← België

ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20210913.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 13 september 2021 ECLI nr: ECL

§ 1

houdende definitie van een homeopathisch geneesmiddel van de geneesmiddelenwet van 17 april 1964, juridisch onbestaande is, evenals, bij uitbreiding, artikel 6, § 1, zesde lid van dezelfde wet houdende machtiging aan de Koning om voor homeopathische middelen af te wijken van het gebruikelijke vergunningenstelsel voor geneesmiddelen; 3. vast te stellen dat art. 28bis, § 1 houdende definiëring van een homeopathisch geneesmiddel van het KB van 23 juni 1999 betreffende de registratie van geneesmiddelen, juridisch niet bestaande is, en dienvolgens ook het overige gedeelte van dit artikel; 4. te zeggen voor recht dat het FAGG ten onrechte de Dr. Schüssler celzouten beschouwd heeft als homeopathische producten; 5. het door FAGG opgelegde verbod om Dr. Schüssler celzouten buiten apotheken te verkopen te staken en te zeggen voor recht dat de Dr. Schüssler celzouten, ook deze die gemaakt worden volgens een homeopathische pharmacopee, inzonderheid de celzouten van de firma Adler van Oostenrijk, vrij door X mogen verkocht worden; 6. het FAGG te veroordelen tot de kosten; 7. het FAGG te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding voor morele en materiële schade; 8. het FAGG te veroordelen tot een dwangsom van 1.000 euro per dag per dag (sic) dat de inbreuk ten opzichte van X voortduurt; 9. het FAGG te veroordelen tot betaling van de gerechtelijke interesten." 5. In de loop van het geding in eerste aanleg wijzigde A.A. zijn vorderingen, breidde deze uit, en stelde hij nieuwe vorderingen. De vorderingen van A.A. in tweede en laatste syntheseconclusies strekten ertoe:

  1. a)A.A. akte te geven van de uitbreiding van zijn eis om de brief van het FAGG aan A.A. d.d. 27 oktober 2015 te vernietigen, de desbetreffende brief te vernietigen, minstens, indien de rechtbank van oordeel zou zijn hierop niet te kunnen ingaan, te zeggen voor recht dat de brief van 27 oktober 2015 van het FAGG aan A.A. als onbestaande dient beschouwd te worden, niet tegenstelbaar aan hem en niet van toepassing;
  2. b)A.A. akte te geven van de uitbreiding van zijn eis door te vorderen dat het FAGG onbevoegd was om de brief van 27 oktober 2015 aan aanlegger te schrijven, de onbevoegdheid om die brief te schrijven, uit te spreken;
  3. c)A.A. akte te geven van de uitbreiding van zijn eis door te vorderen dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat de celzouten van de firma's Adler en Sonnenmineral die A.A. kocht bij X geen homeopathische middelen zijn, dienovereenkomstig te statueren en te bepalen dat hij deze celzouten mag kopen onder de benaming Dr. Schüssler celzouten;
  4. d)vast te stellen dat artikel 1, 5 houdende de definitie van een homeopathisch middel, en bij uitbreiding het gehele hoofdstuk 2, van de Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek, onbestaande is opzichtens A.A., niet tegenstelbaar aan hem en niet van toepassing op hem;
  5. e)vast te stellen dat, bij uitbreiding, artikel 6, § 1, zesde lid van dezelfde wet houdende machtiging aan de Koning om voor homeopathische middelen af te wijken van het gebruikelijke vergunningenstelsel voor geneesmiddelen onbestaande is opzichtens A.A., niet tegenstelbaar aan hem en niet van toepassing op hem,
  6. f)vast te stellen dat art. 28bis, § 1 houdende definiëring van een homeopathisch geneesmiddel van het Koninklijk Besluit van 23 juni 1999 betreffende de registratie van geneesmiddelen, onbestaande is opzichtens A.A., niet tegenstelbaar aan hem en niet van toepassing op hem;
  7. g)te zeggen voor recht dat het FAGG ten onrechte de Dr. Schüssler celzouten beschouwt als homeopathische producten,
  8. h)het door het FAGG opgelegde verbod om Dr. Schüssler celzouten buiten apotheken te verkopen te staken en te zeggen voor recht dat de Dr. Schüssler celzouten, ook deze die gemaakt worden volgens een homeopathische pharmacopee, inzonderheid de celzouten van de firma Adler van Oostenrijk, vrij in de handel mogen verkocht worden, onder de benaming van Dr. Schüssler celzouten;
  9. i)A.A. akte te geven van de uitbreiding van zijn eis door te vorderen dat de rechtbank zou statueren voor recht dat A.A. gerechtigd is Dr. Schüssler celzouten te verkopen verkopen zoals bedoeld in art. 16, § 1, 2° van de Geneesmiddelenwet, zonder dat hem kan verweten worden geneesmiddelen te verkopen verkopen, en het feitelijk stakingsverbod jegens hemzelf op te heffen, dienovereenkomstig te statueren;
  10. j)het FAGG te veroordelen tot betaling van een morele schadevergoeding van euro 1.300,00 en een kostenvergoeding van euro 4.000,00;
  11. k)het FAGG te veroordelen tot een dwangsom van euro 1.000,00 per dag dat de inbreuk ten opzichte van X voortduurt;
  12. l)A.A. akte te geven van de uitbreiding van zijn eis tot betaling van euro 12,60 wegens niet teruggeven stukken en dienvolgens het FAGG te veroordelen tot het betalen van euro 12,60;
  13. m)het FAGG te veroordelen tot betaling van de gerechtelijke intresten;
  14. n)facultatief : het Grondwettelijk Hof prejudicieel te raadplegen en volgende vragen te stellen:

(1)Schendt art. 1,

§ 1

van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de definitie van een homeopathisch product niet vastgelegd is in de wet, vermits verwezen wordt naar fabricageprocédés in de Europese farmacopee of nationale Europese farmacopees als rechtsbron, die in alle geval dus niet in de wet te vinden zijn, terwijl vereist is dat de norm in de wet te vinden is en de fabricageprocédés bovendien geen definitie geven van een homeopathisch product en dit ook niet hoeven te doen, zodat van behoorlijke regelgeving geen sprake is?

(2)Schendt art. 1,

§ 1

van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de verwijzing naar Europese of nationale homeopathische farmacopees als rechtsbronnen strijdig is met het gelijkheidsbeginsel dat voorziet dat wetten dienen gepubliceerd te worden en deze farmacopees niet gepubliceerd worden zoals voorzien voor wetten, zodat van behoorlijke regelgeving geen sprake is?

