van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de definitie van een homeopathisch product niet vastgelegd is [in] de wet, vermits verwezen wordt naar fabricageprocédés in de Europese farmacopee of nationale Europese farmacopees als rechtsbron, die in alle geval dus niet in de wet te vinden zijn, terwijl vereist is dat de norm in de wet te vinden is en de fabricageprocédés bovendien geen definitie geven van een homeopathisch product en dit ook niet hoeven te doen, zodat van behoorlijke regelgeving geen sprake is?
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de verwijzing naar Europese of nationale homeopathische farmacopees als rechtsbronnen strijdig is met het gelijkheidsbeginsel dat voorziet dat wetten dienen gepubliceerd te worden en deze farmacopees niet gepubliceerd worden zoals voorzien voor wetten, zodat van behoorlijke regelgeving geen sprake is?
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de verwijzing naar Europese of nationale farmacopees onvoldoende precies is om de rechtsonderhorigen toe te laten hun gedrag aan te passen, doordat onduidelijk is welke farmacopees dienen geraadpleegd te worden, terwijl dit absoluut nodig is om de rechtsonderhorigen toe te laten hun gedrag te regelen en er dus ook geen sprake is van behoorlijke of zorgvuldige regelgeving?
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees, inhouden, dat de bronnen waarnaar verwezen wordt, in de feiten bronnen zijn die in voortdurende verandering zijn of kunnen zijn terwijl de rechtsonderhorigen recht hebben op een vaststaande wetgeving zodat er niet alleen geen sprake is van een behoorlijke regelgeving, maar evenmin van een zorgvuldige regelgeving?
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees vereisen dat de Belgische rechtsonderhorigen alle Europese talen machtig zijn, terwijl van hen enkel kan gevraagd worden dat zij hetzij Nederlandstalig, Franstalig of Duitstalig zijn; het niet redelijk is van hen te vragen dat zij alle Europese talen machtig zijn, en indien dit toch zou gevraagd worden dit een nieuwe discriminatie inhoudt, ditmaal op basis van fortuin, omdat de Belgen dan verplicht zouden worden deze farmacopees te laten vertalen op hun kosten en deze discriminatiegrond uitdrukkelijk voorzien is in de wet (artikel 3 van de Antidiscriminatiewet van 10 mei 2007)?
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees, vereisen dat om kennis te nemen van die farmacopees de rechtsonderhorigen dienen te weten welke instantie in Europa en welke instantie in ieder Europees land verantwoordelijk is voor die farmacopees en waar deze instanties precies gevestigd zijn, zodat hiermee contact kan opgenomen worden, en hoe zij er zeker van kunnen zijn dat zij de in voege zijnde farmacopee kunnen raadplegen en volgen, vermits deze farmacopees aan voortdurende verandering onderhevig zijn, terwijl deze feitelijke kennis niet van de rechtsonderhorigen kan gevraagd worden, minstens onredelijk is, en zeker niet in overeenstemming met de legitieme verwachtingen van de rechtsonderhorigen?
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees vereisen dat, om deze farmacopees te raadplegen, de rechtsonderhorigen zich deze farmacopees persoonlijk dienen aan te schaffen en te blijven aanschaffen, vermits deze farmacopees zelfs niet in gespecialiseerde universitaire bibliotheken te raadplegen zijn, terwijl zij niet de verplichting hebben om vermogend te zijn om de wetten te kunnen kennen, discriminatiegrond die overigens uitdrukkelijk opgenomen is in artikel 3 van de Antidiscriminatiewet van 10 mei 2007; het bovendien volstrekt onredelijk is dit te eisen van de rechtsonderhorigen, en er geen redelijke verantwoording is die afbreuk doet aan deze legitieme verwachtingen van de rechtsonderhorigen?
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees het in de praktijk mogelijk maken om zowel producten te maken die beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product, als producten te maken die totaal niet beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product, terwijl aldus ongelijke producten gelijk behandeld worden en er bij de rechtsonderhorigen een niet toegelaten en onwenselijke rechtsonzekerheid ontstaat over de aard van het product, die zeker niet voldoet aan hun legitieme verwachtingen?
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees het in de praktijk mogelijk maken om zowel producten te maken die beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product als producten die totaal niet beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product en het ook niet zijn, en dus ook het wettelijk statuut van de producten vastleggen die niet beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product, terwijl beide producten, die als energetische producten zouden kunnen gekenmerkt worden doordat zij met hoge tot uiterst hoge verdunningen van een stof werken - hetgeen een totaal nieuw gegeven is in de aard van aangeboden producten in de westerse samenleving en tot nu toe aan de aandacht van de wetgever ontsnapt is -, en in ieder geval naar bereiding en werking fundamenteel verschillen van de wettelijk gekende productcategorieën: geneesmiddel, voedingssupplement en voeding, in hun aanwending een geëigend wettelijk kader behoeven dat momenteel ontbreekt doordat art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 als onbestaande of niet toepasselijk moet worden beschouwd, en bovendien in haar huidige vorm dient beschouwd te worden als een inlijving van homeopathische producten en Dr. Schüssler celzouten, in de bestaande traditionele westerse geneeskunde, die volgens geheel andere wetmatigheden naar mensbeeld, methodiek, techniek en productkwaliteit werkt en in essentie gebaseerd is op een louter intellectuele logica die kan samengevat worden als: indien een verschijnsel/bewering niet kan vastgesteld worden volgens de gangbare wetenschappelijke normen, kan deze bewering/dit product niet toegelaten worden tot de geneeskunde, dan de bestaande homeopathiewetgeving, waarvan de logica kan omschreven worden als een steun aan de aanwezige levenskrachten en dus vitalistisch is van basisopvatting in tegenstelling tot de westerse geneeskunde die wetenschappelijk is van opvatting, en deze inlijving des te sterker naar voor komt in het licht van het K.B. van 26 maart 2014 betreffende de uitoefening van de homeopathie dat de uitoefening van de homeopathie voorbehoudt aan een beperkt aantal met name genoemde gediplomeerden, die om de homeopathie te mogen uitoefenen een langdurige bijkomende opleiding dienen te volgen die enkel door universiteiten en hogescholen mag aangeboden worden, maar die nog steeds niet door één enkele universiteit of hogeschool aangeboden wordt om de simpele reden, dat deze opleidingen totaal niet passen in opleidings- en onderwijslogica van het hoger onderwijs, te verstaan als wetenschappelijke of op wetenschap gebaseerde opleidingen, en aldus de uitoefening van de homeopathie tot uitsterven gedoemd is, terwijl het opzet van de homeopathiewetgeving net is om ook deze vorm van gezondheidszorg aan te bieden?
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gecombineerd met artikel 19 van de Grondwet en artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees het in de praktijk mogelijk maken om zowel producten te maken die beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product als producten die totaal niet beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product zoals de Dr. Schüssler celzouten, terwijl de homeopathische producten volgens de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product voortkomen en werkzaam zijn op een gebied dat men als antroposofisch zou kunnen omschrijven, terwijl de Schüssler celzouten een strikt wetenschappelijke basis hebben?
23 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel doordat zij producten die precies de ontwikkeling van de gezondheid tot doel hebben zoals homeopathische producten en celzouten, en in se onschadelijk zijn, onder te brengen in een wetgeving waar de schadelijkheid van de aangeboden producten een hoofdbekommernis is, minstens de afweging tussen het therapeutisch nut en de schadelijkheid vooropstaat, terwijl zij zodoende deze producten onttrekt aan het gezondheidsbeleid en de handel in gezonde en gezondheidsproducten, en terwijl zij zodoende ook voor de burgers die op zoek zijn naar gezonde en gezondheidsproducten binnen het daartoe bestaande en geëigende circuit, aan het zicht onttrokken worden en niet de normale verspreiding kennen en zodoende zonder redelijke verantwoording aan de legitieme verwachtingen van de burgers onttrokken wordt?
