] (...) 2) Het woonhuis op en met grond en aanhorigheden gelegen [adres 1]. De boedelnotaris verwijst voor hogervermelde onroerende goederen naar de schatting terzake gedaan door de heer Guy Vanhaelewijn op datum van 5 januari
  28. Terloops weze opgemerkt dat de schatting van hogervermelde onroerende goederen niet ter sprake is gekomen naar aanleiding van de behandeling van de zwarigheden voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel en vervolgens voor het hof van beroep te Brussel. De zwarigheid met betrekking tot de schatting had enkel betrekking op de landbouwgronden. De schatting van hogervermelde woonhuizen dient thans te worden geactualiseerd en dit gelet op het tijdsverloop van bijna vijf jaar sedert de schatting van de heer Guy Vanhaelewijn....(...) De actualisering dient te gebeuren door een tegensprekelijke herschatting van de hogervermelde onroerende goederen des te meer daar naar aanleiding van de oorspronkelijke schatting van het woonhuis nr 43 A de schatting is gebeurd zonder dat het woonhuis werd bezocht door de schatter. De schatter wijst er zelf op dat het enkel een indicatieve schatting betrof. Bij herschatting zal de schatter in elk geval een volwaardige schatting moeten doen met inbegrip van een plaatsbezoek aan de beide woonhuizen en dit uiteraard op een tegensprekelijke wijze.' 3.
  29. Overwegende dat partijen 1, 2 en 3 opwerpen dat dit bezwaar van U.S. onontvankelijk moet worden verklaard omdat dit bezwaar in het kader van de oorspronkelijke staat moest worden opgeworpen wat niet is gebeurd en niet voor het eerst in het afgelijnde kader van de aangepaste staat kan worden opgeworpen; Dat partijen 1, 2 en 3 verder opwerpen dat bij arrest van dit hof van 10 september 2019 reeds werd geoordeeld dat de schatting van de onroerende goederen door deskundige Vanhaelewijn, waaronder de waardering van de woonhuizen redelijk voorkomt. 3.
  30. Overwegende dat U.S. van oordeel is dat er in het kader van de omzetting van het vruchtgebruik betwisting was over de omzetting van het vruchtgebruik van de op de grond opgerichte woning door T.S.; Dat U.S. opwerpt dat in de oorspronkelijke staat van de notaris gewag wordt gemaakt van schattingen van de onroerende goederen op basis van een schattingsverslag dat dateert van 2015, wat een indicatieve schatting was, die gebeurde zonder dat de deskundige zelfs toegang kreeg tot het woonhuis op nr. 43 A, dat deze schatting in ieder geval achterhaald is en geactualiseerd moet worden en daartoe een nieuwe schatting moet gebeuren op een tegensprekelijke wijze door een nieuwe deskundige; Dat U.S. van oordeel is dat haar bezwaar dienaangaande wel degelijk ontvankelijk is. 3.
  31. Overwegende dat de notaris in diens advies van oordeel is dat U.S. geen actualisering wenst maar een tegensprekelijke herschatting van de woningen, dat dit niet hetzelfde is en ook niet toegekend kan worden omdat het gaat om een nieuwe betwisting; Dat de notaris verder opwerpt dat zowel de rechtbank als het hof van beroep zich reeds uitgesproken hebben over de waarderingen van de goederen. 3.
  32. Overwegende dat de notaris een eerste staat houdende de gerechtelijke omzetting van het erfrechtelijk vruchtgebruik heeft opgesteld op 16 september 2016; Dat in deze staat de goederen waarvan de omzetting wordt gevraagd door P.R. niet alleen gedetailleerd worden omschreven maar eveneens gewaardeerd werden op basis van het schattingsverslag van deskundige Van Haelewijn; Dat uit de staat van de notaris blijkt dat deze deskundige door hem werd aangesteld om de goederen waarvan de omzetting van het vruchtgebruik werd gevraagd, op een tegensprekelijke wijze te schatten; Dat de schatting niet enkel is gebeurd voor de gronden maar ook voor de woonhuizen; Dat in de staat van de notaris van 16 september 2016 wordt gesteld dat de notaris geen voldoende redenen ziet om gemotiveerd af te wijken van de conclusies van de deskundige; Dat voor de berekening van het om te zetten vruchtgebruik, de notaris in diens oorspronkelijke staat enkel rekening hield met de gronden en het woonhuis [adres 1] en niet met het woonhuis nr [1 A] (dat ook in het schattingsverslag werd geschat). 3.
