← België

ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20210518.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 18 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20210518.11 Rolnummer: 2020/FA/453 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-08-12 Raadplegingen: 194 - laatst gezien 2026-06-13 19:23 Fiche Het hof stelt vast dat er tussen partijen een mondelinge overeenkomst bestond betreffende de ontvangst van de vruchten door één partij en de betaling door diezelfde partij van de lasten/kosten van onroerende goederen die behoorden tot de post-communautaire verdeeldheid. Hierdoor is artikel 577-2 oud BW niet van toepassing. De oorzaak van deze overeenkomst was het feit dat partijen na de echtscheiding een aantal goederen in onverdeeldheid behielden. Het voorwerp van deze overeenkomst bestond onder andere uit het afbetalen van de lening van beide onroerende goederen, waardoor de overeenkomst niet eindigt door de afbetaling van de hypothecaire lening van één onroerend goed. De dadingsovereenkomst die later werd gesloten en die stelt dat door het sluiten ervan een einde werd gemaakt aan alle vorderingen die zouden kunnen voortvloeien of voortgevloeid zijn uit het huwelijk tussen partijen en uit de tussen hen bestaande verplichtingen en/of vorderingen, heeft een uitdovende werking. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Geldigheidsvereisten overeenkomst - Voorwerp - Algemeen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Geldigheidsvereisten overeenkomst - Oorzaak BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Scheiding van goederen BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Dading Tekst van de beslissing INZAKE VAN: A.B. appellante, vertegenwoordigd door mr. VERHAEGEN Michael (Brussel) en mr. DE CAUWER Steve (BRUSSEL) loco mr. DE BEIR Theo, advocaat te 1180 UKKEL, Winston Churchilllaan 51, TEGEN: C.D. geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. VANDEKERCKHOVE Elisabeth Maria, advocaat te 1170 WATERMAAL-BOSVOORDE, Terhulpsesteenweg

  1. * * * * * * * * * * Gelet op de stukken van de rechtspleging, inzonderheid: - het bestreden vonnis van de familierechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 29 april 2019, waarvan de partijen ter zitting verklaren dat dit niet betekend werd; - het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 31 juli 2020, waarbij tijdig hoger beroep werd aangetekend; - de syntheseconclusie van appellante neergelegd op 4 januari 2021; - de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd op 1 maart 2021; - de neergelegde stukken. I. Voorgaanden
  2. Partijen zijn gehuwd op 25 april 1992 onder het huwelijksstelstel van scheiding van goederen. Zij zijn uit de echt gescheiden overeenkomstig artikel 229, § 2 oud BW bij vonnis van 31 maart 2009 van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het echtscheidingsvonnis heeft kracht van gewijsde en werd overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 30 mei
  3. Op 29 september 2009 hebben partijen een eerste dadingovereenkomst gesloten nopens de (gedeeltelijke) vereffening en verdeling van de tussen hen bestaande onverdeeldheden, waarbij het volgende werd overeengekomen: "1)Partijen zijn echtgescheiden bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 31 maart 2009 overgeschreven op 30.05.2009 te W. 2) Partijen wensen uit onverdeeldheid te treden bij wijze van dading waartoe onderhavige overeenkomst wordt opgesteld en aanvaard. 3) Appellante ontvangt in eerste instantie een bedrag van 800.000 euro of de tegenwaarde ervan in beleggingen en dit binnen de 14 dagen na ondertekening van onderhavige overeenkomst. 4) De woning [adres 1] wordt door de CVA C.D. verkocht aan appellante voor de prijs van 540.000 euro . De kosten van de aankoop of de verwerving zijn ten laste van geïntimeerde of van de CVA C.D. 5) De tegenwaarde van de aankoop van de woning door appellante wordt door de partij D.C. op datum van de verkoop van de woning betaald aan appellante. 6) De heer D.C. betaalt aan appellante een saldo van 325.000 euro betaalbaar over maximum 5 jaar via een maandelijkse betaling van 1/60ste te vermeerderen met een intrestvoet van 5% op het verschuldigde saldo. 7) Na uitvoering van deze overeenkomst is er tussen partijen niets meer verschuldigd. 8) B.A. verzaakt uitdrukkelijk aan ieder onderhoudsgeld voor haarzelf voor de toekomst. " Appellante ging op 31 maart 2011 over tot het betekenen van een dagvaarding lastens geïntimeerde, in gedwongen uitvoering van de artikelen 4, 5 en 6 van de dadingsovereenkomst.