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gecombineerd met artikel 19 van de Grondwet en artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en art 23 van de Grondwet al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel doordat zij producten die precies de ontwikkeling van de gezondheid tot doel hebben zoals homeopathische producten en celzouten, en in se onschadelijk zijn, onder te brengen in een wetgeving waar de schadelijkheid van de aangeboden producten een hoofdbekommernis is, minstens de afweging tussen het therapeutisch nut en de schadelijkheid vooropstaat, en zodoende deze producten onttrekt aan het gezondheidsbeleid en de handel in gezondheidsproducten, waardoor zij voor de burgers die op zoek zijn naar gezonde producten binnen het daartoe bestaande en geëigende circuit, aan het zicht onttrokken worden en niet de normale verspreiding kennen (schending art. 23 Grondwet), temeer daar homeopathische producten en celzouten ongelijksoortige producten zijn naar aard en werking (schending art. 10 en 11 van de Grondwet), en vanuit gaan andere mensbeelden vertrekken en ook werkzaam zijn (schending art. 19 Grondwet) en eigenlijk als geheel een geëigend wettelijk kader behoeven (schending art. 10 en 11 van de Grondwet)?
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, en al dan niet gecombineerd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dit in samenhang met artikel 14 van hetzelfde verdrag, en al dan niet gecombineerd met artikel 16 van de Grondwet doordat deze wet het mogelijk maakt om goederen, die volgens de letterlijke bepalingen van deze wet zouden kunnen bestempeld worden als homeopathische producten, terwijl zij het in werkelijkheid niet zijn, zoals de Dr. Schüssler celzouten, in beslag te nemen en te vernietigen indien zij aangeboden worden buiten de apotheek, terwijl het eigendomsrecht onschendbaar is en enkel onder welbepaalde strikte wettelijke voorwaarden kan ingeperkt worden die hier niet voorhanden zijn vermits Dr. Schüssler celzouten geen homeopathische producten zijn?
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, en al dan niet gecombineerd met de vrijheid van handel en nijverheid, door producten, zoals Dr. Schüssler celzouten, onder te brengen onder de homeopathiewetgeving, en die dan omwille van hun aangevoerde kwalificatie als homeopathisch product enkel in de apotheek mogen verkocht worden, zonder dat daar enige noodzaak toe bestaat vermits Dr. Schüssler celzouten geen homeopathische producten zijn, en vermits een Dr. Schüssler celzout binnen de bestaande wetgeving te definiëren valt als voedingsmiddel, minstens in een nieuwe wetgeving zou dienen ondergebracht worden samen met homeopathische producten omdat beide producten gemaakt worden op basis van uiterst minieme hoeveelheden en beroep doen op de natuurlijke helingskracht van de mens, er dus een beperking ingevoerd wordt die kennelijk onevenredig is met het nagestreefde doel uit de geneesmiddelenwetgeving namelijk geneesmiddelen uitsluitend aanbieden in een apotheek, terwijl de geneesmiddelenwetgeving een zeer strenge wetgeving is naar procedures en sancties en bovendien erg duur om in aanmerking te komen als geneesmiddel, dit alles omwille van de aard van het geneesmiddel, terwijl de voedingsmiddelenwetgeving hierin veel soepeler is en ook bijna kosteloos, dit alles ook weer omwille van de aard van een voedingsmiddel? (
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 niet verenigbaar is met de Grondwet het Grondwettelijk Hof hieromtrent te raadplegen, hierbij eventueel en naar inzicht van het Hof de door eiseres in beroep voorbereide prejudiciële vragen te gebruiken: 1. Schendt art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de definitie van een homeopathisch product niet vastgelegd is in de wet, vermits verwezen wordt naar fabricageprocédés in de Europese farmacopee of nationale Europese farmacopees als rechtsbron, die in alle geval dus niet in de wet te vinden zijn, terwijl vereist is dat de norm in de wet te vinden is en de fabricageprocédés bovendien geen definitie geven van een homeopathisch product en dit ook niet hoeven te doen, zodat van behoorlijke regelgeving geen sprake is? 2. Schendt art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de verwijzing naar Europese of nationale homeopathische farmacopees als rechtsbronnen strijdig is met het gelijkheidsbeginsel dat voorziet dat wetten dienen gepubliceerd te worden en deze farmacopees niet gepubliceerd worden zoals voorzien voor wetten, zodat van behoorlijke regelgeving geen sprake is? 3. Schendt art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de verwijzing naar Europese of nationale farmacopees onvoldoende precies is om de rechtsonderhorigen toe te laten hun gedrag aan te passen, doordat onduidelijk is welke farmacopees dienen geraadpleegd te worden, terwijl dit absoluut nodig is om de rechtsonderhorigen toe te laten hun gedrag te regelen en er dus ook geen sprake is van behoorlijke of zorgvuldige regelgeving? 4. Schendt art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees, inhouden , dat de bronnen waarnaar verwezen wordt, in de feiten bronnen zijn die in voortdurende verandering zijn of kunnen zijn terwijl de rechtsonderhorigen recht hebben op een vaststaande wetgeving zodat er niet alleen geen sprake is van een behoorlijke regelgeving, maar evenmin van een zorgvuldige regelgeving? 5. Schendt art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees vereisen dat de Belgische rechtsonderhorigen alle Europese talen machtig zijn, terwijl van hen enkel kan gevraagd worden dat zij hetzij Nederlandstalig, Franstalig of Duitstalig zijn; het niet redelijk is van hen te vragen dat zij alle Europese talen machtig zijn, en indien dit toch zou gevraagd worden, dit een nieuwe discriminatie inhoudt, ditmaal op basis van fortuin, omdat de Belgen dan verplicht zouden worden deze farmacopees te laten vertalen op hun kosten en deze discriminatiegrond uitdrukkelijk voorzien is in artikel 3 van de Antidiscriminatiewet van 10/05/2007? 6. Schendt art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees, vereisen dat om kennis te nemen van die farmacopees de rechtsonderhorigen dienen te weten welke instantie in Europa en welke instantie in ieder Europees land verantwoordelijk is voor die farmacopees en waar deze instanties precies gevestigd zijn, zodat hiermee contact kan opgenomen worden, en hoe zij er zeker van kunnen zijn dat zij de in voege zijnde farmacopee kunnen raadplegen en volgen, vermits deze farmacopees aan voortdurende verandering onderhevig zijn, terwijl deze feitelijke kennis niet van de rechtsonderhorigen kan gevraagd worden, minstens onredelijk is, en zeker niet in overeenstemming met de legitieme verwachtingen van de rechtsonderhorigen? 7. Schendt art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees vereisen dat, om deze farmacopees te raadplegen, de rechtsonderhorigen zich deze farmacopees persoonlijk dienen aan te schaffen en te blijven aanschaffen, vermits deze farmacopees zelfs niet in gespecialiseerde universitaire bibliotheken te raadplegen zijn, terwijl zij niet de verplichting hebben om vermogend te zijn om de wetten te kunnen kennen - discriminatiegrond die overigens uitdrukkelijk opgenomen is in artikel 3 van de Antidiscriminatiewet van 10/05/2007 - het bovendien volstrekt onredelijk is dit te eisen van de rechtsonderhorigen, en er geen redelijke verantwoording is die afbreuk doet aan deze legitieme verwachtingen van de rechtsonderhorigen? 8. Schendt art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees het in de praktijk mogelijk maken om zowel producten te maken die beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product, als producten te maken die totaal niet beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product, terwijl aldus ongelijke producten gelijk behandeld worden en er bij de rechtsonderhorigen een niet toegelaten en onwenselijke rechtsonzekerheid ontstaat over de aard van het product, die zeker niet voldoet aan hun legitieme verwachtingen? 