← België

ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20210629.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 29 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20210629.9 Rolnummer: 2019/FA/444 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-08-12 Raadplegingen: 209 - laatst gezien 2026-06-13 20:21 Fiche Partijen bedongen in hun huwelijkscontract een conventionele terugkeer van de door hen ingebrachte goederen. Dit betreft geen mogelijkheid tot terugname, maar een automatische terugkeer bij ontbinding van het huwelijk. Met de gekozen bewoording van het beding zijn partijen expliciet van artikel 1455 oud BW afgeweken. Uit het terugkeerbeding volgt ook dat kosten gemaakt aan het onroerend goed van geïntimeerde na het ontbinden van het huwelijksvermogen ten laste vallen van geïntimeerde. Dit goed maakte namelijk nooit deel uit van de post-communautaire gemeenschap. De kosten die gepaard gaan met de terugname van een onroerend goed, zijn ingevolge het terugkeerbeding niet dienstig om een einde te maken aan de vereffening en verdeling tussen partijen. Deze kosten vallen dus ten laste van de persoon die het goed terug in handen krijgt. Wat betreft de schenking door de moeder naar haar dochter, is er geen blijk van een animus donandi naar haar schoonzoon toe, niettegenstaande dat deze gelden op de gemeenschappelijk rekening werden gestort. De schenking kan vermoed worden te zijn ingegeven door de familieband tussen dochter en moeder, maar ditzelfde vermoeden speelt niet ten aanzien van haar schoonzoon. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling - Inbreng BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Schenkingen - Algemeen BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Algemeen (huwelijksvermogensrecht) BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Wettelijk stelsel - Algemeen BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Wettelijk stelsel - Samenstelling vermogens BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Wettelijk stelsel - Ontbinding/ Vereffening Tekst van de beslissing INZAKE VAN: B.L. appellant op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, (hierna: appellant), bijgestaan door mr. VANTIGCHELT Charlotte (LEUVEN) loco mr. VAN BETSBRUGGE Willem, advocaat te 3300 TIENEN, Vierde Lansierslaan 70, TEGEN: F.V. geïntimeerde op hoofdberoep, appellante op incidenteel hoger beroep, (hierna: geïntimeerde), bijgestaan door mr. VAN CASTEREN Christina, advocaat te 3200 AARSCHOT, Gijmelsesteenweg

  1. * * * * * * * * * * Gelet op de stukken van de rechtspleging, inzonderheid: - het eindvonnis op 8 januari 2019 op tegenspraak uitgesproken door de familierechtbank van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, waarvan partijen geen akte van betekening neerleggen; - het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie op 17 juli 2019, waarbij tijdig hoger beroep werd aangetekend; - de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 2 april 2020; - de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 4 mei 2020; - de door partijen neergelegde stukken. I. VOORGAANDEN Partijen traden in het huwelijk voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Leuven op 22 februari
  2. Partijen huwden onder het wettelijk stelsel met inbreng bij huwelijkscontract verleden voor notaris E. Lerut met standplaats te Tielt-Winge op 10 februari
  3. Op 16 mei 2014 werd door appellant de echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 14 juli 2014 werd tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Notaris D. Michiels met standplaats te Aarschot werd aangesteld als notaris-vereffenaar teneinde over te gaan tot de vereffening en verdeling van het huwelijks-vermogensstelsel van partijen. Het beschikkend gedeelte van dit echtscheidingsvonnis werd overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Leuven op 12 november
  4. Op 13 januari 2016 is notaris Dirk Michiels overgegaan tot het opstellen van de staat van vereffening en verdeling van de ontbonden huwgemeenschap van partijen. Op deze staat werden zowel door appellant als door geïntimeerde bezwaren geformuleerd. Op 25 april 2016 is notaris Dirk Michiels overgegaan tot het opstellen van het proces-verbaal van geschillen en moeilijkheden. Vervolgens is notaris Dirk Michiels op 30 mei 2016 overgegaan tot het opstellen van zijn advies op de door partijen geformuleerde bezwaren. II. VONNIS A QUO Bij het thans bestreden eindvonnis van 8 januari 2019 heeft de eerste rechter als volgt beslist: - de rechtbank beveelt dat de staat van vereffening en verdeling door notaris D. Michiels opgesteld op 13 januari 2016 wordt aangepast volgens de hiernavolgende richtlijnen: - overeenkomstig het gewijzigde standpunt van notaris D. Michiels opgenomen in zijn advies van 30 mei 2016 voor wat betreft de schenking aan geïntimeerde door haar moeder van het bedrag van 96.666,67 euro. - de kosten verbonden aan het terugkeren naar het eigen vermogen van geïntimeerde van 1/3de van de woning gelegen te Wilsele zijn ten laste van geïntimeerde. - appellant dient niet tussen te komen in de kosten verbonden aan de woning gelegen te Wilsele gemaakt door geïntimeerde na 1 september
  5. De zaak wordt terug verzonden naar de notaris om de staat van vereffening en verdeling aan te passen, rekening houdende met de opmerkingen van de rechtbank. III. VOORWERP VAN DE HOGERE BEROEPEN I. HOOFDBEROEP Overeenkomstig zijn conclusie voor het hof vordert appellant, met de [gedeeltelijke] hervorming van het vonnis a quo: de staat van de notaris aan te passen aan hoger genoemde bezwaren en dienvolgens de zaak terug naar de notaris te zenden, met als opdracht: - de staat aan te passen met melding dat artikel 6 van het huwelijkscontract tussen partijen wel degelijk een recht van terugname betreft overeenkomstig artikel 1455 oud BW in die zin dat geen terugname/terugkeer meer mogelijk is van een woning die niet aanwezig is na spildatum, evenmin een oplegsom kan worden toebedeeld; - de staat aan te passen in die zin dat appellant recht heeft op de terugname/terugkeer van de verkoopprijs van de woning te Hoegaarden zonder enige vergoeding te moeten betalen; - de staat aan te passen met melding dat de kost van de terugname van 1/3de van de woning te Wilsele integraal ten laste van geïntimeerde wordt gelegd; - de staat aan te passen met melding dat aan appellant een vergoeding t.b.v. 19.130,00 euro toekomt met betrekking tot de kosten en stortingen gedaan voor de verbouwingen aan de woning te Wilsele tijdens het huwelijk; - de staat aan te passen met melding dat er een geherwaardeerde vergoeding dient plaats te vinden door het gemeenschappelijk vermogen van de gedane schenkingen namens de ouders van appellant aan appellant; - de staat aan te passen met melding dat appellant wel degelijk recht heeft op een vergoeding met betrekking tot de aflossing van de kredieten bij KBC Bank; - de staat aan te passen met melding dat er wel degelijk een verrekening dient plaats te vinden van hetgeen appellant betaalde voor de hospitalisatieverzekering; - de staat aan te passen met melding dat er wel degelijk een verrekening dient plaats te vinden betreffende de door appellant betaalde huur van de garage; - de staat aan te passen met melding dat de oude bakkerskast en barkast aan appellant toegekend dienen te worden; - de staat aan te passen met melding dat een bedrag t.b.v. 5.000 euro toekomt aan appellant en in ondergeschikte orde de helft hiervan met betrekking tot de wagen Skoda; - de staat aan te passen met melding dat er rekening gehouden moet worden met de door appellant gedane betalingen betreffende de gezinspolis, woonpolis en de woonverzekering; - de staat aan te passen met melding dat er rekening wordt gehouden met de opmerkingen namens appellant betreffende de intresten; - de staat te behouden met betrekking tot de gedane schenking namens de moeder van geïntimeerde, namelijk dat deze schenking gemeenschappelijke gelden betreffen en geen eigen gelden van geïntimeerde. Voor het overige het vonnis van 8 januari 2019 te bevestigen. Geïntimeerde vordert het hoofdberoep ongegrond te verklaren. II. INCIDENTEEL HOGER BEROEP Overeenkomstig haar syntheseconclusie voor het hof vordert geïntimeerde, met de gedeeltelijke hervorming van het vonnis a quo: - appellant te veroordelen tot betaling aan geïntimeerde, bovenop de afrekening opgenomen in het advies van notaris D. Michiels van 30 mei 2016, een bedrag van 2.837,44 euro + 171,31 euro = 3.008,75 euro uit hoofde van eigen gelden van geïntimeerde; Het aldus bekomen bedrag te vermeerderen met de gerechtelijke intresten; - te zeggen voor recht dat de kosten verbonden aan het terugkeren naar het eigen vermogen van geïntimeerde van 1/3 van de woning gelegen te Wilsele, niet uitsluitend te haren laste vallen; - appellant te veroordelen om tussen te komen in de kosten verbonden aan de woning gelegen te Wilsele, gemaakt door geïntimeerde na 1 september
  6. Appellant vordert het incidenteel hoger beroep onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren. IV. BEOORDELING
  7. Aangaande artikel 6 van het huwelijkscontract en het lot van de ingebrachte onroerende goederen ingeval van echtscheiding (hoofdberoep) 1.
