← België

ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20210622.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 22 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20210622.15 Rolnummer: 2020/FA/489 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-08-12 Raadplegingen: 343 - laatst gezien 2026-06-19 14:02 Fiche De vereffening en verdeling van de onverdeeldheden tussen partijen gehuwd onder het stelsel van de scheiding van goederen kan worden uitgebreid betreffende de onverdeeldheden die tussen partijen zijn ontstaan voorafgaand aan het huwelijk. De vordering tot terugbetaling van ter beschikking gestelde gelden is een persoonlijke rechtsvordering die overeenkomstig artikel 2262bis, § 1 oud BW verjaart door verloop van tien jaar. Overeenkomstig artikel 2253 oud BW loopt de verjaring tussen echtgenoten niet en is het huwelijk een grond tot schorsing van de verjaring van een schuldvordering van de ene echtgenoot op de andere. Een geschrift dat wordt opgesteld tot bewijs van een schuld en dat niet voldoet aan artikel 1326 oud BW kan niet gelden als een buitengerechtelijke bekentenis maar wel als een begin van geschreven bewijs. Het contractueel bedongen beding van verrekening van dag tot dag heeft tot gevolg dat er in beginsel geen rekeningen tussen de echtgenoten (omtrent vermogensverschuivingen tijdens het huwelijk) meer te vereffenen zijn, vermits wordt verondersteld dat de echtgenoten die dagelijks hebben opgemaakt/vereffend, maar dit beding houdt niet in dat het tegenbewijs enkel kan worden geleverd door een geschrift . Het betreft een weerlegbaar vermoeden maar door het vereffeningsbeding is een omkering van de bewijslast doorgevoerd. Het is niet meer aan de beweerde schuldenaar om aan te tonen dat hij zich van zijn verplichtingen heeft bevrijd (art. 1315, tweede lid oud BW), vermits wordt vermoed dat hij zich van dag tot dag heeft bevrijd, maar aan de schuldeiser om het tegendeel aan te tonen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Algemeen BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Schenkingen - Herroeping BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Oneigenlijke contracten - Verrijking zonder oorzaak BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Scheiding van goederen Tekst van de beslissing INZAKE VAN: E.F. appellante op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, (hierna: appellante), bijgestaan door mr. DONKERS Jan (BRUSSEL) loco mr. VAN NOOTEN Marijn, advocaat te 1050 ELSENE, Louizalaan 65 bus 11, TEGEN: G.H. geïntimeerde op hoofdberoep, appellant op incidenteel hoger beroep, (hierna: geïntimeerde), bijgestaan door mr. HUBRECHTS Kristiane, advocaat te 3010 KESSEL-LO, Tiensesteenweg

  1. * * * * * * * * * * Gelet op de stukken van de rechtspleging, inzonderheid: - het eindvonnis op 13 november 2019 op tegenspraak uitgesproken door de familierechtbank van Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, waarvan partijen geen akte van betekening neerleggen; - het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie op 26 augustus 2020, waarbij tijdig hoger beroep werd aangetekend; - de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 15 maart 2021; - de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 13 april 2021; - de door partijen neergelegde stukken. VOORGAANDEN
  2. Partijen zijn gehuwd te Diegem op 2 februari 2008 onder een stelsel van scheiding van goederen ingevolge een huwelijkscontract afgesloten bij notaris Rik Roossens met standplaats te Diegem en dit op 17 januari
  3. De vordering in echtscheiding werd ingeleid bij dagvaarding op 16 december 2015 en werd uitgesproken bij vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 21 juni
  4. Notaris Soinne werd aangesteld met het oog op de bewerkingen van vereffening en verdeling van het huwelijksstelsel van partijen.
  5. Op 19 juli 2017 ging de aangestelde notaris over tot het opstellen van een proces-verbaal van opening van werkzaamheden. Hierin werd vastgesteld dat er geen onverdeeld onroerend actief, noch onverdeeld passief was. Wat betreft het onverdeeld roerend actief werd overeengekomen dat geïntimeerde een aantal meubels zou ophalen. De vermogensrechtelijke vorderingen tussen partijen betroffen de volgende: - geïntimeerde vorderde 45.500 euro ingevolge een schuldbekentenis, dewelke appellante betwistte; - geïntimeerde vorderde een vergoeding voor uitvoering van werken aan de eigen woning van appellante (302.667,53 euro aan facturen, 29.899,94 euro aan binnenwerken en 61.806,93 euro aan werken in de tuin). Appellante betwistte dit stellende dat geïntimeerde nooit enige vergoeding betaalde voor bewoning, zodat dit viel binnen zijn bijdrage in de lasten van het huwelijk; - geïntimeerde stelde een reeks schenkingen te herroepen. Tevens gingen partijen akkoord om een deskundige aan te stellen teneinde over te gaan tot schatting van de woning. In het proces-verbaal van 14 maart 2018 werd vastgesteld dat de meubels werden opgehaald door geïntimeerde en dat de deskundige een verslag had opgesteld. Voor het overige werden de vorderingen van partijen hernomen.
  6. Op 26 juli 2018 werd overgegaan tot het opstellen van een proces-verbaal van vereffening en verdeling. De notaris oordeelde hierin over de aangehaalde drie discussiepunten: - wat betreft de schuldbekentenis: de notaris nam aan dat de schuldbekentenis niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 1326 oud BW, doch kon dienen als een begin van schriftelijk bewijs. Ondersteund door andere stukken (ontwerp van akte opgesteld door notaris Verelst) was deze afdoende bewezen, zodat appellante deze som dient terug te betalen; - de vordering aangaande de facturen betaald door geïntimeerde betreffende de werken aan de woning van appellante: de notaris nam aan dat de vraag of deze bedragen kaderen in de normale lasten van het huwelijk moet beoordeeld worden rekening houdende met de in het geding zijnde bedragen. Een deel van deze kosten kon als dusdanig worden beschouwd, doch een deel ook niet. De notaris stelde voor de verrekening naar redelijkheid en billijkheid te begroten rekening houdende met een normaal bedrag aan huur en kosten die geïntimeerde zou moeten bijdragen. De notaris stelde een bedrag van 1.800 euro per maand voor. Rekening houdende met de duur van het huwelijk, komt dit op 180.000 euro, zodat een saldo in het voordeel van geïntimeerde van 214.374,30 euro blijft; - wat betreft de herroeping van de beweerde schenkingen: de notaris nam aan dat de bedragen van 15.000 euro en 25.000 euro, dewelke onmiddellijk werden teruggestort, geen schenkingen waren. De overige kleinere bedragen waren te verantwoorden in het kader van de professionele activiteiten en kleinere betalingen in familiaal verband. Wat betreft tot slot de betaling van 25.380 euro meende de notaris dat niet bewezen was dat de wagen in kwestie betaald werd door geïntimeerde; - resultaat: appellante is 259.874,30 euro verschuldigd aan geïntimeerde.