9. Schendt art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees het in de praktijk mogelijk maken om zowel producten te maken die beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product als producten die totaal niet beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product en het ook niet zijn, en dus ook het wettelijk statuut van de producten vastleggen die niet beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product, terwijl beide producten, die als energetische producten zouden kunnen gekenmerkt worden doordat zij met hoge tot uiterst hoge verdunningen van een stof werken - hetgeen een totaal nieuw gegeven is in de aard van aangeboden producten in de westerse samenleving en tot nu toe aan de aandacht van de wetgever ontsnapt is -, en in ieder geval naar bereiding en werking fundamenteel verschillen van de wettelijk gekende productcategorieën: geneesmiddel, voedingssupplement en voeding, in hun aanwending een geëigend wettelijk kader behoeven dat momenteel ontbreekt doordat art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 als onbestaande of niet toepasselijk moet worden beschouwd en bovendien in haar huidige vorm dient beschouwd te worden als een inlijving van homeopathische producten en Dr. Schüssler celzouten, in de bestaande traditionele westerse geneeskunde, die volgens geheel andere wetmatigheden naar mensbeeld, methodiek, techniek en productkwaliteit werkt en in essentie gebaseerd is op een louter intellectuele logica die kan samengevat worden als: indien een verschijnsel/bewering niet kan vastgesteld worden volgens de gangbare wetenschappelijke normen, kan deze bewering/dit product niet toegelaten worden tot de geneeskunde, dan de bestaande homeopathiewetgeving, waarvan de logica kan omschreven worden als een steun aan de aanwezige levenskrachten en dus vitalistisch is van basisopvatting in tegenstelling tot de westerse geneeskunde die wetenschappelijk is van opvatting, en deze inlijving des te sterker naar voor komt in het licht van het K.B. van 26/03/2014 betreffende de uitoefening van de homeopathie dat de uitoefening van de homeopathie voorbehoudt aan een beperkt aantal met name genoemde gediplomeerden, die om de homeopathie te mogen uitoefenen een langdurige bijkomende opleiding dienen te volgen die enkel door universiteiten en hogescholen mag aangeboden worden, maar die nog steeds niet door één enkele universiteit of hogeschool aangeboden wordt om de simpele reden dat deze opleidingen totaal niet passen in opleidings- en onderwijslogica van het hoger onderwijs, te verstaan als wetenschappelijke of op wetenschap gebaseerde opleidingen, en aldus de uitoefening van de homeopathie tot uitsterven gedoemd is, terwijl het opzet van de homeopathiewetgeving net is om ook deze vorm van gezondheidszorg aan te bieden? 10. Schendt art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gecombineerd met artikel 19 van de Grondwet en artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees het in de praktijk mogelijk maken om zowel producten te maken die beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product als producten die totaal niet beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product zoals de Dr. Schüssler celzouten, terwijl de homeopathische producten volgens de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product voortkomen en werkzaam zijn op een gebied dat men als antroposofisch zou kunnen omschrijven, terwijl de Schüssler celzouten een strikt wetenschappelijke basis hebben? 11. Schendt art. 1,
23 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel doordat zij producten die precies de ontwikkeling van de gezondheid tot doel hebben zoals homeopathische producten en celzouten, en in se onschadelijk zijn, onderbrengen in een wetgeving waar de schadelijkheid van de aangeboden producten een hoofdbekommernis is, minstens de afweging tussen het therapeutisch nut en de schadelijkheid vooropstaat, terwijl zij zodoende deze producten onttrekt aan het gezondheidsbeleid en de handel in gezonde en gezondheidsproducten, en terwijl zij zodoende ook voor de burgers die op zoek zijn naar gezonde en gezondheidsproducten binnen het daartoe bestaande en geëigende circuit, aan het zicht onttrokken worden en niet de normale verspreiding kennen en zodoende zonder redelijke verantwoording aan de legitieme verwachtingen van de burgers onttrokken wordt? 12. Schendt art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gecombineerd met artikel 19 van de Grondwet en artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en art 23 van de Grondwet al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel doordat zij producten die precies de ontwikkeling van de gezondheid tot doel hebben zoals homeopathische producten en celzouten, en in se onschadelijk zijn, onder te brengen in een wetgeving waar de schadelijkheid van de aangeboden producten een hoofdbekommernis is, minstens de afweging tussen het therapeutisch nut en de schadelijkheid vooropstaat, en zodoende deze producten onttrekt aan het gezondheidsbeleid en de handel in gezondheidsproducten, waardoor zij voor de burgers die op zoek zijn naar gezonde producten binnen het daartoe bestaande en geëigende circuit, aan het zicht onttrokken worden en niet de normale verspreiding kennen (schending art. 23 Grondwet), temeer daar homeopathische producten en celzouten ongelijksoortige producten zijn naar aard en werking (schending art. 10 en 11 van de Grondwet), en vanuit andere mensbeelden vertrekken en ook werkzaam zijn (schending art. 19 Grondwet) en eigenlijk als geheel een geëigend wettelijk kader behoeven (schending art. 10 en 11 van de Grondwet)? 13. Schendt art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, en al dan niet gecombineerd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens, dit in samenhang met artikel 14 van hetzelfde verdrag, en al dan niet gecombineerd met artikel 16 van de Grondwet doordat deze wet het mogelijk maakt om goederen, die volgens de letterlijke bepalingen van deze wet zouden kunnen bestempeld worden als homeopathische producten, terwijl zij het in werkelijkheid niet zijn, zoals de Dr. Schüssler celzouten, in beslag te nemen en te vernietigen indien zij aangeboden worden buiten de apotheek, terwijl het eigendomsrecht onschendbaar is en enkel onder welbepaalde strikte wettelijke voorwaarden kan ingeperkt worden die hier niet voorhanden zijn vermits Dr. Schüssler celzouten geen homeopathische producten zijn? 14. Schendt art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, en al dan niet gecombineerd met de vrijheid van handel en nijverheid, door producten, zoals Dr. Schüssler celzouten, onder te brengen onder de homeopathiewetgeving, en die dan omwille van hun aangevoerde kwalificatie als homeopathisch product enkel in de apotheek mogen verkocht worden, zonder dat daar enige noodzaak toe bestaat vermits Dr. Schüssler celzouten geen homeopathische producten zijn, en vermits een Dr. Schüssler celzout binnen de bestaande wetgeving te definiëren valt als voedingsmiddel, minstens in een nieuwe wetgeving zou dienen ondergebracht worden samen met homeopathische producten, omdat beide producten gemaakt worden op basis van uiterst minieme hoeveelheden en beroep doen op de natuurlijke helingskracht van de mens, er dus een beperking ingevoerd wordt die kennelijk onevenredig is met het nagestreefde doel uit de geneesmiddelenwetgeving, namelijk geneesmiddelen uitsluitend aanbieden in een apotheek, terwijl de geneesmiddelenwetgeving een zeer strenge wetgeving is naar procedures en sancties en bovendien erg duur om in aanmerking te komen als geneesmiddel, dit alles omwille van de aard van het geneesmiddel, terwijl de voedingsmiddelenwetgeving hierin veel soepeler is en ook bijna kosteloos, dit alles ook weer omwille van de aard van een voedingsmiddel? - indien het Hof tot het inzicht komt [dat] de definitie van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,
de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik niet verenigbaar is met het Europees recht het Hof van Justitie hieromtrent te raadplegen, hierbij eventueel en naar inzicht van het Hof de door eiseres in beroep voorbereide prejudiciële vragen te gebruiken: Omtrent het gemotiveerd zijn van de richtlijn Is de definitie van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,