  4. Appellante ging op dezelfde datum over tot dagvaarding van geïntimeerde in uitonverdeeldheidtreding van twee onverdeelde onroerende goederen gelegen te Zaventem en Laken waarvoor geen regeling werd getroffen in de dadingsovereenkomst van 29 september
  5. Vervolgens hebben partijen op 30 mei 2016 een tweede dadingovereenkomst gesloten, waarbij het volgende werd overeengekomen: " I. ONVERDEELDHEID ONROERENDE GOEDEREN Partijen zijn in onverdeeldheid mede-eigenaars van de hiernavolgende onroerende goederen: 1) gemeente Zaventem - eerste afdeling Een handelshuis op en met grond en aanhorigheden gelegen Vilvoordelaan nummer 41, gekadastreerd of het geweest, volgens titel en kadaster sectie D nummer 354/V/2, met een oppervlakte volgens titel en kadaster van één are vijfendertig centiare (1a, 35ca). 2) stad Brussel - zestiende afdeling/Laken Een woonhuis op en met grond en aanhorigheden gelegen aan de Houba de Strooperlaan nummer 26, gekadastreerd of het geweest, sectie C volgens titel en volgens kadaster nummer 32/B/10, met een oppervlakte volgens titel van twee are tweeënzestig centiare en volgens kadaster van twee are zestig centiare. Partijen gaan akkoord deze onroerende goederen te koop te stellen. Opdracht zal worden gegeven aan twee makelaarskantoren die met de verkoop van de onroerende goederen zullen gelast worden aan de minimumprijzen die overeenstemmen met de schattingswaarden die tussen partijen voorheen waren aangevraagd en waarmee ze hun akkoord betuigd hebben, te weten Zaventem: 480.000,00 euro en Laken: 470.000,00 euro . Beide makelaarskantoren krijgen opdracht de woningen aan deze voorwaarden te verkopen. De vooropgestelde vraagprijzen zijn minimaal voornoemde schattingswaarden. De makelaarskantoren kunnen partijen adviseren over hogere vraagprijzen indien zij van oordeel zijn dat de actuele waarde van deze woningen hoger liggen dan de voornoemde schattingswaarden. De gebouwen worden per onderdeel verkocht en de prijs per onderdeel wordt in onderling overleg bepaald. Partijen opteren voor de realisatie van de verkoop en het verlijden van de notariële akte uiterlijk 31.12.
  6. Mocht blijken dat de vooropgestelde vraagprijzen en/of termijnen niet realistisch zijn, dan kan een nieuwe prijs en de nieuwe termijn enkel in onderling overleg worden bepaald. Er wordt tussen partijen uitdrukkelijk overeengekomen dat de voorschotten op deze verkopen en de verkoopprijzen dienen geblokkeerd te blijven in handen van de notaris die uiteindelijk zal gelast worden met verlijden van de akte en dit tot zekerheid van de betalingen die in het kader van onderhavige overeenkomst moeten worden uitgevoerd, tenzij andersluidende overeenkomst tussen partijen in de loop van de uitvoering van de overeenkomst. Het spreekt vanzelf dat voorafgaandelijk de saldi van de hypothecaire leningen worden betaald aan de schuldeisende banken. Het netto saldo van de verkoopprijzen na aftrek van de openstaande schulden en de makelaarscommissie wordt na eventuele uitbetaling van gelden die toekomen aan de partij A., tussen partijen bij gelijke helften verdeeld."
  7. Appellante dagvaardde op 23 mei 2017 geïntimeerde in gedwongen uitvoering van de tweede dadingsovereenkomst. Appellante vorderde: - geïntimeerde te veroordelen om over te gaan tot het verlijden van de authentieke akte van de eigendomsoverdracht aan appellante van de (voormalige gezins)woning, gelegen te [adres 1] binnen de maand na betekening van het veroordelend vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van 500 euro per dag vertraging; - akte te nemen van het feit dat geïntimeerde 317.868,61 euro heeft betaald en hiermee voldaan heeft aan punt III van de dading van 30 mei 2016, evenwel na dagvaarding en na het nemen van conclusies. Bij vonnis van de familierechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 5 december 2018 werd geïntimeerde veroordeeld om namens CVA M. over te gaan tot het verlijden van de authentieke akte tot eigendomsoverdracht van het onroerend goed te [adres 1] en dit binnen een termijn van uiterlijk twee maanden na betekening van het vonnis, en werd akte genomen van het feit dat geïntimeerde het bedrag van 317.868,61 euro heeft betaald en hiermee voldaan heeft aan punt III van de dadingsovereenkomst van 30 mei
  8. Wat betreft het onroerend goed te Zaventem, verkocht voor een prijs van 465.000 euro, werd een onderhandse verkoopovereenkomst ondertekend op 12 september 2018 en de authentieke verkoopovereenkomst werd ondertekend op 4 december
  9. De opbrengst van de verkoop werd reeds tussen partijen verdeeld. Appellante stelt dat zij naar aanleiding van de verkoop van het onroerend goed te Zaventem opmerkte dat de hypothecaire lening op het goed reeds afbetaald was sedert 31 juli 2016 terwijl geïntimeerde sedert die datum alle huurgelden verbonden aan dit pand had opgestreken. Zij stelt recht te hebben als mede-eigenaar op de helft van de vruchten van deze onverdeelde eigendom en ging hiertoe over tot dagvaarding van geïntimeerde op 30 augustus
  10. II. VONNIS A QUO In het bestreden vonnis van 29 april 2020 werden de vorderingen van appellante ontvankelijk maar ongegrond verklaard. III. VOORWERP VAN HET HOGER BEROEP Overeenkomstig haar conclusie voor het hof vordert appellante het bestreden vonnis te vernietigen, haar oorspronkelijke vordering gegrond te verklaren en vervolgens: - geïntimeerde te veroordelen tot de betaling aan appellante, van een provisioneel bedrag van 33.948,60 euro te vermeerderen met de moratoire intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 25 juli 2019 tot op datum van de dagvaarding en met de gerechtelijke intresten aan dezelfde rentevoet vanaf de dagvaarding tot de dag der algehele betaling; - geïntimeerde te veroordelen tot afgifte van alle nuttige stukken inzake de verhuur, huurinkomsten en opzeg van de huurovereenkomst afgesloten op 2 december 2014 en de zaak naar de bijzondere rol te sturen. Geïntimeerde vordert het hoger beroep af te wijzen als ongegrond. Geïntimeerde vordert in ondergeschikte orde, ingeval het hof het hoger beroep van appellante gegrond zou verklaren en het vonnis a quo zou hervormen, de tegenvordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond te verklaren en appellante te veroordelen tot betaling aan geïntimeerde van het provisioneel bedrag van 1 euro in hoofdsom ten titel van kosten verbonden aan het pand Zaventem voor de periode van 30 juli 2016 tot november 2018, te vermeerderen met de wettelijke interesten vanaf 11 oktober 2019 tot op de dag der algehele betaling en de debatten te heropenen teneinde geïntimeerde toe te laten om deze vordering te begroten. IV. BEOORDELING
