← België

ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20210525.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 25 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20210525.13 Rolnummer: 2019/FA/500 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Familierecht - Overige Invoerdatum: 2022-08-12 Raadplegingen: 500 - laatst gezien 2026-06-19 04:53 Fiche De vermogensrechtelijke verhouding tussen (gewezen) feitelijk samenwonenden moet onderling opgelost worden via het gemeenrecht. Een afrekening kan enkel plaatsvinden ingeval de uitgaven de normale lasten van de samenwoning overschrijden. Bij gebreke aan gemeenschappelijke goederen of rekeningen kan de vereffening en verdeling tussen feitelijk samenwonenden niet bevolen worden. Er is geen sprake van een verrijking zonder oorzaak indien de verarmde partner een eigenbelang had bij de vermogensverschuiving, bijvoorbeeld omdat hij of zij jarenlang kosteloos mocht verblijven in de woning van de partner waarin renovatiewerken op zijn of haar kosten waren verricht en hij of zij zo mee bijdroeg aan het eigen comfort. Ook de natuurlijke verbintenis kan als oorzaak worden aanvaard voor de betalingen die kaderen in de bijdrage die elke partij verschuldigd was in de kosten van de samenleving. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling - Algemeen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Natuurlijke verbintenis BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Oneigenlijke contracten - Verrijking zonder oorzaak BURGERLIJK RECHT - SAMENWONEN - Feitelijk samenwonen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Rechtsmisbruik Tekst van de beslissing INZAKE VAN: U.Q. appellante, vertegenwoordigd door mr. VERLINDEN Roeland, advocaat te 3000 LEUVEN, Herbert Hooverplein 17, bus 3, TEGEN: H.J. geïntimeerde, bijgestaan door mr. MOMMAERTS Johan, advocaat te 3000 LEUVEN, Brusselsesteenweg

  1. * * * * * * * * * * Gelet op de stukken van de procedure, inzonderheid: - het tussenvonnis op tegenspraak uitgesproken door de familierechtbank van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 18 april 2019, waarvan geen akte van betekening wordt neergelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 14 augustus 2019, waarbij een tijdig hoger beroep werd aangetekend; - het tussenarrest van dit hof van 8 december 2020; - de conclusie na heropening van de debatten van appellante neergelegd ter griffie op 15 januari 2021; - de conclusie na heropening van de debatten van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 15 februari 2021; - de neergelegde stukken. Feitelijke en procedurele voorgaanden
  2. Het hof verwijst voor wat betreft de feitelijke voorgaanden naar het tussenarrest van 8 december 2020 waarvan de inhoud integraal wordt bevestigd. Samenvattend: Partijen hebben gedurende een periode feitelijk samengewoond maar geïntimeerde bleef gedomicilieerd op een ander adres dan appellante tot 1 juni
  3. Op 14 december 2016 hebben partijen een verklaring tot wettelijke samenwoning afgelegd voor de gemachtigde beambte van de gemeente Keerbergen. Deze wettelijke samenwoning werd op 2 augustus 2017 bij verklaring van appellante beëindigd. Partijen hebben geen schriftelijke samenlevingsovereenkomst afgesloten.
  4. Op 18 mei 2004 kocht appellante een woning gelegen te [adres] voor 335.000 euro. Op hetzelfde moment werd tussen partijen een leningsovereenkomst ondertekend en leende geïntimeerde aan appellante 120.600 euro en 10.400 euro ter financiering van voormelde aankoop. Partijen woonden feitelijk samen in deze woning.
  5. Appellante verliet de woning te Keerbergen in augustus 2017 en geïntimeerde bleef in de woning. Appellante ging op 2 februari 2018 over tot dagvaarding van geïntimeerde voor de vrederechter van het kanton Haacht en vorderde onder meer: - vast te stellen dat geïntimeerde het goed gelegen te [adres] bezet zonder recht noch titel; - vast te stellen dat een bezettingsvergoeding van 1.250 euro per maand voor een villa in Keerbergen marktconform is; - geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van een bezettingsvergoeding; - voorbehoud te verlenen voor het instellen van een vordering voor facturen van nutsvoorzieningen; - geïntimeerde te veroordelen het voornoemd onroerend goed te verlaten; - voorbehoud te verlenen voor gebeurlijke huurschade. Geïntimeerde stelde in het kader van deze procedure bij conclusie van 14 maart 2018 een tegenvordering in en vorderde betaling van de door hem aan appellante geleende bedragen, meer intresten en door hem voor appellante betaalde bedragen. Bij vonnis van de vrederechter van het kanton Haacht van 27 juni 2018 werden de vorderingen van appellante ontvankelijk en deels gegrond verklaard. De vrederechter verklaarde zich onbevoegd om zich uit te spreken over de tegenvorderingen die geïntimeerde instelde en verzond de tegenvorderingen bij toepassing van de artikels 565, 566 en 639, 3e lid Ger.W. naar familierechtbank van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Geïntimeerde heeft hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis maar enkel betreffende de beslissing van de vrederechter om de hoofdvordering van appellante deels gegrond te verklaren. Deze procedure is nog steeds hangende voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, zetelend in hoger beroep.
  6. In het bestreden tussenvonnis van 18 april 2019 van de familierechtbank van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven werd de heropening van de debatten bevolen om de mogelijkheid te bieden aan partijen standpunt in te nemen over de uitonverdeeldheidtreding. Appellante tekende hoger beroep aan tegen dit tussenvonnis. Geïntimeerde stelde incidenteel hoger beroep in.