  33. Overwegende dat U.S. de volgende zwarigheden tijdig heeft opgeworpen tegen deze oorspronkelijke staat van 16 september 2016: - wat betreft de woning en tuin, opgericht door T.S. op de [kadastrale nummers 4 en 6], is U.S. van oordeel dat er voor de waardering van het vruchtgebruik zowel rekening moet worden gehouden met de waarde van de grond, als met de waarde van de constructies die er zich op bevinden, ook al werden deze constructies opgericht tijdens de duur van het vruchtgebruik; - wat betreft de waardering van de landbouwgronden verwijst de aangestelde notaris volgens U.S. ten onrechte naar het schattingsverslag van landmeter Vanhaelewijn, nu deze er geen rekening heeft mee gehouden dat de landbouwgronden in casu vrij zijn van gebruik, terwijl er een aanzienlijk verschil in waarde bestaat al naargelang de gronden verpacht, dan wel vrij van gebruik zijn; Dat zij aldus geen zwarigheid heeft opgeworpen nopens de waardering van de woonhuizen [adres 1 en 1 A], overeenkomstig het schattingsverslag van deskundige Vanhaelewijn en zoals weerhouden in de oorspronkelijke staat van de notaris van 16 september 2016; Dat bovendien dit hof reeds bij arrest van 10 september 2019 heeft geoordeeld dat deze waarderingen redelijk voorkomen en er geen voorziening in cassatie is tegen dit arrest; Overwegende dat het hof, samen met de notaris van oordeel is dat in zoverre U.S. een herschatting vordert, haar bezwaar onontvankelijk is vermits in de oorspronkelijke staat de schatting van deskundige Vanhaelewijn reeds werd weerhouden en hiertegen geen tijdig bezwaar werd geformuleerd en bovendien het hof reeds heeft gestatueerd nopens deze waardering; Dat gelet op voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd, de vordering van U.S. om een tegensprekelijke herschatting van de woonhuizen door een deskundige te doen onontvankelijk is.
  34. Aangaande de actualisering van de waarde van de woonhuizen 4.
  35. Overwegende dat U.S. van oordeel is dat de waarde van de woonhuizen in ieder geval geactualiseerd moet worden vermits de schatting ervan reeds dateert van 2015; Dat U.S. dienaangaande verwijst naar een arrest van het Hof van Cassatie van 30 september 2016 waarbij geoordeeld werd dat de waarde van de onverdeelde goederen die zijn opgenomen in de aangepaste staat van vereffening nog kan worden geactualiseerd overeenkomstig artikel 890 oud BW. 4.
  36. Overwegende dat de notaris dienaangaande het volgende standpunt heeft ingenomen: - artikel 890 oud BW is niet van toepassing bij een gerechtelijke omzetting van vruchtgebruik maar enkel bij een vereffening en verdeling van een onverdeeldheid; - in de oorspronkelijke staat en de aangepaste staat van vereffening heeft de notaris zich, voor de waardering van de waarde van het vruchtgebruik gebaseerd op de jaarlijkse tabellen als bedoeld in artikel 745sexies,sex § 3 oud BW en de bedragen waartegen de om te zetten goederen werden gewaardeerd door de deskundige Vanhaelwijn; - de waardering van het vruchtgebruik werd in de aangepaste staat (67.800 euro) aangepast in vergelijking met de waardering in de oorspronkelijke staat; - in de oorspronkelijke staat werd het vruchtgebruik begroot op 7,45% en in de aangepaste staat op 6%; - deze actualisering is in het voordeel van U.S.; - indien voor de begroting immers rekening gehouden zou worden met de verwachte huurwaarden, zou het vruchtgebruik begroot moeten worden op 164.208 euro wat in het nadeel van U.S. zou zijn omdat de waarde van de blote eigendom dan veel minder hoog zou zijn. 4.
