← België

Barias BVBA/Allianz NV e.a.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 15 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20210315.1 Rolnummer: 2012/AR/1823 Zaak: Barias BVBA/Allianz NV e.a. Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2023-07-31 Raadplegingen: 352 - laatst gezien 2026-06-19 13:39 Fiche 1) Aansprakelijkheid bewaarnemer goederen: Op de bewaarnemer rust een resultaatsverbintenis tot teruggave van de goederen. De aansprakelijkheid werd in dit geval echter voorafgaandelijk rechtsgeldig uitgesloten in de contractuele verhouding tussen de bewaargever en bewaarnemer door een exoneratieclausule opgenomen in de algemene voorwaarden. Daarenboven bestond er een courante handelsrelatie tussen beide partijen. 2) Aansprakelijkheid eigenaar onroerend goed: Twee voorwaarden 1) Aantonen gebrek: de bewaarder moet niet instaan voor het risico dat de zaak gebrekkig wordt. Zijn aansprakelijkheid is beperkt tot de gevolgen van het onderwerpen van anderen aan het risico dat de zaak waarmee hij hen confronteert, reeds gebrekkig is. Er werd niet aangetoond dat de brand te wijten is aan een eerder bestaand gebrek, waardoor de vordering wordt afgewezen als ongegrond. 2) De aangesprokene dient bewaarder te zijn van de zaak: de loods werd gehuurd door de bvba BARIAS, maar de huur van een zaak impliceert niet automatisch de macht van leiding en toezicht. In de huidige zaak stond de bvba BARIAS echter in voor de herstellingen en het onderhoud van het verhuurde goed, wat erop wijst dat de bvba BARIAS (en niet de aangesprokene) de bevoegdheid had om controle uit te oefenen en derhalve optrad als bewaarder van de zaak. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Nalatigheid. Onvoorzichtigheid UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Exoneratie Vrije woorden: Aansprakelijkheid onrechtmatige daad, aansprakelijkheid bewaarnemer, aanvaarding algemene voorwaarden, uitsluiting aansprakelijkheid door aanvaarding exoneratieclausule in algemene voorwaarden, aansprakelijkheid eigenaar onroerend goed, brand is een gedraging van de zaak en geen kenmerk ervan, uitsluiting brand als gebrek van de zaak, eerder bestaand gebrek, aangesprokene dient bewaarder van de zaak te zijn, samenloop polissen, geen subsidiariteitsbeding. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1384, eerste lid - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Tekst van de beslissing ARREST N° Het hof van beroep te Brussel, burgerlijke eerste kamer, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2021/2188 A.R. nr. 2012/AR/1823 INZAKE VAN : De BVBA BARIAS, ON 0479.282.641, met zetel te 8800 ROESELARE, Veldobsstraat 2, Appellante op hoofdberoep, Dertiende geïntimeerde op incidenteel beroep; vertegenwoordigd door Meester VAN EECKHOUTTE Michiel, advocaat te 8800 ROESELARE, Zuidstraat 6; tegen :

  1. De NV ALLIANZ BELGIUM, ON 0403.258.197, met zetel te 1000 BRUSSEL, Lakensestraat 35, Eerste geïntimeerde op hoofdberoep, Eerste appellante op incidenteel beroep,
  2. CATLIN INSURANCE COMPANY Ltd., vennootschap naar Engels recht met zetel te Londen EC3R 7DD (Verenigd Koninkrijk), 3 Minister Court, Mincing Lane; Tweede geïntimeerde op hoofdberoep, Tweede appellante op incidenteel beroep,
  3. A.A., in zijn hoedanigheid van algemeen vertegenwoordiger in België van de Lloyd’s van Londen, in opvolging van A.B. en meer bepaald van het Syndicate 1221 (JGCO 84402 A), met zetel in België te 2000 Antwerpen, Schaliënstraat 30, met als agent de nv Navigators, met zetel te 2600 Berchem, Heilig Hartstraat 14, ondernemingsnummer 0871.194.711 Derde geïntimeerde op hoofdberoep, Derde appellante op incidenteel beroep,
  4. De NV BALOISE BELGIUM, (voorheen de nv MERCATOR VERZEKERINGEN), rechtsopvolger van de nv NATEUS, met zetel te 2600 Antwerpen, Posthofbrug 18, ondernemingsnummer 0400.048.883 Vierde geïntimeerde op hoofdberoep, Vierde appellante op incidenteel beroep, Tweede tot en met vierde geïntimeerden, die woonstkeuze doen bij de nv ALLIANZ BELGIUM, met uitbatingszetel te 2600 Berchem, Uitbreidingsstraat 180 bus 4a Eerste tot en met vierde geïntimeerden vertegenwoordigd door Meester BOTTICELLI loco Meester LIBOUTON Jacques, advocaat te 1170 WATERMAEL-BOITSFORT, Boulevard du Souverain 68 bte 7