  7. Bij tussenarrest van dit hof van 8 december 2020 werd het hoofdberoep en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond verklaard in zoverre gericht tegen de beslissing van de eerste rechter om zich bevoegd te verklaren om kennis te nemen van de vordering van geïntimeerde en tegen de beslissing van de eerste rechter om de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk te verklaren; Het hof beval vervolgens, alvorens verder te oordelen over de grond van de zaak, de heropening van de debatten teneinde partijen toe te laten de volgende vragen te beantwoorden: - op welke grond werden door appellante nog intresten betaald in 2011? - de bewijzen in verband met de betaalde intresten en een overzicht van de totaal betaalde intresten? - op welke wijze werden de lasten van het huishouden dat partijen samen vormden betaald? - Wie leverde welke bijdrage aan de lasten van het huishouden? Voorwerp van de hogere beroepen na tussenarrest I. Hoofdberoep Overeenkomstig haar syntheseconclusie voor het hof vordert appellante: - de overlegging door geïntimeerde van de dienstige stukken te bevelen, meer bepaald de financiële stukken die betrekking hebben op de concreet becijferde bedragen door geïntimeerde die in eerste conclusies en voorafgaand aan het tussenarrest het bedrag van 53.362,50 euro en 93.571,88 euro becijferde, wat noodzakelijk betekent dat hij de relevante stukken voor die becijfering in zijn bezit heeft; - de vordering van geïntimeerde integraal ongegrond te verklaren; - alleszins vast te stellen dat de vordering van geïntimeerde ongegrond is omwille van ingetreden verjaring en/of rechtsmisbruik en/of rechtsverwerking en dat niet verjaarde aspecten en/of niet afgewezen aspecten voor eventuele bewerkingen van vereffening en verdeling toekomen aan de desgevallend aan te stellen notaris-vereffenaar; - minstens vordert appellante om de vordering te herleiden rekening houdend met de uiteenzettingen in conclusies. Geïntimeerde vordert het hoofdberoep af te wijzen als ongegrond. II. Incidenteel hoger beroep Geïntimeerde vordert ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep zijn vordering gegrond te verklaren en dienvolgens: - appellante te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van 120 600 euro, meer de nog verschuldigde intrest, rekening houdende met de reeds betaalde intresten voor een totaalbedrag van 53.362,50 euro, aan een conventionele intrestvoet van 6% vanaf de start van de leningsovereenkomst (18 mei 2004) tot op het moment van instellen van de tegenvordering (14 maart 2018), en hierna meer de gerechtelijke intrest aan de conventionele intrestvoet vanaf het moment van het instellen van de tegenvordering tot op het moment der algehele betaling; - appellante te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van 10.400 euro, meer de verwijlintrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf de start van de leningsovereenkomst (18 mei 2004) tot op het moment van instellen van de tegenvordering (14 maart 2018), en hierna meer de gerechtelijke intrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf het moment van het instellen van de tegenvordering tot op het moment der algehele betaling; - appellante te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van 25.000 euro, meer de gerechtelijke intrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf het moment van het instellen van de tegenvordering tot op het moment der algehele betaling; - appellante te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van 7.321,88 euro, meer de verwijlintrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf de start van de leningsovereenkomst (7 oktober 2013) tot op het moment van instellen van de tegenvordering (14 maart 2018), en hierna meer de gerechtelijke intrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf het moment van het instellen van de tegenvordering tot op het moment der algehele betaling; - appellante te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van 50.000 euro, meer de verwijlintrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf de start van de leningsovereenkomst (22 oktober 2013) tot op het moment van instellen van de tegenvordering (14 maart 2018), en hierna meer de gerechtelijke intrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf het moment van het instellen van de tegenvordering tot op het moment der algehele betaling; - appellante te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van 5.000 euro, meer de verwijlintrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf de start van de leningsovereenkomst (29 januari 2014) tot op het moment van instellen van de tegenvordering (14 maart 2018), en hierna meer de gerechtelijke intrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf het moment van het instellen van de tegenvordering tot op het moment der algehele betaling; - appellante te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van 1.250 euro, meer de verwijlintrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf de start van de leningsovereenkomst (4 maart 2014) tot op het moment van instellen van de tegenvordering (14 maart 2018), en hierna meer de gerechtelijke intrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf het moment van het instellen van de tegenvordering tot op het moment der algehele betaling; - appellante te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van 1.000 euro, meer de verwijlintrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf de start van de leningsovereenkomst (25 augustus 2014) tot op het moment van instellen van de tegenvordering (14 maart 2018), en hierna meer de gerechtelijke intrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf het moment van het instellen van de tegenvordering tot op het moment der algehele betaling; - appellante te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van 29.000 euro, meer de verwijlintrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf de start van de leningsovereenkomst (28 augustus 2014) tot op het moment van instellen van de tegenvordering (14 maart 2018), en hierna meer de gerechtelijke intrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf het moment van het instellen van de tegenvordering tot op het moment der algehele betaling; - appellante te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van 508,20 euro, meer de verwijlintrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf het moment van betaling (26 augustus 2013) tot op het moment van instellen van de tegenvordering (14 maart 2018), en hierna meer de gerechtelijke intrest aan de wettelijk bepaald intrestvoet vanaf het moment van het instellen van de tegenvordering tot op het moment der algehele betaling; - appellante te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van 1.362,10 euro, meer de verwijlintrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf het moment van betaling (14 november 2016) tot op het moment van instellen van de tegenvordering (14 maart 2018), en hierna meer de gerechtelijke intrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf het moment van het instellen van de tegenvordering tot op het moment der algehele betaling; - appellante te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van 2.900 euro, meer de verwijlintrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf het moment van betaling (8 mei 2017) tot op het moment van instellen van de tegenvordering (14 maart 2018), en hierna meer de gerechtelijke intrest aan de wettelijk bepaald intrestvoet vanaf het moment van het instellen van de tegenvordering tot op het moment der algehele betaling; - appellante te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van 3.617,72 euro, meer de verwijlintrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf het moment van betaling (26 juli 2017) tot op het moment van instellen van de tegenvordering (14 maart 2018), en hierna meer de gerechtelijke intrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf het moment van het instellen van de tegenvordering tot op het moment der algehele betaling; - appellante te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van 500 euro, meer de verwijlintrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf het moment van betaling (26 juni 2017) tot op het moment van instellen van de tegenvordering (14 maart 2018), en hierna meer de gerechtelijke intrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf het moment van het instellen van de tegenvordering tot op het moment der algehele betaling; - appellante te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van 789,22 euro, meer de verwijlintrest aan de wettelijk bepaalde intrestvoet vanaf het moment van betaling (26 juli 2017) tot op het moment van instellen van de tegenvordering (14 maart 2018), en hierna meer de gerechtelijke intrest aan de wettelijke bepaalde intrestvoet vanaf het moment van het instellen van de tegenvordering tot op het moment der algehele betaling. In ondergeschikte orde vordert geïntimeerde de vereffening en verdeling van de onverdeeldheid bestaande tussen partijen te bevelen. Appellante vordert het incidenteel hoger beroep ongegrond te verklaren. BEOORDELING I. Voorafgaandelijk: I.
  8. Overwegende dat partijen gedurende een achttal jaren "feitelijk samenwonenden" waren, hetgeen betekent dat zij twee partners waren die zonder met elkaar te zijn gehuwd aan hun samenleven een bestendig karakter wensten te geven en die met elkaar en/of met al dan niet gemeenschappelijke of eigen kinderen een gezin vormden en een gezamenlijke huishouding voerden; Dat de partijen sedert 14 december 2016 tot 2 augustus 2017 ook "wettelijk samenwonenden" waren, hetgeen doelt op de twee partners die de verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand zoals ingevoerd door de wet van augustus 23 november 1998 (artikel 1475, § 1 oud BW); Dat bij gebrek aan een contractuele regeling tussen de partijen zoals in casu het geval is, de vermogensrechtelijke verhouding tussen (gewezen) concubanten onderling opgelost moet worden via het gemeen recht, zo ook in onderhavig geval. I.