  8. Standpunt van partijen Appellant is van oordeel inzake de aanspraken van geïntimeerde betreffende de woning te Wilsele dat deze op spildatum nog voor 1/3de tot het gemeenschappelijk vermogen behoorden, daar 2/3de tijdens het huwelijk met akkoord van beide partijen werd verkocht. Appellant leidt daaruit af dat 2/3de van de woning te Wilsele geen eigendom meer was van de huwgemeenschap op het ogenblik van de vordering tot terugkeer/terugname en aldus slechts het aanwezige goed, zijnde maximaal 1/3de kan terugkeren naar het eigen vermogen van geïntimeerde. Geïntimeerde vraagt de som van 193.333,34 euro, die haar broer en zus betaalden voor hun aandeel in de woning te Wilsele terug op grond van de bepalingen van het huwelijkscontract, meer bepaald op basis van artikel 6 van dit huwelijkscontract, met dien verstand dat geïntimeerde akkoord gaat de daarop betrekking hebbende schulden, die het gemeenschappelijk vermogen heeft gedragen, ten laste te nemen; 1.
  9. Standpunt van de notaris De notaris is van oordeel dat, gelet op de onduidelijkheid ervan, de clausule geïnterpreteerd dient te worden met behulp van de interpretatieregels uit het Burgerlijk Wetboek, en de ingebrachte onroerende goederen moeten terugkeren naar het eigen vermogen van de inbrengende echtgenoot, zonder aanrekening daarvan op zijn/haar aandeel in het gemeenschappelijk vermogen; Verder is de notaris van oordeel dat aangezien er in bovenstaande clausule reeds gesproken wordt over een terugkeer van de ingebrachte goederen in natura of in waarde door een oplegsom, de clausule op basis van artikel 1160 oud BW aangevuld moet worden met het principe van zaakvervanqing en aldus bij de verkoop van het ingebrachte goed, de verkoopprijs daarvan dient terug te keren naar de inbrengende echtgenoot. In de mate dat er op dat ogenblik eventueel nog door het gemeenschappelijk vermogen schulden verschuldigd zouden zijn in het kader van de financiering en/of de inrichting van het ingebrachte goed, is het wel te verstaan dat de echtgenoot die het ingebrachte goed (of de verkoopprijs daarvan) terugkrijgt, ook de daar op betrekking hebbende schulden ten laste neemt. De ingebrachte goederen (of de verkoopprijs daarvan) keren bijgevolg terug, verminderd met de schulden die er op betrekking hebben en die tijdens het huwelijk werden gedragen door het gemeenschappelijk vermogen. De notaris was om die reden van oordeel dat de verkoopprijs van de woning te Wilsele diende terug te keren naar geïntimeerde. In de staat van vereffening opgesteld door notaris Dirk Michiels van 13 januari 2016 werd expliciet vermeld dat partijen akkoord gaan met de voorliggende interpretatie (pagina 6 staat van vereffening). De notaris verduidelijkt in zijn advies na het formuleren van zwarigheden dienaangaande het volgende: "Ik deelde partijen mijn interpretatie van de clausule mee in mijn voorafgaand advies de dato 24 oktober 2014; dezelfde interpretatie werd herhaald in de staat van vereffening. In de diverse nota's van partijen, waarbij werd verder gebouwd op de door mij gegeven interpretatie en waarbij deze interpretatie zelfs meermaals werd herhaald, ben ik ervan uitgegaan dat partijen akkoord gingen met de voorliggende interpretatie. In de eerste nota van de heer B. de dato 2 februari 2015 en in de tweede nota van de heer B. de dato 1 april 2015 stelt hij letterlijk ‘Deze bepaling werd reeds geïnterpreteerd in het notarieel advies. De heer B. heeft hier voorlopig niets aan toe te voegen.'" 1.
  10. Beslissing van de eerste rechter De eerste rechter was eveneens van oordeel dat geïntimeerde recht had op de terugkeer van de verkoopprijs maar op grond van andere motieven namelijk: "Rekening houdende met de interne logica achter de inbreng van een eigen goed in het gemeenschappelijk vermogen en de specifieke context dat beide partijen een eigen goed inbrachten in het gemeenschappelijk vermogen, is het duidelijk dat partijen de bedoeling hebben gehad dat zij bij een echtscheidingsscenario elk zouden terugkrijgen wat zij eerder investeerden in het gemeenschappelijk vermogen. Artikel 6 b van het huwelijkscontract van partijen bevat dan ook een inbreng door beide partijen van een onroerende goed onder de ontbindende voorwaarde van ontbinding van het stelsel door echtscheiding en geen recht van terugname waarvan sprake in artikel 1455 van het Burgerlijk Wetboek. In artikel 6 b van het huwelijkscontract is duidelijk sprake van het woord "terugkeer" en niet van het woord "terugname". Bij het "terugkeren" van het onroerend goed wordt er gedaan alsof de inbreng nooit heeft plaatsgevonden en is er retroactieve werking, wat niet het geval is bij de "terugname" van een onroerend goed. De zinsnede in artikel 6 b van het huwelijkscontract dat de terugkeer gebeurt "hetzij door toebedeling in natura, hetzij door een oplegsom en mits in achtneming van de vergoedingsrekeningen", dient dan ook in die zin te worden geïnterpreteerd dat indien er geen terugkeer meer in natura mogelijk is, de waarde het ingebrachte goed wordt vergoed door het betalen van een oplegsom. Bij het "terugkeren" van een onroerend goed wordt er gedaan alsof de inbreng nooit heeft plaatsgevonden en behoort het onroerend goed met terugwerkende kracht terug toe aan de inbrenger. Indien het goed niet meer kan terugkeren in natura doordat het werd verkocht door het gemeenschappelijk vermogen, moet dat uiteraard vergoed worden door het gemeenschappelijk vermogen aan de inbrenger van het onroerend goed. In artikel 6 b van het huwelijkscontract wordt dienaangaande verwezen naar de "vergoedingsrekeningen", zijnde de aanspraken die geformuleerd kunnen worden ingevolge vermogensverschuivingen tussen het gemeenschappelijk vermogen en de eigen vermogens van de echtgenoten. Overeenkomstig artikel 1434 van het Burgerlijk Wetboek is door het gemeenschappelijk vermogen vergoeding verschuldigd ten belope van de eigen of uit vervreemding van een eigen goed voortkomende gelden, die in dat vermogen zijn gevallen en niet zijn belegd of wederbelegd, of in het algemeen wanneer het gemeenschappelijk vermogen voordeel heeft getrokken uit de eigen goederen van één der echtgenoten. Mevrouw F. kan aldus aanspraak maken op terugbetaling door het gemeenschappelijk vermogen van het bedrag van 193.333,34 euro verminderd met het bedrag van 13.004,25 euro dat door het gemeenschappelijk vermogen tijdens het huwelijk werd betaald aan de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij. Over de zwarigheid van mevrouw F. dat de betaling aan de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij gebeurde met eigen gelden, wordt verder geoordeeld onder 4.15." 1.