  7. Bij proces-verbaal van 25 oktober 2018 antwoordde de notaris op de bezwaren van appellante: - wat betreft de schuldbekentenis: de notaris bleef bij zijn standpunt; - de vordering aangaande de facturen betaald door geïntimeerde betreffende de werken aan de woning van appellante: hierbij hield de notaris, op vordering van appellante, rekening met een bijkomende termijn voor de berekening van de lasten van de samenwoning vanaf 2002 (startdatum feitelijke samenwoning), zodat een saldo overblijft van 106.374,30 euro. - wat betreft de herroeping van de beweerde schenkingen: hierover werd door appellante geen discussie gevoerd, zodat ook dit behouden bleef; - resultaat: appellante is 151.874,30 euro verschuldigd aan geïntimeerde.
  8. Nadat het dossier door de notaris werd neergelegd ter griffie teneinde uitspraak te doen over de bezwaren, liet geïntimeerde gelden dat hij per mail van 27 augustus 2018 wel degelijk zijn bezwaren overmaakte. Hiermee werd ten onrechte geen rekening gehouden. Naar aanleiding hiervan ging de notaris op 8 november 2018 over tot het opstellen van een aanvullend proces-verbaal van geschillen en moeilijkheden. Hierbij werden de bezwaren van geïntimeerde beoordeeld. De bezwaren van geïntimeerde werden blijkbaar verzonden naar een e-mailadres dat niet meer in gebruik was. Deze bijkomende beoordeling had de volgende gevolgen voor de reeds gecorrigeerde staat van vereffening en verdeling: - wat betreft de schuldbekentenis: geïntimeerde was het hiermee eens. Er was dus geen aanpassing nodig; - de vordering aangaande de facturen betaald door geïntimeerde betreffende de werken aan de woning van appellante: geïntimeerde bewijst volgens de notaris bijdragen in de lasten van het huwelijk ten belope van 39.050,00 (overschrijvingen) euro, zodat dit bedrag mede wordt verrekend. Het saldo voor deze post komt dan op 145.424,30 euro; - wat betreft de herroeping van de beweerde schenkingen: hierover werd door geïntimeerde geen discussie gevoerd volgens de notaris, zodat ook dit behouden bleef; - resultaat: appellante is 190.942,30 euro verschuldigd aan geïntimeerde. VONNIS A QUO Bij het thans bestreden eindvonnis van 13 november 2019 heeft de eerste rechter als volgt beslist: - homologeert de staat van vereffening-verdeling van 26 juli 2018, en zoals gewijzigd bij proces-verbaal van geschillen of moeilijkheden van 25 oktober 2018 en het aanvullend proces-verbaal van geschillen of moeilijkheden van 8 november 2018, behoudens dat appellante bijkomend een bedrag van 25.380 euro verschuldigd is aan geïntimeerde ingevolge een herroepen schenking; - verzendt de zaak terug naar de notaris met het oog op de aanpassing van de staat van vereffening en verdeling in het licht van het voorgaande; - wijst partijen af van het meer of anders gevorderde. VOORWERP VAN DE HOGERE BEROEPEN
  9. HOOFDBEROEP Overeenkomstig haar conclusie voor het hof vordert appellante, met de gedeeltelijke hervorming van het vonnis a quo: - te bevelen dat de staat van vereffening-verdeling van 26 juli 2018, zoals gewijzigd bij PV van geschillen of moeilijkheden van 25 oktober 2018 en het aanvullend PV van geschillen of moeilijkheden van 8 november 2018 in die zin dient te worden aangepast. Geïntimeerde vordert het hoofdberoep ongegrond te verklaren.
  10. INCIDENTEEL HOGER BEROEP Overeenkomstig zijn syntheseconclusie voor het hof vordert geïntimeerde, met de gedeeltelijke hervorming van het vonnis a quo: - de staat van de notaris aan te passen overeenkomstig de stelling van geïntimeerde en te zeggen voor recht dat appellante verschuldigd is en haar te veroordelen te betalen aan geïntimeerde het bedrag van 394.374,30 euro uit hoofde van de verbouwingswerken uitgevoerd door appellante aan haar eigen woning. Appellante vordert het incidenteel hoger beroep onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren. BEOORDELING VOORAFGAAND: Het hof stelt vast dat er geen reden is om het incidenteel hoger beroep onontvankelijk te verklaren en appellante brengt dienaangaande geen argumenten bij.
  11. Aangaande de schuldbekentenis 1.
  12. Appellante werpt op dat de schuldvordering die geïntimeerde beweert te hebben van 45.500 euro niet bewezen is aan de hand van het voorliggende document en dat in de mate dat de "schuld" al bewezen zou zijn, deze van 2003 dateert, aldus voorhuwelijks is, niet gevorderd kan worden in het kader van huidige procedure en hoe dan ook verjaard is. Geïntimeerde werpt op dat appellante voor het eerst in hoger beroep opwerpt dat dit een schuld van vóór het huwelijk betreft en deze niet opgenomen kan worden in de vereffening en verdeling van het huwelijksstelsel en dit middel niet ontvankelijk is omdat het nooit werd opgeworpen, niet in de aanvankelijke nota van appellante, niet bij de bezwaren en niet in eerdere procedurestukken. Geïntimeerde is verder van oordeel dat dit middel ongegrond is omdat het de vereffening en verdeling betreft van een stelsel van scheiding van goederen waar dus onverdeeldheden en vorderingen tussen partijen wel degelijk in deze procedure kunnen worden behandeld. Verder stelt geïntimeerde dat er geen sprake kan zijn van verjaring vermits de verjaring van vorderingen tussen echtgenoten geschorst wordt tijdens het huwelijk. Geïntimeerde is verder van oordeel dat zowel de notaris als de eerste rechter terecht hebben gesteld dat de schuldbekentenis afdoende wordt bewezen aan de hand van het begin van bewijs door geschrift aangevuld door het ontwerp van de authentieke akte die niet werd ondertekend. 1.