  9. Overwegende dat wettelijk samenwonenden maar ook feitelijk samenwonenden ertoe gehouden zijn een bijdrage te leveren in de kosten van hun gezamenlijk huishouden in verhouding tot de bijdragemogelijkheid van elk van hen; Dat de lasten van het huishouden, waarin elke partner bij voorrang op andere uitgaven moet bijdragen en dit in verhouding tot zijn aandeel in de samengevoegde inkomsten van beide feitelijk samenwonende partners, alle lasten van het gezinsleven omvat, zoals de kosten van wonen, nutsvoorzieningen, verzekeringen, brandstof, voeding, kledij, ontspanning, reizen, geneesmiddelen en medische verzorging, enz.; Dat de bijdrage van een samenwonende partner in deze lasten van het huishouden kan bestaan hetzij in een geldelijke injectie in deze lasten, hetzij in het ter beschikking stellen van eigen goederen voor het gezin zoals een eigen woning, hetzij in het verrichten van huishoudelijke arbeid en andere arbeid ten behoeve van het gezin; Dat de vrijwillige uitvoering van deze natuurlijke verbintenis om bij te dragen in de lasten van het feitelijk gezin, latere vergoedingsaanspraken op dit gebied verhindert; Dat bij de beëindiging van de feitelijke samenwoning deze bijdrage in de lasten van de samenleving niet meer kan worden afgerekend aangezien wordt aangenomen dat deze van dag tot dag werden geleverd; Dat er enkel een afrekening kan plaatsvinden ingeval de uitgaven de normale lasten van de samenwoning overschrijden (en de natuurlijke verbintenis dienaangaande), gelet op ieders bijdragemogelijkheden en het consumptiepatroon van de partners. I.
  10. Overwegende dat overeenkomstig artikel 1068 Ger.W. hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep, behoudens indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt; Dat er in het bestreden tussenvonnis geen onderzoeksmaatregel werd bevolen zodat door het hoger beroep het volledig geschil met inbegrip van de punten van de vordering waarover nog niet werd geoordeeld, aan de eerste rechter onttrokken wordt en aanhangig gemaakt is bij dit hof die aldus over het volledig geschil zal oordelen (vgl. Cass. AR C.13.0615.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.4, 29 mei 2015). I.
  11. Overwegende dat appellante vordert dat geïntimeerde alle stukken dienstig nopens de betalingen die appellante deed overeenkomstig artikel 877 Ger.W. moet bijbrengen, dat geïntimeerde op een loyale wijze moet meewerken aan de bewijsvoering en hij moet veroordeeld worden tot overlegging van alle stukken met betrekking tot het becijferde bedrag van 53.362,50 euro; Overwegende dat het hof van oordeel is dat geïntimeerde die de veroordeling vordert van appellante tot het betalen van een aantal bedragen, de bewijslast draagt van diens vordering; Dat het inderdaad aan hem toekomt om zijn vordering te bewijzen aan de hand van bewijskrachtige stukken; Dat geïntimeerde erkent dat appellante 53.362,50 euro aan hem betaalde, en hij stelt dat dit de bedongen intresten betreft; Dat dienaangaande door het hof bij tussenarrest trouwens meer informatie werd gevraagd; Dat het hof vaststelt dat na tussenarrest een aantal bijkomende stukken werden neergelegd door beide partijen, en door geïntimeerde rekeninguittreksels werden bijgebracht nopens de maandelijkse betaling door appellante van een som van afgerond 603 euro met de vermelding ‘intresten'; Dat appellante betwist dat deze maandelijkse betalingen enkel slaan op de bedongen intresten, maar dit de beoordeling betreft nopens de gegrondheid van de vordering van geïntimeerde; Dat het aan appellante toekomt te verduidelijken welke stukken ontbreken en bijgebracht moeten worden; Dat het hof van oordeel is dat niet blijkt dat geïntimeerde stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van diens vordering, niet bijbrengt zodat de vordering van appellante dienaangaande ongegrond wordt verklaard. II. De vorderingen in hoger beroep II.
  12. Aangaande de vereffening en verdeling Overwegende dat appellante (onder meer) vordert de vereffening en verdeling te bevelen van de tussen partijen nog steeds bestaande onverdeeldheden stellende dat er een vermenging van hun vermogens is geweest; Dat het hof dienaangaande vaststelt dat: ° partijen geen gemeenschappelijke onroerende goederen hadden; ° partijen geen gemeenschappelijke rekeningen hadden; ° partijen integendeel hun eigen rekeningen behielden waarop hun inkomsten werden gestort en waarmee elke partij een aantal rekeningen betaalde; ° partijen zelfs een overzicht van de door elk van hen gedane uitgaven of aankopen bijhielden; ° partijen geen stukken bijbrengen waaruit blijkt dat zij andere roerende goederen/ meubels in onverdeeldheid hebben; Dat het hof om die reden van oordeel is dat niet is aangetoond dat er tussen partijen, behoudens de vorderingen van geïntimeerde ten aanzien van appellante die gesteund zijn op de beweerdelijke leningen en/of de verrijking zonder oorzaak, sprake is van onverdeelde onroerende of roerende goederen en dat evenmin is aangetoond dat er sprake is van een vermenging van beider vermogens; Dat het hof gelet op voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd dan ook van oordeel is dat de vordering (in hoofdorde gesteld door appellante en in uiterst ondergeschikte orde door geïntimeerde) om de vereffening en verdeling te bevelen en daartoe een notaris aan te stellen, ongegrond is. II.
  13. Aangaande de leningsovereenkomsten van 18 mei 2004 2.
  14. Overwegende dat geïntimeerde opwerpt dat hij aan appellante een som van 120.600 euro heeft geleend op 18 mei 2004 naar aanleiding van de aankoop van een eigen woning door appellante; er partijen dienaangaande een leningsovereenkomst hebben ondertekend waarbij werd bedongen dat appellante een intrest van 6% verschuldigd is en het volledige kapitaal na een termijn van zes jaar moest worden terugbetaald; Dat geïntimeerde van oordeel is dat appellante de bedongen intresten betaalde tot 2011 maar het kapitaal niet terugbetaalde; Dat geïntimeerde verder opwerpt dat hij aan appellante op diezelfde datum een som leende van 10.400 euro, dat er dienaangaande eveneens een leningsovereenkomst werd opgesteld en ondertekend en voor deze som geen conventionele intresten werden bedongen; Dat geïntimeerde van oordeel is gerechtigd te zijn op de terugbetaling van deze aan appellante geleende sommen, meer de conventionele en gerechtelijke intresten. 2.
  15. Overwegende dat appellante van oordeel is dat zij niet gehouden is tot de betaling van de door geïntimeerde gevorderde bedragen omdat: - zijn vordering verjaard is overeenkomstig artikel 2277 oud BW; - de tussen partijen opgestelde documenten, tussen partijen steeds behandeld zijn als niet-verbindende documenten en de kwalificatie als lening niet opgaat; deze documenten enkel werden opgesteld om een zogenaamde lening te veinzen naar de buitenwereld; deze overeenkomst tussen partijen nooit werd uitgevoerd; - de betaling van de maandelijkse intrest eigenlijk een fiscaal voordelige ‘broekzak/vestzak' operatie was, omdat geïntimeerde aan appellante via zijn vennootschap BVBA Integrated Logistics Systems maandelijkse huur betaalde die appellante dan vervolgens terugstortte aan geïntimeerde met de vermelding ‘intresten'; - er sprake is van rechtsverwerking daar geïntimeerde, door meer dan dertien jaar en langer geen begin van uitvoering te geven aan een overeenkomst, een houding aannam die objectief onverenigbaar is met het recht dat hij meent te kunnen afleiden uit die voorgelegde documenten. 2.