  5. A.C., bedrijsfleider, Vijfde geïntimeerde op hoofdberoep, Eerste geïntimeerde op incidenteel beroep, 6) De nv KBC VERZEKERINGEN, met zetel te 3000 Leuven, Professor Van Overstraetenplein 2, ondernemingsnummer 0403.552.563 Zesde geïntimeerde op hoofdberoep, Tweede geïntimeerde op incidenteel beroep, 7) De nv BELFIUS VERZEKERINGEN (voorheen de nv DEXIA INSURANCE BELGIUM), rechtsopvolger van de nv DVV Verzekeringen, met zetel te 1000 Brussel, Livingstonelaan 6, ondernemingsnummer 0405.764.064 Zevende geïntimeerde op hoofdberoep, Derde geïntimeerde op incidenteel beroep, 8) De cvba FEDERALE VERZEKERINGEN, met zetel te 1000 Brussel, Stoofstraat 12, ondernemingsnummer 0403.257.506 Achtste geïntimeerde op hoofdberoep, Vierde geïntimeerde op incidenteel beroep, 9) De nv ASCO (Continentale Verzekering), met zetel te 2000 Antwerpen, Entrepotkaai 5, ondernemingsnummer 0404.454.168 Negende geïntimeerde op hoofdberoep, Vijfde geïntimeerde op incidenteel beroep, 10) ZURICH INSURANCE plc, vennootschap naar Iers recht, met zetel in België te 1000 Brussel, Lloyd Georgelaan 7, ondernemingsnummer 0882.245.682 Tiende geïntimeerde op hoofdberoep, Zesde geïntimeerde op incidenteel beroep, 11) De nv ETHIAS, met zetel te 4000 Luik, rue des Croisiers 24, ondernemingsnummer 0404.484.654 Elfde geïntimeerde op hoofdberoep, Zevende geïntimeerde op incidenteel beroep, 12) De nv AXA BELGIUM, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25, ondernemingsnummer 0404.483.367 Twaalfde geïntimeerde op hoofdberoep, Achtste geïntimeerde op incidenteel beroep, 13) De nv BALOISE BELGIUM (voorheen de nv MERCATOR VERZEKERINGEN), met zetel te 2600 Antwerpen, Posthofbrug 18, ondernemingsnummer 0400.048.883 Dertiende geïntimeerde op hoofdberoep, Negende geïntimeerde op incidenteel beroep, 14) De cvba P&V VERZEKERINGEN, met zetel te 1210 Brussel, Koningsstraat 151, ondernemingsnummer 0402.236.531 Veertiende geïntimeerde op hoofdberoep, Tiende geïntimeerde op incidenteel beroep, 15) De coöperatieve vennootschap FEDERALE VERZEKERING, met zetel te 1000 Brussel, Stoofstraat 12, ondernemingsnummer 0403.257.506 Vijftiende geïntimeerde op hoofdberoep, Elfde geïntimeerde op incidenteel beroep, 16) De nv DEXIA INSURANCE BELGIUM, met zetel te 1210 Brussel, Galileelaan 5, ondernemingsnummer 0405.764.064 Zestiende geïntimeerde op hoofdberoep, Twaalfde geïntimeerde op incidenteel beroep, Negende tot en met zestiende geïntimeerden, die woonstkeuze doen bij de nv BDM, rechtsopvolger van de nv Minerva Underwriters, met zetel te 2000 Antwerpen, Entrepotkaai 5, ondernemingsnummer 0404.458.128 Vijfde tot en met zestiende geïntimeerden vertegenwoordigd door Meester D. VAN DEN POEL loco Meester VALVEKENS Marc, advocaat te 1170 WATERMAAL-BOSVOORDE, Emile Van Becelaerelaan 28B bus 8; ___________________________________________________________________________ Na in beraadneming op 25 januari 2021 spreekt het hof volgend arrest uit: Gelet op: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de 26e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 11 januari 2012, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 2 juli 2012; - de beschikking gewezen in toepassing van art. 747, § 2 Ger. W. op 29 oktober 2012; - de beschikking gewezen in toepassing van art. 748, § 2 Ger. W. op 24 september 2013; - de beschikking gewezen in toepassing van art. 748, § 2 Ger. W. op 28 april 2015; - de conclusie van de bvba BARIAS, neergelegd ter griffie van het hof op 31 juli 2015; - de derde syntheseconclusie van eerste tot en met vierde geïntimeerden, neergelegd ter griffie van het hof op 23 oktober 2015; - de vervangende syntheseberoepsconclusie van vijfde tot en met zestiende geïntimeerden, neergelegd ter griffie van het hof op 30 oktober 2014; - de stukkenbundel van de bvba BARIAS, neergelegd ter griffie van het hof op 23 december 2020; - de stukkenbundel van eerste tot en met vierde geïntimeerden, neergelegd ter griffie van het hof op 21 december 2020; - de stukkenbundel van vijfde tot en met zestiende geïntimeerden, neergelegd ter zitting van 25 januari
  6. Gehoord de advocaten van partijen in hun pleidooien ter openbare terechtzitting van 25 januari
  7. ° ° ° I. ONTVANKELIJKHEID VAN DE HOGERE BEROEPEN
  8. Het hoofdberoep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld. De ontvankelijkheid van de hogere beroepen wordt niet betwist. Evenmin dienen middelen van onontvankelijkheid ambtshalve te worden opgeworpen. Het hoofdberoep en het incidenteel beroep zijn bijgevolg ontvankelijk. II. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN
  9. De oorspronkelijke vordering van de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars strekte ertoe de bvba BARIAS, A.C. en hun verzekeraars te horen veroordelen tot betaling van het bedrag van € 37.809,93, te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 17 april 2009, de gerechtelijke interesten en de kosten. De nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars vorderden tevens de uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis.
  10. De bvba BARIAS betwistte deze vordering en stelde een vordering in vrijwaring in tegen A.C. en zijn verzekeraars die ertoe strekte de bvba BARIAS te vrijwaren voor alle sommen in hoofdsom, interesten en kosten waartoe deze zou worden veroordeeld.