(3)Schendt art. 1,

§ 1

van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de verwijzing naar Europese of nationale farmacopees onvoldoende precies is om de rechtsonderhorigen toe te laten hun gedrag aan te passen, doordat onduidelijk is welke farmacopee(en?) dienen geraadpleegd te worden, terwijl dit absoluut nodig is om de rechtsonderhorigen toe te laten hun gedrag te regelen en er dus ook geen sprake is van behoorlijke of zorgvuldige regelgeving?

(4)Schendt art. 1,

§ 1

van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees, inhouden dat de bronnen waarnaar verwezen wordt, in de feiten bronnen zijn die in voortdurende verandering zijn of kunnen zijn, terwijl de rechtsonderhorigen recht hebben op een vaststaande wetgeving, zodat er niet alleen geen sprake is van een behoorlijke regelgeving, maar evenmin van een zorgvuldige regelgeving?

(5)Schendt art. 1,

§ 1

van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees vereisen dat de Belgische rechtsonderhorigen alle Europese talen machtig zijn, terwijl van hen enkel kan gevraagd worden dat zij hetzij Nederlandstalig, Franstalig of Duitstalig zijn; het niet redelijk is van hen te vragen dat zij alle Europese talen machtig zijn, en indien dit toch zou gevraagd worden dit een nieuwe discriminatie inhoudt, ditmaal op basis van fortuin, omdat de Belgen dan verplicht zouden worden deze farmacopees te laten vertalen op hun kosten en deze discriminatiegrond uitdrukkelijk voorzien is in de wet (artikel 3 van de Antidiscriminatiewet van 10 mei 2007)?

(6)Schendt art. 1,

§ 1

van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees, vereisen dat om kennis te nemen van die farmacopees de rechtsonderhorigen dienen te weten welke instantie in Europa en welke instantie in ieder Europees land verantwoordelijk is voor die farmacopees en waar deze instanties precies gevestigd zijn, zodat hiermee contact kan opgenomen worden, en hoe zij er zeker van kunnen zijn dat zij de in voege zijnde farmacopee kunnen raadplegen en volgen, vermits deze farmacopees aan voortdurende verandering onderhevig zijn, terwijl deze feitelijke kennis niet van de rechtsonderhorigen kan gevraagd worden, minstens onredelijk is, en zeker niet in overeenstemming met de legitieme verwachtingen van de rechtsonderhorigen?

(7)Schendt art. 1,

§ 1

van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees vereist dat, om deze farmacopees te raadplegen, de rechtsonderhorigen zich deze farmacopees persoonlijk dienen aan te schaffen en te blijven aanschaffen, vermits deze farmacopees zelfs niet in gespecialiseerde universitaire bibliotheken te raadplegen zijn, terwijl zij niet de verplichting hebben om vermogend te zijn om de wetten te kunnen kennen, discriminatiegrond die overigens uitdrukkelijk opgenomen is in artikel 3 van de Antidiscriminatiewet van 10 mei 2007; het bovendien volstrekt onredelijk is dit te eisen van de rechtsonderhorigen, en er geen redelijke verantwoording is die afbreuk doet aan deze legitieme verwachtingen van de rechtsonderhorigen?

(8)Schendt art. 1,

§ 1

van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees het in de praktijk mogelijk maken om zowel producten te maken die beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product, als producten te maken die totaal niet beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product, terwijl aldus ongelijke producten gelijk behandeld worden en er bij de rechtsonderhorigen een niet toegelaten en onwenselijke rechtsonzekerheid ontstaat over de aard van het product, die zeker niet voldoet aan hun legitieme verwachtingen?

(9)Schendt art. 1,

§ 1

van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees het in de praktijk mogelijk maken om zowel producten te maken die beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product als producten die totaal niet beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product en het ook niet zijn, en dus ook het wettelijk statuut van de producten vastleggen die niet beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product, terwijl beide producten, die als energetische producten zouden kunnen gekenmerkt worden doordat zij met hoge tot uiterst hoge verdunningen van een stof werken - hetgeen een totaal nieuw gegeven is in de aard van aangeboden producten in de westerse samenleving en tot nu toe aan de aandacht van de wetgever ontsnapt is -, en in ieder geval naar bereiding en werking fundamenteel verschillen van de wettelijk gekende productcategorieën: geneesmiddel, voedingssupplement en voeding, in hun aanwending een geëigend wettelijk kader behoeven dat momenteel ontbreekt, doordat art. 1,

§ 1

van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 als onbestaande of niet toepasselijk moet worden beschouwd, en bovendien in haar huidige vorm dient beschouwd te worden als een inlijving van homeopathische producten en Dr. Schüssler celzouten in de bestaande traditionele westerse geneeskunde, die volgens geheel andere wetmatigheden naar mensbeeld, methodiek, techniek en productkwaliteit werkt en in essentie gebaseerd is op een louter intellectuele logica die kan samengevat worden als: indien een verschijnsel/bewering niet kan vastgesteld worden volgens de gangbare wetenschappelijke normen, kan deze bewering/dit product niet toegelaten worden tot de geneeskunde, dan de bestaande homeopathiewetgeving, waarvan de logica kan omschreven worden als een steun aan de aanwezige levenskrachten en dus vitalistisch is van basisopvatting in tegenstelling tot de westerse geneeskunde die wetenschappelijk is van opvatting, en deze inlijving des te sterker naar voor komt in het licht van het Koninklijk Besluit van 26 maart 2014 betreffende de uitoefening van de homeopathie dat de uitoefening van de homeopathie voorbehoudt aan een beperkt aantal met name genoemde gediplomeerden, die om de homeopathie te mogen uitoefenen een langdurige bijkomende opleiding dienen te volgen die enkel door universiteiten en hogescholen mag aangeboden worden, maar die nog steeds niet door één enkele universiteit of hogeschool aangeboden wordt om de simpele reden dat deze opleidingen totaal niet passen in opleidings- en onderwijslogica van het hoger onderwijs, te verstaan als wetenschappelijke of op wetenschap gebaseerde opleidingen, en aldus de uitoefening van de homeopathie tot uitsterven gedoemd is, terwijl het opzet van de homeopathiewetgeving net is om ook deze vorm van gezondheidszorg aan te bieden ?

(10)Schendt art. 1,

§ 1

van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gecombineerd met artikel 19 van de grondwet en artikel 9 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees het in de praktijk mogelijk maken om zowel producten te maken die beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product als producten die totaal niet beantwoorden aan de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product zoals de Dr. Schüssler celzouten, terwijl de homeopathische producten volgens de algemeen aanvaarde definitie van een homeopathisch product voortkomen en werkzaam zijn op een gebied dat men als antroposofisch zou kunnen omschrijven, terwijl de Schüssler celzouten een strikt wetenschappelijke basis hebben ?