  13. Overwegende dat bij vonnis van 21 juni 2016 de vereffening en verdeling werd bevolen van het huwelijksstelsel van partijen; Dat in het kader van een stelsel van scheiding van goederen er enkel sprake is van gebeurlijke te verdelen onverdeeldheden tussen partijen; Dat geïntimeerde in diens aanspraken tijdig geformuleerd voor de notaris van bij aanvang gewag maakte van een schuldbekentenis ondertekend door appellante voorafgaand aan het huwelijk (op een onbekende datum) voor een bedrag van 45.500 euro; Dat hij verduidelijkte dat appellante deze som had aangewend om haar toe te laten het aandeel van haar ex-echtgenoot in de woning over te kopen in het kader van de vereffening en verdeling van dat huwelijksstelsel; Overwegende dat deze aanspraak werd opgenomen in het proces-verbaal van opening van werkzaamheden en de notaris in diens staat van vereffening en verdeling standpunt heeft ingenomen; Dat appellante geen bezwaar heeft opgeworpen nopens het feit dat deze aanspraak werd geformuleerd in het kader van de procedure van vereffening en verdeling van de tussen partijen bestaande onverdeeldheden; Dat zij enkel een bezwaar formuleerde nopens het bestaan van een door haar ondertekende schuldbekentenis en de formele tekortkoming van het document. 1.
  14. Overwegende dat partijen de opdracht van de notaris bij gemeen akkoord konden uitbreiden en hem de opdracht konden geven ook de vereffening en verdeling te doen niet enkel van de onverdeeldheden van na het huwelijk, maar ook deze van voor het huwelijk, tot stand gekomen sedert het feitelijk samenwonen van partijen; Overwegende dat uit de stukken van het dossier dienaangaande blijkt dat: - de notaris bij de opening van de werkzaamheden de aanspraak van geïntimeerde nopens de schuldbekentenis opnam die dateerde van vóór het huwelijk; - appellante noch in haar bezwaren noch in de procedure voor de eerste rechter heeft opgeworpen dat zij niet akkoord kon gaan met de beoordeling van deze vordering; - appellante integendeel door haar bezwaar te formuleren nopens de schuldbekentenis, stellende dat het voorgelegde document niet door haar werd ondertekend en niet voldoet aan de vereisten van artikel 1326 oud BW aan de notaris expliciet heeft gevraagd standpunt in te nemen nopens de gegrondheid van de aanspraak die door geïntimeerde dienaangaande werd geformuleerd; - appellante geen opmerkingen formuleerde bij het proces-verbaal van opening van werkzaamheden nopens de ontvankelijkheid van de aanspraak van geïntimeerde wat betreft deze schuldbekentenis; - appellante noch voor de notaris noch voor de eerste rechter opgeworpen heeft dat deze aanspraak in een afzonderlijke procedure beoordeeld moest worden; - appellante integendeel in haar bezwaren nopens de vergoeding voor de werken aan haar eigen woning opwerpt dat geïntimeerde diende bij te dragen aan de lasten van het gezin, niet vanaf de datum vanaf het huwelijk maar vanaf de datum waarop partijen samenwonen sedert 2002 zodat hij vanaf die datum 1.800 euro per maand moest betalen en aldus bijkomend 108.000 euro dient te worden afgetrokken van de door hem betaalde bedragen; - de notaris in diens laatste advies van 25 oktober 2018 om die reden een vergoeding voor kost en inwoon in mindering heeft gebracht op het door appellante te betalen bedrag vanaf de datum van de feitelijke samenwoonst van partijen; - appellante aldus nu enerzijds voor het eerst opwerpt dat de vordering van geïntimeerde wat betreft de schuldbekentenis van vóór het huwelijk niet ontvankelijk zou zijn, maar anderzijds vóór de periode van voor het huwelijk zelf een vergoeding vordert en haar vordering dienaangaande wel ontvankelijk zou zijn, wat tegenstrijdig is; Overwegende dat uit voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd, dan ook afdoende blijkt dat deze betwisting tussen partijen nopens de onverdeeldheden vanaf de feitelijke samenwoning, die weliswaar niet kadert in de vereffening en verdeling van het huwelijksstelsel van scheiding van goederen tussen partijen, ter beoordeling werd voorgelegd aan de notaris door partijen; Dat immers ook appellante vergoedingen vordert vanaf de feitelijke samenwoonst; Dat de opdracht van de notaris aldus met akkoord van beide partijen uitgebreid werd tot de vereffening en verdeling van de onverdeeldheid van vóór het huwelijk; Dat het verweer dat dienaangaande voor het eerst in hoger beroep door appellante op een niet gemotiveerde wijze wordt geformuleerd om die reden als ongegrond wordt afgewezen. 1.