  11. Beoordeling 1.4.
  12. Overwegende dat geïntimeerde op 7 maart 1997 een woning aankocht te Wilsele, dat zij voor de aankoop geen lening aanging maar voor de verbouwingswerken een bedrag van 49.578,80 euro leende; Dat deze woning aldus werd verbouwd door geïntimeerde vóór het huwelijk; Dat appellant op 28 april 2009 een op te knappen boerderij kocht te Hoegaarden voor 125.000 euro en beide partijen een gezamenlijke lening afsloten voor de aankoop ervan van 130.000 euro; Overwegende dat partijen gehuwd zijn op 22 februari 2010 onder het wettelijk stelsel en zij op 10 februari 2010 een huwelijkscontract hebben afgesloten waarbij appellant de boerderij te Hoegaarden inbracht in de gemeenschap evenals het saldo van de lening eraan verbonden en geïntimeerde de woning te Wilsele inbracht alsook het saldo van de lening eraan verbonden; Dat artikel 6 van het huwelijkscontract stipuleert: "partijen komen overeen, ten titel van huwelijksovereenkomst en overeenkomst tussen vennoten dat ingeval de gemeenschap wordt ontbonden door echtscheiding, de onroerende goederen welke ingevolge onderhavige acte in het gemeenschappelijk vermogen gevallen zijn, zullen terugkeren naar het persoonlijk vermogen van die echtgenoot via wiens vermogen dit goed gemeenschappelijk werd gemaakt aan de waarde op dat ogenblik, hetzij door terugbetaling in natura, hetzij door een oplegsom, en mits in achtneming vergoedingsrekeningen". 1.4.
  13. Overwegende dat de discussie tussen partijen onder meer de interpretatie van het artikel 6 van hun huwelijkscontract betreft; Dat overeenkomstig artikel 1156 oud BW men in de overeenkomsten moet nagaan welke de gemeenschappelijke bedoeling van de contracterende partijen is geweest, veeleer dan zich aan de letterlijke zin van de woorden te houden; Dat de rechter echter niet onder het mom van interpretatie de overeenkomst tussen partijen mag vervangen door een andere overeenkomst (vgl. Cass. 18 juli 1901, Pas. 1901, I, 347; Cass. 24 maart 1988, RW. 1988-89, 1126; Pas. 1988, I, 894; Arr. Cass. 1987-88, 972; Cass., 8 januari 1920, Pas. 1920, I, 181); Dat het bestaan en de draagwijdte van deze bedoeling en de tussen de contractanten bestaande wilsovereenstemming op soevereine wijze door de feitenrechter wordt beoordeeld, voor zover hij de bewoordingen van de akte niet miskent (vgl. Cass., 25 maart 1982, Arr. Cass. 1981-82, 921; Pas. 1982, I, 873). 1.4.
  14. Overwegende dat het hof samen met de boedelnotaris van oordeel is dat de clausule van artikel 6 van het huwelijkscontract een conventioneel beding van terugkeer van de door geïntimeerde/appellant ingebrachte onroerende goederen is; Dat er geen sprake is van een mogelijkheid tot terugname door partijen (zoals bepaald is in artikel 1455 oud BW) van de door hen ingebrachte goederen, maar er wel degelijk tussen de partijen werd bedongen dat in geval van echtscheiding tussen de partijen deze goederen in ieder geval naar de inbrenger zullen terugkeren; Dat er aldus geen sprake is van een recht van terugname (een recht waarop geïntimeerde overeenkomstig artikel 1455 oud BW wettelijk gerechtigd is zelfs indien dit niet conventioneel bedongen is) door geïntimeerde, maar van een conventioneel bedongen terugkeer; Dat de bewering van appellant dat de clausule van artikel 6 uit het huwelijkscontract enkel gezien kan worden als toepassing van het recht van terugname in de zin van artikel 1455 oud BW niet gevolgd wordt door het hof; Dat indien dit de werkelijke bedoeling was van partijen, er immers geen nood was aan deze clausule en beide partijen zich zonder de contractuele bepalingen konden steunen op hun wettelijk bepaald recht van terugname zoals opgenomen in artikel 1455 oud BW; Dat appellant dienaangaande opwerpt dat deze clausule expliciet werd opgenomen omwille van het feit dat de wettelijke bepaling van artikel 1455 oud BW niet van toepassing zou zijn als beide echtgenoten een onroerend goed inbrengen zoals in casu het geval is; Overwegende dat artikel 1455 oud BW bepaalt: ‘De echtgenoot die bepaalde goederen in het gemeenschappelijk vermogen heeft gebracht, kan bij de verdeling de nog in natura aanwezige goederen terugnemen, mits hij ze op zijn aandeel toerekent naar hun waarde ten tijde van de verdeling. ['Deze bepaling is niet van toepassing op goederen die door beide echtgenoten gezamenlijk zijn ingebracht.' Dat appellant uit de laatste zinsnede van artikel 1455 oud BW afleidt dat artikel 1455 BW niet van toepassing is zo beide echtgenoten een onroerend goed inbrengen; Overwegende dat appellant door artikel 1455 oud BW laatste lid op deze wijze te lezen, er een betekenis aan geeft die hiermee niet bedoeld wordt; Dat artikel 1455 oud BW immers expliciet stelt dat het principe van het recht van terugname niet van toepassing is op goederen die door beide echtgenoten gezamenlijk zijn ingebracht en de bewoordingen dienaangaande duidelijk zijn, namelijk een recht van voorafname is niet mogelijk op goederen die echtgenoten voorafgaand aan het sluiten van het huwelijk gezamenlijk hadden en die ze gezamenlijk inbrengen in de huwgemeenschap; Dat hieruit niet afgeleid kan worden dat in het geval elke echtgenoot een eigen goed in de huwgemeenschap inbrengt, artikel 1455 oud BW niet van toepassing zou zijn; Overwegende dat appellant aldus ten onrechte stelt dat artikel 6 van het huwelijkscontract een loutere toepassing is van het wettelijk recht van terugname zoals bepaald in artikel 1455 oud BW; Dat integendeel uit het enkele gegeven dat deze clausule expliciet werd opgenomen in het huwelijkscontract (zonder verwijzing naar artikel 1455 oud BW) partijen in afwijking van het wettelijk recht tot terugname gekozen hebben voor een conventioneel recht van terugkeer, waarbij expliciet werd bedongen dat de eigen onroerende goederen die door elk van beide echtgenoten werden ingebracht zullen terugkeren in geval van echtscheiding naar hun respectievelijk eigen vermogen; Dat ook de bewoordingen van de clausule zelf afwijken van het wettelijk bedongen recht van terugname door expliciet te vermelden dat deze goederen zullen terugkeren naar de inbrenger en niet dat deze de goederen kan terugnemen. 1.4.