(11)Schendt art. 1,

§ 1van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 art.

23 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat zij producten die precies de ontwikkeling van de gezondheid tot doel hebben zoals homeopathische producten en celzouten, en in se onschadelijk zijn, onder te brengen in een wetgeving waar de schadelijkheid van de aangeboden producten een hoofdbekommernis is, minstens de afweging tussen het therapeutisch nut en de schadelijkheid vooropstaat, terwijl zij zodoende deze producten onttrekt aan het gezondheidsbeleid en de handel in gezonde en gezondheidsproducten, en terwijl zij zodoende ook voor de burgers die op zoek zijn naar gezonde en gezondheidsproducten binnen het daartoe bestaande en geëigende circuit, aan het zicht onttrokken worden en niet de normale verspreiding kennen en zodoende zonder redelijke verantwoording aan de aan de legitieme verwachtingen van de burgers onttrokken wordt?

(12)Schendt art. 1,

§ 1

van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gecombineerd met artikel 19 van de grondwet en artikel 9 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en art 23 van de Grondwet al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat zij producten die precies de ontwikkeling van de gezondheid tot doel hebben zoals homeopathische producten en celzouten, en in se onschadelijk zijn, onder te brengen in een wetgeving waar de schadelijkheid van de aangeboden producten een hoofdbekommernis is, minstens de afweging tussen het therapeutisch nut en de schadelijkheid vooropstaat, en zodoende deze producten onttrekt aan het gezondheidsbeleid en de handel in gezondheidsproducten, waardoor zij voor de burgers die op zoek zijn naar gezonde producten binnen het daartoe bestaande en geëigende circuit, aan het zicht onttrokken worden en niet de normale verspreiding kennen (schending art. 23 Grondwet), temeer daar homeopathische producten en celzouten ongelijksoortige producten zijn naar aard en werking (schending art. 10 en 11 van de Grondwet), en vanuit andere mensbeelden vertrekken en ook werkzaam zijn (schending art. 19 Grondwet) en eigenlijk als geheel een geëigend wettelijk kader behoeven (schending art. 10 en 11 van de Grondwet)?

(13)Schendt art. 1,

§ 1

van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, en al dan niet gecombineerd met artikel 1 van het eerste protocol bij het Europees verdrag voor de rechten van de mens, dit in samenhang met artikel 14 van hetzelfde verdrag, en al dan niet gecombineerd met artikel 16 van de Grondwet, doordat deze wet het mogelijk maakt om goederen, die volgens de letterlijke bepalingen van deze wet zouden kunnen bestempeld worden als homeopathische producten, terwijl zij het in werkelijkheid niet zijn, zoals de Dr. Schüssler celzouten, in beslag te nemen en te vernietigen indien zij aangeboden worden buiten de apotheek, terwijl het eigendomsrecht onschendbaar is en enkel onder welbepaalde strikte wettelijke voorwaarden kan ingeperkt worden die hier niet voorhanden zijn vermits Dr. Schüssler celzouten geen homeopathische producten zijn ?

(14)Schendt art. 1,

§ 1

van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, en al dan niet gecombineerd met de vrijheid van handel en nijverheid, door producten, zoals Dr. Schüssler celzouten, onder te brengen onder de homeopathiewetgeving, en die dan omwille van hun aangevoerde kwalificatie als homeopathisch product enkel in de apotheek mogen verkocht worden, zonder dat daar enige noodzaak toe bestaat vermits Dr. Schüssler celzouten geen homeopathische producten zijn, en vermits een Dr. Schüssler celzout binnen de bestaande wetgeving te definiëren valt als voedingsmiddel, minstens in een nieuwe wetgeving zou dienen ondergebracht worden samen met homeopathische producten omdat beide producten gemaakt worden op basis van uiterst minieme hoeveelheden en beroep doen op de natuurlijke helingskracht van de mens, er dus een beperking ingevoerd wordt die kennelijk onevenredig is met het nagestreefde doel uit de geneesmiddelenwetgeving namelijk geneesmiddelen uitsluitend aanbieden in een apotheek, terwijl de geneesmiddelenwetgeving een zeer strenge wetgeving is naar procedures en sancties en bovendien erg duur om in aanmerking te komen als geneesmiddel, dit alles omwille van de aard van het geneesmiddel, terwijl de voedingsmiddelenwetgeving hierin veel soepeler is en ook bijna kosteloos, dit alles ook weer omwille van de aard van een voedingsmiddel?

  1. o)In uiterst ondergeschikte orde, het Hof van Justitie prejudicieel te raadplegen met volgende vraagstelling: "Is een beslissing van een administratieve overheid rechtsgeldig indien zij bepaalt dat een product, dat geen geneesmiddel of homeopathisch middel is, maar wel een voedingsmiddel of voedingssupplement, niet mag vermelden in haar etikettering dat het om een Dr. Schüssler celzout hetzij om een Schüssler celzout gaat, en alle mogelijke verwijzingen naar Dr. Schüssler dienen weggelaten te worden, strijdig met de artikelen 3, 7 en 17 van de Europese verordening nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van Europa van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten en van artikel 2 van de Europese richtlijn 2002/46/EG betreffende de voedingssupplementen, terwijl dit de gebruikelijke benamingen zijn van dit product en zodoende de consument in misleiding gebracht wordt indien deze benaming niet gebruikt mag worden?"
  2. p)het FAGG te veroordelen tot de kosten, tot op heden begroot op euro 262,36 dagvaarding en rolrecht. 6. Het FAGG besloot tot de afwezigheid van rechtsmacht, dan wel onbevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken met betrekking tot de vorderingen hierboven omschreven onder (a), (b), (c), (d), (
  3. e)en (f), in ondergeschikte orde tot de onontvankelijkheid van deze vorderingen in hoofde van A.A., en in uiterst ondergeschikte orde de ongegrondheid van deze vorderingen. Het FAGG besloot in hoofdorde tot de onontvankelijkheid van alle overige vorderingen wegens gebrek aan persoonlijk en rechtstreeks belang, ondergeschikt tot de ongegrondheid van deze vorderingen. Voor zover een dwangsom zou worden opgelegd, verzocht het deze te herleiden tot euro 100,00 per dag. Het FAGG verzocht de rechtbank A.A. te veroordelen tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op euro 2.400,00 rechtsplegingsvergoeding (maximumbedrag). 7. Bij het bestreden vonnis van 28 september 2018 heeft de eerste rechter zich deels zonder rechtsmacht verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van A.A. en voor het overige de vorderingen van A.A. deels onontvankelijk en deels ongegrond verklaard. A.A. werd veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van het FAGG begroot op euro 2.400,00 rechtsplegingsvergoeding. 8. In hoger beroep vordert A.A. het bestreden vonnis te hervormen en vraagt hij volgende vorderingen ontvankelijk en gegrond te verklaren: "1. Appellant vordert dat het Hof voor recht zegt dat het zich bevoegd verklaart en de rechtsmacht heeft om uitspraak te doen over de vorderingen die ertoe strekken om art. 1, 5 en hoofdstuk 2 van de Europese richtlijn 2001/83 en artikel 1,