  15. Overwegende dat overeenkomstig artikel 2219 oud BW de verjaring een middel is om, door verloop van een zekere tijd en onder de voorwaarden die de wet bepaalt, iets te verkrijgen of van een verbintenis bevrijd te worden; Dat door de bevrijdende verjaring alle zakelijke en persoonlijke rechtsvorderingen uitdoven na verloop van de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen (artikelen 2262 en 2262bis oud BW) dan wel de bijzondere (korte) termijnen, zodat de schuldenaar van zijn verbintenis wordt bevrijd; Dat de vordering van geïntimeerde die de terugbetaling vordert van het door hem aan appellante ter beschikking gestelde geld, een persoonlijke rechtsvordering is die overeenkomstig artikel 2262bis, § 1 oud BW verjaart door verloop van tien jaar; Overwegende dat overeenkomstig artikel 2253 oud BW de verjaring tussen echtgenoten niet loopt; Dat het huwelijk een grond tot schorsing is van de verjaring van een schuldvordering van de ene echtgenoot op de andere (vgl. Cass. C.14.0466.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150416.4, 16 april 2015); Dat het door geïntimeerde voorgelegde document tot staving van zijn vordering niet gedateerd is maar het duidelijk is dat deze schuld dateert van eind 2003, datum waarop appellante de eigendomsrechten volledig heeft verkregen van haar eigen woning, voorheen de voormalige gezinswoning met haar eerste echtgenoot; Overwegende dat partijen gehuwd zijn op 2 februari 2008 en op dat ogenblik de vordering nog niet was verjaard; Dat vanaf dan de verjaringstermijn wordt geschorst gedurende de volledige termijn van het huwelijk; Dat partijen uit de echt zijn gescheiden ingevolge vonnis van 21 juni 2006, betekend op 1 september 2016 en in kracht van gewijsde getreden op 1 oktober 2016 en geïntimeerde zijn aanspraak formuleerde bij de opening van de werkzaamheden op 19 juli 2017; Dat het hof van oordeel is dat geïntimeerde zijn vordering tijdig heeft geformuleerd en deze vordering niet is verjaard. 1.
  16. Overwegende dat een geschrift dat wordt opgesteld tot bewijs van een schuld en dat niet voldoet aan artikel 1326 oud BW niet kan gelden als een buitengerechtelijke bekentenis (vgl. Cass. C.16.0027.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160926.2, 26 september 2016); Dat in dit geval de schriftelijke verklaring ondertekend door appellante die een expliciete schuldbekentenis omvat, niet voldoet aan alle voorwaarden gesteld in artikel 1326 oud BW vermits het geen datum bevat, niet handgeschreven is, en de handtekening, waarvan appellante erkent dat dit de hare is niet voorafgegaan is door de vermelding gelezen en goedgekeurd, maar dit geschrift dat niet aan al de vereisten van artikel 1326 oud BW voldoet, niettemin een begin van bewijs door geschrift kan uitmaken (vgl. Cass., 26 oktober 1950, Arr. Cass., 1951, 77; Pas., 1951, I, 96); Dat een begin van bewijs door geschrift elke geschreven akte is die uitgegaan is van degene tegen wie de vordering ingesteld wordt (of van zijn vertegenwoordiger) en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt; Dat appellante geen valsheidsvordering heeft ingesteld tegen dit document dat terecht zowel door de notaris als door de eerste rechter als een begin van geschreven bewijs werd weerhouden; Overwegende dat verder uit de stukken van het dossier blijkt dat: - geïntimeerde een cheque voor een bedrag van 45.500 euro heeft uitgeschreven en deze cheque werd geïnd door de notaris die de akte van overname door appellante heeft verleden; - er een ontwerp van authentieke akte werd opgesteld waarbij de tekst van het document werd bevestigd maar deze niet werd ondertekend; Dat uit het voorgaande afdoende blijkt dat geïntimeerde aan appellante een som van 45.500 euro heeft ter beschikking gesteld om haar toe te laten haar aandeel in de voormalige gezinswoning over te nemen en uit geen enkel element van het dossier blijkt dat hij dit animus donandi deed; Dat het hof samen met de notaris en de eerste rechter dan ook van oordeel is dat appellante deze som terug moet betalen aan geïntimeerde en het hoofdberoep wat dit onderdeel betreft ongegrond is.
  17. Aangaande de verrijking zonder oorzaak 2.
  18. Appellante is van oordeel dat zowel de notaris als de eerste rechter ten onrechte geoordeeld hebben dat zij een aantal bedragen aan geïntimeerde moet terugbetalen die slaan op betalingen die hij deed voor de renovatie van haar eigen woning; Appellante is van oordeel dat deze betalingen kaderen in de bijdrage die geïntimeerde moest doen aan de lasten van het gezin, temeer daar hij woonde in de eigen woning van appellante; Appellante werpt op dat elke echtgenoot gehouden is bij te dragen aan deze lasten in verhouding met zijn mogelijkheden, dat het inkomen van geïntimeerde tot tienmaal hoger was dan het hare, vermits zij een ziekte-uitkering kreeg en de betalingen die hij deed aldus voor de renovatie van de eigen woning van appellante, geenszins zijn verschuldigde bijdrage aan deze lasten overschrijden. 2.
  19. Geïntimeerde is van oordeel dat hij gerechtigd is om alle gevorderde bedragen terug te eisen vermits hij aantoont dat hij behoudens deze betalingen die kaderen in de totaalrenovatie van de eigen woning van appellante, verder alle dagdagelijkse lasten van het gezin droeg; Geïntimeerde is van oordeel dat hij afdoende aantoont aan de hand van stukken dat hij nutsvoorzieningen, boodschappen, onroerende voorheffing enz. betaalde naast de facturen van de renovatie en is om die reden van oordeel dat de notaris ten onrechte nog een bedrag van 1.800 euro maandelijks in mindering heeft gebracht op zijn vordering. 2.
  20. Overwegende dat de echtgenoten ingevolge artikel 1387 oud BW hun huwelijksovereenkomsten mogen regelen naar goeddunken, mits zij daarin niets bedingen dat strijdig is met de openbare orde of de goede zeden; Dat partijen op 17 januari 2008 een huwelijkscontract onder het stelsel van de scheiding van goederen hebben gesloten dat hen overeenkomstig artikel 1134 oud BW tot wet strekt; Overwegende dat er bij een stelsel van scheiding van goederen

(1)geen sprake is van drie vermogens, maar enkel van twee onderscheiden eigen vermogens
(2)de wettelijke regels nopens vergoedingsrekeningen voor het wettelijk huwelijksvermogensstelsel niet van toepassing zijn maar het principe van verrekening tussen de twee gescheiden vermogens tot de essentie behoort van het stelsel van scheiding van goederen; Dat artikel 5 van het huwelijkscontract bepaalt: ‘Ieder van de echtgenoten zal tot de lasten van het huwelijk bijdragen naar zijn vermogen. Ieder van hen wordt geacht dag voor dag zijn bijdrage te hebben geleverd zodanig dat zij niet zullen onderworpen zijn aan enige rekening onder elkaar noch aan enige kwijting van de ene tegenover de andere.'; Overwegende dat partijen die overeenkomstig artikel 1134 oud BW gebonden zijn door de bepalingen van hun huwelijkscontract, na het beëindigen van hun huwelijk ingeval zij verrekening vorderen van tijdens dit huwelijk door hen met eigen of onverdeelde gelden gedane betalingen, hun vordering moeten bewijzen overeenkomstig artikel 807 Ger.W. 2.