  11. Aangaande het bestaan van een overeenkomst in afwijking van artikel 577-2, § 3 en 5 oud BW 1.
  12. Appellante is van oordeel dat de eerste rechter ten onrechte geen toepassing heeft gemaakt van artikel 577-2, § 3 en 5 oud BW en dat zij aldus gerechtigd is op de helft van de vruchten van het onroerend goed te Zaventem dat pas werd verkocht op 4 december 2018, en dit vanaf 31 juli
  13. Appellante stelt dat er geen sprake is van een afwijkende overeenkomst dienaangaande tussen partijen omdat er weliswaar sprake is van twee dadingen maar: - de mondelinge overeenkomst tussen partijen dat geïntimeerde de huurgelden zou innen maar ook de lening zou afbetalen is uitgedoofd na betaling van de hypothecaire lening op 31 juli 2016; - de betaling van de hypothecaire lening zowel het voorwerp en de oorzaak van de overeenkomst was en aldus door het wegvallen van het voorwerp en de oorzaak er geen sprake meer is van een overeenkomst tussen partijen; - zij geen afstand van de rechten waarover ze beschikt overeenkomstig artikel 577-2, § 3 en 5 oud BW heeft gedaan; - huidig geschil niet vervat zit in het voorwerp van de dading van 30 mei
  14. 1.
  15. Geïntimeerde is van oordeel dat er tussen partijen wel degelijk een afwijkend akkoord bestond nopens de te verdelen vruchten en schulden op de onverdeelde eigendommen en dat dit mondelinge akkoord is blijven bestaan tot het ogenblik waarop de onverdeelde goederen zijn verkocht. 1.
  16. Overwegende dat door de echtscheiding het huwelijksstelsel ontbonden wordt (artikel 1427 oud BW); Dat artikel 1278, tweede lid Ger.W. bepaalt dat de echtscheiding, voor wat de goederen betreft, terugwerkt tot het ogenblik van het indienen van de vordering tot echtscheiding; Overwegende dat partijen die gehuwd zijn onder het stelsel van de scheiding van goederen, samen een aantal onverdeelde goederen kochten en deze onverdeeldheid beheerst wordt door het gemeen recht, meer bepaald artikel 577-2 oud BW; Dat deze onverdeeldheid vruchten kan afwerpen en schulden kan genereren; Overwegende dat bij de vereffening en verdeling van de bestaande onverdeeldheid ook een rekening wordt opgemaakt van het beheer van deze onverdeeldheid, tot aan de uiteindelijke afsluiting van de verrichtingen van vereffening en verdeling waardoor de onverdeeldheid ophoudt; Dat in het geval waarin één van de echtgenoten in deze periode van onverdeeldheid vruchten van onverdeelde zaken int, hij of zij hierover rekenschap moet afleggen; Dat de vruchten van de onverdeelde zaak toekomen aan de deelgenoten, in verhouding tot hun gerechtigdheden in de onverdeeldheid, en de vruchten bijgevolg in hun geheel bij de massa worden gevoegd waarin beide echtgenoten hun aanspraak laten gelden; Overwegende dat de echtgenoot die tijdens de echtscheidingsprocedure het exclusieve genot heeft van een onverdeeld onroerend goed principieel een vergoeding verschuldigd is aan de onverdeeldheid, vergoeding die overeenstemt met de huurwaarde/huuropbrengst van het betreffende onroerend goed, en dit overeenkomstig de regels van de mede-eigendom (artikel 577-2, par. 3 - 5 oud BW); Dat het recht op dergelijke vergoeding ontstaat vanaf het ontstaan van de mede-eigendom en iedere echtgenoot recht heeft op zijn aandeel in de vruchten van de onverdeeldheid op grond van artikel 577 - 2 oud BW. 1.
  17. Overwegende dat artikel 577-2 oud BW van toepassing is bij ontstentenis van overeenkomsten tussen de onverdeelde eigenaars; Dat geïntimeerde stelt dat er tussen partijen een mondelinge (van artikel 577-2, § 3 en 5 oud BW afwijkende) overeenkomst werd gesloten dadelijk na de echtscheiding, geruime tijd vóór de dading van 30 mei 2016, en op deze mondelinge overeenkomst niet werd teruggekomen in de dading; Dat uit de stukken van het dossier het volgende blijkt: - het onverdeeld onroerend goed te Zaventem omvat een gelijkvloers en twee appartementen die in de periode van de onverdeeldheid (zowel tijdens als na het huwelijk) gedurende bepaalde periodes werden verhuurd; - het onverdeeld onroerend goed te Laken omvat vier woonentiteiten die eveneens in de periode van onverdeeldheid (zowel tijdens als na het huwelijk) gedurende bepaalde periodes werden verhuurd; - beide partijen gingen bij de aankoop van de onverdeelde eigendom te Zaventem een hypothecair krediet aan bij NV Centea op 31 juli 2001 van 111.552,09 euro en beide kredietnemers verbonden zich om deze lening terug te betalen door middel van 180 mensualiteiten van 946,05 euro; - beide partijen gingen bij de aankoop van de onverdeelde eigendom te Laken een hypothecair krediet aan bij Fortis bank op 1 september 2005 van 365.000 euro en beide kredietnemers verbonden zich om deze lening terug te betalen door middel van 240 maandelijkse stortingen van 2.032,93 euro; - geïntimeerde ontving na het definitief worden van de echtscheiding de huurgelden maar betaalde de maandelijkse afbetalingen van de leningen en alle andere kosten en lasten van de onroerende goederen zoals onroerende voorheffing, verzekeringen en onderhoudskosten; - er werden dienaangaande nooit afrekeningen gemaakt tussen partijen; - beide partijen stellen in conclusie dat er tussen partijen aldus een mondelinge overeenkomst was dat geïntimeerde de huurgelden (van de onroerende goederen te Zaventem en te Laken) zou ontvangen en deze zou aanwenden om alle leningen en lasten en kosten te betalen; - appellante stelt geen vordering nopens ontvangst van vruchten van de onverdeelde onroerende goederen voorafgaand aan 31 juli 2016; Overwegende dat uit de voorgaande overwegingen in hun onderling verband beschouwd afdoende blijkt dat er tussen partijen wel degelijk sprake was van een mondelinge overeenkomst nopens de ontvangst van de vruchten door geïntimeerde en de betaling door geïntimeerde van de lasten/kosten van de onroerende goederen te Zaventem en Laken die behoorden tot de post-communautaire onverdeeldheid.