paragraaf 1 van de Geneesmiddelenwet en artikel 28bis van het Koninklijk Besluit van 23 juni 1969 onbestaande jegens appellant of niet van toepassing te verklaren en niet tegenstelbaar aan appellant.

  1. Appellant vordert dat het Hof zegt voor recht dat de celzouten van de firma Adler die appellant kocht bij X geen homeopathische middelen zijn, dienovereenkomstig te statueren en te bepalen dat hij deze celzouten mag kopen onder de benaming Dr. Schüssler celzouten.
  2. Appellant vordert dat het Hof zou zeggen voor recht dat de celzouten van de firma Sonnenmineral mogen verkocht worden onder de benaming Dr. Schüssler celzouten en dat hij deze mag kopen onder de benaming Dr. Schüssler celzouten.
  3. Appellant vordert dat het Hof zegt voor recht dat het door geïntimeerde opgelegd verbod om Dr. Schüssler celzouten buiten apotheken te verkopen, dient gestaakt te worden en te zeggen voor recht dat de Dr. Schüssler celzouten, ook deze die gemaakt worden volgens een homeopathische farmacopee, inzonderheid de celzouten van de firma Adler van Oostenrijk, door hemzelf als aangestelde vrij in de handel mogen verkocht worden, onder de benaming van Dr. Schüssler celzouten.
  4. Appellant vordert dat het Hof zou zeggen voor recht dat hij gerechtigd is Dr. Schüssler celzouten te verkopen, zoals bedoeld in art. 16, § 1, 2° van de Geneesmiddelenwet, zonder dat hem kan verweten worden geneesmiddelen te verkopen en het feitelijk stakingsverbod jegens hemzelf op te heffen.
  5. Appellant vordert dat, indien het Hof oordeelt dat de definitie van een homeopathische product, zoals vastgelegd in art. 1,

de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, onwettig is, dat het Hof het Hof van Justitie raadpleegt over deze vraag.

  1. Indien het Hof het nuttig oordeelt, hetzij het Hof van Justitie, hetzij het Grondwettelijk Hof, volgende prejudiciële vragen te stellen: 7.
  2. Over de schending van de publicatievereisten voor wetten gecombineerd met het gelijkheidsbeginsel: a) Schendt art. 1,

§ 1

van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 artikel 190 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel: doordat de definitie van een homeopathisch product niet vastgelegd is in de wet, vermits verwezen wordt naar fabricageprocédés in de Europese farmacopee of nationale Europese farmacopees in Europa als definitie van een homeopathisch product, dit dus een norm is die gericht is op de vereiste kwaliteit van een homeopathisch middel; de fabricageprocédés bovendien geen definitie geven van een homeopathisch product en dit ook niet hoeven te doen, terwijl vereist is dat de voor de burgers bestemde norm in de wet te vinden is en zodanig geformuleerd is dat de burgers er zich naar kunnen richten; zodat van behoorlijke regelgeving geen sprake is en voor een categorie van burgers de toegang tot wetten en andere rechtsregels moeilijker wordt gemaakt dan voor andere burgers die de voor hen bestemde norm wel in de wet terugvinden? b) Schendt art. 1,

§ 1

van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 artikel 190 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met artikel 33 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel: doordat de verwijzing naar Europese of nationale homeopathische farmacopees als rechtsbronnen om uit te maken of een product al dan niet homeopathisch is, de farmacopeeschrijvers de bevoegdheid geeft om normen te bepalen waarnaar de burgers zich dienen te richten, terwijl deze bevoegdheid alleen wetgevers toebehoort en hun besluiten dienen gepubliceerd te worden zoals dat voor wetten het geval is en farmacopees niet gepubliceerd worden zoals wetten, zodat van behoorlijke regelgeving geen sprake is en voor een categorie van burgers de toegang tot wetten en andere rechtsregels moeilijker wordt gemaakt dan voor andere burgers die de voor hen bestemde norm wel in de wet terugvinden? c) Schendt art. 1,

de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 artikel 190 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel: doordat de verwijzing naar Europese of nationale farmacopees onvoldoende precies is om de rechtsonderhorigen toe te laten hun gedrag aan te passen, doordat onduidelijk is welke nationale of Europese farmacopee(

  1. en)dienen geraadpleegd te worden, terwijl dit absoluut nodig is om de rechtsonderhorigen toe te laten hun gedrag te regelen en er voor een categorie van burgers de toegang tot wetten en andere rechtsregels moeilijker wordt gemaakt dan voor andere burgers die de voor hen bestemde norm wel op precieze wijze in de wet terugvinden, zodat er dus ook gen sprake is van behoorlijke of zorgvuldige regelgeving?
  2. d)Schendt art. 1,

de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 artikel 190 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel: doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees inhouden dat de bronnen waarnaar verwezen wordt, in de feiten bronnen zijn die in voortdurende verandering zijn of kunnen zijn, terwijl de rechtsonderhorigen recht hebben op een vaststaande wetgeving om hun gedrag naar te richten? e) Schendt art. 1,