  15. Overwegende dat er in artikel 6 van het huwelijkscontract evenmin sprake is van een ontbindende voorwaarde overeenkomstig artikel 1183 oud BW; Dat een ontbindende voorwaarde die is welke, bij haar vervulling, de verbintenis teniet doet, en de zaken herstelt in dezelfde toestand alsof er geen verbintenis had bestaan; Dat de ontbindende voorwaarde de uitvoering van de verbintenis niet opschort maar de schuldeiser alleen verplicht om, ingeval de door de voorwaarde bedoelde gebeurtenis plaatsheeft, terug te geven hetgeen hij ontvangen heeft; Dat dit in casu zou betekenen dat de ingebrachte onroerende goederen retro actief uit het gemeenschappelijk vermogen zouden verdwijnen en aldus na echtscheiding niet zouden behoren tot de post-communautaire onverdeeldheid maar eigen goederen van geïntimeerde zouden zijn; Dat in het contract geen sprake is van dergelijke expliciete ontbindende voorwaarde en dit evenmin kan worden afgeleid uit de bewoordingen van de clausule; Dat indien dit de werkelijke bedoeling van partijen waren geweest, er aan de clausule expliciet moest worden toegevoegd dat het onroerend goed retroactief uit het gemeenschappelijk vermogen zou verdwijnen wat in casu geenszins het geval is. 1.4.
  16. Overwegende dat het hof verder van oordeel is dat uit de duidelijke en expliciete bewoordingen van deze clausule en mede gelet op de interpretatieregels van artikel 1156 en 1160 oud BW, gelet op het feit dat expliciet werd vermeld dat de terugkeer hetzij in natura hetzij voor een oplegsom gebeurt, het wel degelijk de bedoeling was van partijen om in het geval de terugkeer in natura niet langer mogelijk was, bv. omdat het verkocht werd, de terugkeer te laten gebeuren door een oplegsom; Dat deze vermelding immers totaal overbodig is indien het de bedoeling was van partijen om het onroerend goed in natura te laten terugkeren, en ingeval dit onroerend goed ingevolge verkoop niet langer in de huwgemeenschap aanwezig was, de verkoopsom niet te laten terugkeren; Dat indien het niet de bedoeling was van partijen om toepassing te maken van ‘zaakvervanging' wanneer partijen de ingebrachte woning zouden verkopen, de clausule enkel zou gewag maken van een terugkeer van de woning in natura maar de toevoeging van ‘terugkeer door een oplegsom' in dat geval volledig overbodig was; Dat appellant geen andere overtuigende en objectieve verklaring geeft voor het toevoegen van deze zinsnede aan de clausule; Overwegende dat verder het hof vaststelt dat beide partijen de verkoopprijs hebben aangewend om de saldi van de kredieten verbonden aan de woning te Wilsele af te betalen ten bedrage van 13.004,25 euro evenals een overbruggingskrediet aangegaan bij KBC bank voor de verbouwing van de boerderij te Hoegaarden ten bedrage van 204.519,50 euro kapitaal en intresten; Dat de verkoopprijs aldus werd aangewend voor het afbetalen van twee kredieten die op dat ogenblik gemeenschappelijk schulden waren; Dat het hof het standpunt van de notaris dienaangaande dan ook integraal bijtreedt; Dat de eerste rechter op grond van andere motieven die het hof niet bijtreedt tot dezelfde conclusie komt en het hoofdberoep op dit punt dan ook ongegrond is.
  17. Aangaande de woning te Hoegaarden (hoofdberoep) 2.
  18. Standpunt van de partijen Appellant is van oordeel dat hij gerechtigd is op de integrale verkoopprijs van de woning te Hoegaarden zonder een vergoeding verschuldigd te zijn aan de onverdeeldheid voor de lasten verbonden aan dit onroerend goed die betaald werden tijdens het huwelijk. Geïntimeerde is van oordeel dat zowel de notaris als de eerste rechter terecht geoordeeld hebben dat de openstaande kredietschuld verrekend diende te worden. 2.
  19. Standpunt van de notaris De notaris is van oordeel dat bij verkoop van het ingebrachte goed, zoals in casu het geval is, het saldo van de verkoopprijs moet terugkeren naar de inbrengende echtgenoot, zonder aanrekening op zijn aandeel in het gemeenschappelijk vermogen en mits tenlasteneming van de daarop betrekking hebbende schulden die het gemeenschappelijk vermogen heeft gedragen. 2.
  20. Beslissing van de eerste rechter De eerste rechter treedt dit standpunt bij, weliswaar op basis van andere motieven. 2.
  21. Beoordeling Overwegende dat de boerderij te Hoegaarden werd verkocht door beide partijen op 21 augustus 2014 voor 306.000 euro (verzoekschrift echtscheiding 16 mei 2014, vonnis echtscheiding 14 juli 2014; Dat met de verkoopprijs de openstaande schuld van de gemeenschappelijke lening bij de KBC bank (oorspronkelijk bedrag 130.000 euro en 50.000 euro) werd aangezuiverd en het saldo van de prijs 115.290,22 euro bij de notaris geblokkeerd werd; Dat tijdens het huwelijk de vorige gemeenschappelijke openstaande hypothecaire schuld op het onroerend goed te Hoegaarden ten bedrage van 204.519,50 euro vervroegd werd terugbetaald met de verkoopprijs van 2/3de van de woning te Wilsele; Overwegende dat in het conventioneel beding van terugkeer overeengekomen werd dat bij echtscheiding het ingebrachte onroerend goed te Hoegaarden zou terugkeren naar appellant; Dat dit onroerend goed integraal verkocht werd en het hof van oordeel is dat weliswaar de terugkeer in natura niet meer mogelijk is maar het conventioneel beding in dat geval heeft bepaald dat de verkoopprijs moet terugkeren naar appellant (zie 1.4.5.); Dat in het conventioneel beding van terugkeer werd overeengekomen nopens de verrekening van gemeenschappelijke schulden die op dit onroerend goed rusten en bijgevolg de regels van het gemeenschappelijk huwelijksvermogensstelsel toegepast moeten worden; Dat immers bij gebreke aan andersluidende overeenkomst het door partijen gekozen wettelijk stelsel van toepassing is; Dat het hof aldus samen met de notaris en de eerste rechter van oordeel is dat: - de terugkeer niet aangerekend wordt op het aandeel van de partijen in het gemeenschappelijk vermogen; - gemeenschappelijke schulden door beide partijen elk voor de helft betaald moeten worden; - gemeenschappelijke schulden die betaald werden met eigen gelden moeten vergoed moeten worden; Dat het hof, gelet op voormelde elementen in hun onderling verband beschouwd, van oordeel is dat de notaris, hierin gevolgd door de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat appellant een bedrag van 89.229,28 euro moet opleggen (saldo verkoopprijs 115.209,22 euro- 204.519,50 euro saldo gemeenschappelijk lening betaald met eigen gelden); Dat het hoofdberoep, gelet op voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd ongegrond wordt verklaard.