de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik onwettig in de zin van art. 277 VWEU, al dan niet gecombineerd met art. 3, lid 1 VWEU (waardenbepalingen van de Unie), en al dan niet gecombineerd met art. 12 VWEU (consumentenbescherming), doordat de aldaar neergelegde definitie van een homeopathisch product niet gemotiveerd is in de zin van art. 296, tweede lid VWEU omdat A de consument in het ongewisse gelaten wordt over de karakteristieken van een homeopathisch product die fundamenteel verschillen van de karakteristieken van een traditioneel geneesmiddel zowel op het gebied van werking als achterliggende mensopvatting en de consument dus vergeefs te rade gaat in de wetgeving naar een houvast om precies het onderscheid te kennen tussen een homeopathisch middel en een klassiek geneesmiddel. De consument is eigenlijk overgeleverd aan een fabricatienorm, die gericht is op de kwaliteit van het product, maar niets zegt over het product zelf. Er ontbreekt een productnorm/waardenorm waarnaar hij zich kan richten; B dit ontbreken van een normatieve omschrijving van een homeopathisch product de consument eveneens in verwarring kan brengen omdat hij mogelijkerwijze in aanraking komt met producten die wel homeopathisch werken, maar niet als dusdanig op de markt verschijnen; C het mogelijk blijkt te zijn, in het geval van de Dr. Schüssler celzouten, om producten te maken, volgens de vigerende lezing van de richtlijn, die niet homeopathisch werken en bovendien de eigenschappen hebben van een voedingsmiddel, toch als homeopathisch middel te beschouwen, waardoor opnieuw onduidelijk wordt wat een homeopathisch middel nu in feite is en de consument in plaats van correcte informatie, onjuiste informatie krijgt; D de Dr. Schüssler celzouten die, alhoewel onbetwist volgens wereldwijd aanvaarde definities van een homeopathisch product, geen homeopathisch middel zijn, nergens in de voorafgaande besprekingen van noch de richtlijn van 1992 noch in deze van 2001 aan bod gekomen zijn en dus niet geviseerd kunnen zijn door de richtlijnen; E indien de richtlijnen zouden gepreciseerd hebben dat de karakteristieke eigenschappen van een homeopathische middel alleen kunnen bekomen worden door een procedé van én verdunnen én (heftig) schudden, de Dr. Schüssler celzouten nooit zouden aanzien kunnen worden als een homeopathisch product omdat celzouten alleen verdund worden; F de Dr. Schüssler celzouten op wetenschappelijke basis ontwikkeld zijn en dus vatbaar voor klassiek wetenschappelijk bewijs, wat maakt dat zij de homeopathische antroposofische mensopvatting, methoden en technieken niet volgen en dus, bij richtlijnconforme interpretatie niet als homeopathisch product kunnen beschouwd worden; G door een homeopathisch middel als geneesmiddel te definiëren deze producten technisch ingelijfd worden in een geneesmiddelenopvatting die op wetenschappelijke gronden berust, terwijl blijkens de overwegingen in de richtlijn zelf en in de Homeopathierichtlijn van 1992, homeopathische producten en ook antroposofische producten van een totaal andere orde zijn naar mensopvatting, methodieken en technieken? Omtrent de ontbrekende rechtsgrondslag Schendt de definitie van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,
de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, de vereiste om een rechtsgrondslag te hebben doordat zij in feite aan Europese en nationale homeopathische farmacopeeschrijvers de bevoegdheid geeft om te bepalen wat een homeopathisch product is terwijl deze homeopathische farmacopeeschrijvers die bevoegdheid niet hebben en deze bevoegdheid enkel kan toevertrouwd worden aan wetgevende instanties of aan instanties die onder toezicht werken van wetgevers, zodat de in de richtlijn gegeven definitie daardoor nietig is? Omtrent de consumentenbescherming Schendt de definitie van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,
de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, het consumentrecht op eerlijke en correct informatie zoals vastgelegd in art. 12 VWEU door: - de consument te onthouden van een productnorm van een homeopathisch product waardoor hij niet in staat is uit te maken of een product al dan niet homeopathisch werkt, wat een hoofddoelstelling van de richtlijn is; - het mogelijk te maken producten onder de noemer van homeopathische producten op de markt te brengen, terwijl deze producten, zoals de Dr. Schüssler celzouten, helemaal niet beantwoorden aan de wereldwijd erkende definitie van een homeopathisch product en ook geen homeopathische werking hebben? Omtrent de maatregel van gelijke werking A Is de definitie van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,
de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik onwettig als niet toegelaten maatregel van gelijke werking doordat zij homeopathische middelen, die van gans andere opvatting en werking zijn dan reguliere geneesmiddelen, en aldus niet voldoen aan de gangbare opvatting over een geneesmiddel, exclusief voorbehoudt voor verkoop in apotheken? B Is de definitie van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,
de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik onwettig als niet toegelaten maatregel van gelijke werking doordat zij de verkoop van Dr. Schüssler celzouten exclusief voorbehoudt aan apotheken, terwijl deze exclusiviteit ten onrechte steunt op een gelijkstelling van een Dr. Schüssler celzout met een homeopathisch middel en Dr. Schüssler celzouten in werkelijkheid dienen aanzien te worden als een voedingsmiddel? C Is de definitie van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,
de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik onwettig als maatregel van gelijke werking doordat zij 1 hetzij impliciet toelaat dat de Belgische wetgever, door het gewoonweg overnemen van de wetenschappelijke geest en de tekst van de in de richtlijn vastgelegde definitie van een homeopathisch product, een wetgeving op de uitoefening van de homeopathie vastlegt die eigenlijk het einde van de homeopathie inluidt door de toegang tot het beroep te beperken tot enkel hoog medisch opgeleiden, en door onder meer te voorzien in opleidingen aan instellingen van universitair of hoger onderwijs die alle op wetenschappelijke basis opleiding verstrekken , en doordat degenen die toch zouden slagen in de (niet aangeboden) opleiding het beroep slechts in beperkte mate mogen uitoefenen, terwijl de homeopathie niet voor zulke opleiding op wetenschappelijke benadering vatbaar is? 2 hetzij het mogelijk maakt dat de Belgische overheid van oordeel is dat Dr. Schüssler celzouten homeopathische producten zijn, terwijl zij dat niet zijn, hetzij omwille van de bepaling zelf hetzij door de toepassing die de Belgische overheid er van maakt, zodat de definitie van een homeopathisch product in feite een maatregel is die het vrij verkeer van goederen beperkt en te beschouwen is als een maatregel van gelijke werking? Over de geschiktheid van de definitie van een homeopathisch middel Schenden de definities van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,
de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik en art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 het gelijkheidsbeginsel, inzonderheid het proportionaliteitsbeginsel bekeken vanuit het oogpunt van de geschiktheid van de getroffen maatregel, zoals onder meer neergelegd in art. 20 en 21 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese burgers, doordat het de bedoeling van de richtlijnen in verband met de homeopathie was de consument in de eerste plaats duidelijkheid te verschaffen over de aard van een homeopathisch middel, maar hem geen voor hem geschikte norm aangeboden wordt, terwijl - omtrent zulke definitie van homeopathie wereldwijd geen enkele discussie bestaat; - volgens de vigerende interpretatie van de richtlijn en de wet, er in feite twee soorten homeopathie ontstaan, namelijk producten met een homeopathische werking en producten zonder homeopathische werking zoals de Dr. Schüssler celzouten, alhoewel dit geenszins de bedoeling was van noch de richtlijn, noch de wet, vermits noch in de preambules van de richtlijn of in de voorbereidende werken van de wet over dit opzet gesproken wordt, waardoor net het tegenovergestelde effect bereikt wordt van wat men beoogde: op de eerste plaats duidelijkheid scheppen voor de consument, - de wettelijke definitie van een homeopathisch product zodanig uitgewerkt is dat wellicht niemand met zekerheid kan zeggen of een product nu al dan niet homeopathisch werkt omwille van taalvereisten, deskundigheidsvereisten, raadplegingsvereisten, betaalbaarheidsvereisten die zijn neergelegd in de definitie van een homeopathisch product; -de verkoop van Dr. Schüssler celzouten nu exclusief toevertrouwd is aan apotheken zonder dat deze celzouten een homeopathische werking hebben; - door het mogelijk maken dat er twee soorten homeopathie ontstaan, namelijk producten met een homeopathische werking en producten met een niet homeopathische werking het onmogelijk wordt om aan consumenten uit te leggen wat de onderscheidende karakteristieken zijn van een homeopathisch middel en waarom voor twee totaal verschillende producten apothekers exclusief bevoegd zijn voor de verkoop, terwijl deze exclusieve bevoegdheid zich niet uitstrekt tot de Dr. Schüssler celzouten die volgens de vigerende criteria te aanzien zijn als voeding, zodat net het tegenovergestelde effect bereikt wordt van wat men beoogde: op de eerste plaats duidelijkheid scheppen voor de consument, en hem niet brengen in een niet toegelaten en onwenselijke rechtsonzekerheid omtrent de aard van een homeopathisch product, hetgeen niet voldoet aan zijn legitieme verwachtingen? Over de gelijkstelling van Dr. Schüssler celzouten met homeopathische middelen Schenden de definities van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,