§ 1

van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 artikel 190 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met artikel 30 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel: doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees vereisen dat de Belgische rechtsonderhorigen alle Europese talen machtig zijn? f) Schendt art. 1,

de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 artikel 190 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel: doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees, vereisen dat om kennis te nemen van die farmacopees de rechtsonderhorigen dienen te weten welke instantie in Europa en welke instantie in ieder Europees land verantwoordelijk is voor die farmacopees en waar deze instanties precies gevestigd zijn, zodat hiermee contact kan opgenomen worden, en hoe zij er zeker van kunnen zijn dat zij de in voege zijnde farmacopee kunnen raadplegen en volgen, vermits deze farmacopees aan voortdurende verandering onderhevig zijn, terwijl deze feitelijke kennis niet van de rechtsonderhorigen kan gevraagd worden, minstens onredelijk is, en zeker niet in overeenstemming met de legitieme verwachtingen van de rechtsonderhorigen, en aan hen dus verplichtingen opgelegd worden die hen niet kunnen opgelegd worden, zodat van behoorlijke regelgeving geen sprake is en voor een categorie van burgers de toegang tot wetten en andere rechtsregels moeilijker wordt gemaakt dan voor andere burgers die de voor hen bestemde norm wel in de wet terugvinden? g) Schendt art. 1,

de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 artikel 190 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel: doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees vereisen dat, om deze farmacopees te raadplegen, de rechtsonderhorigen zich deze farmacopees hetzij persoonlijk dienen aan te schaffen en te blijven aanschaffen hetzij voor de papieren versie, hetzij voor de internetversie van deze farmacopees, vermits deze farmacopees zelfs niet in gespecialiseerde universitaire bibliotheken te raadplegen zijn, terwijl de rechtsonderhorigen niet de verplichting hebben om vermogend te zijn om de wetten te kunnen kennen - discriminatiegrond die overigens uitdrukkelijk opgenomen is in artikel 3 van de antidiscriminatiewet van 10/05/2007 - het bovendien volstrekt onredelijk is dit te eisen van de rechtsonderhorigen, en er geen redelijke verantwoording is die afbreuk doet aan deze legitieme verwachtingen van de rechtsonderhorigen, zodat van behoorlijke regelgeving geen sprake is en voor een categorie van burgers de toegang tot wetten en andere rechtsregels moeilijker wordt gemaakt dan voor andere burgers die de voor hen bestemde norm wel in de wet terugvinden? h) Schendt art. 1,

de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 artikel 190 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel: doordat de regels waarnaar verwezen wordt in de Europese of nationale homeopathische farmacopees veronderstellen dat de rechtsonderhorigen de kennis hebben om zeer gespecialiseerde werken te kunnen begrijpen en correct te kunnen interpreteren, terwijl deze gespecialiseerde kennis enkel kan verworven worden door een gespecialiseerde universitaire opleiding in de farmacie en zij deze kennis niet dienen te hebben, maar dit toch vereist wordt, zodat van behoorlijke regelgeving geen sprake is en voor een categorie van burgers de toegang tot wetten en andere rechtsregels moeilijker wordt gemaakt dan voor andere burgers die de voor hen bestemde norm wel in de wet terugvinden? i) Schendt de definitie van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,

de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik het rechtszekerheidsbeginsel, doordat de rechtszekerheid en de voorzienbaarheid aangetast worden door enerzijds te bepalen dat een homeopathisch product een product is dat gemaakt wordt volgens een in Europa vigerende homeopathische farmacopee terwijl voor de vervaardiging van dit product niet alleen gebruik dient gemaakt te worden van een in Europa vigerende homeopathische farmacopee, maar ook van een of meerdere algemene farmacopees, zodat de Europese burgers niet alleen de in Europa vigerende homeopathische farmacopees dienen te kennen, maar ook nog alle andere algemene vigerende farmacopees en hun onderlinge wisselwerking, terwijl dit niet van de burgers kan verlangd worden en zelfs niet van klassiek opgeleide apothekers? 7.2. Over de doelgerichtheid van de gegeven definitie van een homeopathisch product: Schendt de definitie van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,

de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik het gelijkheidsbeginsel, zoals o.m. neergelegd in art. 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese burgers, al dan niet gekoppeld aan het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel door een homeopathisch middel te definiëren als een middel dat volgens eender welke in Europa vigerende homeopathische farmacopee gemaakt wordt, er geen eenvoudige noch duidelijke of eenvormige definitie gegeven wordt van een homeopathisch product, terwijl het net de bedoeling was van de richtlijn om de consument zekerheid te verschaffen over de aard van het aangeboden product en hem een productnorm onthouden wordt in de wet en er dus sprake is van onzorgvuldige of onbehoorlijke wetgeving, zodat het voor de consument onduidelijk wordt en welhaast onmogelijk wordt om te weten of een product nu al dan niet homeopathisch is, vermits van de consument gevraagd wordt dat hij (waarbij al de volgende aspecten al dan niet afzonderlijk, als dan niet als een geheel dienen aanzien te worden): - alle Europese talen machtig is; - weet waar hij die farmacopees kan vinden, terwijl deze zelfs in gespecialiseerde universitaire medische bibliotheken niet te vinden zijn; - er geen helpdesk is waar hij terecht kan om correcte en actuele informatie te vinden over de publicatie van de onderscheiden Europese farmacopees; - hij deze niet kosteloos kan aanschaffen of raadplegen; - deze farmacopees niet gepubliceerd worden op een wijze die voor wettelijke voorschriften geldt; - hij bovendien niet zeker is het laatste vigerende exemplaar van die farmacopee te zien of in handen te hebben, hij dus permanent tot een onmogelijke zoekopdracht aangewezen is; - hij bovendien niet de vereiste apothekerskwaliteiten heeft om die farmacopees correct te interpreteren en hij moet vaststellen dat farmacopeeschrijvers in feite wetgevers geworden zijn zonder dat hierop democratische controle is wat hem ook in zijn waardigheid als Europese burger aantast? 7.3. Over het proportionaliteitsbeginsel 7.3.1. Over de geschiktheid van de maatregel Schendt de definitie van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,

de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik het evenredigheidsbeginsel vanuit het oogpunt van geschiktheid doordat enerzijds het de bedoeling van de richtlijnen in verband met homeopathie was de consument in de eerste plaats duidelijkheid te verschaffen over de aard van een homeopathisch middel en anderzijds geen heldere normatieve definitie van dit product op te nemen in de richtlijn en zich anderzijds te beperken tot technisch-kwalitatieve vereisten? 7.3.2. Over de noodzakelijkheidsvereiste a) Schendt de definitie van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,

de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik het noodzakelijkheidsprincipe vastgelegd in het proportionaliteitsbeginsel, door Dr. Schüssler celzouten te laten aanzien als homeopathische producten doordat de basisrichtlijn van 1992 uitdrukkelijk erkent dat de homeopathie in opmars is en dat de consumenten op de eerste plaats duidelijk dienen ingelicht te worden over de aard van deze producten - laatste overweging die ook overgenomen wordt door de richtlijn van 2001 - en dus mag aangenomen dat alle niet homeopathische producten niet onder de homeopathiewetgeving mogen vallen, terwijl dat volgens de vastgelegde definitie wel het geval is, daar Dr. Schüssler celzouten niet homeopathisch werken en dus ook geen homeopathische middelen zijn? b) Schendt de definitie van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,