  1. Overwegende dat het contractueel bedongen beding van verrekening van dag tot dag tot gevolg heeft dat er in beginsel geen rekeningen tussen de echtgenoten (omtrent vermogensverschuivingen tijdens het huwelijk) meer te vereffenen zijn, vermits wordt verondersteld dat de echtgenoten die dagelijks hebben opgemaakt/vereffend; Dat dit beding niet inhoudt dat het tegenbewijs enkel kan worden geleverd door een geschrift; het zegt zonder meer dat, bij gebrek aan "geschreven stukken", de echtgenoten "vermoed" worden te hebben afgerekend, hetgeen niet betekent dat het tegenbewijs enkel kan worden geleverd door een geschrift; Dat het beding de toepassing van het vermoeden enkel uitsluit wanneer een specifiek geschrift is opgesteld door de partijen; Dat dit aldus een weerlegbaar vermoeden is maar door het vereffeningsbeding een omkering van de bewijslast doorgevoerd is; Dat het niet meer aan de beweerde schuldenaar is om aan te tonen dat hij zich van zijn verplichtingen heeft bevrijd (artikel 1315, tweede lid oud BW), vermits wordt vermoed dat hij zich van dag tot dag heeft bevrijd maar het aan de schuldeiser is om het tegendeel aan te tonen; Overwegende dat een stelsel van scheiding van goederen ertoe strekt de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk tot een minimum te beperken en de activa en de passiva zo gescheiden mogelijk te houden; Dat de keuze voor dit stelsel op zich geen afstand inhoudt van een gebeurlijke rechtzetting van een vermogensverschuiving die losstaat van de huwelijksrelatie; Dat het subsidiaire karakter van deze rechtsvordering wel belet dat de vordering tot vergoeding wordt aangenomen wanneer de echtgenote/echtgenoot over een andere vordering beschikte die zij heeft laten teloorgaan; Dat deze rechtsvordering immers niet kan worden ingewilligd wanneer zij tot doel heeft een wettelijk beletsel met betrekking tot de ter beschikking staande vordering te omzeilen; Dat dit echter niet belet dat de echtgenote haar vordering in hoofdorde steunt op een of meer andere grondslagen en in ondergeschikte orde op de verrijking zonder oorzaak. 2.
  2. Overwegende dat geïntimeerde, die zijn vordering hic et nunc enkel baseert op de verrijking zonder oorzaak moet aantonen dat er sprake is van: 1°) een vermogensaanwas; 2°) een verarming; 3°) de correlatie tussen de aanwas en de verarming; 4°) het ontbreken van een geldige juridische oorzaak voor de aanwas resp. de verarming; 5°) het ontbreken van enige andere mogelijkheid voor de verarmde partij om zich op een andere rechtsgrond te beroepen; Dat de verrijking niet ongerechtvaardigd is wanneer zij steunt op de wil van de verarmde, voor zover deze ertoe strekte een definitieve vermogensverschuiving in het voordeel van de verrijkte tot stand te brengen; Dat dit onder meer kan blijken uit de bedoeling de verrijkte te begunstigen, het speculatieve oogmerk of de omstandigheid dat de verarmde uitsluitend of hoofdzakelijk in zijn eigen belang handelde. 2.
  3. Overwegende dat uit de stukken van het dossier afdoende blijkt dat er sprake is van een verarming in hoofde van geïntimeerde, die dit aantoont aan de hand van facturen voor renovatie van de eigen woning van appellante en de betaling ervan met zijn gelden en van een verrijking in hoofde van geïntimeerde, wat aangetoond wordt enerzijds aan de hand van de facturen en anderzijds aan de hand van het schattingsverslag waaruit blijkt dat de eigen woning van geïntimeerde 280.000 euro meer waard is na de renovatiewerken; Dat er duidelijk een correlatie is tussen de renovatie van de woning die door geïntimeerde werd betaald, de verrijking van appellante hierdoor en de verarming van geïntimeerde; Overwegende dat het bedrag van de vordering die gesteund is op de leer van de verrijking zonder oorzaak het bedrag van de verarming is en niet kan slaan op de mogelijke waardevermeerdering van de woning; Dat het aldus onbelangrijk is te weten in welke mate de waarde van de woning vermeerderd is door de renovatiewerken die betaald werden door geïntimeerde maar enkel in welke mate geïntimeerde werkelijk verarmd werd; Dat geïntimeerde aan de hand van facturen en betalingen afdoende aantoont dat hij 302.667,53 euro betaalde voor structurele werken aan de woning, 29.899,94 euro voor inrichting van de woning (keuken, maatwerk, dressing, vestiaire, slaapkamer, bureel, gordijnen en verlichting) en 61.806,93 euro voor de inrichting van de tuin; Dat geïntimeerde aldus bewijst voor een totaal bedrag van 394.374,30 euro verarmd te zijn ingevolge betaalde renovatiewerken aan de eigen woning van appellante. 2.
  4. Overwegende dat het hof onderzoekt of er een oorzaak is voor deze vermogensverschuiving; Dat de verarming van het eigen vermogen van één van de partijen en de verrijking van dat van de andere niet gestoeld mag zijn op de bewuste wil om op definitieve wijze een vermogensverschuiving tot stand te brengen en evenmin zijn oorzaak mag vinden in vrijgevigheid; Overwegende dat uit geen enkel element van het dossier blijkt dat er in hoofde van geïntimeerde sprake was van de bedoeling om deze bedragen te schenken noch dat het de bedoeling was de vermogensverschuiving definitief tot stand te brengen; Dat appellante deze bewering niet staaft aan de hand van enig element en zij dienaangaande geen stukken bijbrengt zoals tussen hen gewisselde brieven of berichten; Dat bijgevolg geenszins bewezen is dat het de wil was van geïntimeerde om de vermogensverschuiving definitief tot stand te brengen. 2.