de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik en art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964, aan het gelijkheidsbeginsel, inzonderheid het rechtszekerheidsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel, zoals onder meer neergelegd in art. 20 en 21 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Burgers, het artikel 10 van het Handvest al dan niet gecombineerd met de artikelen 20 en 21 van het Handvest, de gecombineerde artikelen 9 en 14 van het EVRM doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees het in de praktijk mogelijk maken om zowel producten te maken die beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product als producten die totaal niet beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product zoals de Dr. Schüssler celzouten, terwijl de homeopathische producten volgens de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product voortkomen en werkzaam zijn op een gebied dat men als antroposofisch zou kunnen omschrijven, terwijl de Schüssler celzouten een strikt wetenschappelijke basis hebben? Over de noodzakelijkheid om de homeopathie in te schrijven in de reguliere geneeskunde Schenden de definities van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,
de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik en art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 het gelijkheidsbeginsel, zoals onder meer neergelegd in art. 20 en 21 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Burgers, inzonderheid het proportionaliteitsbeginsel bekeken vanuit het oogpunt van de noodzakelijkheid door Dr. Schüssler celzouten te laten aanzien als homeopathische producten en dus als geneesmiddelen doordat de Basisrichtlijn van 1992 uitdrukkelijk erkent dat de homeopathie in opmars is en dat de consumenten op de eerste plaats duidelijk dienen ingelicht te worden over de aard van dit product,- overweging die ook overgenomen wordt door de richtlijn van 2001 -, en dus mag aangenomen dat alle niet homeopathische producten niet onder de homeopathiewetgeving mogen vallen, terwijl dat, volgens de vigerende interpretatie van de vastgelegde definitie, wel het geval is daar Dr. Schüssler celzouten niet homeopathisch werken en dus ook geen homeopathische middelen zijn en dat dit gebeurt doordat er geen consumentennorm van een homeopathisch product opgenomen is in de richtlijnen, en enkel fabricatiemethoden, welke fabricatiemethoden blijkens de feiten de producenten van Dr. Schüssler celzouten verplichten om te vermelden dat het om een homeopathisch product gaat, terwijl zij enkel gebruik maken van een beperkt aantal verdunningswijzen zoals beschreven in de homeopathische farmacopee en geenszins gebruik maken van de al even essentiële vereiste om een homeopathisch product te maken , namelijk het heftig schudden van het product, zodat het Dr. Schüssler celzout een louter fysieke verdunning is en ook louter fysiek werkt, en het geestelijk element, onderscheidende karakteristiek voor een homeopathisch product, ontbreekt, en er dus geen sprake van kan zijn dat de gegeven definiëring van een homeopathisch product de noodzakelijkheidsvereiste eerbiedigt? De gegeven definiëring van een homeopathisch product kan vervangen worden door een andere - overigens wereldwijd aanvaarde definitie van een homeopathisch product - dat hetzelfde nuttige effect zou hebben ten aanzien van het gestelde doel en minder nadelig zou zijn voor een ander door het Unierecht beschermd doel of belang, in dit geval niet homeopathische middelen toch homeopathisch laten verklaren en de consument rechtszekerheid bieden over de aard van het aangeboden product? Schenden de definities van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,
de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik en art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 het gelijkheidsbeginsel, zoals onder meer neergelegd in art. 20 en 21 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Burgers, inzonderheid het proportionaliteitsbeginsel bekeken vanuit het oogpunt van de noodzakelijkheid door de homeopathie, en dus ook volgens de vigerende interpretatie ook de Dr. Schüssler celzouten, in te lijven in de reguliere geneeskunde terwijl het gaat om twee totaal verschillende behandelingswijzen die om tot hun recht te komen ieder een eigen geëigend wetgevend kader verdienen doordat, hetzij alle elementen samen genomen, hetzij al dan niet afzonderlijk bekeken: 1 de reguliere geneeskunde kan gekarakteriseerd worden als een wetenschappelijke geneeskunde, die per definitie intellectueel en materieel is, daardoor alle vormen van natuurgeneeskunde bant, ook curatief is, gericht op massageneeskunde en ontstaan is als reactie op het overheersend godsdienstig denken voor de Verlichting en anderzijds de homeopathie vitalistisch is van aard (alles wat de mens nodig heeft, is in hem aanwezig, het hoeft enkel aangesproken te worden) en gebruik maakt van antroposofische inzichten wat tot gevolg heeft dat niet gesproken wordt over genezen maar wel over "helen"; eerder preventief werkt en de oorzaak van de aandoening zoekt in het gehele functioneren van de mens, al dan niet in een (zeer) ver verleden en in zijn zeer concrete context, hetgeen leidt tot individueel maatwerk. Een ziekte laat zich zien omdat men ziek is. In de reguliere geneeskunde overkomt de ziekte de mens. Reguliere geneeskunde en homeopathie verschillen dus fundamenteel van mens- en wereldbeeld; 2 de wetenschappelijke basis van de reguliere geneeskunde als gevolg heeft dat de arts optreedt als een soort monteur: hij doet routineonderhoud en verricht noodingrepen, en werkt dus in een soort strijdmodel: hij is een ziektebestrijder. De patiënt is er afhankelijk van de arts wegens onkundig, hij wordt benaderd vanuit een angstmodel. Er is sprake van doorgedreven specialisering en echelonnering van de geneeskunde, die elitair van aard is. In de homeopathie daarentegen is de arts de helper en de patiënt verantwoordelijk. De arts werkt in een soort tuinmanmodel: afhankelijk van wat zich aandient, zal hij de patiënt helpen zijn juist[e] ontwikkelingspad te vinden en te bewandelen. De arts is een gezondheidswerker die rekening houdt met alle factoren die de gezondheid beïnvloeden. Er is en kan geen sprake zijn van echelonnering in de zorg; 3 het wetenschappelijk karakter van de reguliere westerse geneeskunde ook gekenmerkt wordt door een zeer hoog gehalte "mannelijke" energie: er wordt noodzakelijkerwijze gedacht in duale termen, in termen van splitsing, dat leidt tot een of-of denken en dus een exclusief denken is dat vanuit het beter weten leidt tot het verwerven van een machtspositie en een "demand and control" (vertaling: beveel en controleer) denken dat dus ook lineair is. Dit lineaire denken komt tot uiting in het K.B. op de uitoefening van de homeopathie, dat eigenlijk een afschaffing is van de homeopathie: slechts te beoefenen door hoog medisch geschoolden, uitsluitend aan te leren in het universitair/hoger onderwijs waardoor er geen aanbod komt omdat homeopathie niet wetenschappelijk gefundeerd is en de homeopathie dus tot uitsterven gedoemd is, en bovendien slechts in beperkte mate beoefenbaar. De logica van dit K.B. is: we kunnen niet anders, maar we geven onze macht niet af, en we doen dat op een zeer diplomatieke maar wel zeer efficiënte manier. De homeopathie daarentegen gaat uit van een totaal tegenovergesteld mensbeeld dat kan omschreven worden als energetisch "vrouwelijk": men denkt in termen van eenheid en verbondenheid, de mens wordt bekeken als micro-cosmos en als afspiegeling van de cosmos, het denken is een en-en denken, er is gelijkheid tussen de mensen en de arts en patiënt, de energie is dus circulair; 4 de