de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik het noodzakelijkheidsprincipe vastgelegd in het proportionaliteitsbeginsel, door de homeopathie in te lijven in de reguliere geneeskunde, terwijl het gaat om twee totaal verschillende behandelingswijzen die - om tot hun recht te komen - ieder een eigen geëigend wetgevend kader verdienen, zodat er dus geen sprake van kan zijn dat de gegeven definiëring van een homeopathisch product de noodzakelijkheidsvereiste eerbiedigt door de homeopathie in te lijven in de reguliere geneeskunde en daardoor de vrijheid van mening, overtuiging en godsdienst geschonden worden, te meer omdat de gegeven definiëring van een homeopathisch product gemakkelijk kan vervangen worden door een andere bepaling dat hetzelfde nuttige effect zou hebben ten aanzien van het gestelde doel en minder nadelig zou zijn voor een ander door het Unierecht beschermd doel of belang en alleszins er niet toe zou leiden dat Dr. Schüssler celzouten als homeopathische middelen zouden aanzien worden? c) Schendt de definitie van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,

de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik de vrijheid van meningsuiting, geweten en eredienst, door de homeopathie in te lijven in de reguliere geneeskunde, door alle hierna opgesomde elementen samen genomen, hetzij ieder van hen afzonderlijk: - de basis van de reguliere westerse geneeskunde wetenschappelijk is en dus louter verstandelijk, zodoende vitalistisch georiënteerde behandelingswijzen en natuurgeneeswijzen uitsluit, en dus uitgaat van een totaal andere mensvisie, wat gevolgen heeft voor de verschillende benadering van arts, patiënt, methodiek, techniek en prijs van het product: een energetisch "mannelijke" benadering tegenover een energetisch "vrouwelijke" benadering die zelfs doorgetrokken wordt on een officiële "erkenning" van de beoefening van de homeopathie die echter in de feiten tot het uitsterven van het beroep van homeopaat leidt; - de apotheek en de apotheker, waar alleen nog homeopathische producten mogen verkocht worden, geen ondersteunende omgeving zijn voor de verkoop van homeopathische producten, doordat beiden op wetenschappelijke basis functioneren, dit wil zeggen analytisch en dus niet ondersteunend kunnen zijn voor andere vormen van behandelingen die een holistische/vitalistische grondslag hebben; - de apotheek, door het aanbrengen van een groen gelijkbenig kruis als uithangbord, bovendien expliciet aangeeft godsdienstig van aard te zijn, zij het niet in de traditionele betekenis, maar in de zin van wetenschap als religie en de consumenten niet kunnen verplicht worden in een inrichting die niet levensbeschouwelijk neutraal is, hun aankopen te doen; - door het enkele feit dat homeopathische producten verkocht worden in een apotheek deze producten aan kwaliteitsverlies lijden, omdat de ganse apotheek doordrongen is van producten en personeel dat wetenschappelijk van aard of opleiding is en dus een sterke "mannelijke" energie heeft, terwijl homeopathische producten kunnen beschouwd worden als "vrouwelijk" van energie, zodat hun vrouwelijke kwaliteit aangetast wordt door het overwicht van mannelijke energie en het een essentiële doelstelling is van de homeopathierichtlijn om kwaliteit te waarborgen? - de richtlijn impliciet aanleiding geeft of kan geven door zelf het wetenschappelijk denken overheersend te maken door zowel de homeopathie in te lijven in de reguliere geneeskunde, als door een normatieve bepaling van homeopathie een productiewijze voorop te stellen, als door een Belgische wetgeving op de uitoefening van de homeopathie tot stand te brengen die de uitoefening van de homeopathie toevertrouwt aan hoger wetenschappelijk onderwijs waardoor het niet georganiseerd wordt, de uitoefening van het beroep slechts in beperkte mate toelaat zodat de homeopathie tot uitsterven gedoemd is, waardoor het wetenschappelijk denken via een omweg toch weer volledig in ere hersteld wordt; - de richtlijn impliciet intreedt in de "veel"-logica van de reguliere geneesmiddelen, zodat het "weinig tot zeer weinig"-middel dat de Dr. Schüssler celzouten zijn, alhoewel wetenschappelijk van onderbouwing, eveneens, zeker in de Belgische context, zoals de homeopathie uit de markt wil weren, omdat de Dr. Schüssler celzouten een bedreiging vormen voor het klassieke wetenschappelijk denken inzake geneesmiddelen, terwijl de vrijheid van mening, geweten en godsdienst een van de belangrijkste te beschermen grondrechten is, zodat er dus geen sprake van kan zijn dat de gegeven definiëring van een homeopathisch product de noodzakelijkheidsvereiste eerbiedigt, omdat de gegeven definiëring van een homeopathisch product kan vervangen worden door een andere - overigens algemeen aanvaarde - definitie van een homeopathisch product dat hetzelfde nuttige effect zou hebben ten aanzien van het gestelde doel en minder nadelig zou zijn voor een ander door het Unierecht beschermd doel of belang en bovendien in onderhavige betwisting niet-homeopathische middelen als Dr. Schüssler celzouten toch homeopathisch laten verklaren? 7.3.3. Over de vergelijkbaarheidstoets Schendt de definitie van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,

de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de overeenkomstige bepalingen in de Belgische geneesmiddelenwetgeving het gelijkheidsbeginsel vanuit het oogpunt van vergelijkbaarheid door het mogelijk te maken dat twee totaal verschillende producten, de Dr. Schüssler celzouten en homeopathische producten, op dezelfde wijze te behandelen, zodat verschillende gevallen op gelijke wijze behandeld worden wat niet toegelaten is? 7.3.4. Over de objectiviteitstoets Schendt de definitie van een homeopathisch product zoals vastgelegd in art. 1,

de Richtlijn 2001/83/EG van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair bestek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de overeenkomstige bepalingen in de Belgische geneesmiddelenwetgeving het gelijkheidsbeginsel vanuit het oogpunt van objectiviteit doordat voor de gelijkschakeling van een homeopathisch product met een Dr. Schüssler celzout geen objectief criterium gehanteerd wordt dat steunt op een feitelijke en vanzelfsprekende vaststelling, terwijl het aangewende criterium voor gelijkstelling een wettekst is die niet steunt op feitelijke en vanzelfsprekende vaststellingen, omdat beide producten totaal verschillend zijn van aard en werking? 7.3.5. Over de doelgerichtheidstoets Schendt art. 1,