  16. Overwegende dat zoals hiervoor reeds gemeld tussen feitelijk en wettelijk samenwonenden, die geen contract hebben gesloten nopens deze feitelijke en/of wettelijke samenwoning, de vermogensrechtelijke verhouding tussen (gewezen) concubanten onderling opgelost moet worden via het gemeen recht, zo ook in onderhavig geval; Dat geïntimeerde die beweert gelden te hebben geleend aan appellante overeenkomstig artikel 1315, eerste lid oud BW het bewijs moet leveren van het bestaan van de leningen waarvan hij de terugbetaling eist; Dat een lening een overeenkomst is waarbij een persoon (de uitlener) een zaak geeft aan een ander persoon (de lener) om daar gebruik van te maken, onder verplichting voor de laatste om ze terug te geven na er gebruik van gemaakt te hebben of na het verstrijken van de overeengekomen termijn; Dat de lening onderworpen is aan de gewone geldigheidsvereisten voor overeenkomsten en het bestaan van de lening overeenkomstig het gemene recht wordt bewezen (vgl. De Page, V, nr. 121; RPDB, vº Prêt, nrs. 27 en
  17. Brussel 27 maart 1963, Pas. 1964, II, 201; Brussel 19 maart 1967, RW 1966-67, 1577; Cass. 14 november 1985, Rev. not. b. 1986, 362, noot A. Lorent.); Dat men een onderscheid moet maken tussen het bewijs van een contract van lening en het bewijs van de afgifte van de zaak, waardoor het contract tot stand komt; Dat dit laatste rechtsfeit met alle rechtsmiddelen bewezen kan worden, maar om te bewijzen dat de afgifte in het raam van een contract van lening geschiedde, het bewijsrecht inzake rechtshandelingen toepasselijk is (zie H. Cousy, o.c., p. 314, nr. 5; RPDB., vº Prêt, nr. 29; L. Simont en J. De Gavre, ‘Examen de jurisprudence (1965-1968). Les contrat spéciaux', RCJB 1970, p. 138, nr. 110; Bergen 21 november 1994, JLMB 1995, 269; JT 1995, 239.); Dat feitelijke vermoedens niet volstaan om de lener tot terugbetaling te verplichten ingeval deze het bestaan van een leningsovereenkomst ontkent; Dat overeenkomstig artikel 1341 oud BW (van toepassing voor lening gesloten in 2004) dan ook een geschrift vereist is wanneer het voorwerp van de lening een waarde van 375 euro overschrijdt (vgl. Cass. 26 april 1968, Arr. Cass. 1968, 1080, RW 1968-69, 591, JT 1968, 363, Pas. 1968, I, 1015); Dat overeenkomstig artikel 1326 oud BW een onderhands biljet of een onderhandse belofte waarbij een enkele partij zich tegenover de andere verbindt om haar een geldsom of een waardeerbare zaak te betalen, geheel geschreven moet zijn met de hand van de ondertekenaar of tenminste moet deze, benevens zijn handtekening, met de hand een "goed voor" of een "goedgekeurd voor" geschreven hebben, waarbij de som of de hoeveelheid van de zaak voluit in letters is uitgedrukt. 2.
  18. Overwegende dat geïntimeerde twee door beide partijen ondertekende leningsovereenkomsten neerlegt; Dat appellante niet ontkent dat geïntimeerde de vermelde bedragen aan haar heeft overgemaakt bij de aankoop van haar eigen woning te Keerbergen; Dat geïntimeerde de kopies van de cheques die betaalbaar waren aan appellante en vervolgens aan notaris Willekens, die de authentieke verkoopovereenkomst van de eigen woning van appellante heeft opgesteld, neerlegt; Dat bijgevolg enerzijds tussen partijen een leningsovereenkomst werd ondertekend die beide partijen overeenkomstig artikel 1134 oud BW tot wet strekt en anderzijds bewezen is dat de door geïntimeerde geleende bedragen ook effectief aan appellante werden overgemaakt zodat de transactie van de gelden eveneens vaststaat; Dat het hof van oordeel is dat geïntimeerde afdoende aantoont dat er tussen partijen een leningsovereenkomst werd gesloten. 2.
  19. Overwegende dat appellante die beweert dat dit een geveinsde overeenkomst is, hiervan op haar beurt de bewijslast draagt; Dat er sprake is van simulatie of veinzing indien de contractpartijen naar buiten de schijn wekken een bepaalde rechtshandeling te verrichten, terwijl zij in het geheim afspreken dat de schijnbare rechtshandeling niet of niet volledig zal gelden; Dat er in dat geval aldus sprake is van twee overeenkomsten namelijk enerzijds een geveinsde overeenkomst, die betrekking heeft op de rechtshandeling die men in schijn verricht, en anderzijds de geheime overeenkomst, die de geveinsde overeenkomst tegenspreekt en de werkelijke bedoeling van partijen weergeeft; Dat de veinzing zich onderscheidt van de wilsgebreken door het vrijwillige karakter van de veinzing; Overwegende dat in het geval de gesimuleerde overeenkomst is neergelegd in een akte artikel 1341 oud BW vereist dat partijen het bewijs van de simulatie leveren door middel van een geschrift en op deze regel enkel een uitzondering wordt gemaakt voor het geval de veinzing tot doel heeft een bepaling van openbare orde te omzeilen, wat in casu niet het geval is; Dat appellante die beweert dat de tussen partijen ondertekende leningsovereenkomsten, neergelegd in een geschrift geveinsd zijn, bijgevolg het bewijs van deze veinzing moet leveren aan de hand van een geschrift; Dat appellante geen enkel geschreven stuk neerlegt en aldus niet het vereiste bewijs van de beweerde veinzing bijbrengt. 2.
  20. Overwegende dat appellante verder opwerpt dat de vordering van geïntimeerde zowel wat betreft de terugbetaling van het geleende kapitaal als de intresten verjaard is overeenkomstig artikel 2277 oud BW; Dat geïntimeerde van oordeel is dat de verjaringstermijn enkel van toepassing is op de aflossingen van de intresten maar geenszins op de terugbetaling van het geleende kapitaal en dit bevestigd werd bij arrest van het Grondwettelijk Hof van 6 maart
  21. 2.