methodiek in beide soorten benaderingswijzen verschilt: de reguliere geneeskunde beschouwt een aandoening als ongewenst, als iets dat moet bestreden worden. De aandoening is genezen als ze verdwenen is. Geneeskunde betekent ziektebestrijding. In de homeopathie doet men beroep op het zelfhelend vermogen van de mens, door dit vermogen op de juiste wijze aan te spreken. De klacht zal dan verdwijnen, zonder nevenwerkingen of nawerkingen. Het herstel van de gezondheid staat centraal. De aandoening is de wegwijzer naar wat misgelopen is en hoe het niet meer moet. De aandoening wordt van haar positieve kant bekeken; 5 de aangewende technieken verschillen: de reguliere geneeskunde hanteert het "veel" ( van een bepaalde stof) principe, terwijl de homeopathie uitgaat van verdunningen tot zelfs niet meer waarneembare verdunningen; 6 ook de aangeboden producten verschillen. In de reguliere geneeskunde hanteert men strijdmiddelen waarbij de afweging tussen schadelijkheid en therapeutisch nut centraal staat. De producten zijn duur, de kosten voor de gebruiker worden haalbaar gemaakt via de ziekteverzekering. Bijkomende geneesmiddelen dienen ingezet om de schadelijke effecten van het eerste geneesmiddel te bestrijden. De homeopathie kent de afweging schadelijkheid/therapeutisch nut niet. Indien toch ongewenste effecten optreden, volstaat het het gebruik te verminderen of stop te zetten. Het product is goedkoop. Terwijl de Europese regelgevers zich van deze fundamentele verschillen niet bewust schijnen te zijn, of mogelijks welbewust negeren, en alleszins geen geëigend wettelijk kader verschaffen dat garant kan staan voor de volle ontplooiing van de homeopathie in haar eigen filosofisch/godsdienstig kader, zodat er dus geen sprake van kan zijn dat de gegeven definiëring van een homeopathisch product de noodzakelijkheidsvereiste eerbiedigt door de homeopathie in te lijven in de reguliere geneeskunde en daardoor de vrijheid van mening, overtuiging en godsdienst geschonden wordt temeer omdat de gegeven definiëring van een homeopathisch product gemakkelijk kan vervangen worden door een andere bepaling dat hetzelfde nuttige effect zou hebben ten aanzien van het gestelde doel en minder nadelig zou zijn voor een ander door het Unierecht beschermd doel of belang en alleszins er niet toe zou leiden dat Dr. Schüssler celzouten als homeopathische middelen zouden aanzien worden? Schenden de definities van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,
de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik en art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de vrijheid van meningsuiting, geweten en eredienst, door de homeopathie in te lijven in de reguliere geneeskunde, al dan niet gecombineerd met de noodzakelijkheidsvereiste vastgelegd in artikel 20 en 21 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese burgers, doordat, alle hierna opgesomde elementen samen genomen, hetzij ieder van hen afzonderlijk: 1 zoals aangetoond, de basis van de reguliere westerse geneeskunde wetenschappelijk is en dus louter verstandelijk, zodoende vitalistisch georiënteerde behandelingswijzen en natuurgeneeswijzen uitsluit en dus uitgaat van een totaal andere mensvisie dan deze vitalistisch en holistisch georiënteerde geneeswijzen, wat gevolgen heeft [voor] de verschillende benadering van de arts, patiënt, methodiek, techniek en prijs van het product: een energetisch "mannelijke" benadering tegenover een energetisch "vrouwelijke" benadering die zelfs doorgetrokken wordt in een officiële "erkenning" van de beoefening van de homeopathie die echter in de feiten tot het uitsterven van het beroep van homeopaat leidt; 2 de apotheek en de apotheker, waar alleen nog homeopathische producten mogen verkocht worden, geen ondersteunende omgeving zijn voor de verkoop van homeopathische producten doordat apotheek en apotheker op wetenschappelijke basis functioneren, dit wil zeggen analytisch, en dus niet ondersteunend kunnen zijn voor andere vormen van behandelingen die een holistisch/vitalistische rondslag hebben; 3 de apotheek, door het aanbrengen van een groen gelijkbenig kruis als uithangbord, bovendien expliciet aangeeft, godsdienstig van aard te zijn, zij het niet in de traditionele betekenis, maar wel in de zin van wetenschap als religie, en de consumenten niet kunnen verplicht worden in een inrichting die niet levensbeschouwelijk neutraal is hun aankopen te doen, gezien vanuit het kruis; 4 door het enkele feit dat homeopathische producten verkocht worden in een apotheek deze producten aan kwaliteitsverlies lijden omdat de ganse apotheek doordrongen is van producten en personeel, dat wetenschappelijk van aard of opleiding is, en dus een sterke "mannelijke" energie heeft, terwijl homeopathische producten kunnen beschouwd worden als "vrouwelijk" van energie, zodat hun vrouwelijke kwaliteit aangetast wordt door het overwicht van "mannelijke energie" en het een essentiële doelstelling is van de Homeopathierichtlijn om kwaliteit te waarborgen? Het "mannelijke" dient met "vrouwelijke" aangevuld te worden; 5 de richtlijn impliciet aanleiding geeft of kan geven door zelf het wetenschappelijk denken overheersend te maken door - zowel de homeopathie in te lijven in de reguliere geneeskunde; - als door als normatieve bepaling van homeopathie een productiewijze voorop te stellen; - als door een Belgische wetgeving op de uitoefening van de homeopathie tot stand te brengen die de uitoefening van de homeopathie voorbehoudt aan hoog medisch opgeleiden, het onderwijs van de homeopathie toevertrouwt aan hoger wetenschappelijk onderwijs waardoor het niet georganiseerd wordt, de uitoefening van het beroep slechts in beperkte mate toelaat zodat de homeopathie tot uitsterven gedoemd is, waardoor het wetenschappelijk denken via een omweg toch weer volledig in ere hersteld wordt? 6 de richtlijn impliciet intreedt in de "veel tot zeer veel"-filosofie van de bestanddelen van reguliere geneesmiddelen en de daaraan verbonden consequentie van afweging tussen therapeutisch nut en schadelijkheid, en deze filosofie doortrekt tot middelen zoals de homeopathie die uitgaan van een "weinig tot zeer weinig, tot zelfs een niet meer op wetenschappelijke gronden waarneembare aanwezigheid van de bestanddelen van het middel" waardoor het geëigend karakter van de homeopathie onrecht aangedaan wordt en de perceptie ontstaat dat voor beide soorten producten dezelfde voorzichtigheidsregels dienen in acht genomen te worden, terwijl dit niet het geval is; 7 door Dr. Schüssler celzouten die wetenschappelijk van onderbouwing zijn, gelijk te stellen met homeopathische middelen, die een andere filosofische grondslag hebben, zodat een gelijkstelling volledig misplaatst is en aanleiding kan geven tot de perceptie dat Dr. Schüssler celzouten op dezelfde filosofische basis ontworpen zijn en een werking zouden hebben die overeenkomt met die van een homeopathisch middel, die ze helemaal niet hebben. Er is dus misleiding op het vlak van vrijheid van mening, geweten en eredienst, terwijl de vrijheid van mening, geweten en godsdienst een van de belangrijkste te beschermen grondrechten is, zodat er dus geen sprake van kan zijn dat de gegeven definiëring van een homeopathisch product noodzakelijkerwijze de inlijving in de reguliere geneeskunde wettigt? Omtrent de onjuiste vereiste een homeopathisch product te definiëren vanuit de vereiste gemaakt te zijn volgens de voorschriften van een in Europa vigerende farmacopee Schenden de definities van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,
de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik en art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de publicatievereisten gekoppeld aan het gelijkheidsbeginsel, inzonderheid het rechtszekerheidsbeginsel dat een toepassing is van het gelijkheidsbeginsel, zoals onder meer neergelegd in art. 20 en 21 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese burgers door, enerzijds te bepalen dat een homeopathisch product een product is dat gemaakt wordt volgens een in Europa vigerende homeopathische farmacopee, terwijl voor de vervaardiging van dit product niet alleen gebruik dient gemaakt te worden van een enkele in Europa vigerende homeopathische farmacopee, soms ook van twee, maar ook van een of meerdere algemene farmacopees, zodat de Europese burgers niet alleen alle in Europa vigerende homeopathische farmacopees dienen te kennen, maar ook nog alle andere algemene in Europa vigerende farmacopees en dit alles hun onderlinge wisselwerking, terwijl dit niet van de burgers kan verlangd worden en zelfs nauwelijks van de klassiek opgeleide apothekers? Omtrent de rechtszekerheid in de gegeven definitie van een homeopathisch product Schenden de definities van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,