  18. Aangaande het einde/de uitdoving van deze mondelinge overeenkomst 2.
  19. Stelling van appellante Appellante stelt in conclusie dat de kenmerkende verbintenis, en het voorwerp en de oorzaak van deze mondelinge overeenkomst de betaling van de hypothecaire lening was, dat de lening verbonden aan het onroerend goed te Zaventem was afbetaald op 31 juli 2016 en er sedertdien geen overeenkomst meer bestond tussen partijen. Volgens appellante was de kenmerkende verbintenis van de mondelinge overeenkomst uitgedoofd vanaf 31 juli 2016 en werd sedertdien geen afwijkende overeenkomst meer gesloten tussen partijen zodat volgens haar vanaf die datum toepassing moet worden gemaakt van artikel 577-2, § 3 en 5 oud BW. 2.
  20. Stelling van geïntimeerde Geïntimeerde werpt op dat de mondelinge overeenkomst immers niet alleen het betalen van de hypothecaire lening van het pand te Zaventem behelsde maar ook de lening van het pand te Laken en ook alle andere lasten verbonden aan de onroerende goederen zodat het betalen van de hypothecaire lening niet de kenmerkende verbintenis was. Geïntimeerde stelt verder dat drie van de vier woonentiteiten van het pand te Laken sedert december 2016 niet meer verhuurd waren om partijen toe te laten makkelijker te verkopen, maar hij wel gehouden bleef de lening volledig te betalen. Geïntimeerde is van oordeel dat de mondelinge overeenkomst in zijn geheel moet worden nageleefd en appellante wist dat de lening van het pand te Zaventem was beëindigd na 180 mensualiteiten en aldus op 31 juli
  21. Verder is geïntimeerde van oordeel dat door het afsluiten van de dadingsovereenkomst van 30 mei 2016 alle geschillen nopens de vereffening en verdeling van de tussen partijen bestaande onverdeeldheden werden beëindigd. 2.
  22. Beoordeling 2.3.
  23. Overwegende dat bewezen is dat partijen een mondelinge overeenkomst hadden nopens de vruchten en lasten van de onverdeelde onroerende goederen te Zaventem en Laken, en er tussen partijen geen betwisting bestaat nopens de modaliteiten ervan namelijk: - geïntimeerde ontvangt de huurgelden voor de beide onroerende goederen te Zaventem en Laken; - geïntimeerde betaalt de mensualiteiten van beide leningen verbonden aan deze onroerende goederen; - geïntimeerde betaalt alle lasten verbonden aan deze onroerende goederen, zoals onroerende voorheffing, verzekeringen; - geïntimeerde betaalt alle onderhoudskosten verbonden aan deze onroerende goederen; Overwegende dat er tussen partijen betwisting bestaat nopens het einde van deze mondelinge overeenkomst; Dat appellante stelt dat door de afbetaling van de lening verbonden aan het pand te Zaventem een kenmerkende verbintenis en bijgevolg ook de oorzaak en het voorwerp van de mondelinge overeenkomst is uitgedoofd. 2.3.