  37. Overwegende dat het hof nogmaals benadrukt dat de huidige procedure beperkt is tot de vordering tot omzetting van het vruchtgebruik uitgaande van P.R. op een beperkt aantal onroerende goederen (de voormalige ouderlijke woning, een perceel landbouwgrond en hangar), en dat het niet gaat om een procedure van vereffening en verdeling van een onverdeeldheid; Dat een rechterlijk bevel tot omzetting van vruchtgebruik kan tussenkomen naast of bovenop een bevel tot gerechtelijke vereffening en verdeling van een onverdeeldheid; Dat een bevel tot gerechtelijke vereffening en verdeling van een onverdeeldheid te onderscheiden is van een bevel tot omzetting van (erfrechtelijk/huwelijksvermogensrechtelijk) vruchtgebruik (in verhouding tot naakte eigendom, welke verhouding geen onverdeeldheid uitmaakt); Dat het omzettings(vraag)recht de openbare orde niet raakt, zodat het, enkele uitzonderingen niet te na gesproken, kan worden uitgebreid, gemoduleerd of ontnomen; Dat weliswaar overeenkomstig artikel 745sexies, § 2 lid 2 oud BW de artikelen 1209 tot 1225 Ger.W. van toepassing zijn op een vordering tot omzetting die naar de notaris wordt verwezen maar dit artikel geenszins bepaalt dat ook artikel 890 oud BW van toepassing zou zijn op de vordering tot omzetting van het vruchtgebruik en de waardering van het om te zetten vruchtgebruik; Overwegende dat de notaris terecht heeft gesteld dat artikel 890 oud BW van toepassing is op de vereffening en verdeling van een onverdeeldheid maar niet van toepassing is op de vordering tot omzetting van het vruchtgebruik; Dat de door U.S. vermelde cassatierechtspraak slaat op een procedure van vereffening en verdeling van een onverdeeldheid. 4.
  38. Overwegende dat het hof verder van oordeel is dat de vordering van U.S. nopens de actualisering van de waarde van de woonhuizen enkel kan kaderen in de waardering van de waarde van het vruchtgebruik; Dat nopens de waardering van het vruchtgebruik de notaris in diens oorspronkelijke staat van 16 september 2016 heeft gesteld dat: ‘hoewel het huidig artikel 745sexies, § 3 oud BW niet van toepassing is op deze procedure aangezien het verzoek tot omzetting werd ingediend vóór de inwerkingtreding van deze wet, de omzettingstabellen niet zomaar buiten toepassing mogen gelaten'; Dat de notaris in diens oorspronkelijke staat stelde dat deze tabellen immers zeer gezaghebbend zijn aangezien ze ieder jaar door de minister van justitie worden vastgesteld rekening houdende met het geslacht van de vruchtgebruiker, met de laatste gemiddelde rentevoeten en de recente Belgische prospectieve sterftetafels gepubliceerd door het federaal planbureau; Dat de notaris om die reden van oordeel was dat deze tabellen de voorkeur dragen op de vroegere gebruikte berekeningsmethodes temeer daar de wettelijke tabellen zowel rekening houden met de waarde van de goederen, de opbrengst en lasten ervan en de vermoedelijke levensduur van de vruchtgebruiker; Overwegende dat geen van de partijen nopens de door de notaris gebruikte methode voor de waardering van de waarde van het vruchtgebruik enige zwarigheid heeft laten gelden; Dat de notaris verder in diens aangepaste staat wel degelijk een actualisering heeft gedaan van de waarde van dit vruchtgebruik door het percentage te verlagen van 7,45% naar 6% gelet op het ouder geworden zijn van P.R.; Dat een actualisering van de waarde van het vruchtgebruik aldus is gebeurd en er geen wettelijke bepalingen nopens de waardering van de waarde van het vruchtgebruik zijn die bepalen dat de waarde van de onroerende goederen waarop het vruchtgebruik is gevestigd, geactualiseerd moet worden. 4.
  39. Overwegende dat integendeel artikel 745sexies, § 3 oud BW bepaalt dat de waardering van het vruchtgebruik gebeurt op basis van de omzettingstabellen, de verkoopwaarde van de goederen en de leeftijd van de vruchtgebruiker op de datum van de indiening van het in § 2 bedoelde verzoekschrift tot omzetting, tenzij partijen dit anders bepalen; Dat uit het voorgaande aldus blijkt dat er geen toepassing moet worden gemaakt van artikel 890 oud BW voor een vordering tot omzetting van het vruchtgebruik, dat de cassatierechtspraak waarvan U.S. gewag maakt slaat op een vereffening en verdeling van onverdeeldheid, dat geen van de partijen een zwarigheid heeft opgeworpen nopens de methode toegepast door de notaris in diens oorspronkelijke staat van vereffening voor de waardering van het vruchtgebruik en de notaris die waarde wel degelijk heeft geactualiseerd in functie van de leeftijd van de vruchtgebruiker daar waar er geen enkele verplichting is om de waarde van het onroerend goed zelf te actualiseren; Dat, gelet op voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd, de vordering van U.S. om de waardeschatting van de woonhuizen te actualiseren niet gegrond is.