  22. Overwegende dat overeenkomstig artikel 2219 oud BW de verjaring een middel is om, door verloop van een zekere tijd en onder de voorwaarden die de wet bepaalt, iets te verkrijgen of van een verbintenis bevrijd te worden; Dat door de bevrijdende verjaring alle zakelijke en persoonlijke rechtsvorderingen uitdoven na verloop van de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen (art. 2262 en 2262bis oud BW) dan wel de bijzondere (korte) termijnen, zodat de schuldenaar van zijn verbintenis wordt bevrijd; Overwegende dat artikel 2277 oud BW bepaalt: ‘Termijnen van altijddurende renten en van lijfrenten; Die van uitkeringen tot levensonderhoud; Huren van huizen en pachten van land eigendommen; Interesten van geleende sommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen, Verjaren door verloop van vijf jaren » Dat deze kortere verjaringstermijn aldus enkel van toepassing is voor de intresten van geleende sommen maar niet voor de terugbetaling van het geleende kapitaal; Overwegende dat appellante verder opwerpt dat de tussen partijen gesloten leningsovereenkomst bepaalde dat het geleende kapitaal na zes jaar en aldus uiterlijk in 2010 diende terugbetaald te worden en na 2010 geen enkele ingebrekestelling voorligt of enig document nopens het openstaande saldo; Overwegende evenwel dat het hof van oordeel is dat de vordering van geïntimeerde die de terugbetaling vordert van het door hem aan appellante geleende kapitaal een persoonlijke rechtsvordering is die overeenkomstig artikel 2262bis, § 1 oud BW verjaart door verloop van tien jaar; Dat deze verjaringstermijn pas kan beginnen lopen vanaf 18 mei 2010 daar waar geïntimeerde zijn vordering instelde bij conclusie voor de vrederechter van 14 maart 2018; Dat bij tussenarrest geoordeeld werd dat deze tegenvordering op een ontvankelijke wijze vervolgens werd overgemaakt ter beoordeling aan de eerste rechter en de vordering van geïntimeerde aldus tijdig werd ingesteld en niet vervallen is door verjaring. 2.
  23. Overwegende dat appellante verder opwerpt dat de vordering van geïntimeerde vervallen is ingevolge rechtsverwerking; Dat uit het ontbreken van enige ingebrekestelling door geïntimeerde nopens de terug te betalen geleende bedragen niet afgeleid kan worden dat geïntimeerde diens rechten dienaangaande niet meer zou laten gelden; Dat appellante geen rechten kan putten uit het feit dat hij dit pas deed na het beëindigen van de relatie tussen partijen; Dat een subjectief recht trouwens niet teniet gaat wanneer de houder van dat recht een houding aanneemt die objectief onverenigbaar is met dat recht, als gevolg waarvan hij het gewettigd vertrouwen van de schuldenaar misleidt (vgl. Cass. 17 mei 1990, Arr.Cass. 1989-90,
  24. Cass. 17 oktober 2008, Pas. 2008, 2278). 2.
  25. Overwegende dat appellante verder opwerpt dat er in hoofde van geïntimeerde sprake zou zijn van rechtsmisbruik; Dat rechtsmisbruik kan bestaan wanneer: - men handelt met het exclusieve oogmerk om te schaden, - men een recht uitoefent zonder enig belang, - men kiest tussen verschillende wijzen om zijn recht uit te oefenen voor de uit oefeningswijze die voor een ander het meest schadelijk is, - men zijn recht uitoefent op zulke wijze dat het voordeel dat men eruit haalt manifest buiten verhouding staat tot de last die daardoor op de andere partij wordt gelegd; Dat het hof vaststelt dat geïntimeerde behoudens de terugbetaling van het geleende kapitaal ook veroordeling vordert van appellante tot betaling van de conventioneel bepaalde intresten van 6% tot het formuleren van zijn tegenvordering en nadien de gerechtelijke intresten aan de conventioneel bepaalde intrestvoet van 6%. 2.
  26. Overwegende dat het hof van oordeel is dat er in hoofde van geïntimeerde geen sprake is van rechtsmisbruik in zoverre zijn vordering slaat op de betaling van het door hem geleende kapitaal; Dat het hof van oordeel is dat uit het feit dat geïntimeerde deze bedragen pas opeiste na de beëindiging van de relatie tussen partijen geen rechtsmisbruik blijkt, dat uit geen enkel element blijkt dat geïntimeerde appellante in de waan liet dat hij deze gelden nooit meer zou terugvorderen en voor het overige geïntimeerde hierdoor zijn rechten niet op een manifest misbruikende wijze uitoefent. 2.
  27. Overwegende dat het hof, wat betreft de vordering van geïntimeerde nopens de veroordeling van appellante tot het betalen van de conventioneel bepaalde intresten, vaststelt dat: - in de leningsovereenkomsten van 18 mei 2004 inderdaad een conventionele intrestvoet werd bepaald van 6% maar eveneens werd bepaald dat het kapitaal terugbetaald moest worden uiterlijk na zes jaar; - na deze termijn van zes jaar geen nieuwe overeenkomst werd gesloten tussen partijen nopens de te betalen intresten en de intrestvoet; - er tot 2011 maandelijks door appellante stortingen werden gedaan met vermelding ‘intresten'; - nadat appellante deze stortingen stopte, geïntimeerde appellante hiertoe niet in gebreke stelde; Dat het hof van oordeel is dat geïntimeerde als schuldeiser de verplichting heeft om diens schade te beperken en dat hij door zoals hiervoor omschreven te handelen, tekort is geschoten in deze schadebeperkingsplicht; Dat geïntimeerde zich schuldig maakt aan rechtsmisbruik door vooralsnog na het stopzetten van de samenwoningsrelatie de conventioneel zeer hoge intresten te vorderen en het hof de vordering van geïntimeerde, in zoverre deze slaat op de betaling van de conventionele intresten sedert 2010 op de geleende bedragen afwijst om die reden. 2.
  28. Overwegende dat appellante stelt dat zij de geleende bedragen minstens deels heeft terugbetaald en zij dienaangaande verwijst naar de maandelijkse betalingen die ze deed met de vermelding ‘intresten'; Dat zij stelt 53.362,50 euro te hebben betaald aan geïntimeerde en deze betalingen niet enkel sloegen op de betaling van de intresten maar minstens deels ook op de afbetaling van het geleende kapitaal; Overwegende dat het aan appellante toekomt om de terugbetaling te bewijzen van de bewezen lening; Dat er geen andere betalingsbewijzen dienaangaande voorliggen dan de maandelijkse stortingen tussen sedert 2004 tot 2011 met telkens vermelding ‘intresten'; Dat in de leningsovereenkomst werd bedongen dat appellante een conventionele intrest verschuldigd was aan geïntimeerde van 6%; Dat een conventionele intrest van 6% op een ontleende som van 120.600 euro exact neerkomt op een maandelijks te betalen bedrag van 603 euro (jaarlijkse som = 7.236 euro), wat overeenstemt met de maandelijkse stortingen door appellante. 2.