  5. Overwegende dat bij de beoordeling van de vordering tot verrekening van de door één van beide partijen gedane betalingen rekening wordt gehouden met het feit dat beide partijen ertoe gehouden zijn bij te dragen in de lasten van het gezin en de gemeenschappelijke huishouding in verhouding met hun mogelijkheden; Overwegende dat de lasten van het huishouden waarin elke echtgenoot bij voorrang op andere uitgaven dient bij te dragen en dit in verhouding tot zijn aandeel in de samengevoegde inkomsten van beide echtgenoten, alle lasten van het gezinsleven omvat, zoals de kosten van wonen, nutsvoorzieningen, verzekeringen, brandstof, voeding, kledij, ontspanning, reizen, geneesmiddelen en medische verzorging, enz., niet enkel van beide partners, maar eveneens van de kinderen die deel uitmaken van het gezin; Dat de bijdrage in deze lasten van het huishouden kan bestaan hetzij in een geldelijke injectie in deze lasten, hetzij in het ter beschikking stellen van eigen goederen voor het gezin zoals een eigen woning, hetzij in het verrichten van huishoudelijke arbeid en andere arbeid ten behoeve van het gezin; Dat aldus voor betalingen van dergelijke lasten van het huishouden, de echtgenoten enkel gerechtigd zijn op de door hen gevorderde bedragen in zoverre zij bewijzen dat hun bijdrage in de lasten van het huishouden veel hoger was dan het aandeel waartoe zij gehouden waren gezien hun bijdrage mogelijkheden. 2.
  6. Overwegende dat uit de stukken van de notaris blijkt dat: - in het proces-verbaal van 14 maart 2018 expliciet werd vermeld dat een onafhankelijke deskundige werd aangesteld voor de schatting van de woning, dat de deskundige is overgegaan tot de schatting van de woning op basis van de venale waarde ervan (verkoop van hand tot hand) meer bepaald de waarde van de woning voor de uitvoering van de werken en de waarde na de uitvoering van de werken (werken van 2008-2011); - de waarde van de woning na de werken werd geschat op 580.000 euro en vóór de renovatiewerken op 300.000 euro - in het proces-verbaal van 14 maart 2018 expliciet werd vermeld dat de partijen overeenkomen dat de waarde vóór en na de renovatiewerken van het onroerend goed zoals door de schatter is opgesteld als basis zal dienen voor de verdere onderhandelingen; - in de staat van vereffening en verdeling van 26 juli 2018 de notaris stelt dat de door geïntimeerde betaalde bedragen voor de renovatie van de woning deels maar niet volledig beschouwd kunnen worden als een last van het huwelijk, dat geïntimeerde enerzijds wel gratis kost en inwoon had maar anderzijds wel voormelde bedragen betaalde, dat een maandelijks huurgeld en onderhoud dat geïntimeerde diende te betalen ex aequo et bono afgetrokken moet worden als last van het huwelijk van het totaal bedrag aan structurele werken en inrichting en werken aan de tuin die door geïntimeerde werden betaald, dat er enerzijds de kost is die geïntimeerde heeft gehad maar anderzijds geïntimeerde ook het voordeel van kost en inwoon heeft genoten, dat de notaris een maandelijkse huurwaarde vermeerderd met een last voor kost en inwoon van 1.800 euro per maand verantwoord achtte, dat het huwelijk acht jaar en vier maanden heeft geduurd, hetzij 100 maanden en aldus op de door geïntimeerde betaalde bedragen van 394.374,30 euro een som van 180.000 euro in mindering werd gebracht zodat appellante aan geïntimeerde een bedrag van 214.374,30 euro moet betalen; - in het advies van de notaris (na het formuleren van geschillen) van 25 oktober 2018 werd gesteld dat beide partijen bevestigen dat de samenwoning sedert 2002 feitelijk heeft plaatsgevonden en de lasten van het huishouden sedert 2002 herbekeken moet worden, dat om die reden bijkomend een bedrag van 12 maanden X 5 jaar namelijk 108.000 euro extra werd afgetrokken van de door appellante te betalen opleg; - de notaris in zijn het aanvullend advies weerhoudt dat geïntimeerde bijdragen in de lasten van het huwelijk ten belope van 39.050 euro (overschrijvingen) bewijst, zodat dit bedrag mede wordt verrekend. Het saldo voor deze post komt dan op 145.424,30 euro; 2.
  7. Overwegende dat uit de stukken van het dossier, waaronder een aantal door geïntimeerde neergelegde bijkomende stukken, blijkt dat: - appellante tijdens het huwelijk een beperkt inkomen had, namelijk een ziekte uitkering van afgerond en gemiddeld 1.000 euro per maand; - geïntimeerde een veel hoger inkomen had voor 2009 jaarlijks netto inkomen van 93.550,99 euro of 7.795 euro per maand netto, 2010 jaarlijks netto inkomen van 91.267,94 euro of 7.605 netto maandelijks, 2011: 91.161,31 euro netto jaarlijks of 7.596 euro netto maandelijks, 2012: 106.949 euro netto jaarlijks of 8.912 euro maandelijks, in oktober 2012 heeft hij een ontslagvergoeding ontvangen van 344.670,66 euro netto belastbaar voor 23 maanden; - geïntimeerde in de periode van 27 december 2008 tot 27 januari 2014 maandelijkse stortingen deed (bedragen tussen 400 en 575 euro) met de vermelding maandgeld naar de rekening van geïntimeerde; - geïntimeerde voor de periode vanaf 2012 bewijzen bijbrengt van betalingen van Lampiris, voor de periode van 3 februari 2007 van Engie, voor de periode van 2011 tot 2014 van facturen van Proximus-Belgacom, voor de periode van 2012-2013-2014 van de onroerende voorheffing, voor de periode van 2008 tot 2014 van verzekeringen, voor 2010 van dienstencheques, voor de periode van 2008-2013 TV Vlaanderen, voor de periode van 2008-2012 voor huur vakantiewoning, talrijke betalingsbewijzen van aankopen in de supermarkt in de periode van 2008-2014; - appellante slechts een beperkt aantal uitgaven van het huishouden betaalde; - appellante geen stukken bijbrengt nopens een lening die zij afbetaalde voor haar eigen woning; - geïntimeerde geen huur betaalde voor het bewonen van de eigen woning van appellante; - geïntimeerde bewijst dat hij 302.667,53 euro betaalde voor structurele werken aan de woning, 29.899,94 euro voor inrichting van de woning (keuken, maatwerk, dressing, vestiaire, slaapkamer, bureel, gordijnen en verlichting) en 61.806,93 euro voor de inrichting van de tuin. 2.