  40. Aangaande het verzoek tot vervanging van de notaris 5.
  41. Overwegende dat U.S. verzoekt notaris Boes, opvolger van notaris Verelst, te vervangen en zij dienaangaande ondermeer opwerpt dat: - notaris Verelst op pensioen is gegaan en haar activiteiten heeft stopgezet; - notaris Boes, die haar opvolgt haar taak niet in volle objectiviteit kan vervullen omdat zij reeds optreedt als familienotaris van de partij 1, 2 en 3; - er naar haar een brief werd gestuurd op 8 oktober 2019 met misleidende en foutieve informatie; - de notaris haar bezwaren niet voor ontvangst wou aftekenen toen ze deze aanbood op 8 november 2019 op haar kantoor; - zij onmiddellijk een bedrag van 776,82 euro betaalde en zij zich vragen stelt bij de kosten die achteraf nog werden aangerekend. 5.
  42. Overwegende dat in de oude wet geen wettelijke bepalingen waren opgenomen nopens de verzoeken tot vervanging van de notaris en de bepalingen in de nieuwe wet dienaangaande niet van toepassing zijn (vgl Cass. AR C.19.0293.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.14, 4 juni 2020; Cass. AR C.18.0134.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181102.5, 2 november 2018); Dat het hof onderzoekt of de notaris, in het kader van de vordering tot vervanging van de notaris, haar taak naar behoren heeft uitgevoerd; Dat het hof dienaangaande vaststelt dat uit geen enkel element van het dossier blijkt dat de notaris partijdig of afhankelijk zou zijn en dit niet blijkt uit het loutere feit dat de notaris voor één van de partijen een authentieke akte voor de oprichting van een vennootschap heeft opgesteld; Dat dit evenmin afdoende blijkt uit de overige door U.S. bijgebrachte stukken; Dat uit deze stukken evenmin blijkt dat de notaris haar taak niet naar behoren of buiten termijn heeft uitgevoerd; Dat een betwisting nopens een afrekening geen afdoende reden is om tot vervanging van de notaris over te gaan; Dat de vordering van U.S. om die reden ongegrond wordt verklaard.
  43. Aangaande de gerechtskosten Overwegende dat partijen 1, 2 en 3 vorderen partij 4 te veroordelen tot de gedingkosten van beide aanleggen, inbegrepen een rechtsplegingsvergoeding van 1.440 euro per aanleg; Dat partij 4 vordert ‘eisers' te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, inbegrepen de wettelijk voorziene rechtsplegingsvergoeding; Dat partij 5 nopens de kosten vordert te oordelen als naar recht; Overwegende dat de zaak naar het hof werd verzonden na vonnis van de familierechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 17 maart 2020 waarbij deze rechtbank zich zonder rechtsmacht verklaarde en de zaak verzond naar het hof; Dat er aldus geen sprake is van twee aanleggen; Dat in het kader van deze procedure waar geoordeeld wordt over de bezwaren die partij 4 heeft geuit tegen de aangepaste staat van de notaris, partij 4 te beschouwen is als de in het ongelijk gestelde partij vermits haar bezwaren hetzij als onontvankelijk hetzij als ongegrond worden afgewezen, zodat partij 4 gehouden is de gedingkosten verbonden aan deze procedure te betalen, inbegrepen een rechtsplegingsvergoeding van 1.440 euro in hoofde van partij 1, 2 en 3 samen. OM DEZE REDENEN, HET HOF, 42ste kamer (FAMILIEKAMER) Rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart de zwarigheden van U.S. tijdig maar onontvankelijk wat betreft het bezwaar waarbij een herschatting van de woonhuizen werd gevorderd, en ongegrond wat betreft het bezwaar waarbij een actualisering van de waarde van de woonhuizen werd gevorderd; Verklaart het verzoek tot vervanging van de notaris ontvankelijk maar ongegrond; Homologeert de aangepaste staat van vereffening houdende de gerechtelijke omzetting van erfrechtelijk vruchtgebruik opgesteld door notaris Bénédicte Boes, opvolger van notaris Verelst, van 24 september 2019 en zendt de zaak hiertoe terug naar notaris Bénédicte Boes; Wijst alle partijen af van het meer of anders gevorderde; Verwijst partij 4 in de gedingkosten van deze procedure, aan haar zijde vereffend op 20 euro bijdrage Begrotingsfonds en in hoofde van partij 1, 2 en 3 een rechtsplegingsvergoeding van 1.440 euro; Veroordeelt overeenkomstig artikel 269/2 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten partij 4 U.S. tot betaling aan de Belgische Staat, FOD Financiën, van het rolrecht hoger beroep ten bedrage van 400 euro. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van 42ste kamer, familiekamer van het hof van beroep te Brussel op 09 MAART
  44. Waar aanwezig waren: P. SENAEVE, voorzitter, V. AELBRECHT, raadsheer, C. VAN ROY, raadsheer, H. COEYMANS, griffier. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181102.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.