  11. A.C. en zijn verzekeraars besloten tot de ongegrondheid van de hoofdvordering. Zij besloten in hoofdorde eveneens tot de ongegrondheid van de vordering in vrijwaring. Ondergeschikt, vroegen zij in geval van samenloop van dekking de procedure op te schorten in afwachting van een beslissing van de toepassingscommissie.
  12. Bij het bestreden vonnis van 11 januari 2012 heeft de eerste rechter de hoofdvordering van de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars ontvankelijk en deels gegrond verklaard en de bvba BARIAS veroordeeld tot betaling aan de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars van een bedrag van € 37.809,93, te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 17 april 2009 tot de datum van het vonnis en met de moratoire interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de datum van het vonnis tot de datum van volledige betaling. De eerste rechter heeft de hoofdvordering van de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars tegen huidige vijfde tot en met veertiende geïntimeerden, evenals de vordering in vrijwaring van de bvba BARIAS ontvankelijk verklaard, doch afgewezen als ongegrond. De bvba BARIAS werd veroordeeld tot de kosten van het geding van de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars, begroot op € 187,41 (dagvaarding + rolstelling) + € 2.200,00 (rechtsplegingsvergoeding). De nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars werden veroordeeld tot de kosten van huidige vijfde tot en met veertiende geïntimeerden, gezamenlijk begroot op € 2.000,00 (rechtsplegingsvergoeding). Het hof merkt op dat huidige vijftiende en zestiende geïntimeerden geen partij waren in de procedure in eerste aanleg.
  13. In hoger beroep vordert de bvba BARIAS het volgende: “Het hoger beroep van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren. Het vonnis a quo teniet te doen en te zeggen voor recht dat de oorspronkelijke hoofdvordering van geïntimeerden op hoofdeis (1 tot en met 4) ongegrond is. Uiterst subsidiair: Voor zover de initiële hoofdvordering van geïntimeerden op hoofdeis gegrond wordt verklaard, de tusseneis van appellante ten aanzien van geïntimeerden op tusseneis gegrond te verklaren. Dienvolgens geïntimeerden op tusseneis (5 tot en met 16), oorspronkelijk tweede en derde verweerders op tusseneis te veroordelen tot vrijwaring van appellante tot alle sommen (in hoofdsom, kosten, interesten en aanhorigheden) waartoe appellante zou worden veroordeeld. Geïntimeerden tevens te wijzen in alle kosten van het geding, eerste aanleg en hoger beroep, voorlopig te begroten op: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 2.200,00 EUR - rolrecht: 186,00 EUR - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 2.750,00 EUR De uitspraak uitvoerbaar te verklaren niettegenstaande elk verhaal en zonder borgtocht, noch kantonnement.”
  14. De nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars (eerste tot en met vierde geïntimeerden) besluiten tot de ongegrondheid van het hoofdberoep en vragen appellante te veroordelen tot de kosten. Zij stellen incidenteel beroep in dat ertoe strekt hun oorspronkelijke vordering tegen de bvba BARIAS, A.C. en zijn verzekeraars (vijfde tot en met zestiende geïntimeerden) ontvankelijk en gegrond te verklaren en hen te veroordelen, solidair, in solidum of de ene bij gebrek aan de andere, tot betaling aan de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars van een bedrag van € 40.809,93, te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 17 april 2009, de gerechtelijke interesten en de kosten.
  15. A.C. en zijn verzekeraars besluiten tot de ongegrondheid van het hoofdberoep en van het incidenteel beroep, vragen het bestreden vonnis te bevestigen en vorderen de veroordeling van de bvba BARIAS en de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op € 2.200,00 per aanleg. In ondergeschikte orde vragen zij de vordering te beperken tot één euro provisioneel. III. RELEVANTE FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN
  16. De bvba BARIAS is sinds 21 februari 2004 huurder van een gedeelte van een koelloods gelegen te X. Het gehuurde gedeelte bestaat uit een diepvriesstockageruimte, een gekoelde werkruimte, een bureel, sanitair, berging, eetzaal, ingang, parkeerplaats en ruimte voor het plaatsen van de noodzakelijke afvalcontainers en is onderdeel van een groter geheel.
  17. A.C. is eigenaar van het gehele onroerend goed waarvan voormelde ruimtes onderdeel zijn.
  18. In de door de bvba BARIAS gehuurde koelloods werden onder meer diepvriesproducten afkomstig van de nv Thalassa Seafoods opgeslagen om door de bvba BARIAS te worden verpakt en geëtiketteerd voor verhandeling.
  19. Op 3 januari 2009 deed er zich een brand voor in het onroerend goed, waarvan de koelloods een onderdeel uitmaakt. De brand vernietigde de volledige inhoud, waaronder de diepvriesproducten van de nv Thalassa Seafoods, en de verschillende ruimtes van het onroerend goed. De branddeskundige aangesteld door het parket, kon geen oorzaak van de brand aanduiden. De brandhaard werd gesitueerd aan de rechter voorzijde van het onroerend goed. De schade voor de nv Thalassa Seafoods wegens het totaal verlies van haar diepvriesproducten werd begroot op € 35.275,
  20. De verzekeraars van de nv Thalassa Seafoods, met name de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars, vergoedden haar verzekerde voor een totaal bedrag van € 40.809,93 .
  21. Door hun tussenkomst als verzekeraar traden de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars in de rechten van hun verzekerde en willen zij het uitgekeerde bedrag verhalen op de aansprakelijke derde.
  22. Op 25 januari 2010 gingen de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars over tot dagvaarding van de bvba BARIAS, A.C. en hun verzekeraars. 14.