  24. Overwegende dat overeenkomstig artikel 1108 oud BW tot de geldigheid van een overeenkomst vier voorwaarden vereist zijn: - de toestemming van de partij die zich verbindt; - haar bekwaamheid om contracten aan te gaan; - een bepaald voorwerp als inhoud van de verbintenis; - een geoorloofde oorzaak van verbintenis; Overwegende dat artikel 1131 oud BW bepaalt dat een verbintenis, aangegaan zonder oorzaak of uit een valse oorzaak of uit een ongeoorloofde oorzaak, geen gevolg kan hebben; Dat een overeenkomst, eenzijdig of wederkerig, bijgevolg noodzakelijk een oorzaak moet hebben tenzij de wet aanneemt dat het contract zonder oorzaak kan bestaan (vgl. Cass., 5 november 1976, Pas., 1977, I, 267; R.W., 1977-78, 440, noot J. Tielemans; Arr. Cass., 1977, 268-272); Overwegende dat de oorzaak een vereiste is voor de geldige totstandkoming van de rechtshandeling zodat het toetsingsmoment voor de oorzaak (net als voor het voorwerp) gesitueerd moet worden op het moment van het stellen van de rechtshandeling; Dat het hof van oordeel is dat de oorzaak voor de mondelinge overeenkomst tussen partijen niet de betaling van de hypothecaire leningen is maar het feit dat partijen een aantal goederen in onverdeeldheid behielden na de echtscheiding zodat er tussen hen na de echtscheiding nog steeds een onverdeeldheid bestond; Dat partijen een regeling hebben getroffen nopens de betaling van alle lasten en kosten eraan verbonden evenals nopens de inning van de vruchten; Dat de oorzaak voor deze mondelinge overeenkomst niet te vinden is in het verder betalen van de leningen maar dit een onderdeel van het voorwerp van de overeenkomst betreft; Dat indien partijen, zoals zij wettelijk gerechtigd zijn, immers de uitonverdeeldheid hadden gevorderd overeenkomstig artikel 815 oud BW, de onverdeelde goederen zouden vereffend en verdeeld worden en nopens de onverdeeldheid toepassing zou worden gemaakt van artikel 577-2 oud BW; Overwegende dat partijen ervoor kozen om een aantal onverdeelde onroerende goederen in onverdeeldheid te houden wat niet enkel blijkt uit de afwezigheid van een vordering tot uitonverdeeldheidtreding (die pas op 31 maart 2011 werd uitgebracht) maar ook uit het feit dat er in de eerste dadingsovereenkomst gesloten tussen partijen op 29 september 2009 geen regeling werd getroffen nopens deze onverdeelde onroerende goederen; Dat de oorzaak van deze mondelinge overeenkomst bijgevolg te vinden is in het bestaan en behouden van deze onverdeeldheid en deze oorzaak een geldige oorzaak is die tot het ophouden van de onverdeeldheid is blijven bestaan. 2.3.
  25. Overwegende dat overeenkomstig artikel 1126 oud BW ieder contract iets dat een partij zich verbindt te geven, of dat een partij zich verbindt te doen of niet te doen tot voorwerp heeft; Dat het voorwerp van de mondelinge overeenkomst tussen partijen in casu gelegen is in de prestatie die verschuldigd is door de contractspartij; Dat het verval van de verbintenissen wegens het teloorgaan van hun voorwerp een algemeen rechtsbeginsel is en dit algemeen rechtsbeginsel noch van openbare orde, noch van dwingend recht is; Overwegende dat het hof van oordeel is dat uit de voormelde elementen in hun onderling verband beschouwd blijkt dat er tussen partijen een mondelinge overeenkomst bestond waarvan zowel de inning van de huurgelden door geïntimeerde als het betalen van de leningen voor beide onroerende goederen door geïntimeerde als het betalen van alle andere kosten verbonden aan de onroerende goederen door geïntimeerde, de kenmerkende verbintenissen zijn; Dat het voorwerp van de mondelinge overeenkomst tussen partijen niet enkel bestond uit de afbetaling door geïntimeerde van de lening verbonden aan het onroerend goed met de huurgelden ontvangen voor dit onroerend goed door geïntimeerde; Dat dit slechts één onderdeel was van de tussen partijen bestaande en uitgevoerde mondelinge overeenkomst, zoals het ontvangen van de huur voor het onroerend goed te Laken, zoals het ontvangen van de huur voor het onroerend goed te Zaventem en het betalen van de lening voor het onroerend goed te Laken en alle andere kosten/lasten verbonden aan de beide onroerende goederen; Dat het niet opgaat te stellen dat door het aflopen van één enkel onderdeel van deze overeenkomst, die door appellante gekend was of redelijkerwijze gekend moest zijn, de volledige overeenkomst komt te vervallen; Dat door de afbetaling van de hypothecaire lening van één onroerend goed geen einde kwam aan deze mondelinge overeenkomst temeer daar geïntimeerde de lening voor het onroerend goed gelegen te Laken verder alleen bleef afbetalen ook als er geen huurgelden meer werden geïnd; Dat trouwens in dat geval appellante niet enkel gerechtigd was op de ontvangst van de huurgelden maar eveneens gehouden was om de helft te betalen van alle lasten verbonden aan de beide onroerende goederen; Overwegende dat het hof, gelet op voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd, van oordeel is dat de mondelinge overeenkomst tussen partijen (tot stand gekomen in afwijking van artikel 577-2, § 3 en 5 oud BW) niet beëindigd werd door de volledige afbetaling van de hypothecaire lening van het pand te Zaventem.
  26. Aangaande de uitdovende werking van de dadingsovereenkomst 3.
  27. Appellante is van oordeel dat geïntimeerde ten onrechte opwerpt dat de dadingsovereenkomst van 30 mei 2016 een uitdovende werking heeft, en meent dat de eerste rechter deze stelling ten onrechte heeft gevolgd; Dat volgens appellante de vordering nopens de verschuldigde vruchten niet het voorwerp was van deze dadingsovereenkomst en geïntimeerde in ieder geval de nodige informatie voor haar heeft achtergehouden. 3.
  28. Geïntimeerde is van oordeel dat partijen, ingevolge de gesloten dadingsovereenkomst van 30 mei 2016, die integraal werd uitgevoerd, een einde hebben gemaakt aan alle betwistingen verbonden aan de vereffening en verdeling van de tussen partijen bestaande onverdeeldheden zoals dit ook expliciet werd bedongen in de dadingsovereenkomst. 3.