  29. Overwegende dat het hof vaststelt dat appellante ook na mei 2010 deze maandelijkse stortingen bleef doen en in 2011 nog zes stortingen deed van 603 euro en nog zes stortingen van 301 euro met de vermelding ‘intrest'; Dat het hof dienaangaande bij tussenarrest vroeg te verduidelijken op welke grond door appellante nog intresten werden betaald in 2011 daar contractueel werd bedongen dat uiterlijk na zes jaar het geleende kapitaal moest terugbetaald worden; Dat het hof van oordeel is dat er ingevolge de contractuele bepalingen van de leningsovereenkomst, die de facto de beëindiging van de leningsovereenkomst bepaalt uiterlijk zes jaar na de sluiting van de overeenkomst en aldus uiterlijk op 18 mei 2010, niet langer sprake is van een conventioneel bedongen intrest van 6% na 18 mei 2010; Overwegende dat geïntimeerde opwerpt dat partijen in onderling overleg en ingevolge het feit dat op 18 mei 2010 het geleende kapitaal nog niet was terugbetaald, mondeling overeenkwamen dat de conventioneel bedongen intrest bleef verderlopen; Dat dit volgens geïntimeerde afdoende blijkt uit het feit dat appellante nog tot eind juni 2011 elke maand 603 euro stortte met de melding ‘intrest' en nadien nog zes stortingen deed van 301 euro met de melding ‘intrest'; Overwegende dat appellante dienaangaande enkel opwerpt dat er heel wat rekeningen waren geopend op haar naam op verzoek van geïntimeerde, dat de rekening waarmee ze de ‘intresten' betaalde, ook de rekening was waarop maandelijks de huur werd betaald via de vennootschap van geïntimeerde en zij de stortingen met melding ‘intresten' bleef doen op verzoek van geïntimeerde; Dat het hof vaststelt dat appellante niet opwerpt dat dit onverschuldigde betalingen betreft, maar dat zij betwist dat deze betalingen alleen maar betrekking zouden hebben gehad op de aflossing van intresten; Dat het hof van oordeel is dat het enkele feit dat op deze overschrijvingen werd vermeld dat het om ‘intresten' zou gaan, niet afdoende aantoont dat er tussen partijen sprake was van een hernieuwde overeenkomst tot het betalen van een conventionele intrest van 6% of een stilzwijgende verlenging van de eerste overeenkomst; Dat bovendien vaststaat dat appellante tijdens de laatste zes maanden niet langer 603 euro betaalde maar maandelijks 301 euro; Overwegende dat het hof, gelet op het ontbreken van enige conventionele basis vastgelegd in een geschrift, en gelet op alle voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd van oordeel is dat de betalingen die appellante deed na 18 mei 2010 aangewend moeten worden ter afbetaling van het door geïntimeerde aan appellante geleende kapitaal; Dat bijgevolg 7 afbetalingen van 603 euro in 2010, 6 afbetalingen van 603 euro in 2011 en zes afbetalingen van 301 euro in 2011, in totaal 9.645 euro aanvaard worden als afbetaling van het geleende kapitaal van 120.600 euro; Overwegende dat appellante bijgevolg, uit hoofde van de leningsovereenkomsten van 18 mei 2004 veroordeeld wordt tot het betalen aan geïntimeerde van 110.955 euro en 10.400 euro, meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet sedert 14 maart
  30. II.
  31. Aangaande de leningsovereenkomst voor 25.000 euro 3.
  32. Overwegende dat geïntimeerde stelt appellante bijkomend nog een som van 25.000 euro te hebben geleend die niet door appellante werd terugbetaald en hij de terugbetaling vordert van deze geleende som; Dat appellante van oordeel is dat het door geïntimeerde bijgebrachte handgeschreven document geen datum bevat en geen bewijs van een werkelijke lening is. 3.
  33. Overwegende dat geïntimeerde die de bewijslast draagt van zijn vordering moet bewijzen dat hij aan appellante een bedrag van 25.000 euro heeft geleend; Dat het hof vaststelt dat geïntimeerde weliswaar een door appellante ondertekend document bijbrengt doch dit document geen datum bevat; Dat het voor het hof aldus onmogelijk is te onderzoeken of de vordering van geïntimeerde dienaangaande al dan niet vervallen is door verjaring; Dat verder geen enkel bewijs wordt bijgebracht door geïntimeerde dat er door hem 25.000 euro werd gestort of overhandigd aan appellante; Dat bijgevolg noch de datum van de beweerde lening, noch de daadwerkelijke overhandiging van de geleende gelden aan de hand van dit document of enig ander stuk wordt bewezen. 3.
  34. Overwegende dat het voorgelegde document evenmin voldoet aan de formele vereisten overeenkomstig artikel 1326 oud BW, namelijk dat een onderhands biljet of een onderhandse belofte waarbij een enkele partij zich tegenover de andere verbindt om haar een geldsom of een waardeerbare zaak te betalen, geheel geschreven moet zijn met de hand van de ondertekenaar of deze, tenminste benevens zijn handtekening, met de hand een goed voor of een goedgekeurd voor geschreven moet hebben, waarbij de som of de hoeveelheid van de zaak voluit in letters is uitgedrukt; Dat het voorgelegde document op een onbekende datum weliswaar werd ondertekend door appellante maar haar handtekening niet werd voorafgegaan met de hand een "goed voor" of een "goedgekeurd voor" te hebben geschreven; Dat dit document hoogstens een begin van geschreven bewijs bevat maar door geïntimeerde geen andere elementen of stukken worden bijgebracht; Dat geen overschrijvingsbewijzen, rekeninguittreksels, of kopies van cheques worden bijgebracht waaruit blijkt dat door geïntimeerde op een onbekende datum 25.000 euro bijkomend werd geleend of overhandigd aan appellante en dit evenmin blijkt uit andere stukken, getuigenverklaringen of vermoedens; Overwegende dat het hof, gelet op voormelde elementen in hun onderling verband beschouwd van oordeel is dat de vordering van geïntimeerde afgewezen moet worden als ongegrond bij gebrek aan voldoende bewijskrachtige, overtuigende en tegensprekelijke stukken. II.
  35. Aangaande de leningen voor een totaal bedrag van 93.571,88 euro 4.
  36. Overwegende dat geïntimeerde terugbetaling vordert van in totaal 93.571,88 euro door hem aan appellante geleende bedragen voor de renovatie van haar eigen woning; Dat geïntimeerde van oordeel is dat de lening van deze, op verschillende tijdstippen, aan appellante overgemaakte bedragen afdoende bewezen is door enerzijds de overschrijving van deze bedragen naar de eigen rekening van appellante, en anderzijds de vermelding op deze overschrijvingen dat het hier om een lening zou gaan. 4.
  37. Overwegende dat appellante ontkent dat geïntimeerde haar deze bedragen, die hoofdzakelijk kaderen in de betaling van een aantal renovatiekosten aan de woning, heeft geleend en zij van oordeel is dat deze betalingen kaderen in de kosten van het gezin dat partijen samen vormden; Dat appellante dienaangaande opwerpt dat geïntimeerde in haar eigen woning woonde, hij aldus geen eigen woonlast had en behoudens de betalingen van de renovatiekosten die hij deed, geen andere bijdragen leverde aan de woonlast. 4.