  8. Overwegende dat het hof de tijdig geformuleerde aanspraken/geschillen mag beoordelen aan de hand van de voorgelegde stukken, die worden bijgebracht om de tijdig geformuleerde aanspraken of bezwaren te ondersteunen; Dat het hof vaststelt dat geïntimeerde steeds heeft opgeworpen dat hij afdoende heeft bijgedragen aan de lasten van het gezin en de betalingen die hij deed voor de renovatiewerken aan de eigen woning van appellante, zijn bijdrage aan de lasten van het huishouden ruimschoots overschreden; Dat het hof vaststelt dat geïntimeerde aan de hand van de door hem talrijk bijgebrachte stukken afdoende aantoont dat hij minstens voor zijn kost en inwoon meer dan voldoende heeft bijgedragen aan de dagdagelijkse lasten van het gezin dat hij vormde met appellante en dit vanaf het ogenblik waarop zij feitelijk samenwoonden; Dat geïntimeerde immers aantoont aan de hand van rekeninguittreksels dat hij
(1)39.050 euro betaalde aan appellante als maandgelden,
(2)betalingen deed voor lasten van het gezin (nutsvoorzieningen, verzekeringen...) van 61.774,94 euro en
(3)een bankkaart ter beschikking stelde aan appellante waarmee ze dagelijkse aankopen van supermarkt en brandstof van 57.267 euro deed; Overwegende dat het hof, gelet op voormelde elementen in hun onderling verband beschouwd, van oordeel is dat geïntimeerde afdoende aantoont te hebben bijgedragen aan de lasten van het gezin in verhouding met zijn inkomsten (dat inderdaad ongeveer zeven tot tienmaal hoger was dan dat van appellante); Dat anderzijds eveneens vaststaat dat geïntimeerde gedurende de volledige periode van het samenwonen geen afzonderlijke vergoeding heeft betaald voor het bewonen van de eigen woning van appellante; Dat het hof dienaangaande vaststelt dat de notaris weliswaar de venale waarde van de woning heeft laten schatten vóór en na de renovatiewerken maar de huurwaarde ervan niet heeft laten schatten; Overwegende dat de huurwaarde van de woning voor de renovatiewerken en na de renovatiewerken niet dezelfde zal zijn; Dat gelet op elk ontbrekend stuk nopens de huurwaarde van de woning (een éénzijdig of tegensprekelijk schattingsverslag nopens de huurwaarde ontbreekt), het hof deze huurwaarde ex aequo et bono begroot op 1.200 euro voor de renovatie en op 1.800 euro na de renovatie; Dat het hof dan ook van oordeel is dat geïntimeerde een vergoeding voor het bewonen van de eigen woning van appellante verschuldigd is voor de periode waarin hij werkelijk de woning bewoonde; Dat de vergoeding immers niet kadert in de vereffening en verdeling van een huwgemeenschap en aldus voor de vergoeding niet de datum dagvaarding echtscheiding determinerend is; Dat partijen feitelijk samenwoonden sedert 2002 en gehuwd zijn op 2 februari 2008; Dat uit het vonnis van de familierechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van 21 juni 2016, dat de echtscheiding tussen partijen uitsprak en de vereffening en verdeling beval van het tussen partijen bestaande huwelijksstelsel beval, blijkt dat geïntimeerde sedert minstens 10 april 2015 de echtelijke woning had verlaten; Overwegende dat de renovatiewerken werden uitgevoerd tussen 2008 en 2011 maar de laatste werken aan de tuin werden uitgevoerd ( zie stuk 8 geïntimeerde met overzicht betalingen van de renovatie); Dat uit de voorgelegde stukken afgeleid kan worden dat de renovatie van de woning zelf beëindigd was ongeveer in juni 2010 zodat vanaf die datum rekening moet gehouden worden met de verhoogde huurwaarde; Dat het hof, gelet op voormelde elementen in hun onderling verband beschouwd, die door geen van de partijen worden weerlegd aan de hand van objectieve, tegensprekelijke en overtuigende bewijzen, van oordeel is dat de verarming van geïntimeerde van 394.374,30 euro moet worden verminderd met een vergoeding verschuldigd door geïntimeerde voor de bewoning van de eigen woning van appellante van: - 1.200/2 hetzij 600 euro per maand voor de periode van begin 2002 tot mei 2010 hetzij gedurende een periode van 101 maanden= 60.600 euro; - 1.800/2 hetzij 900 euro per maand voor de periode van juni 2010 tot 15 april 2015 hetzij gedurende een periode van 58,5 maanden= 52.650 euro; Overwegende dat appellante bijgevolg aan geïntimeerde een vergoeding moet betalen voor de vermogensverschuiving zonder oorzaak van 394.374,30 euro- 113.250 euro= 281.124,30 euro; Dat het hoofdberoep dienaangaande ongegrond is en het incidenteel hoger beroep wat dit onderdeel betreft deels gegrond is en de staat van vereffening en verdeling in die zin moet worden aangepast.
  1. Aangaande de herroeping van de schenkingen 3.
  2. Appellante werpt op dat de eerste rechter ten onrechte heeft geoordeeld dat geïntimeerde haar een schenking deed van 25.380 euro voor de aankoop van een eigen wagen; dat in zoverre al een schenking bewezen zou zijn, dit hoogstens de schenking van een wagen betreft en geïntimeerde aldus de schenking van de wagen en niet van het geld kan herroepen. Geïntimeerde werpt op dat appellante zelf de wagen aankocht en hij haar het geld daarvoor schonk door de afgifte van een cheque. 3.