  29. Overwegende dat de dading overeenkomstig artikel 2044 oud BW een wederzijdse overeenkomst is waarbij de partijen door wederzijdse toegevingen een gerezen geschil beëindigen of een toekomstig geschil voorkomen, zonder dat één van de partijen de gegrondheid van de aanspraken van de andere partij daarom erkent (vgl. Cass. 31 oktober 2005, J.T.T. 2006, 131); Dat overeenkomstig artikel 1315 oud BW hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan moet bewijzen en omgekeerd hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs moet leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht; Dat geïntimeerde, die zich beroept op de exceptie van de dading, de bewijslast draagt en aldus moet aantonen dat er tussen de partijen een dading tot stand is gekomen die partijen overeenkomstig artikel 1134 oud BW tot wet strekt; Overwegende dat er in casu een door beide partijen ondertekende overeenkomst voorligt zoals bepaald door artikel 1325 oud BW; Dat het hof onderzoekt of deze dadingsovereenkomst als exceptie kan worden opgeworpen tegen de vordering van appellante en aldus moet worden onderzocht of appellante door het sluiten van deze dading afstand heeft gedaan van de rechten op dewelke zij zich vandaag steunt. 3.
  30. Overwegende dat overeenkomstig artikel 2048 oud BW dadingen beperkt blijven tot hun voorwerp: wordt daarbij afstand gedaan van alle rechten, vorderingen en eisen, dan geldt zulks alleen voor hetgeen betrekking heeft op het geschil dat tot de dading aanleiding heeft gegeven; Dat onder het voorwerp van de dadingsovereenkomst begrepen moet worden de verbintenissen die resulteren (dit is de rechten en verplichtingen) uit de dadingsovereenkomst en het voorwerp van de dading onderscheiden moet worden van het geschil waaromtrent de dading gesloten was; Dat het geschil de doorslaggevende reden is om de dadingsovereenkomst aan te gaan en het dus juridisch de oorzaak (rechtsgrond) van de dadingsovereenkomst is; Dat de rechten waarover betwisting bestaat weliswaar altijd het voorwerp zullen uitmaken van de verbintenissen van de partijen die de dading hebben aangegaan vermits een dading tot doel heeft de rechten waarover betwisting bestaat te erkennen of er afstand van te doen; Dat het voorwerp van de dading echter ook andere verbintenissen kan omvatten die niet noodzakelijk voortvloeien uit de oorspronkelijke betwisting; Overwegende dat appellante opwerpt dat het voorwerp van de dading geenszins de afrekening van de vruchten en lasten van de onverdeelde onroerende goederen van partijen betrof; Overwegende dat het hof verder onderzoekt wat het voorwerp van de dading is. 3.
  31. Overwegende dat de eerste dadingsovereenkomst van 29 september 2009 bepaalt dat

(1)appellante dadelijk 800.000 euro ontvangt
(2)de echtelijke woning te W. wordt verkocht door CVA C. aan appellante, en geïntimeerde de tegenwaarde van de aankoop van deze woning aan appellante betaalt
(3)er nog 325.000 euro door geïntimeerde betaald wordt aan appellante over een termijn van vijf jaar; Dat deze dadingsovereenkomst geen regeling bevat noch nopens de verdeling van de onverdeelde onroerende goederen te Laken en Zaventem, noch nopens de vruchten en lasten die eraan verbonden zijn; Dat de dadingsovereenkomst gesloten op 30 mei 2016 vermeldt dat de bedoeling ervan was om de eerste dading te herbevestigen en een einde te maken aan alle nog niet opgeloste geschillen tussen partijen voortvloeiende uit de vereffening en verdeling bevolen door de rechtbank en de uitvoering van de dadingsovereenkomst afgesloten op 29 september 2009; Dat deze dadingsovereenkomst het akkoord van partijen bevestigt om
(1)de onverdeelde onroerende goederen te Zaventem en Laken te verkopen
(2)de opdracht te geven aan twee makelaarskantoren voor verkoop van de eigendom te Zaventem voor 480.000 euro en van de eigendom te Laken voor 470.000 euro
(3)deze verkoop te realiseren en de notariële akte te verlijden uiterlijk op 31 december 2016
(4)voorafgaandelijk de saldi van de hypothecaire leningen te betalen aan de schuldeisende banken
(5)het netto saldo van de verkoopprijzen na aftrek van de openstaande schulden en de makelaarscommissie na eventuele uitbetaling van gelden die aan appellante toekomen, bij gelijke helften tussen partijen wordt verdeeld; Overwegende dat de dadingsovereenkomst van 30 mei 2016 expliciet vermeldt dat de bedoeling is om de eerste dading te herbevestigen en een einde te maken aan alle nog niet opgeloste geschillen tussen partijen voortvloeiende uit de vereffening en verdeling bevolen door de rechtbank en de uitvoering van de dadingsovereenkomst afgesloten op 29 september 2009; Dat het hof vaststelt dat in de dadingsovereenkomst van 29 september 2009 geen enkele regeling werd getroffen nopens de onverdeelde onroerende goederen te Zaventem en Laken; Dat in de dadingsovereenkomst wel een regeling werd opgenomen nopens deze onroerende goederen en werd bepaald dat deze uiterlijk op 31 december 2016 zouden worden verkocht en de opbrengst ervan, na betaling van het saldo van de lening, bij gelijke helften zou worden verdeeld tussen beide partijen; Dat appellante op het ogenblik van het sluiten van deze dadingsovereenkomst wist of redelijkerwijze moest of kon weten dat de lening die zij samen met geïntimeerde had aangegaan voor het pand te Zaventem, volledig afbetaald zou zijn op 30 juli 2016; Dat aldus duidelijk is dat partijen een akkoord hebben getroffen nopens alle nog niet opgeloste geschillen tussen partijen voortvloeiende uit de vereffening en verdeling en de ondertekening van de dading een definitief einde maakt aan alle bestaande geschillen en aan alle vorderingen die zouden kunnen voortvloeien of voortgevloeid zijn uit het huwelijk tussen partijen en uit de tussen hen bestaande verplichtingen en/of vorderingen. 