  23. De bvba BARIAS werd aansprakelijk geacht als bewaarnemer van de diepvriesproducten. 14.
  24. A.C. werd aansprakelijk geacht als eigenaar van het onroerend goed wegens een gebrek in de bouw. 14.
  25. De nv KBC VERZEKERINGEN is de aansprakelijkheidsverzekeraar van A.C. A.C. heeft bij de nv KBC VERZEKERINGEN tevens een verzekeringspolis “speciale risico’s” onderschreven, dit is een zaakverzekering die tevens de goederen van de bvba BARIAS verzekert. De nv KBC VERZEKERINGEN is bovendien samen met zevende tot en met zestiende geïntimeerden de verzekeraar van de bvba BARIAS op grond van de polis “Patrimonium polis industrie”. De vordering tegen de nv KBC VERZEKERINGEN en de andere verzekeraars betreft een rechtstreekse vordering op grond van het (oude) art. 86 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst.
  26. De bvba BARIAS heeft een tussenvordering in vrijwaring ingesteld tegen A.C. en zijn verzekeraars. IV. BESPREKING IV.
  27. Vordering tegen de bvba BARIAS (bewaarnemer van de goederen)
  28. De bvba BARIAS betwist niet dat zij de bewaarnemer was van de goederen van de nv Thalassa Seafoods en dat op haar een resultaatsverbintenis tot teruggave van de goederen rustte. Zij stelt evenwel dat haar aansprakelijkheid voorafgaandelijk rechtsgeldig werd uitgesloten in de contractuele verhouding tussen de bvba BARIAS en de nv Thalassa Seafoods en verwijst naar volgende exoneratieclausule in haar algemene voorwaarden (art. 15): “In geval van een vreemde oorzaak (bijv. oorlog, staking, natuurrampen, uitzonderlijke schaarste van grondstoffen en koopwaar, enz.) zelfs indien ze geen definitieve en/of totale onmogelijkheid van uitvoering tot gevolg heeft, is het ons van rechtswege, doch na verwittiging van de cliënt, toegelaten onze verbintenis eenzijdig op te schorten of te annuleren, en dit zonder dat wij kunnen gehouden zijn tot schadevergoeding. De door Barias opgeslagen en/of te verpakken koopwaar dient volledig verzekerd te worden door de klant. De klant en zijn verzekeringsmaatschappij doet afstand van verhaal voor alle schade tegenover Barias. De klant verbindt er zich toe zijn verzekeringsmaatschappij hiervan op de hoogte te stellen.” (zie: stuk nr. 1 bundel van de bvba BARIAS).
  29. De nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars stellen dat niet vaststaat dat de algemene voorwaarden deel uitmaakten van het contract tussen de bvba BARIAS en de nv Thalassa Seafoods en dat evenmin is aangetoond dat de nv Thalassa Seafoods de toepassing van deze algemene voorwaarden zou aanvaard hebben. 18.
  30. De bvba BARIAS legt een faxbericht van 28 maart 2008 voor met volgende inhoud: “Beste klant, Beleefd verwijzen we ter kennisgeving naar onze algemene voorwaarden en onze factuurvoorwaarden waarbij de klant de koopwaar zelf verzekert met afstand van verhaal tegenover Barias, zijn verhuurders en bewaargevers. Gelieve uw verzekeraar hiervan op de hoogte te stellen aub.” (zie: stuk nr. 2 bundel van de bvba BARIAS). Dit faxbericht werd aan de nv Thalassa Seafoods gestuurd op 31 maart
  31. In tegenstelling tot hetgeen de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars voorhouden, is de datum op het verzendrapport duidelijk en is het wel degelijk het voorgelegde faxbericht van 28 maart 2008 dat op 31 maart 2008 werd verstuurd. Het verzendrapport vermeldt bovendien geen foutmelding bij de verzending, zodat kan worden aangenomen dat het bericht de nv Thalassa Seafoods heeft bereikt. De nv Thalassa Seafoods heeft nooit ter kennis gebracht dat zij met de inhoud van het faxbericht niet kon instemmen. Hieruit volgt dat zij de algemene voorwaarden en in het bijzonder voormelde exoneratieclausule heeft aanvaard. 18.
  32. Bovendien bestond er tussen de bvba BARIAS en de nv Thalassa Seafoods een courante handelsrelatie (sinds 2007), zoals blijkt uit de jaarlijkse lijsten van de BTW-belastingplichtige afnemers van 2007 en 2008 (zie: stukken nrs. 25 en 26 bundel van de bvba BARIAS) en het grootboek (zie: stuk nr. 34 bundel van de bvba BARIAS). De nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars twijfelen aan de waarachtigheid van deze stukken, omdat de bvba BARIAS eerst had beweerd dat haar stukken door de brand vernietigd waren en dat zij thans toch voormelde stukken voorlegt. Er is geen reden om te twijfelen aan de waarachtigheid van de stukken. De jaarlijkse lijst van de BTW-belastingplichtige afnemers dient verplicht te worden ingediend bij de FOD Financiën en is onderworpen aan controle. 18.