de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel en al dan niet gecombineerd met de vrijheid van handel en nijverheid, door producten, zoals Dr. Schüssler celzouten, onder te brengen onder de homeopathiewetgeving en hen omwille van hun aangevoerde kwalificatie als homeopathisch product enkel in de apotheek verkoopbaar te stellen, zonder dat daar enige noodzaak toe bestaat, vermits Dr. Schüssler celzouten geen homeopathische producten zijn, en binnen de bestaande wetgeving te definiëren vallen als voedingsmiddel, mogelijk zelfs in een nieuwe wetgeving zouden dienen ondergebracht te worden, samen met homeopathische producten, omdat beide producten gemaakt worden op basis van uiterst minieme hoeveelheden en beroep doen op de natuurlijke helingskracht van de mens en dus wezenlijk anders zijn dan de reguliere geneeskundige die allopathisch van aard is, er dus een beperking ingevoerd wordt die kennelijk onevenredig is met het nagestreefde doel uit de geneesmiddelenwetgeving, namelijk uitsluitend geneesmiddelen aanbieden in een apotheek, en de aard van de geneesmiddelen wezenlijk verschillend is van homeopathische producten, daar geneesmiddelen gebaseerd zijn op de farmacologische werking van de actieve bestanddelen van het geneesmiddel, terwijl dit begrip volslagen onbekend is in de homeopathie en onvoldoende werkzaam is voor celzouten om te kunnen spreken van een geneesmiddel? 7.4. Over de schending van het recht op gezondheid Schendt art. 1,

de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 art. 23 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat zij producten die precies de ontwikkeling van de gezondheid tot doel hebben, zoals homeopathische producten en celzouten, en in se onschadelijk zijn, onder te brengen in een wetgeving waar de schadelijkheid van de aangeboden producten een hoofdbekommernis is, minstens de afweging tussen het therapeutisch nut en de schadelijkheid vooropstaat, terwijl zij zodoende deze producten onttrekt aan het gezondheidsbeleid en de handel in gezonde en gezondheidsproducten, en terwijl zij zodoende ook voor de burgers die op zoek zijn naar gezonde en gezondheidsproducten binnen het daartoe bestaande en geëigende circuit, aan het zicht onttrokken worden en niet de normale verspreiding kennen en zodoende zonder redelijke verantwoording aan de legitieme verwachtingen van de burgers onttrokken wordt? 7.5. Over de mogelijke schending van het eigendomsrecht Schendt art. 1,

§ 1

van de Geneesmiddelenwet van 17 april 1964 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met het rechtzekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, en al dan niet gecombineerd met artikel 1 van het eerste protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dit in samenhang met art. 14 van hetzelfde verdrag, en al dan niet gecombineerd met artikel 16 van de Grondwet, doordat deze wet het mogelijk maakt om goederen, die volgens de letterlijke bepalingen van deze wet zouden kunnen bestempeld worden als homeopathische producten, terwijl zij het in werkelijkheid niet zijn, zoals de dr. Schüssler celzouten, in beslag te nemen en te vernietigen indien zij aangeboden worden buiten de apotheek, terwijl het eigendomsrecht onschendbaar is en enkel onder welbepaalde strikte wettelijke voorwaarden kan ingeperkt worden die hier niet voorhanden zijn, vermits Dr. Schüssler celzouten geen homeopathische producten zijn en het bevraagde wetsartikel als onwettig kan worden beschouwd? 8. Appellant akte te geven van de uitbreiding van zijn vordering: appellant vordert dat het Hof FAGG onbevoegd verklaart om uitspraken te doen of handelingen te stellen op basis van § 1 van art. 1,

de Geneesmiddelenwet.