  22. Aangaande de kosten en stortingen voor de verbouwingen aan de woning te Wilsele tijdens het huwelijk (hoofdberoep) 3.
  23. Standpunt van de partijen Appellant werpt op dat hij in drie schijven een bedrag van 19.130 euro aan voorhuwelijkse gelden stortte op de rekening van geïntimeerde om te investeren in de woning te Wilsele, dat partijen op dat ogenblik nog onvoldoende lang gehuwd waren om aan te nemen dat dit bedrag met inkomsten tijdens het huwelijk werd gespaard zodat vermoed moet worden dat het eigen voorhuwelijkse gelden betreft en hij daarvoor vergoeding vordert. Geïntimeerde is van oordeel dat appellant niet aantoont dat dit eigen voorhuwelijkse gelden zijn. 3.
  24. Standpunt van de notaris De notaris is van oordeel dat tijdens het huwelijk de gelden op rekening vermoed worden gemeenschappelijk te zijn bij gebrek aan tegenbewijs (art. 1405, § 1, 4 oud BW) en dat appellant geen bewijs levert van het eigen karakter van de gelden en dat indien er bovendien eigen gelden waren van appellant, deze bij gebrek aan afzondering op een aparte rekening, door vermenging met gemeenschapsgelden (inkomsten) gemeenschappelijk waren geworden. 3.
  25. Beslissing eerste rechter De eerste rechter treedt het standpunt van de notaris dienaangaande bij. 3.
  26. Beoordeling Overwegende dat appellant, die beweert dat hij over eigen voorhuwelijkse gelden beschikte ten bedrage van 19.130 euro die besteed werden aan de gemeenschap overeenkomstig artikel 870 Ger.W. het bewijs hiervan moet leveren; Dat het bewijs tussen echtgenoten weliswaar vrij is maar het louter verwijzen naar het feit dat partijen nog maar kort gehuwd waren op het ogenblik dat deze stortingen gebeurden niet voldoende is omdat niet wordt aangetoond dat het onmogelijk was met de inkomsten van beide partijen dergelijk bedrag gemeenschappelijk op te bouwen; Dat appellant geen bewijs bijbrengt van het bezit van deze beweerde eigen gelden voorafgaand aan het huwelijk, geen overzicht bijbrengt van inkomsten en uitgaven van het gezin of rekeninguittreksels waaruit de opbouw van het gezinsvermogen blijkt en hier dan ook geen louter vermoeden als bewijs kan gelden; Overwegende, dat gelet op het ontbreken van een enig overtuigend, tegensprekelijk en objectief bewijs, het hof van oordeel is dat het hoger beroep op dit punt ongegrond is.
  27. Aangaande de kosten verbonden aan de onroerende goederen (incidenteel hoger beroep) 4.
  28. Standpunt van de partijen Appellant is van oordeel dat hij niet kan aangesproken worden voor betaling van de helft van de kosten gemaakt voor de woning te Wilsele na spildatum, dat appellant van oordeel is dat geïntimeerde ingevolge het recht tot terugname geacht wordt exclusief eigenaar te zijn van één derde van de woning vanaf de spildatum. Geïntimeerde is van oordeel dat alle kosten aan de woning te Wilsele gemeenschappelijk moeten gedragen worden tot de werkelijke terugname ervan en tekent dienaangaande incidenteel hoger beroep aan. 4.
  29. Standpunt van de notaris De notaris is van oordeel dat indien één van de echtgenoten na de spildatum schulden ten laste van de onverdeeldheid met eigen gelden heeft betaald, hierover moet worden afgerekend, zodat ieder uiteindelijk de helft van de schulden betaalt overeenkomstig het gemene recht inzake mede-eigendom (art. 577-2, § 3 oud BW) en één derde deel van de woning te Wilsele vanaf de spildatum onverdeelde eigendom van partijen is en geïntimeerde slechts exclusieve eigenaar wordt na het ondertekenen van de authentieke akte waarin appellant zijn onverdeeld deel aan haar afstaat, zodat tot dan de kosten van één derde van deze woning gemeenschappelijk zijn. 4.
  30. Beslissing van de eerste rechter De eerste rechter is van oordeel dat deze kosten ten laste zijn van geïntimeerde, die ingevolge de ontbinding van het huwelijksstelsel retroactief eigenaar is geworden van het onroerend goed sedert spildatum zodat zij vanaf die datum alle kosten aan het onroerend goed moet dragen. 4.
  31. Beoordeling Overwegende dat het hof, gelet op het voorgaande in punt 1.4.
  32. van oordeel is dat de clausule geen ontbindende voorwaarde bevat en dat bijgevolg de gemeenschappelijke onroerende goederen op het ogenblik van de spildatum in de post-communautaire onverdeeldheid vallen; Dat de vraag rijst vanaf welk ogenblik de onroerende goederen die ingebracht werden en ingevolge het conventioneel beding van terugkeer zullen terugkeren naar de inbrenger indien er sprake is van een echtscheiding, inter partes werkelijk terugkeren naar het eigen vermogen van de inbrenger; Dat het hof dienaangaande vaststelt dat er geen sprake is van een keuze om de onroerende goederen terug te nemen maar in het conventioneel beding van terugkeer sprake is van het feit dat deze onroerende goederen zullen terugkeren bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsels door echtscheiding; Dat de bewoordingen van het beding dienaangaande duidelijk zijn en geen interpretatie behoeven; Dat aldus inter partes zodra het huwelijksvermogen ontbonden is door echtscheiding het ingebrachte onroerend goed terugkeert naar het eigen vermogen van de inbrenger; Dat het hof van oordeel is dat het onroerend goed aldus nooit tot de post-communautaire onverdeeldheid heeft behoord; Dat het wettelijk huwelijksvermogensstelsel ontbonden werd vanaf de spildatum, in casu 16 mei 2014, en er vanaf die datum sprake is van een post-communautaire onverdeeldheid tussen partijen; Dat het hof van oordeel is dat beide onroerende goederen ingebracht door elk van beide partijen ingevolge de bewoordingen van de clausule 6 van hun huwelijkscontract ingevolge de echtscheiding terugkeerden naar het eigen vermogen van de inbrenger en aldus nooit tot de post-communautaire onverdeeldheid hebben behoord; Dat het formeel verlijden van de authentieke akte die deze terugkeer bevestigt enkel ten aanzien van derden noodzakelijk is; Dat het hof om die reden van oordeel is dat het ingebrachte onroerend goed, gelet op de bewoordingen van het beding dat expliciet tussen partijen werd bedongen, nooit tot de post-communautaire gemeenschap heeft behoord en ingevolge de toepassing van de bepalingen van het wettelijk stelsel (die niet expliciet werden uitgesloten in het huwelijkscontract) vanaf de spildatum opnieuw een eigen goed van geïntimeerde is geworden; Dat het hof weliswaar op grond van andere motieven, het standpunt van de eerste rechter deelt en van oordeel is dat de kosten verbonden aan het onroerend goed vanaf die datum dan ook ten laste van geïntimeerde zijn; Dat het incidenteel hoger beroep om die reden ongegrond is.