  33. De nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars werpen op dat, zelfs indien er een courante handelsrelatie zou hebben bestaan, niet is aangetoond dat de facturen van de bvba BARIAS van 2007 en 2008 een verwijzing bevatten naar de algemene voorwaarden, waaronder de exoneratieclausule, en dat deze algemene voorwaarden reeds vanaf de eerste opdracht golden. De bvba BARIAS legt geen facturen voor van 2007 en 2008, omdat deze door de brand zouden zijn vernietigd. Bijgevolg kan niet worden nagegaan of de exoneratieclausule toen reeds op de facturen was vermeld. De nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars leggen een factuur van de bvba BARIAS d.d. 31 december 2008 voor en wijzen erop dat op deze factuur enkel wordt vermeld “verkoopsvoorwaarden op keerzijde” (zie: stuk nr. 11 bundel van de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars). De keerzijde wordt niet voorgelegd. Uit het voorgaande volgt evenwel niet dat de exoneratieclausule in casu niet van toepassing zou zijn. De exoneratieclausule werd in ieder geval meegedeeld op 31 maart 2008 en ook na die datum is er een handelsrelatie geweest tussen de bvba BARIAS en de nv Thalassa Seafoods, zoals blijkt uit de jaarlijkse lijst van de BTW-belastingplichtige afnemers van
  34. De nv Thalassa Seafoods heeft de facturen van 2008 nooit geprotesteerd. Bijgevolg werden de algemene voorwaarden, waaronder de exoneratieclausule, door de nv Thalassa Seafoods aanvaard. Het feit dat de keerzijde van de factuur d.d. 31 december 2008 niet wordt voorgelegd, verandert daaraan niets. De toepasselijke algemene voorwaarden werden immers reeds overgemaakt op 31 maart
  35. 18.
  36. De aanvaarding van de exoneratieclausule door de nv Thalassa Seafoods blijkt derhalve uit de aanvaarding van het faxbericht van 28 maart 2008 en uit de aanvaarding van de facturen van
  37. De nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars trachten aan de hand van het e-mailbericht van de bvba BARIAS aan de nv Thalassa Seafoods d.d. 25 maart 2009 aan te tonen dat de nv Thalassa Seafoods de algemene voorwaarden niet zou hebben aanvaard. In voormeld e-mailbericht schreef de bvba BARIAS aan de nv Thalassa Seafoods het volgende: “In het kader van een verdere vlotte afhandeling van het schadedossier vragen we u of het mogelijk is spoedig ons een attest van uw verzekeringsmaatschappij te bezorgen waaruit blijkt dat uw goederen die schade geleden hebben door de brand te Moorslede op 3/01/2009 al dan niet door uw verzekering kunnen vergoed worden. Pas als we dit attest mogen ontvangen kan onze maatschappij KBC verzekeringen verder dit dossier met u regelen en dan ook spoedig afsluiten aub.” (zie: stuk nr. 14 bundel van de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars). Hieruit kan niet worden afgeleid dat de nv Thalassa Seafoods de algemene voorwaarden niet zou hebben aanvaard, aangezien in eerste instantie werd gevraagd naar een attest van de eigen verzekeraar van de nv Thalassa Seafoods. Uit het feit dat vervolgens werd verwezen naar de eigen verzekeraar van de bvba BARIAS die een volledig dossier over het schadegeval samenstelde, kan niet worden afgeleid dat de exoneratieclausule niet werd aanvaard.
  38. De nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars verwijzen ook naar het e-mailbericht van de nv Thalassa Seafoods aan de bvba BARIAS d.d. 8 januari 2009 en leiden hieruit af dat de nv Thalassa Seafoods de schadeloosstelling van de gevolgen van de brand verwachtte. Bij e-mailbericht van 8 januari 2009 schreef de nv Thalassa Seafoods aan de bvba BARIAS het volgende: “Samen met u betreuren wij dit spijtige voorval. Wij gaan er echter vanuit dat we in dit dossier geen schade lijden en ik zie dan ook niet in waarom in zo’n geval niet meer kan samengewerkt worden. (…).” (zie: stuk nr. 11 bundel van de bvba BARIAS). Hieruit kan niet worden afgeleid dat de nv Thalassa Seafoods schadeloosstelling verwachtte van de bvba BARIAS. Zij kon evenzeer een schadevergoeding verwachten van haar eigen verzekeraar (wat overigens gebeurd is).
  39. De nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars trachten uit de factuur van A.C. aan de bvba BARIAS d.d. 25 juli 2004 en het protest van de bvba BARIAS bij aangetekend schrijven van 12 januari 2005 af te leiden dat er geen exoneratieclausule bestond in de contractuele verhouding tussen de bvba BARIAS en de nv Thalassa Seafoods. Op de factuur van A.C. aan de bvba BARIAS d.d. 25 juli 2004 is het volgende vermeld: “De klant verzekert de koopwaar met afstand van verhaal tegenover de onderneming A.C.” (zie: stuk nr. 23 bundel van de bvba BARIAS). Bij aangetekend schrijven van 12 januari 2005 heeft de bvba BARIAS deze clausule als volgt geprotesteerd: “Zoals afgesproken tijdens ons persoonlijk gesprek wordt de koopwaar van Barias en van Barias zijn klanten verzekerd door de firma A.C. We kunnen ons over factuur 61 van 25/07/04 akkoord stellen met het bedrag maar niet over de clausule: “De klant verzekert de koopwaar met afstand van verhaal tegenover de onderneming A.C.”. Bij deze wil ik dan ook de factuur protesteren want zoals afgesproken zorgt de firma A.C. voor de verzekering van de koopwaar.” (zie: stuk nr. 24 bundel van de bvba BARIAS). Uit deze stukken kan niet worden afgeleid dat er geen exoneratieclausule bestond in de contractuele verhouding tussen de bvba BARIAS en de nv Thalassa Seafoods. De bvba BARIAS heeft de clausule op de factuur van A.C. betwist, omdat deze – naar haar mening – niet strookte met de afspraak tussen de bvba BARIAS en A.C. De overeenkomst tussen de bvba BARIAS en A.C. stond los van de contractuele verhouding tussen de bvba BARIAS en haar klanten. Ook indien een exoneratieclausule bestond in het voordeel van de bvba BARIAS, kon de bvba BARIAS met A.C. overeenkomen dat deze laatste de koopwaar zou verzekeren. Bovendien merkt het hof op dat de factuur van A.C. en het protest van de bvba BARIAS dateren van 2004-2005, terwijl de handelsrelatie tussen de bvba BARIAS en de nv Thalassa Seafoods pas wordt aangetoond vanaf
  40. De contractuele voorwaarden tussen A.C. en de bvba BARIAS konden inmiddels gewijzigd zijn.
  41. Gelet op het voorgaande, wordt de vordering van de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars tegen de bvba BARIAS afgewezen als ongegrond. IV.