de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik en art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de publicatievereisten gekoppeld aan het gelijkheidsbeginsel, inzonderheid het rechtszekerheidsbeginsel dat een toepassing is van het gelijkheidsbeginsel, zoals onder meer neergelegd in art. 20 en 21 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese burgers door, enerzijds te bepalen dat een homeopathisch product een product is dat gemaakt wordt volgens een in Europa vigerende homeopathische farmacopee, terwijl voor de vervaardiging van dit product niet alleen gebruik dient gemaakt te worden van een enkele in Europa vigerende homeopathische farmacopee, soms ook van twee, maar ook van een of meerdere algemene farmacopees, zodat de Europese burgers niet alleen alle in Europa vigerende homeopathische farmacopees dienen te kennen, maar ook nog alle andere algemene in Europa vigerende farmacopees en dit alles hun onderlinge wisselwerking, terwijl dit niet van de burgers kan verlangd worden en zelfs nauwelijks van de klassiek opgeleide apothekers? Schenden de definities van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,
de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik en art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de publicatievereisten gekoppeld aan het gelijkheidsbeginsel, inzonderheid het rechtszekerheidsbeginsel dat een toepassing is van het gelijkheidsbeginsel, zoals onder meer neergelegd in art. 20 en 21 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese burgers, door een homeopathisch middel te definiëren als een middel dat volgens eender welke in Europa vigerende homeopathische farmacopee gemaakt wordt, er geen eenvoudige, noch duidelijke, precieze of eenvormige definitie gegeven wordt van een homeopathisch product, vermits enkel een fabricageprocédé voorgeschreven wordt dat moet borg staan voor de kwaliteitsstandaard van het gefabriceerde product, terwijl het net de bedoeling was van de richtlijn is om de consument zekerheid te verschaffen over de aard van het aangeboden product en hem een voor hem toegankelijke productnorm/ consumentennorm onthouden wordt en hij dus geen norm heeft om zijn gedrag naar te regelen, zodat het voor de consument onduidelijk wordt en welhaast onmogelijk wordt om te weten of een product nu al dan niet homeopathisch is, vermits van de consument gevraagd wordt dat hij - waarbij al de volgende aspecten al dan niet afzonderlijk, al dan niet als een geheel, dienen aanzien te worden -: - afziet van het grondrecht dat de naar hem gerichte norm dient te vinden zijn in de wet en dat dit hier niet het geval is omdat farmacopees niet gepubliceerd worden zoals wetten; - alle Europese talen machtig is omdat hij in principe voor ieder Europees land dient na te gaan of dat land beschikt over een homeopathische farmacopee en hij natuurlijk de taal waarin die farmacopee gesteld is, dient te kunnen begrijpen; - weet welke instantie in welk land verantwoordelijk is voor de farmacopees, en dan nog moet zien uit te vinden waar hij die farmacopees kan vinden, terwijl deze zelfs in gespecialiseerde universitaire medische bibliotheken in België niet te vinden zijn; - er geen helpdesk is waar hij terecht kan om correcte en actuele informatie te vinden over de publicatie van de onderscheiden Europese farmacopees, terwijl naar Belgisch recht zulke helpdesk wel vereist is om effectief kennis te kunnen nemen van de Belgische wetten die nu nog uitsluitend digitaal gepubliceerd worden en de toegang tot het recht dus beperkt wordt op basis van het vermogen; - zich deze farmacopees niet kosteloos kan aanschaffen of raadplegen, waardoor er een nieuwe en niet toegelaten vermogensvereiste ingevoerd wordt; - bovendien niet zeker is het laatste vigerende exemplaar van die farmacopee te zien of in handen te hebben, vermits deze farmacopees voortdurend aan verandering onderhevig zijn hij dus permanent tot een onmogelijke Europese zoekopdracht aangewezen is; - bovendien niet de vereiste apothekerskwalificaties heeft om die farmacopees correct te interpreteren, hij bovendien niet alleen homeopathische farmacopees dient te raadplegen maar ook algemene farmacopees, in het geval van de Dr. Schüssler celzouten van de firma Adler in totaal vier mogelijke farmacopees moet vaststellen dat farmacopeeschrijvers in feite wetgevers geworden zijn zonder dat hierop democratische controle is hetgeen hem ook in zijn waardigheid en rechten als Europese burger aantast, zodat van behoorlijke regelgeving geen sprake is en voor een categorie van burgers de toegang tot wetten en andere rechtsregels moeilijker wordt gemaakt dan voor andere burgers die de voor hen bestemde norm wel in de wet terugvinden? Schenden de definities van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,
de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik en art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de publicatievereisten gekoppeld aan het gelijkheidsbeginsel, inzonderheid het rechtszekerheidsbeginsel dat een toepassing is van het gelijkheidsbeginsel, zoals onder meer neergelegd in art. 20 en 21 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese burgers door, enerzijds te bepalen dat een homeopathisch product een product is dat gemaakt wordt volgens een in Europa vigerende homeopathische farmacopee, terwijl voor de vervaardiging van dit product niet alleen gebruik dient gemaakt te worden van een enkele in Europa vigerende homeopathische farmacopee, soms ook van twee, maar ook van een of meerdere algemene farmacopees, zodat de Europese burgers niet alleen alle in Europa vigerende homeopathische farmacopees dienen te kennen, maar ook nog alle andere algemene in Europa vigerende farmacopees en dit alles hun onderlinge wisselwerking, terwijl dit niet van de burgers kan verlangd worden en zelfs nauwelijks van de klassiek opgeleide apothekers? Omtrent de aantasting van het recht op gezondheid Schenden de definities van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,
de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik en art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 het gelijkheidsbeginsel, zoals onder meer neergelegd in art. 20 en 21 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese burgers, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, het artikel 10 van het Handvest al dan niet gecombineerd met de artikelen 20 en 21 van het Handvest, de gecombineerde artikelen 9 en 14 van het EVRM en het Europees verbod tot maatregelen van gelijke werking en artikel 23 van de Belgische Grondwet, doordat zij producten die precies de ontwikkeling van de gezondheid tot doel hebben zoals homeopathische producten en celzouten, en in se onschadelijk zijn, onder te brengen in een wetgeving waar de schadelijkheid van de aangeboden producten een hoofdbekommernis is, minstens de afweging tussen het therapeutisch nut en de schadelijkheid vooropstaat, dus enkel in apotheken te verkrijgen is, en zodoende deze producten onttrekt aan het gezondheidsbeleid en de handel in gezondheidsproducten, waardoor zij voor de burgers die op zoek zijn naar gezonde producten door het versterken van hun geestelijke krachten via de homeopathie en hun fysieke krachten via de celzouten, binnen het daartoe bestaande en geëigende circuit, aan het zicht onttrokken worden en niet de normale verspreiding kennen, temeer daar homeopathische producten en celzouten ongelijksoortige producten zijn naar aard en werking (schending gelijkheidsbeginsel), en vanuit andere mensbeelden vertrekken en ook werkzaam zijn (schending vrijheid van meningsuiting, geweten en eredienst) en eigenlijk als geheel een geëigend wettelijk kader behoeven (schending gelijkheidsbeginsel) dat voor een normale verspreiding van deze producten kan zorgen (verbod tot maatregelen van gelijke werking en gebod tot gezondheidsbeleid (artikel 23 Belgische Grondwet))? Schenden de definities van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,