  33. Aangaande de kosten van terugname (incidenteel hoger beroep) 5.
  34. Standpunt van de partijen Appellant is van oordeel dat de notaris ten onrechte de kosten van terugname van het onroerend goed te Wilsele en de verkoopprijs in zaakvervanging toebedeelt aan de kosten van vereffening en verdeling en aldus aan de massa; Geïntimeerde is van oordeel dat deze kosten de facto kosten van de vereffening en verdeling zijn en de eerste rechter dienaangaande ten onrechte heeft geoordeeld dat deze kosten te haren laste zijn. Zij tekent dienaangaande incidenteel hoger beroep aan. 5.
  35. Standpunt van de notaris De notaris is dienaangaande van oordeel dat de kosten van deze terugname van 3.228,10 euro (incl. erelonen, aktekosten, registratierechten en BTW) ten laste van de massa vallen overeenkomstig artikel 1449 oud BW dat bepaalt dat "tenzij anders is bedongen, iedere echtgenoot voor de helft bijdraagt in de kosten van vereffening en verdeling." 5.
  36. Beslissing van de eerste rechter De eerste rechter sluit zich niet aan bij het standpunt van de notaris en zij steunt zich hiervoor op de motivering dat door de vervulling van de ontbindende voorwaarde van het huwelijk door echtscheiding, het onroerend goed met terugwerkende kracht toebehoort aan de inbrenger en geacht wordt nooit tot het gemeenschappelijk vermogen te hebben behoord en de kosten gemaakt na spildatum voor de echtgenoot zijn aan wie het onroerend goed behoort. 5.
  37. Beoordeling Overwegende dat iedere echtgenoot voor de helft bijdraagt in de kosten van vereffening en verdeling (art. 1449 oud BW) tenzij anders is bedongen; Dat dit de kosten zijn van verzegeling, boedelbeschrijving, vereffening, veiling en verdeling, evenals de kosten voor behoud, onderhoud en beheer van de onverdeelde goederen vanaf de ontbinding tot aan de vereffening; Dat dit eveneens het geval is indien de ene echtgenoot onroerende goederen toebedeeld krijgt en de andere enkel roerende goederen of een opleg; Dat ook de kosten die met de terugname van een ingebracht onroerend goed overeenkomstig artikel 1455 oud BW gepaard gaan kosten zijn verbonden aan een verrichting die leidt tot de beëindiging van de onverdeeldheid, zoals dit ook het geval is met de kosten die gepaard gaan met de preferentiële toewijzing van de gezinswoning; Overwegende dat er in casu echter geen sprake is noch van de toepassing van de wettelijke bepalingen van artikel 1455 oud BW noch van de uitoefening van het wettelijk recht op preferentiële toewijzing van de gezinswoning, maar van de uitvoering van de bepalingen zoals opgenomen in artikel 6 van het huwelijkscontract tussen partijen; Dat in dit conventioneel beding van terugkeer werd bepaald dat de ingebrachte onroerende goederen bij echtscheiding zullen terugkeren naar het eigen vermogen van de inbrenger; Dat deze onroerende goederen aldus niet vereffend of verdeeld moeten worden vermits zij ingevolge de toepassing van dit artikel 6 ingevolge de echtscheiding niet langer behoren tot het te verdelen gemeenschappelijk vermogen en evenmin behoren tot de post-communautaire onverdeeldheid tussen partijen; Dat inter partes deze terugkeer ingevolge de toepassing van artikel 6 van het huwelijkscontract reeds tot stand is gekomen ingevolge de tussengekomen echtscheiding zelf; Dat de kosten verbonden aan de terugkeer van dit ingebrachte onroerend goed dienstig zijn om aan derden kenbaar te maken dat dit onroerend goed opnieuw tot het eigen vermogen van geïntimeerde behoort (voor 1/3de); Overwegende dat deze kosten niet dienstig zijn om een einde te maken aan de vereffening en verdeling van de tussen partijen bestaande onverdeeldheid en de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat deze kosten ten laste van geïntimeerde zijn (weliswaar op deels andere motieven); Dat het incidenteel hoger beroep om die reden ongegrond is.
  38. Aangaande de herwaardering van de schenkingen gedaan aan appellant (hoofdberoep) 6.
  39. Standpunt van de partijen Appellant vordert de herwaardering van de twee schenkingen die hij kreeg van zijn ouders van 42.000 euro (die bewezen zijn en erkend door geïntimeerde) en stelt dat deze geïnvesteerd werden in de boerderij te Hoegaarden en deze aldus voor een waardevermeerdering van de boerderij hebben gezorgd zodat hij recht heeft op een geherwaardeerde vergoeding. Geïntimeerde erkent dat 42.000 euro van het eigen vermogen is opgegaan in het gemeenschappelijk vermogen en dit vergoed moet worden maar is van oordeel dat een herwaardering van deze som niet aan de orde is vermits appellant niet bewijst dat deze som werd aangewend voor renovatie en waardevermeerdering van de boerderij te Hoegaarden. 6.
  40. Standpunt van de notaris De notaris is van oordeel dat appellant recht heeft op een nominale vergoeding van het gemeenschappelijk vermogen, gelet op de vermenging van diens eigen gelden (komende van de schenking van zijn ouders) met gemeenschappelijke gelden doordat de schenking tijdens het huwelijk werd ontvangen op een gemeenschappelijke rekening. Uit de vermenging zelf kan worden afgeleid dat het eigen geld door de gemeenschap is opgeslorpt en dus door de gemeenschap moet worden vergoed. De vergoeding wordt door de notaris niet geherwaardeerd omdat appellant niet aantoont of deze eigen gelden al dan niet werden geïnvesteerd in de boerderij te Hoegaarden, als ze werden geïnvesteerd in de boerderij, toont hij ook niet aan waarvoor deze gebruikt werden, en hij toont ook niet aan dat de investeringen geleid hebben tot een waardevermeerdering van de boerderij. 6.
  41. Beslissing van de eerste rechter De eerste rechter sluit zich aan bij het standpunt van de notaris. 6.
  42. Beoordeling Overwegende dat niet betwist wordt dat eigen gelden van appellant voor een bedrag van 42.000 euro, bekomen via schenking van zijn ouders, in het gemeenschappelijk vermogen zijn terecht gekomen zodat appellant gerechtigd is op een nominale vergoeding; Dat de echtgenoot die de herwaardering van een vergoeding op grond van artikel 1435 oud BW wil verkrijgen, moet aantonen dat de bedragen en gelden in het vergoedingsgerechtigde vermogen gediend hebben tot het verkrijgen, in stand houden of verbeteren van het goed en dit bewijs door alle rechtsmiddelen mag worden geleverd (art. 1436, eerste lid oud BW); Dat appellant niet aantoont dat deze gelden werden gebruikt voor investeringen in de boerderij te Hoegaarden die dan nog tot een waardevermeerdering van de boerderij zouden hebben geleid aan de hand van overtuigende, objectieve en tegensprekelijke stukken zodat de herwaardering terecht niet werd toegekend; Dat het hoofdberoep op dit punt ongegrond is.
  43. Aangaande de schenkingen gedaan aan geïntimeerde (hoofdberoep) 7.
  44. Standpunt van de partijen Appellant is van oordeel dat de schenkingen gedaan door de moeder van geïntimeerde aan hen beide zijn gedaan en aldus gemeenschappelijk zijn vermits geen enkel bewijs voorligt dat de schenking alleen aan geïntimeerde werd gedaan en deze gelden dienden voor een gemeenschappelijk project van partijen, daartoe ook werden aangewend en aldus gemeenschappelijk zijn. Geïntimeerde is van oordeel dat zij afdoende aantoont dat zij een schenking van 99.666,67 euro van haar moeder heeft ontvangen en deze gelden wel degelijk aan haar alleen werden geschonken daar waar anderzijds vaststaat dat deze eigen gelden in de gemeenschap zijn opgegaan. 7.