  42. Vordering tegen A.C. (eigenaar van het gebouw)
  43. De vordering van de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars is gesteund op art. 1382 (oud) B.W. en art. 1384, eerste lid (oud) B.W. Op grond van het verslag van de deskundige die werd aangesteld door het parket, besluiten de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars dat de brand te wijten was aan ofwel een menselijke nalatigheid van A.C. of zijn werknemers voor wie hij instond, ofwel een gebrek aan de elektrische installatie, computers en elektrische verwarming.
  44. De deskundige heeft besloten dat er geen aanwijzingen waren voor een mogelijke opzettelijke brandstichting en heeft het volgende onderzocht in verband met een mogelijke accidentele oorzaak: “Bureau: Het bureau bevindt zich in de zone van oorsprong van brand. In het bureau waren elektrische installatie, computers en elektrische verwarming aanwezig. Dit zijn stuk voor stuk potentiële en gekende accidentele oorzaken van brand. Heftruck: De plaats waar de heftruck staat met zijn inboedel heeft te lijden gehad van de brand. Er is rook- en hitteschade. De schade neemt af naarmate we dieper in het lokaal gaan. De plaats van oorsprong van de brand ligt niet in deze zone. Verwarmingsweerstanden: In de diepvriesdeuren zitten verwarmingsweerstanden die verhinderen dat de deuren dichtvriezen. De werking hiervan kan falen. Dit is in gelijkaardige gebouwen een gekende oorzaak van brand. Elektrische installatie: In de zone van oorsprong van de brand bevindt zich een zware metalen kabelgoot met koperen geleiders. Werken uitgevoerd door derden: We vernemen van de politie dat arbeiders schilderwerken uitgevoerd hebben op een andere plaats in de loods. Er zouden die dag geen laswerken uitgevoerd zijn.” (zie: stuk nr. 12 bundel van de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars). Er ligt geen bewijs voor van een fout in hoofde van A.C. of zijn werknemers.
  45. De nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars halen aan dat A.C. onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft genomen wat betreft het opstapelen van paletten tegen het gebouw. Zelfs indien A.C. op dit punt onvoldoende veiligheidsmaatregelen zou hebben genomen, is niet aangetoond dat deze beweerde onzorgvuldigheid een oorzaak is van de geleden schade. 26.
  46. De nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars omschrijven de brand als een gebrek van de zaak. Een gebrek van de zaak wordt omschreven als een abnormaal kenmerk van de zaak, een afwijkend karakter van de zaak in vergelijking met niet-gebrekkige zaken, dat, in bepaalde omstandigheden, schade kan veroorzaken (zie o.m. Cass. AR C.09.0186.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.6, 11 maart 2010, Arr. Cass. 2010 , afl. 3, 715, Pas. 2010, afl. 3, 777 en RGAR 2011, afl. 1, nr. 14703; Cass. AR C.03.0400.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050425.4, 25 april 2005, Arr. Cass. 2005, afl. 4, 928, Pas. 2005, afl. 4, 924 en RW 2007-08 (samenvatting), afl. 2, 62; Cass. 21 mei 1999, Arr. Cass. 1999, 711, RW 2001-02, 679, noot). De schade werd veroorzaakt door de brand. Bij arrest van 7 oktober 2016 oordeelde het Hof van Cassatie dat een brand een gedraging van de zaak is en geen kenmerk ervan. De rechter kan het bestaan van een gebrek in de zaak slechts uit de gedraging van die zaak afleiden, wanneer hij elke andere oorzaak dan een gebrek voor die gedraging uitsluit (Cass. AR C.15.0314.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161007.4 – C.16.0060.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161007.4, 7 oktober 2016, www.cass.be, concl. A. VAN INGELGEM en RW 2017-18, afl. 16, 624, concl. A. VAN INGELGEM en noot M. KRUITHOF). Hoewel de brand op zich beantwoordt aan de definitie van het begrip “gebrek” en voormelde rechtspraak van het Hof van Cassatie dus voor kritiek vatbaar is, is deze rechtspraak beleidsmatig gewenst en kan de toepassing van art. 1384, eerste lid (oud) B.W. in geval van brand toch uitgesloten worden door te erkennen dat art. 1384, eerste lid (oud) B.W. alleen geldt voor schade veroorzaakt door een gebrekkige zaak wanneer de blootstelling van de benadeelde aan het risico dat de zaak nu eenmaal inhoudt, toe te rekenen is aan de bewaarder van de zaak. Hieruit volgt dat de bewaarder niet moet instaan voor het risico dat de zaak gebrekkig wordt. Zijn aansprakelijkheid is beperkt tot de gevolgen van het onderwerpen van anderen aan het risico dat de zaak waarmee hij hen confronteert, reeds gebrekkig is, ongeacht of de bewaarder op de hoogte is of kon zijn van het gebrek. De brand houdt een schaderisico in en de bewaarder heeft geen invloed op wie aan dit risico wordt blootgesteld, zodat hij niet aansprakelijk is op grond van art. 1384, eerste lid (oud) B.W. (M. KRUITHOF, “Gedrag versus gebrek van een zaak: over schade door brand, een klapband of een vallende lichtreclame”, (noot onder Cass. 7 oktober 2016), RW 2017-18, afl. 16,

(603)615-616, nrs. 42-43 en 46). In casu is niet aangetoond dat de brand te wijten is aan een eerder bestaand gebrek. 26.