  3. Overwegende dat het hof vaststelt dat: - appellante aan de notaris verklaarde in het proces-verbaal van 26 juli 2018 dat het bedrag van 25.380 euro als geschenk werd overgedragen voor de aankoop van de wagen en de cheque die door geïntimeerde werd uitgeschreven, eind mei 2011 rechtstreeks door de garage werd geïnd; - appellante later aan de notaris verklaarde in het proces-verbaal van 25 oktober 2018 dat er geen bewijs is aangebracht dat de wagen van appellante betaald is door geïntimeerde en er bewezen moet worden dat de factuur op naam van appellante stond en dat geïntimeerde deze factuur betaald heeft; - appellante nu in conclusies stelt dat geïntimeerde niet de gelden maar de wagen heeft geschonken en hoogstens de schenking van de wagen herroepen kan worden; Overwegende dat geïntimeerde steeds heeft opgeworpen dat hij een cheque van 25.380 euro aan appellante schonk en zij hiermee haar wagen aankocht; Dat de notaris deze vordering heeft verworpen omdat het bewijs van betaling ontbrak; Dat geïntimeerde voor de eerste rechter het bewijs bijbracht van een cheque die geïnd werd door de garage en door hem was uitgeschreven, en de eerste rechter van oordeel was dat geïntimeerde bijgevolg het bewijs van de schenking bijbracht en hij deze schenking kon herroepen. 3.
  4. Overwegende dat een schenking kan gebeuren via een handgift; Dat een handgift een vormvrije schenking is die tot stand komt door de louter materiële overhandiging animo donandi aan de begiftigde, die aanvaardt, van een lichamelijk roerend goed of een onlichamelijk roerend goed waarvan het recht in de titel is geïncorporeerd; Dat voor de geldigheid van een handgift aldus drie voorwaarden cumulatief dienen te worden vervuld: de materiële afgifte (traditio), het oogmerk om te begiftigen (animus donandi) vanwege de schenker, en de aanvaarding vanwege de begiftigde; Dat voor het bewijs van een handgifte de afgift bewezen moet worden en aangetoond moet worden dat de overhandiging geschiedde met het inzicht om te schenken; Overwegende dat verder overeenkomstig artikel 1096, eerste lid oud BW, alle schenkingen, tussen echtgenoten tijdens het huwelijk anders dan bij huwelijkscontract gedaan, steeds herroepelijk zijn, hoewel zij schenkingen onder de levenden worden genoemd. Dat de schenkingen tussen echtgenoten staande het huwelijk en buiten huwelijkscontract altijd naar goeddunken 'ad nutum' herroepelijk zijn (art. 1096 eerste lid oud BW); Dat deze herroeping voltrokken wordt door de enkele wil van de echtgenoot-schenker en zelfs op stilzwijgende wijze kan plaatsvinden. 3.
  5. Overwegende dat uit de stukken van het dossier blijkt dat: - geïntimeerde een cheque aan appellante heeft overhandigd van 25.380 euro; - appellante een wagen aankocht op haar naam en deze wagen betaald werd met de cheque die geïntimeerde haar ter beschikking had gesteld; - deze cheque rechtstreeks geïnd werd door de garage; - de wagen nooit eigendom was van geïntimeerde; Dat geïntimeerde aldus de overdracht heeft gedaan aan appellante van een cheque en er aldus sprake is van de traditio van deze cheque en geenszins sprake is van de overdracht van de wagen door geïntimeerde aan appellante; Dat het feit dat deze cheque door appellante aan de garage werd overhandigd en de garage deze rechtstreeks heeft geïnd hieraan geen afbreuk doet vermits er geen sprake kan zijn van de overdracht of de traditio van de wagen door geïntimeerde (die nooit eigenaar was van de wagen) aan appellante; Overwegende dat uit voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd afdoende blijkt dat geïntimeerde deze gelden aan appellante heeft geschonken en hij deze schenking kon herroepen zodat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat appellante deze gelden moet terugbetalen en het hoofdberoep wat dit onderdeel betreft ongegrond is.
  6. Aangaande de gerechtskosten 4.
  7. Vorderingen van de partijen Appellante vordert geïntimeerde te veroordelen in de kosten van het geding, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding voor beide aanleggen. Geïntimeerde vordert appellante te veroordelen in de kosten van beide aanleggen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. 4.
  8. Beoordeling Overwegende dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld, gelet op de deelse gegrondheid van de wederzijdse vorderingen, dat elke partij wordt veroordeeld tot de helft van de gedingkosten eerste aanleg; Dat gelet op het ongegrond hoofdberoep en het deels gegrond incidenteel hoger beroep, appellante wordt veroordeeld tot de gedingkosten van het hoger beroep inbegrepen een rechtsplegingsvergoeding die door geïntimeerde werd begroot op 1.440 euro. OM DEZE REDENEN, HET HOF, 42e KAMER (FAMILIEKAMER) Rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk maar ongegrond; Verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond als volgt; Hervormt het bestreden vonnis enkel waar het oordeelde dat appellante aan geïntimeerde, wegens de vermogensverschuiving uit hoofde van verrijking zonder oorzaak, een vergoeding moet betalen van 145.424,30 euro; Opnieuw rechtsprekend enkel op dit punt, mede gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep: - zegt voor recht dat appellante aan geïntimeerde een vergoeding verschuldigd is ingevolgde de vermogensverschuiving zonder oorzaak van 281.124,30 euro; Verwijst de zaak terug naar de boedelnotaris Soinne, te 1130 Brussel-Haren, voor voortzetting van zijn opdracht en verdere afwerking en uitvoering van zijn staat van vereffening en verdeling rekening houdend met de beslissingen bij huidig arrest en met de beslissingen van de eerste rechter welke niet werden hervormd bij huidig arrest; Veroordeelt appellante in de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van appellante op 20 euro bijdrage Begrotingsfonds, en in hoofde van geïntimeerde op een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van 1.440 euro. Veroordeelt overeenkomstig artikel 269/2 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten appellante tot betaling aan de Belgische staat, FOD Financiën, van het rolrecht hoger beroep ten bedrage van 400 euro. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 42ste kamer, familiekamer van het Hof van Beroep te Brussel op 22 JUNI
  9. Waar aanwezig waren : P. SENAEVE, voorzitter, V. AELBRECHT, raadsheer, C. VAN ROY, raadsheer, H. COEYMANS, griffier. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150416.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160926.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.