de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik en art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964, het gelijkheidsbeginsel, zoals onder meer neergelegd in art. 20 en 21 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese burgers, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, al dan niet gecombineerd met het verbod tot maatregelen van gelijke werking en de vrijheid van handel en nijverheid zoals voorzien in art. III, § 1, 3 van hoofdstuk 3 Vrijheid van Ondernemen in het Wetboek Economisch Recht door producten, zoals Dr. Schüssler celzouten, onder te brengen onder de homeopathiewetgeving, en die dan omwille van hun aangevoerde kwalificatie als homeopathisch product enkel in de apotheek mogen verkocht worden, zonder dat daar enige noodzaak toe bestaat vermits Dr. Schüssler celzouten geen homeopathische producten zijn, en vermits een Dr. Schüssler celzout binnen de bestaande wetgeving te definiëren valt als voedingsmiddel, mogelijks in een nieuwe wetgeving zou dienen ondergebracht worden samen met homeopathische producten, omdat beide producten gemaakt worden op basis van uiterst minieme hoeveelheden en beroep doen op de natuurlijke helingskracht van de mens, er dus een beperking ingevoerd wordt die kennelijk onevenredig is met het nagestreefde doel uit de geneesmiddelenwetgeving, namelijk geneesmiddelen uitsluitend aanbieden in een apotheek, terwijl de geneesmiddelenwetgeving een zeer strenge wetgeving is naar procedures en sancties en bovendien erg duur om in aanmerking te komen als geneesmiddel, dit alles omwille van de aard van het geneesmiddel, terwijl de voedingsmiddelenwetgeving hierin veel soepeler is en ook bijna kosteloos, dit alles ook weer omwille van de aard van een voedingsmiddel? Omtrent schending van het eigendomsrecht Schenden de definities van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,
de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik en art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964, het gelijkheidsbeginsel, zoals onder meer neergelegd in art. 20 en 21 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese burgers, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, artikel 17 van het Handvest betreffende de eigendom en al dan niet gecombineerd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dit in samenhang met artikel 14 van hetzelfde verdrag, en al dan niet gecombineerd met artikel 16 van de Grondwet, doordat deze wet het mogelijk maakt om goederen, die volgens de vigerende interpretatie van de Homeopathierichtlijn en de Belgische Geneesmiddelenwet zouden kunnen bestempeld worden als homeopathische producten, terwijl zij het in werkelijkheid niet zijn, zoals de Dr. Schüssler celzouten, in beslag te nemen en te vernietigen indien zij aangeboden worden buiten de apotheek, terwijl het eigendomsrecht onschendbaar is en enkel onder welbepaalde strikte wettelijke voorwaarden kan ingeperkt worden die hier niet voorhanden zijn vermits Dr. Schüssler celzouten geen homeopathische producten zijn? Omtrent het toegelaten zijn de benaming Dr. Schüssler celzout te vermelden Is een beslissing van een administratieve overheid rechtsgeldig indien zij bepaalt dat een product, dat geen geneesmiddel of homeopathisch middel is, maar wel een voedingsmiddel of voedingssupplement, niet mag vermelden in haar etikettering dat het om een Dr. Schüssler celzout, hetzij om een Schüssler celzout gaat, en alle mogelijke verwijzingen naar Dr. Schüssler dienen weggelaten te worden, strijdig met de artikelen 3, 7 en 17 van de Europese Verordeningen nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van Europa van 25/10/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, en van artikel 2 van de Europese Richtlijn 2002/46/EG betreffende de voedingssupplementen, al dan niet gecombineerd met de vrijheid van handel en nijverheid en het verbod op maatregelen van gelijke werking, de Europeesrechtelijke beginselen van rechtszekerheid, gelijkheid, evenredigheid en zorgvuldigheid, terwijl dit de gebruikelijke benamingen zijn van dit product en zodoende de consument in misleiding gebracht wordt indien deze benaming niet gebruikt mag worden en hierdoor de handel in dit product beperkt wordt?" 8. Het FAGG vraagt de beroepsakte nietig te verklaren, minstens het hoger beroep ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en de vorderingen van A.A. af te wijzen als ongegrond. Minstens vraagt het FAGG het volgende wat de verschillende vorderingen betreft: "De vordering te zeggen voor recht dat de waarschuwing en betekening van FAGG dd. 10/06/2014, onbestaande is opzichtens eiseres in beroep, niet tegenstelbaar en niet van toepassing is op haar" af te wijzen als ongegrond; "De vordering appellante toe te laten de Dr. Schüssler celzouten van de firma's Sonnenmineral en Adler te verkopen onder de benaming van Dr. Schüssler celzouten" af te wijzen als ongegrond; "Het verbod van FAGG om Dr. Schüssler celzouten te verkopen te staken; minstens, indien het Hof van oordeel zou zijn hetzij prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof en/of het Hof van Justitie, eiseres in beroep ten provisionele titel toe te laten de verkoop van Schüssler celzouten te hervatten, verweerster in beroep te veroordelen tot een dwangsom van 3.000 euro per dag te rekenen vanaf een week na betekening na het te wijzen vonnis indien zij het verbod op de verkoop van Dr. Schüssler celzouten negeert" af te wijzen als ongegrond, minstens de gevorderde dwangsom te herleiden tot een bedrag van euro 100,00 per maand; zich zonder rechtsmacht te verklaren voor de vordering "Te zeggen voor recht dat Dr. Schüssler celzouten geen voedingssupplementen zijn, maar binnen de bestaande wetgeving te beschouwen zijn als voeding", minstens de vordering af te wijzen als onontvankelijk, minstens ongegrond; zich zonder rechtsmacht te verklaren voor de vordering "te zeggen voor recht dat zowel bij gebrek aan valide wettekst en omdat Dr. Schüssler celzouten thuishoren onder de voedingswetgeving het FAGG ter zake niet bevoegd is om op te treden", minstens de vordering af te wijzen als onontvankelijk, minstens ongegrond; "Verweerster in beroep te veroordelen tot het betalen van een morele schadevergoeding van 2.500 euro , minstens tot het minimum van 1.300 euro zoals voorzien in de Antidiscriminatiewet" af te wijzen als ongegrond, minstens deze te herleiden tot 1 symbolische euro; -"verweerster in beroep te veroordelen tot betaling van: 1.669,02 euro per maand vanaf 10/06/2014 als winstderving uit de directe verkoop van Dr. Schüssler celzouten van de firma's Adler en Sonnenmineral en bijhorende producten van de firma Adler. De vordering tot aanstelling van een expert op dit punt af te wijzen. Indien de rechtbank van oordeel zou zijn een expert te moeten aanstellen, alleszins provisioneel 25.000 euro toe te kennen; 2.669,02 euro per maand vanaf 10/06/2014 als schadeloosstelling wegens verlies aan verkoop voor de overige producten in de winkel van aanlegster en als kost om het verloren gegane cliënteel terug te winnen; de vordering tot aanstelling van een expert af te wijzen en zelf over te gaan tot een bepaling van de onrechtstreekse schade aan concluante bezorgd door verweerster in beroep; 3.290,30 euro verlies aan winst op de celzouten die verloren zijn gegaan bij de overstroming van de kelder van concluante; 4.528,70 euro schadevergoeding voor de door verweerster in beroep in beslag genomen celzouten" af te wijzen als ongegrond, minstens en ondergeschikt een gerechtsexpert aan te stellen teneinde de geleden schade in hoofde van A.A. te begroten; "Verweerster in beroep te veroordelen tot de kosten, de vergoedende intresten vanaf 10/06/2014 en de gerechtelijke intresten" af te wijzen als ongegrond; "Verweerster in beroep te veroordelen tot terugbetaling van de rechtsplegingsvergoeding begroot door de eerste rechter op 2.880 euro " af te wijzen als ongegrond; "Een dwangsom te bepalen van 1.000 euro per dag te rekenen vanaf één maand na het uitgesproken vonnis, indien het vonnis dan niet uitgevoerd is" af te wijzen als onontvankelijk, minstens ongegrond; "Indien het Hof tot het inzicht komt dat de definitie van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,
van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 niet verenigbaar is met de Grondwet, het Grondwettelijk Hof hieromtrent te raadplegen, hierbij eventueel en naar inzicht van het Hof de door eiseres in beroep voorbereide prejudiciële vragen te gebruiken" af te wijzen als ongegrond. Het FAGG vordert de veroordeling van A.A. tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op euro 2.880,00 per aanleg. III. DE RELEVANTE FEITEN
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.