  1. Voor de toepassing van art. 1384, eerste lid (oud) B.W. dient bovendien niet enkel een gebrek te worden aangetoond, maar dient de aangesprokene bewaarder te zijn van de zaak. A.C. en zijn verzekeraars stellen terecht dat niet A.C., maar wel de bvba BARIAS de bewaarder was van het gedeelte van het gebouw waarin de brand is ontstaan. In het verslag van de deskundige die werd aangesteld door het parket, staat uitdrukkelijk dat de plaats van oorsprong van de brand te situeren was ter hoogte van de rechter voorkant van de loods. Uit de handelshuurovereenkomst en de daaraan gehechte situatieschets blijkt dat dit gedeelte van de loods gehuurd werd door de bvba BARIAS (zie: stuk nr. 16 bundel van de bvba BARIAS). Hoewel de huur van een zaak niet automatisch de macht van leiding en toezicht impliceert, stelt het hof vast dat de bvba BARIAS op grond van de handelshuurovereenkomst instond voor de herstellingen en het onderhoud van het verhuurde goed, wat erop wijst dat de bvba BARIAS de bevoegdheid had om controle uit te oefenen en derhalve optrad als bewaarder van de zaak.
  2. De vordering tegen A.C. op grond van art. 1382 (oud) B.W. en art. 1384, eerste lid (oud) B.W. wordt dan ook afgewezen als ongegrond. IV.
  3. Vorderingen tegen de nv KBC VERZEKERINGEN en de andere verzekeraars
  4. De nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars stellen een vordering in tegen de nv KBC VERZEKERINGEN als BA-verzekeraar van A.C. Aangezien A.C. niet aansprakelijk is op grond van art. 1382 (oud) B.W. en art. 1384, eerste lid (oud) B.W., wordt de vordering van de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars tegen de nv KBC VERZEKERINGEN als BA-verzekeraar van A.C. afgewezen als ongegrond.
  5. De vordering van de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars tegen de nv KBC VERZEKERINGEN is tevens gesteund op de polis “Patrimonium polis industrie”, onderschreven door de bvba BARIAS. In deze polis is uitdrukkelijk vermeld dat “de diepvriesproducten zelf niet verzekerd worden in deze polis” (zie: stuk nr. 1 bundel van de nv KBC VERZEKERINGEN). Aangezien de vordering van de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars betrekking heeft op de vergoeding voor het verlies van de diepvriesproducten van de nv Thalassa Seafoods, kan deze vordering niet gedekt worden door deze polis. De vordering van de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars tegen de nv KBC VERZEKERINGEN die is gesteund op de polis “Patrimonium polis industrie”, onderschreven door de bvba BARIAS, wordt bijgevolg afgewezen als ongegrond. 30.
  6. Ten slotte is de vordering van de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars tegen de nv KBC VERZEKERINGEN gesteund op de verzekeringspolis “speciale risico’s”, onderschreven door A.C. 30.
  7. De nv KBC VERZEKERINGEN betwist niet dat de koopwaar van de nv Thalassa Seafoods, die zich onder de bewaarneming van de bvba BARIAS bevond, wordt gedekt door de verzekeringspolis “speciale risico’s”, maar stelt dat in geval van samenloop van deze dekking met een andere polis (in casu de dekking door de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars) de verzekering “speciale risico’s” overeenkomstig art. 24.E van de algemene voorwaarden wordt omgezet in een verzekering van aansprakelijkheid die de verzekeringnemer zou kunnen oplopen voor de aan die goederen veroorzaakte schade. Aangezien A.C. niet aansprakelijk is voor de geleden schade, wordt er geen dekking verleend onder de polis “speciale risico’s” die een aansprakelijkheidsverzekering is geworden. 30.