3.6. Overwegende dat verder uit de voorgaande elementen in hun onderlinge samenhang beschouwd blijkt, dat partijen deze dadingsovereenkomst niet uiterlijk op 31 december 2016 maar op een latere datum integraal hebben uitgevoerd; Overwegende dat het hof vaststelt dat: - er tussen partijen een dadingsovereenkomst werd gesloten op 31 mei 2016 en werd overeengekomen dat beide onroerende goederen uiterlijk op 31 december 2016 verkocht zouden worden; - er twee makelaars zouden worden aangesteld; - er in deze dadingsovereenkomst niets werd bedongen nopens de vruchten en lasten van de onverdeelde onroerende goederen tot de datum van de verkoop ervan maar de mondelinge overeenkomst tussen partijen de facto verder werd uitgevoerd; - geen van beide onroerende goederen werden verkocht uiterlijk op 31 december 2016; - appellante op 31 mei 2017 overgaat tot dagvaarding van geïntimeerde; - de dagvaarding niet wordt bijgebracht maar uit het daaropvolgende vonnis van de familierechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 5 december 2018 (waartegen geen hoger beroep werd aangetekend) blijkt dat het voorwerp van de vordering van appellante was: ° geïntimeerde te veroordelen tot het verlijden van de authentieke akte van de woning te [adres 1] (bewoond door appellante); ° het betalen van de som van 317.868,61 euro overeenkomstig punt III van de dadingsovereenkomst van 30 mei 2016 (wat gebeurde door geïntimeerde na dagvaarding en na het nemen van conclusies); - de raadsman van geïntimeerde bij officieel schrijven van 28 februari 2018 gericht aan de raadsman van appellante te kennen gaf dat: ‘mijn cliënt, D.C. wenst de verkoop van de panden te Zaventem en Laken zoals omschreven in artikel I van de dadingsovereenkomst dd. 30 mei 2016 onmiddellijk verder te zetten aangezien de panden op dit ogenblik leegstaan (alle verhuurovereenkomsten werden beëindigd om de verkoop te benaarstigen);' - appellante stuk 16 bijbrengt namelijk een mail van haar raadsman van 12 maart 2018 waar deze verwijst naar zijn officieel schrijven van 8 maart 2018 maar dit officieel schrijven niet wordt bijgebracht als stuk; - in de mail van de raadsman van appellante van 12 maart 2018 gevraagd wordt te bevestigen dat geïntimeerde op die datum alle aflossingen in het kader van de hypothecaire kredieten voor de onroerende goederen te Zaventem en Laken heeft nageleefd en gevraagd werd om de aflossingstabel voor beide onroerende goederen over te maken; - de raadsman van geïntimeerde bij officieel schrijven van 13 maart 2018 onder meer antwoordt met betrekking tot de panden te Laken en Zaventem, dat er tot op dat moment correct werd afbetaald aan de bank en de aflossingstabel werd opgevraagd, en bevestigt dat appellante recht heeft op de helft van de netto opbrengst, namelijk de opbrengst min de bedragen van de openstaande leningen, dat bijgevolg eerst de bank zal terugbetaald worden en appellante bij elke verkoop de helft zal ontvangen van wat overblijft na terugbetaling van de bank; - op 12 september 2018 beide partijen een onderhandse verkoopovereenkomst ondertekenen voor het onroerend goed te Zaventem en in deze onderhandse verkoopovereenkomst gewag wordt gemaakt van het feit dat het verkochte goed gedeeltelijk verhuurd is namelijk het gelijkvloers en de eerste verdieping maar de tweede verdieping vrij is van gebruik; - naar aanleiding van de ondertekening van de authentieke verkoopovereenkomst door de notaris een afrekening wordt opgesteld en de raadsman van appellante op 29 november 2018 een mail aan de raadsman van geïntimeerde stuurt waarbij hij stelt dat
(1)het onder de aandacht van appellante komt dat er op het gebouw te Zaventem geen hypothecair krediet meer rust,
(2)het de afspraak was tussen partijen dat geïntimeerde de huurgelden mocht aanwenden voor de terugbetaling van het lopende krediet,
(3)het aldus van belang is te weten wanneer het krediet volledig werd terugbetaald en hoe dit is gebeurd via een vervroegde terugbetaling of door gewone aflossingen,
(4)het niet opgaat dat geïntimeerde reeds gedurende een lange periode de huurgelden persoonlijk heeft geïnd zonder dat deze aangewend werden voor de afbetaling van een lening en dit niet de afspraak was tussen partijen,
(5)appellante als onverdeelde eigenaar recht heeft op de helft van de opbrengsten; - de raadsman van geïntimeerde per mail van 3 december 2018 antwoordt dat
(1)de lening met betrekking tot het pand te Zaventem inderdaad afbetaald is sinds januari 2016
(2)de lening nog loopt met betrekking tot het pand te Laken, ook al werden drie van de vier huurovereenkomsten sedert december 2016 beëindigd
(3)als appellante aanspraak maakt op de helft van de huurgelden te Zaventem zij consequent moet zijn en zij de helft moet dragen van de kosten die geïntimeerde heeft gemaakt om de appartementen op te frissen, de helft van de gederfde huurinkomsten, de leegstand of niet te innen huurachterstallen, de kosten voor het beheer van de verhuur; Dat appellante niet overging tot dagvaarding van geïntimeerde teneinde hem te dwingen over te gaan tot de verkoop van de twee onverdeelde onroerende goederen te Zaventem en Laken die overeenkomstig de dadingsovereenkomst van 31 mei 2016 uiterlijk op 31 december 2016 verkocht hadden moeten worden; Dat in de periode na 31 december 2016 geïntimeerde verder de nog lopende leningen bleef betalen, evenals alle andere lasten en kosten van de onverdeelde onroerende goederen en de huurgelden, die aanzienlijk verminderd waren in die periode; Dat de leninglast en de schuld verbonden aan het pand te Laken aldus aanzienlijk minder was ten tijde van de verkoop van het pand te Laken dan op 31 december 2016 het geval was geweest, zodat appellante hierdoor voordeel heeft gehad; Dat appellante bijgevolg niet alleen nadeel maar ook voordeel heeft gehad uit het feit dat de panden pas later werden verkocht; Dat trouwens geïntimeerde na de verkoop van het pand te Zaventem werd aangesproken nopens een gebrek aan deze woning en hij in deze procedure appellante niet heeft betrokken omdat hij de mondelinge overeenkomst tussen partijen verder bleef uitvoeren. 3.