  45. Standpunt van de notaris De notaris is van oordeel dat geïntimeerde afdoende aantoont dat zij deze gelden via schenking van haar moeder heeft ontvangen en deze vermengd werden met de gemeenschap zodat de gemeenschap haar vergoeding verschuldigd is. 7.
  46. Beslissing van de eerste rechter De eerste rechter heeft geoordeeld dat appellant die beweert dat deze schenking aan beide partijen gebeurde, het bewijs van de animus donandi van de schenker ten aanzien van hem niet bewijst, dat deze animus donandi wel bewezen is ten aanzien van geïntimeerde, dat deze eigen gelden van geïntimeerde vermengd zijn met de gemeenschap en aldus vergoed moeten worden. 7.
  47. Beoordeling 7.4.
  48. Overwegende dat geïntimeerde aan de hand van de voorgelegde stukken afdoende aantoont dat haar moeder aan haar drie kinderen na het overlijden van vader een bedrag van 96.666,67 euro elk schonk; Dat het aandeel van geïntimeerde in deze schenking weliswaar gestort werd op een gemeenschappelijke rekening op naam van beide partijen, maar uit dit enkele gegeven de animus donandi niet blijkt van de moeder van geïntimeerde naar appellant toe; Dat het aan appellant, die beweert dat deze schenking aan de gemeenschap gebeurde, toekomt om te bewijzen dat deze schenking gebeurde animus donandi aan de gemeenschap; Dat er dienaangaande geen geschreven bewijs voorligt en zelfs geen begin van geschreven bewijs; Dat het hof samen met de notaris en de eerste rechter van oordeel is dat deze schenking aan geïntimeerde alleen gebeurde, temeer daar de schenking vermoed kan worden te zijn ingegeven door de familieband tussen geïntimeerde en haar moeder maar dit zelfde vermoeden niet speelt ten aanzien van appellant als schoonzoon. 7.4.
  49. Overwegende dat verder afdoende is aangetoond dat deze eigen gelden afkomstig van deze schenking die terecht kwamen op de gemeenschappelijke rekening vermengd zijn met het gemeenschappelijk vermogen; Dat storting van eigen gelden op een gemeenschappelijke rekening, behoudens tegenbewijs, in het gemeenschappelijk vermogen vallen: hieruit volgt dat het gemeenschappelijk vermogen vergoeding is verschuldigd, telkens als eigen gelden erin zijn terechtgekomen, ongeacht of al dan niet bewezen is dat het gemeenschappelijk vermogen voordeel heeft gehaald uit deze gelden (art. 1434 oud BW); Dat appellant het tegenbewijs hiervan niet levert en integendeel opwerpt dat deze gelden gemeenschappelijke gelden waren en bleven; Dat gelet op voormelde elementen in hun onderling verband beschouwd het hoofdberoep op dit punt ongegrond is.
  50. Aangaande de drie kredieten bij KBC Bank (hoofdberoep) 8.
  51. Standpunt van de partijen Appellant werpt op dat hij vanaf de spildatum de drie kredieten bij KBC bank verder alleen afbetaalde en hiervoor vergoed moet worden. Geïntimeerde ontkent dit ten stelligste. 8.
  52. Standpunt van de notaris De notaris is van oordeel dat appellant die slechts het bewijs bijbrengt van een één maandelijkse betaling, bedrag dat niet overeenstemt met zijn vordering, het vereiste bewijs voor zijn vordering niet levert. 8.
  53. Beslissing van de eerste rechter De eerste rechter treedt dit standpunt bij. 8.
  54. Beoordeling Overwegende dat appellant gerechtigd is op betalingen die hij na de spildatum deed voor de post-communautaire onverdeeldheid maar hij de bewijslast van deze betalingen draagt; Dat appellant in zijn conclusie zijn vordering dienaangaande niet becijfert en uit zijn enige stuk blijkt dat hij op 3 mei 2014 één keer vier betalingen deed voor een totaal bedrag van 1.252,24 euro, maar hij de overige beweerde betalingen van naar eigen zeggen 1.365 euro per maand niet bewijst aan de hand van enig overtuigend, objectief en tegensprekelijk stuk; Dat het hoofdberoep om die reden wat dit onderdeel betreft ongegrond is.
  55. Aangaande de hospitalisatieverzekering (hoofdberoep) 9.
  56. Standpunt van de partijen Appellant werpt op dat hij de hospitalisatieverzekering voor beide partijen verder heeft betaald na de spildatum en hij hiervoor vergoed moet worden. 9.
  57. Standpunt van de notaris De notaris is van oordeel dat appellant geen recht heeft op vergoeding dienaangaande vermits hij deze verzekering vrijwillig verder heeft betaald. 9.
  58. Beslissing van de eerste rechter De eerste rechter treedt dit standpunt bij. 9.
  59. Beoordeling Overwegende dat appellant de hospitalisatieverzekering ten bedrage van 254,99 euro betaalde in 2014 en stelt dat geïntimeerde daar ook was in opgenomen, en geïntimeerde verklaart dat zij zelf een eigen hospitalisatieverzekering had afgesloten; Dat het hof van oordeel is dat dit geen schuld van de post-communautaire gemeenschap betreft, dat appellant dit blijkbaar vrijwillig heeft betaald en aldus niet gerechtigd is op vergoeding dienaangaande; Dat het hoofdberoep op dit punt ongegrond is.
  60. Aangaande de huur van de garage (hoofdberoep) 10.
  61. Standpunt van de partijen Appellant werpt op dat hij de huur betaalde van een garage van 54 euro per maand na de spildatum en hij brengt ten bewijze hiervan drie betalingen bij in
  62. Geïntimeerde werpt op dat dit de huur betreft van een garage die appellant reeds huurde vóór het huwelijk en zij dienaangaande geen huurovereenkomst heeft mee ondertekend. 10.
  63. Standpunt van de notaris De notaris was in diens staat van vereffening van oordeel dat over dat onderdeel niet geoordeeld kon worden vermits geen huurovereenkomst werd bijgebracht en de inhoud van de beweerde mondelinge overeenkomst niet bewezen is. 10.
  64. Beslissing van de eerste rechter De eerste rechter treedt dit standpunt bij. 10.
  65. Beoordeling Overwegende dat appellant moet bewijzen dat de huur van de garage een schuld is van de post-communautaire gemeenschap om vergoeding te krijgen van de betalingen van de huur die hij alsdan bewijst; Dat het hof vaststelt dat geen schriftelijke huurovereenkomst wordt bijgebracht, dat de inhoud van de beweerde mondelinge huurovereenkomst niet bewezen is, dat niet is aangetoond waarom de garage tijdens het huwelijk en na de spildatum nog werd gebruikt en wanneer de huur al dan niet werd opgezegd; Dat appellant bijgevolg zijn vordering niet afdoende bewijst aan de hand van overtuigende, objectieve en tegensprekelijke stukken en zijn hoofdberoep dienaangaande ongegrond is.