  38. Overwegende dat uit de stukken van het dossier het volgende blijkt nopens deze vordering van geïntimeerde: - er werd betreffende deze bedragen geen leningsovereenkomst opgesteld daar waar voor de bedragen van 120.600 euro en 10.400 euro wél een leningsovereenkomst werd opgesteld en ondertekend door beide partijen; - er werden overschrijvingen gedaan door geïntimeerde op de rekening van appellante met vermelding dat het een lening betrof en deze overschrijvingen betroffen betalingen voor de renovatiewerken uitgevoerd aan de eigen woning van appellante; - een aantal van deze werken werden blijkbaar door geïntimeerde zelf onderhandeld, gekozen en de facto ook door hem besteld (zie stuk 7 geïntimeerde nopens de onderhandelingen dressing); - geïntimeerde heeft gedurende meerder jaren de eigen woning van appellante bewoond en behoudens de huur die zijn BVBA, die een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft, betaalde, leverde hij geen andere bijdrage aan de lasten van deze woning dan de betalingen van een aantal renovatiewerken; Overwegende dat geïntimeerde, die zijn vordering moet bewijzen, aan de hand van een geschrift moet bewijzen dat de beweerde overgeschreven bedragen aan appellante werden geleend en zij deze bedragen moet terugbetalen; Dat het bewijs van een lening niet enkel het bewijs vergt van het overmaken van de som, maar ook van de verbintenis tot terugbetaling; Dat behoudens de mededeling ‘lening' op een aantal overschrijvingen er geen andere bewijzen voor liggen van een lening; Dat deze mededeling hoogstens een begin van geschreven bewijs kan zijn maar geen volwaardig bewijs is van de beweerde lening; Overwegende dat dergelijk begin van bewijs kan worden aangevuld met andere elementen zoals getuigenverklaringen of vermoedens maar deze elementen niet worden bijgebracht; Dat de mededeling op de overschrijving waarop geïntimeerde zich steunt enkel een bevestiging is van de overmaking van de som, maar deze mededeling geen verbintenis tot terugbetaling van de som door geïntimeerde aan appellante aantoont en evenmin een begin van bewijs van deze verbintenis tot terugbetaling bevat; Dat bij gebrek aan een geschreven bewijs of een begin van geschreven bewijs (dat aangevuld kan worden door vermoedens of getuigenbewijs) geïntimeerde er niet in slaagt aan te tonen dat er tussen de partijen nopens deze overgeschreven bedragen een leningsovereenkomst tussen hen tot stand is gekomen; Overwegende dat het hof, gelet op voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd van oordeel is dat geïntimeerde zijn vordering dienaangaande, in zoverre deze gesteund is op een lening, niet afdoende bewijst aan de hand van overtuigende, bewijskrachtige en objectieve bewijsstukken zodat deze afgewezen moet worden als ongegrond. II.
  39. Aangaande de verrijking zonder oorzaak 5.
  40. Overwegende dat geïntimeerde zich, in ondergeschikte orde, steunt op de figuur van de verrijking zonder oorzaak om betaling te verkrijgen van de door hem van zijn eigen rekening op de eigen rekening van appellante gestorte bedragen; Dat geïntimeerde van oordeel is dat appellante zich heeft verrijkt en hij zich heeft verarmd, temeer daar appellante de eigen woning heeft verkocht en de opbrengst met een aanzienlijk toegenomen waarde heeft behouden, en dat er voor deze vermogensverschuiving geen oorzaak te vinden is in de bijdragen die hij moest leveren aan de lasten van het huishouden; Dat geïntimeerde van oordeel is dat deze stortingen de door hem verschuldigde bijdragen ruimschoots overstijgen. 5.
  41. Overwegende dat appellante van oordeel is dat er geen sprake kan zijn van verrijking zonder oorzaak omdat er in hoofde van geïntimeerde geen verarming is vermits hij gedurende jaren in de eigen woning van appellante heeft gewoond en aldus al die tijd geen eigen woonlast had en er in ieder geval een oorzaak te vinden is voor deze overschrijvingen in de bijdragen die geïntimeerde tijdens het samenleven moest leveren aan de lasten van het gezin. 5.
  42. Overwegende dat het beginsel van het subsidiaire karakter van de rechtsvordering uit verrijking zonder oorzaak belet dat de vordering van geïntimeerde wordt aangenomen ingeval hij over een andere vordering beschikte die hij heeft laten teloorgaan; Dat de vordering van geïntimeerde die ondergeschikt gebaseerd is op de onverschuldigde betaling enkel niet kan worden ingewilligd ingeval hij tot doel heeft een wettelijk beletsel met betrekking tot een hem ter beschikking staande vordering te omzeilen, maar een gebeurlijk gebrek aan bewijs van andere ingeroepen rechtsgronden niet verhindert dat hij zich vooralsnog kan beroepen op de verrijking zonder oorzaak (vgl. Cass. (1e k.) AR C.16.0382.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170609.3, 9 juni 2017). 5.
  43. Overwegende dat voor de toepassing van deze door de rechtspraak ontwikkelde en door het Hof van Cassatie tot algemeen rechtsbeginsel gepromoveerde en op de billijkheid steunende rechtsfiguur het voorhanden zijn van vijf voorwaarden vereist wordt: 1°) een vermogensaanwas van de verwerende partij; 2°) een verarming van de eisende partij; 3°) de correlatie tussen de aanwas en de verarming; 4°) het ontbreken van een geldige juridische oorzaak voor de aanwas resp. de verarming; 5°) het ontbreken van enige andere mogelijkheid voor de verarmde partij om zich op een andere rechtsgrond te beroepen; Dat aan de hand van de voorliggende stukken weliswaar blijkt dat er in hoofde van appellante sprake is van een vermogensaanwas ingevolge de door geïntimeerde betaalde facturen voor de renovatie van haar eigen woning maar het hof onderzocht of er sprake is van een werkelijke verarming van geïntimeerde en of voor deze verarming al dan niet een oorzaak te vinden is. 5.