  1. Overwegende dat de bewering van appellante dat de ontvangst van de vruchten en de betaling van de lasten geen deel uitmaakt van de dadingsovereenkomst geenszins overeenstemt met de bewoordingen van de dadingsovereenkomst, vermits expliciet werd bedongen dat door het sluiten van de dadingsovereenkomst een einde werd gemaakt aan alle vorderingen die zouden kunnen voortvloeien of voortgevloeid zijn uit het huwelijk tussen partijen en uit de tussen hen bestaande verplichtingen en/of vorderingen; Dat de vordering die appellante op heden nog steeds stelt dergelijke vordering betreft, en het feit dat er niets expliciet werd opgenomen in de dadingsovereenkomst te verklaren is door de mondelinge overeenkomst die partijen reeds sedert jaren hadden en uitvoerden en hierop door partijen niet werd teruggekomen. 3.
  2. Overwegende dat appellante stelt dat geïntimeerde bij de ondertekening van de dadingsovereenkomst verzwegen heeft dat de lening voor het pand te Zaventem reeds op 30 juli 2016 was afbetaald, maar dit enerzijds niet bewezen is en anderzijds appelante, die mede deze leningsovereenkomst heeft ondertekend, dit zelf ook wist of redelijkerwijze moest of kon weten; Dat appellante trouwens geenszins de dwaling of het bedrog opwerpt nopens de dadingovereenkomst, die volledig werd uitgevoerd. 3.
  3. Overwegende dat het hof samen met de eerste rechter van oordeel is dat de dadingsovereenkomst van 30 mei 2016 uitdovende werking had en de huidige vordering wel degelijk het voorwerp van deze dading raakt nu de dadingsovereenkomst tot voorwerp had: - de volledige uitonverdeeldheidtreding en de vereffening en verdeling van de tussen partijen bestaande onverdeeldheden te regelen; - een definitief einde te stellen aan alle vorderingen die zouden kunnen voortvloeien of voortgevloeid zijn uit het huwelijk tussen partijen en uit de tussen hen bestaande verplichtingen en/of vorderingen; Dat met de dadingsovereenkomst van 30 mei 2016 de volledige uitonverdeeldheid werd bewerkstelligd van het onroerend goed te Zaventem daar waar de vordering van appellante slaat op de vruchten van dit onroerend goed; Overwegende dat uit de voormelde elementen in hun onderling verband beschouwd, blijkt dat
(1)er tussen partijen sedert de echtscheiding een mondelinge overeenkomst bestond, in afwijking van artikel 577-2, § 3 en 5 oud BW, nopens de vruchten en lasten van de onverdeelde onroerende goederen,
(2)de dadingsovereenkomst van 30 mei 2016 (waarbij niet werd teruggekomen op het mondelinge akkoord), die bij gemeen akkoord van partijen op een latere datum dan bedongen werd uitgevoerd, een definitief einde heeft gemaakt aan alle vorderingen of geschillen verbonden aan de vereffening en verdeling van de tussen partijen bestaande onverdeeldheden; Dat de eerste rechter aldus terecht heeft geoordeeld dat de vordering van appellante ongegrond is, en het hoger beroep ongegrond is.
  1. De gerechtskosten 4.
  2. Appellante vordert geïntimeerde te veroordelen tot de gedingkosten van beide aanleggen, hierin begrepen een rechtsplegingsvergoeding van 2.400 euro per aanleg. Geïntimeerde vordert appellante te veroordelen tot de gedingkosten van beide aanleggen, inbegrepen een rechtsplegingsvergoeding van 2.400 euro. 4.
  3. Overwegende dat de eerste rechter terecht de gedingkosten, inbegrepen een rechtsplegingsvergoeding van 2.400 euro (gelet op de vordering van appellante tot het betalen van een vergoeding van 33.948,60 euro meer intresten) in hoofde van geïntimeerde ten laste heeft gelegd van appellante; Dat gelet op het ongegrond hoger beroep van appellante, zij wordt veroordeeld tot de gedingkosten van hoger beroep, inbegrepen een rechtsplegingsvergoeding van 2.400 euro in hoofde van geïntimeerde. OM DEZE REDENEN, HET HOF, 42e KAMER (FAMILIEKAMER) Rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond; Veroordeelt appellante in de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van appellante op 20 euro bijdrage Begrotingsfonds, en in hoofde van geïntimeerde op 2.400 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; Veroordeelt overeenkomstig artikel 269/2 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten appellante tot betaling aan de Belgische Staat, FOD Financiën, van het rolrecht hoger beroep ten bedrage van 400 euro. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 42ste kamer, familiekamer van het Hof van Beroep te Brussel op 18 MEI
  4. Waar aanwezig waren : P. SENAEVE, voorzitter, V. AELBRECHT, raadsheer, C. VAN ROY, raadsheer, H. COEYMANS, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.