  8. Artikel 24.E van de algemene voorwaarden van de polis “speciale risico’s” luidt als volgt: “Wanneer dit contract goederen dekt en gesloten is voor rekening of in het voordeel van een andere persoon dan de verzekeringnemer, geldt deze verzekering maar in zoverre die goederen niet gedekt worden door een verzekering die gesloten is door die persoon zelf, die buiten de schatting van de schade blijft. Voor de door deze laatste verzekering gedekte schade wordt de met dit contract gesloten verzekering een verzekering van de aansprakelijkheid die de verzekeringnemer zou kunnen oplopen voor de aan die goederen veroorzaakte schade.” (zie: stuk nr. 2 bundel van de nv KBC VERZEKERINGEN). De nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars zijn van oordeel dat voormelde clausule nietig is op grond van art. 45, § 1 Wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst (WLVO). Voormelde bepaling (van toepassing in huidige zaak) luidde als volgt: “Wanneer een zelfde belang is verzekerd bij verscheidene verzekeraars tegen hetzelfde risico, kan de verzekerde, in geval van schade, van elke verzekeraar schadevergoeding vorderen binnen de grenzen van ieders verplichtingen en ten belope van de vergoeding waarop hij recht heeft. Behalve in geval van fraude, kan geen verzekeraar zich beroepen op het bestaan van andere overeenkomsten die hetzelfde risico dekken om zijn waarborg te weigeren.” Aangezien art. 45, § 1, tweede lid WLVO van dwingend recht is, is een in de polis bedongen subsidiariteitsclausule onwettig en dient deze als niet geschreven te worden beschouwd. Derhalve kan de verzekeraar het subsidiariteitsbeding niet meer inroepen tegen de verzekerde of de benadeelde. Een polisbeding dat bepaalt dat “wanneer dit contract goederen dekt voor rekening of in het voordeel van een ander persoon dan de verzekeringnemer, deze verzekering evenwel slechts uitwerking heeft als die goederen niet gedekt worden door een verzekering die door deze persoon zelf is onderschreven”, is geen rangregeling waarbij de dekkingsplicht slechts aanvangt in zoverre het dekkingsplafond van een andere polis is bereikt, doch een subsidiariteitsclausule die sedert de inwerkingtreding van art. 45 WLVO niet meer geldig is nu de verzekerde in geval van samenloop mag kiezen welke verzekeraar hij binnen de grenzen van ieders verplichtingen wenst aan te spreken (Brussel 22 juni 2011, T. Verz. 2013, afl. 2, 383). Artikel 24.E van de algemene voorwaarden is evenwel geen subsidiariteitsbeding, maar bepaalt dat in geval van samenloop de verzekering op grond van de polis “speciale risico’s” een aansprakelijkheidsverzekering wordt, zonder daarbij te stellen dat eerst de andere verzekering moet worden aangesproken. De verzekerde kan m.a.w. nog steeds kiezen tussen de andere verzekering en de aansprakelijkheidsverzekering, voor zover de voorwaarden van de aansprakelijkheidsverzekering zijn vervuld. Artikel 24.E van de algemene voorwaarden is derhalve geldig en de nv KBC VERZEKERINGEN kan zich erop beroepen. Aangezien A.C . als verzekeringnemer van de polis “speciale risico’s” niet aansprakelijk kan worden geacht voor het schadegeval, dient de nv KBC VERZEKERINGEN geen dekking te verlenen op grond van de polis “speciale risico’s”. De vordering van de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars tegen de nv KBC VERZEKERINGEN en de andere verzekeraars wordt dan ook afgewezen als ongegrond. IV.
  9. Gerechtskosten
  10. Aangezien de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars in het ongelijk worden gesteld, worden zij overeenkomstig art. 1017 Ger. W. verwezen in de kosten.
  11. De vordering van de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars betreft een in geld waardeerbare vordering en valt in de schijf van € 20.000,01 tot € 40.000,
  12. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt € 2.400,00 (geïndexeerd, art. 2 Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, B.S. 9 november 2007). Op datum van het bestreden vonnis bedroeg de rechtsplegingsvergoeding € 2.200,
  13. Het hof merkt op dat A.C., de nv KBC VERZEKERINGEN en zevende tot en met zestiende geïntimeerden op hoofdberoep de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep begroten op € 2.200,
  14. Aangezien het hof niet meer kan toekennen dan hetgeen is gevorderd, wordt aan A.C., de nv KBC VERZEKERINGEN en zevende tot en met zestiende geïntimeerden op hoofdberoep een rechtsplegingsvergoeding van € 2.200,00 toegekend. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtsprekende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van de bvba BARIAS ontvankelijk en gegrond; Verklaart het incidenteel beroep van de nv ALLIANZ BELGIUM, CATLIN INSURANCE COMPANY Ltd., A.A. en de nv BALOISE BELGIUM ontvankelijk, doch ongegrond; Hervormt het bestreden vonnis, in zoverre het (i) de vordering van de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars tegen de bvba BARIAS gegrond heeft verklaard, (ii) de bvba BARIAS heeft veroordeeld tot betaling aan de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars van een bedrag van € 37.809,93, meer de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 17 april 2009 en de moratoire interest aan dezelfde interestvoet vanaf heden tot de dag der volledige betaling, (iii) de bvba BARIAS heeft veroordeeld tot de kosten van het geding aan de zijde van de nv ALLIANZ BELGIUM en de medeverzekeraars begroot op € 187,41 (dagvaarding) + € 2.200,00 (rechtsplegingsvergoeding); Opnieuw recht doende, Verklaart de oorspronkelijke vordering van de nv ALLIANZ BELGIUM, CATLIN INSURANCE COMPANY Ltd., A.A. en de nv BALOISE BELGIUM tegen de bvba BARIAS ontvankelijk, doch ongegrond; Veroordeelt de nv ALLIANZ BELGIUM, CATLIN INSURANCE COMPANY Ltd., A.A. en de nv BALOISE BELGIUM tot de kosten van beide aanleggen, in hoofde van de bvba BARIAS begroot op € 2.200,00 (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) + € 186 (rolrecht hoger beroep) + € 2.400,00 (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep), in hoofde van A.C. , de nv KBC VERZEKERINGEN en zevende tot en met zestiende geïntimeerden op hoofdberoep begroot op € 2.200,00 (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep) en in hoofde van henzelf begroot op € 1.194,88 (dagvaarding + rolstelling) + € 2.200,00 (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) + € 2.400,00 (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). *********** Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 15 maart 2021, waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Voorzitter, Marc DEBAERE, Raadsheer, Karen PITEUS, Raadsheer, bijgestaan door Darie VAN IMPE, Griffier. D. VAN IMPE K. PITEUS M. DEBAERE A. DE PREESTER Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050425.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161007.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.