  44. Overwegende dat het algemeen rechtsbeginsel van de verrijking zonder oorzaak het gebrek aan oorzaak vereist zowel van de verarming als van de verrijking; Dat de verarming (in casu in de context van een feitelijke samenwoning) niet zonder oorzaak is zodra zij haar oorsprong vindt in de behartiging van het eigen belang door de verarmde (vgl. Cass. (1e k.) AR C.18.0084.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181012.4, 12 oktober 2018 (E.R. / L.S.)); Dat ook de wil van de verarmde een (subjectieve) oorzaak kan zijn voor een vermogensverschuiving, met als gevolg dat terugvordering of vergoeding op grond van de verrijking zonder oorzaak onmogelijk wordt maar enkel ingeval de verarmde de wil had een definitieve vermogensverschuiving ten voordele van de verrijkte tot stand te brengen (vgl. Cass. 23 oktober 2014, Arr.Cass. 2014, 2330, concl. T. WERQUIN, RW 2016-17, 225 en TBBR 2015, 559, noot J. LAMBRECHTS.); Dat het vrijwillige karakter van de vermogensverschuiving alleen dus niet volstaat en er een wil tot definitieve vermogensverschuiving van de verarmde vereist is; Dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen vermogensverschuivingen die vrijwillig tot stand gekomen zijn, maar slechts vanuit een tijdelijke hulpvaardigheid van de verarmde enerzijds, en vermogensverschuivingen die blijk geven van de vrijgevigheid van de verarmde en dus van diens bedoeling om het voordeel van de vermogensverschuiving definitief te laten toekomen aan de verrijkte anderzijds; Dat enkel voor deze laatste vermogensverschuivingen een vordering op grond van de verrijking zonder oorzaak uitgesloten is, omdat er een rechtvaardiging of oorzaak terug te vinden is in de wil van de verarmde tot een definitieve vermogensverschuiving; Dat naast de vaststelling dat de vermogensverschuiving uit vrijgevigheid gebeurde, ook het eigenbelang en het speculatieve oogmerk van de verarmde in aanmerking worden genomen als uitingen van een wil tot definitieve vermogensverschuiving; Dat wanneer de verarmde partner een eigenbelang had bij de vermogensverschuiving, bijvoorbeeld, omdat hij of zij jarenlang kosteloos mocht verblijven in de woning van de partner waarin renovatiewerken op zijn of haar kosten waren verricht en hij of zij zo mee bijdroeg aan het eigen comfort, de rechter immers kan afleiden dat de vermogensverschuiving als definitief bedoeld was; Overwegende dat ook de natuurlijke verbintenis als oorzaak kan worden aanvaard voor de betalingen die kaderen in de bijdrage die elke partij verschuldigd was in de kosten van de samenleving; Dat het bijgevolg aan geïntimeerde toekomt te bewijzen dat de betalingen die hij deed, zijn bijdrage in de kosten van het samenleven overschrijden en voor zover dit het geval is, hij moet aantonen dat de vermogensverschuiving niet als definitief bedoeld was. 5.
  45. Overwegende dat het hof de concrete feiten en de concrete wil van de verarmde in casu geïntimeerde onderzoekt en uit de stukken van het dossier het volgende blijkt: - er worden geen stukken bijgebracht nopens de wederzijdse inkomsten en alle uitgaven van het huishouden zodat niet onderzocht kan worden welke bijdrage geïntimeerde verschuldigd was aan de lasten van het samenleven, daar dit moet gebeuren in verhouding met ieders mogelijkheden; - geïntimeerde onderhandelde zelf nopens de renovatiewerken aan de eigen woning van appellante en er was in zijnen hoofde ook sprake van een eigenbelang bij het uitvoeren van deze werken vermits hij gedurende jaren in deze aldus gerenoveerde woning verbleef; - geïntimeerde betaalde geen andere vergoeding voor het bewonen van deze eigen woning van appellante en leverde geen bijdrage aan de betaling van de lening afgesloten door appellante alleen; Overwegende dat het hof van oordeel is dat geïntimeerde die gedurende geruime tijd in de eigen woning van appellante woonde gedurende al die jaren geen eigen woonlast had; Dat appellante de lening die zij alleen afsloot bij de bank voor het verwerven van haar eigen woning alleen afbetaalde en geïntimeerde niet bijdroeg in deze woonlast; Dat geïntimeerde evenmin aantoont dat hij betalingen deed van de brandverzekering, onroerende voorheffing en andere kosten verbonden aan de woning; Dat de enige bijdragen die hij leverde aan de woonlast, die de facto de woonlast was van het feitelijk huishouden, aldus te vinden is in de betalingen die hij deed van minstens een deel van de renovatiewerken aan de eigen woning van appellante; Dat het hof bijgevolg van oordeel is dat geïntimeerde niet afdoende aantoont dat hij door deze betalingen werkelijk verarmd is en/of in welke mate hij verarmd is, daar het voordeel van het bewonen van de eigen woning van appellante moet verrekend worden. 5.
  46. Overwegende dat het hof, ten overvloede opmerkt dat, in zoverre er al sprake zou zijn van een verarming in hoofde van geïntimeerde en aldus een vermogensverschuiving, er wel een oorzaak te vinden is

(1)in de bijdrage die geïntimeerde moest leveren aan de lasten van het samenleven, daar niet blijkt dat deze betalingen de bijdragen die hij moest leveren aan de lasten van het samenleven overstijgen en
(2)in het eigenbelang dat hij had bij het financieren van deze renovatiekosten voor een woning waarvan hij gedurende jaren ook mede het genot had; Dat gelet op de voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd het hof van oordeel is dat de vordering van geïntimeerde in ondergeschikte orde geformuleerd, op grond van verrijking zonder oorzaak, ongegrond is. 6. De gedingkosten Appellante vordert geïntimeerde te veroordelen tot de gedingkosten van beide aanleggen, inbegrepen een rechtsplegingsvergoeding van 8.400 euro per aanleg. Geïntimeerde vordert appellante te veroordelen tot de gedingkosten van beide aanleggen, inbegrepen een rechtsplegingsvergoeding van 8.400 euro per aanleg. De eerste rechter heeft de beslissing nopens de gedingkosten aangehouden vermits een tussenvonnis werd gewezen. Overwegende dat gelet op het ongegrond hoofdberoep en het deels gegrond en deels ongegrond incidenteel hoger beroep, beide partijen de helft van de gedingkosten van beide aanleggen moeten dragen met dien verstande dat wederzijds geen rechtsplegingsvergoedingen verschuldigd zijn. OM DEZE REDENEN, HET HOF, 42e KAMER (FAMILIEKAMER) Rechtsprekend na tegenspraak, mede gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het taalgebruik in gerechtszaken; Het tussenarrest van 8 december 2020 verder uitwerkend: Verklaart het hoofdberoep ongegrond; Verklaart het incidenteel hoger beroep in de volgende mate gegrond: - veroordeelt appellante tot het betalen aan geïntimeerde van 110.955 euro en 10.400 euro, meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet sedert 14 maart 2018 tot datum van de integrale betaling; Wijst voor het overige het incidenteel hoger beroep af als ongegrond. Veroordeelt elk van beide partijen in de helft van de gerechtskosten van eerste aanleg begroot op aan de zijde van appellante 332,97 euro dagvaardingkosten en van het hoger beroep, begroot in hoofde van appellante op 20 euro bijdrage Begrotingsfonds en zegt voor recht dat wederzijds geen rechtsplegingsvergoedingen verschuldigd zijn; Veroordeelt overeenkomstig artikel 269/2 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten elke partij tot betaling aan de Belgische Staat, FOD Financiën, van de helft van het rolrecht hoger beroep ten bedrage van 400 euro/2= elk 200 euro. Dit arrest werd gewezen door de 42ste kamer, familiekamer van het Hof van Beroep te Brussel, samengesteld uit: P. SENAEVE, voorzitter, V. AELBRECHT, raadsheer, C. VAN ROY, raadsheer, die alle zittingen hebben bijgewoond en die over de zaak hebben beraadslaagd. bijgestaan door H. COEYMANS, griffier. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170609.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181012.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.