  66. Aangaande de bakkerskast en de barkast (hoofdberoep) 11.
  67. Standpunt van de partijen Appellant wenst de toebedeling van een bakkerskast en barkast zonder vergoeding stellende dat deze eigen goederen zijn die hij verkreeg voorafgaand aan het huwelijk. Hij brengt ten bewijze hiervan een verklaring op erewoord bij van de verkopers gedateerd op 20 maart
  68. Geïntimeerde stelt dat deze beide kasten door hen beiden werden aangekocht in
  69. 11.
  70. Standpunt van de notaris De notaris is van oordeel dat appellant niet bewijst dat deze kasten werden aangekocht voorafgaand aan het huwelijk en aan de echtheid van de verklaring op erewoord van de verkopers getwijfeld kan worden. 11.
  71. Beslissing van de eerste rechter De eerste rechter treedt dit standpunt bij. 11.
  72. Beoordeling Overwegende dat appellant moet bewijzen dat dit eigen goederen zijn en hij als bewijs van de aankoop van de bakkerskast een verklaring op erewoord van de verkopers bijbrengt die meer dan 13 jaar na de verkoop wordt afgelegd en aldus geenszins in tempore non suspecto; Dat deze verkopers in ieder geval niet kunnen attesteren of appellant deze kast betaalde met eigen gelden vermits zij de afkomst ervan niet kunnen kennen; Dat er nopens de aankoop van de barkast geen enkel bewijs voorligt; Dat het hoofdberoep wat dit punt betreft ongegrond is.
  73. Aangaande de wagen Skoda (hoofdberoep) 12.
  74. Standpunt van de partijen Appellant werpt op dat hij de wagen Skoda kocht voorafgaand aan het huwelijk, de wagen steeds door hem werd afbetaald en de verkoopwaarde van de wagen van 5.000 euro aan hem toekomt. Appellant stelt dat hij niet toestemde in de verkoop van de wagen door geïntimeerde. Geïntimeerde is van oordeel dat deze wagen gemeenschappelijk was en zij deze wagen aan de garage verkocht heeft voor 1.000 euro zodat appellant gerechtigd is op 500 euro. 12.
  75. Standpunt van de notaris De notaris heeft de opbrengst van de verkoop opgenomen in de verdeling. 12.
  76. Beslissing van de eerste rechter De eerste rechter treedt het standpunt van de notaris bij. 12.
  77. Beoordeling Overwegende dat appellant geen bewijs bijbrengt van de aankoop van de wagen vóór het huwelijk, geen bewijs bijbrengt van de beweerde betalingen met eigen gelden voor de wagen en geen bewijs bijbrengt van de waarde van 5.000 euro te tijde van de verkoop van de wagen; Dat het klopt dat geïntimeerde de toestemming nodig had van appellant om de wagen te verkopen maar uit geen enkel element van het dossier blijkt dat zij deze toestemming niet mondeling van appellant had gekregen; Dat gelet op deze elementen in hun onderling verband beschouwd, het hoofdberoep van appellant op dit punt ongegrond is.
  78. Aangaande de verzekeringen (hoofdberoep) 13.
  79. Standpunt van de partijen Appellant wenst vergoed te worden voor de betaling van de verzekeringen (KBC woonverzekeringen en KBC gezinspolis) na de spildatum; Geïntimeerde is van oordeel dat hij niet bewijst dat deze verzekeringen betaald werden met eigen gelden, temeer daar één van de verzekeringen slaat op woning van de ouders van appellant waar partijen blijkbaar tijdelijk hebben gewoond maar voor een periode waar zij er niet meer woonden. 13.
  80. Standpunt van de notaris De notaris was van oordeel dat appellant de betalingen niet afdoende bewees. 13.
  81. Beslissing van de eerste rechter De eerste rechter treedt dit standpunt van de notaris bij. 13.
  82. Beoordeling Overwegende dat appellant enkel vergoeding kan krijgen in het kader van de post-communautaire onverdeeldheid voor betalingen die hij deed met eigen gelden voor deze onverdeeldheid; Dat appellant aldus het bewijs moet leveren van de betalingen, wat ontbreekt, en van het feit dat deze betalingen slaan op lasten van de post-communautaire onverdeeldheid, wat minstens voor één verzekering niet het geval is vermits deze slaat op een woning die niet tussen partijen in onverdeeldheid was en die niet langer door geïntimeerde bewoond was; Dat het hoofdberoep wat dit punt betreft ongegrond is.
  83. Aangaande de intresten (hoofdberoep) 14.
  84. Standpunt van de partijen Appellant kan zich niet akkoord verklaren met de rentevoet verschuldigd op het saldo van de vergoedingsrekening en hij is van oordeel dat deze verminderd moet worden. Geïntimeerde is van oordeel dat de notaris en de eerste rechter terecht de intresten aan de wettelijke rentevoet hebben toegekend. 14.
  85. Standpunt van de notaris De notaris heeft de intresten aan de wettelijke rentevoet toegekend op de vergoedingen vanaf de spildatum. 14.
  86. Beslissing van de eerste rechter De eerste rechter treedt dit standpunt bij. 14.
  87. Beoordeling Overwegende dat overeenkomstig artikel 1436 oud BW de intresten op de vergoedingen van rechtswege lopen vanaf de spildatum; Dat de toepasselijke rentevoet de wettelijke rentevoet is die jaarlijks verandert en die per jaar berekend moet worden; Dat de berekende intresten pro rata temporis berekend kunnen worden om de intrest over de volledige periode te berekenen; Dat het hof van oordeel is dat de notaris de toe te passen wettelijke rentevoeten correct heeft toegepast en het hoofdberoep op dit punt ongegrond is. V. Aangaande de gerechtskosten
  88. Vorderingen van de partijen Appellant vordert de kosten lastens geïntimeerde, dan wel de massa te leggen. Geïntimeerde vordert appellant te veroordelen in de kosten van het geding, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 1.440 euro, voor zowel het geding in eerste aanleg als in hoger beroep.
  89. Beoordeling Overwegende dat de eerste rechter terecht de gedingkosten van eerste aanleg ten laste van de massa heeft gelegd; Dat gelet op het ongegrond hoofdberoep en het ongegrond incidenteel hoger beroep, de gedingkosten van hoger beroep ten laste van elke partij elk voor de helft worden gelegd en gezegd wordt voor recht dat wederzijds geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is. OM DEZE REDENEN, HET HOF, 42e KAMER (FAMILIEKAMER) Rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk en ongegrond; Verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en ongegrond; Stuurt de zaak terug naar notaris Dirk Michiels te Aarschot voor aanpassing van de staat van vereffening en verdeling rekening houdend met de beslissing van de eerste rechter niet hervormd bij huidig arrest; Veroordeelt elke partij in de helft van de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van appellant op 20 euro bijdrage Begrotingsfonds, en in hoofde van geïntimeerde op nul euro, en zegt voor recht dat er wederzijds geen rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep verschuldigd is. Veroordeelt overeenkomstig artikel 269/2 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten zowel de heer B. als mevrouw F. tot betaling aan de Belgische staat, FOD Financiën, van de helft van het rolrecht hoger beroep ten bedrage van 400 euro / 2 = elk 200 euro. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 42ste kamer, familiekamer van het Hof van Beroep te Brussel op 29 JUNI
  90. Waar aanwezig waren : P. SENAEVE, voorzitter, V. AELBRECHT, raadsheer, C. VAN ROY, raadsheer, H. COEYMANS, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.