  1. Geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een morele schadevergoeding van 1.300 euro in toepassing van de antidiscriminatiewet en een kostenvergoeding van 4.000 euro .
  2. Geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de gerechtelijke interesten.
  3. Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten, tot op heden begroot op 262,36 euro dagvaarding en rolrecht in eerste aanleg, 327,80 euro betekeningskosten van het vonnis a quo, en in zover het hoger beroep gegrond verklaard wordt, tot terugbetaling van de rechtsplegingsvergoeding ten belope van 2.400 euro zoals begroot door de eerste rechter en 230 euro rolrecht en kosten in hoger beroep."
  4. Het FAGG vraagt de beroepsakte nietig te verklaren, minstens het hoger beroep ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen. Minstens en ondergeschikt, vraagt het FAGG dat het hof zich voor een aantal vorderingen zonder rechtsmacht, minstens onbevoegd zou verklaren. Wat de overige vorderingen betreft, besluit het FAGG tot de onontvankelijkheid, minstens tot de ongegrondheid ervan. Het FAGG vraagt de prejudiciële vraagstelling te verwerpen als onontvankelijk, minstens als ongegrond of te oordelen dat deze niet nuttig en noodzakelijk is ter beslechting van het geschil. Het FAGG vordert de veroordeling van A.A. tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op euro 2.400,00 per aanleg. IV. DE RELEVANTE FEITEN
  5. De eerste rechter heeft de relevante feiten op deugdelijke en pertinente wijze samengevat. Het hof maakt zich deze samenvatting eigen: "
  6. A.A. is de partner van A.B.. A.B. drijft handel onder de benaming X. Op 15 mei 2014 begaven inspecteurs van het FAGG zich naar X, hierna "X". Zij troffen in de winkelruimte een hoeveelheid producten aan, genaamd "Schüsslerzouten" van de merken Adler Pharma en Sonnenmineral. In de rekken troffen zij tevens een aantal tekstbordjes en folders aan die deze Schüsslerzouten voorstelden als hebbende een therapeutische of profylactische werking. Het FAGG verwijderde deze teksten en nam ze in beslag (zie omschrijving "16 etiketten met medische claims aanwezig in de winkelrekken", en "cursus bloesemremedies en celzouten"). Op 4 juni 2014 begaven de inspecteurs van het FAGG zich nogmaals naar X. Zij verklaarden na nader onderzoek te hebben vastgesteld dat deze Schüsslerzouten moeten worden beschouwd als een homeopathisch geneesmiddel in de zin van artikel 1 van de wet op de geneesmiddelen van 24 maart 1964, dat een homeopathisch geneesmiddel definieert als "Elk geneesmiddel dat volgens een in de Europese Farmacopee of, bij ontstentenis daaraan, in de in de lidstaten officieel in gebruik zijnde farmacopees beschreven homeopathisch fabricageprocédé uit substanties, genaamd homeopathische stamproducten, wordt verkregen. Een homeopathisch geneesmiddel kan verscheidene actieve substanties bevatten." Het FAGG nam de in de winkel aanwezige celzouten van het merk Adler Pharma en Sonnenmineral in beslag. De firma Adler verklaart op haar website: "Adler Pharma Production en Vertrieb GmbH staat voor celzouten van topkwaliteit uit lokale productie (...) Onze kwaliteit van celzouten wordt gegarandeerd via de productie door GMP (Good Manufacturing Practice) volgens de voorschriften van HAB (Homöopatisches Arzneibuch)" (vrije vertaling FAGG). Bij e-mail van 4 juni 2014 betwistte A.B. de inbeslagname van producten van Sonnenmineral, aangezien deze fabrikant op zijn eigen website aangaf dat het gaat om levensmiddelen, en verzocht zij om teruggave van de inbeslaggenomen producten. Tevens betwistte zij het standpunt dat Adler celzouten homeopathische geneesmiddelen zouden zijn, onder verwijzing naar de verklaringen van de officiële verdeler van Adler celzouten dat het niet ging om producten met homeopathische werking, en verklaarde zij te goeder trouw te zijn. Bij e-mail van 6 juni 2014 lichtte het FAGG toe aan X dat de producten Sonnenmineral in beslag werden genomen om dezelfde reden als de producten van de firma Adler, namelijk gelet op de vermelding op het etiket "Celzoutpoeder gemaakt volgens de originele receptuur van Dr. Schüssler". Op 10 juni 2014 maakte het FAGG een "waarschuwing" over aan X, ter attentie van A.B., wegens inbreuken op de artikelen 6 en 16, § 1, 2° van de wet op de geneesmiddelen van 25 maart 1964 (hierna: de Geneesmiddelenwet) door het aankopen, bezitten, verkopen, te koop aanbieden, afleveren, leveren, verdelen, verschaffen, in- of uitvoeren van geneesmiddelen die niet conform de bepalingen van de wet op de geneesmiddelen of haar uitvoeringsbesluiten zijn. Het FAGG verklaarde met name dat de celzouten niet bestemd zijn voor de Belgische markt, en zij slechts in de handel kunnen worden gebracht in België nadat een vergunning voor het in de handel brengen volgens artikel 6 van de Geneesmiddelenwet ("registratie") werd verkregen. Daarnaast vestigde het FAGG de aandacht van X erop dat het afleveren van geneesmiddelen beschouwd wordt als onwettige uitoefening van het beroep van apotheker, in strijd met artikel 4, § 1 van het KB nr. 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen van 10 november 1967 (hierna: het KB nr. 78). Bij herhaalde inbreuken zou een proces-verbaal worden opgesteld, en zou het dossier worden overgemaakt aan de leidende ambtenaar voor het innen van een boete.
  7. In de loop van de daaropvolgende maanden werden verschillende e-mails uitgewisseld tussen partijen. X betwistte de kwalificatie van celzouten als homeopathisch geneesmiddel. Het FAGG bleef bij het standpunt dat alle celzouten die bereid zijn volgens de receptuur van Dr. Schüssler homeopathische geneesmiddelen zijn, onder verwijzing naar de website van de firma Adler en de eigen argumentatie van X, waaruit blijkt dat de celzouten door haar worden voorgesteld als geneesmiddelen, gebruikt bij de behandeling van fysieke klachten, teneinde fysiologische functies te herstellen, gekoppeld aan een onderliggende organische oorzaak. Bij brief van 10 september 2015 verzocht A.B. het FAGG om zijn beslissing inzake het statuut van de celzouten van de firma Sonnenmineral te herzien. Als bijlage bij haar e-mail voegde zij een verklaring van de A.C. van Sonnenmineral van 4 september 2015, waarin deze verklaarde (letterlijke weergave van de vrije vertaling uit het Duits door eiser): "Verklaring betreffende het fabricageproces van "Sonnenmineral"- Melksuiker met mineraalstoffen. De door mij gemaakte verwrijvingen van melksuiker met verscheidene mineraalstoffen onderscheiden zich een beetje van de in het Homeopathisch Artsenijboek (HAB) beschreven bereidingswijze (Pharmacopee - Homeopathisch Artsenijmiddelenboek HAB 2). Mijn bereidingswijze oriënteert zich sterk aan de methode van Samuel Hahnemann, die in het "Organon" beschreven is.

(1)Ik gebruik gekristalliseerde lactose in plaats van de gebruikelijk aangewende doorgeproeikde amorhe (sic) lactose. Daardoor wordt de in het Homeopathisch Arzeneimidelenboek (HAB) vereiste fijnheidsgraad (80 % onder 20ym korrelgroot(t)e) niet bereikt.
(2)De hoeveelheden bij verwrijvingen met de hand zijn groter dan 1 kg
(3)De verwrijving gebeurt in een stenenmortier, niet in een proseleinen (bedoeld wordt: "porseleinen") De bereide producten worden als voedingsmiddelen in de handel gebracht. De benaming luidt "Melksuiker met mineraalstof". Er worden geen decimaalpotenties aangegeven. De namen van de verwreven min(d)eraalstoffen worden in het duits weergegeven. De produktie staat onder controle van het Levensmiddelentoezicht. De naam "Sonnenmineral" is als merknaam beschermd door een patent". Bij brief van 3 oktober 2015 verzocht A.A., die zich in deze brief omschreef als "overtuigde gebruiker van Dr. Schüssler celzouten", om deze celzouten terug toe te laten in het gewone verkoopcircuit, en niet enkel te laten verkopen via apotheken. Hij betwistte dat deze celzouten zouden kunnen worden beschouwd als homeopathische geneesmiddelen. In het bijzonder met betrekking tot de celzouten van de firma Sonnenmineral voerde hij aan dat deze niet worden gemaakt volgens een of andere farmacopee, en zij dus geen homeopathische middelen zijn. Met betrekking tot de Adler celzouten voerde hij aan dat een celzout in tegenstelling tot een homeopathisch middel niet wordt geschud, en evenmin de ziekteverschijnselen oproept die men wil bestrijden, zodat ook deze celzouten geen homeopathische geneesmiddelen zouden uitmaken. Hij meende dat hij niet kon worden verplicht om deze celzouten tegen zijn zin in een apotheek te kopen. Bij aangetekende brief van 3 oktober 2015 verzocht X het FAGG zijn beslissing inzake het statuut van de celzouten van de firma Adler te herzien, onder verwijzing naar een attest van de firma Adler d.d. 4 september 2015, en een door A.A. opgestelde uitvoerige nota (van 124 pagina's, op 12 januari 2016 nogmaals herwerkt). De firma Adler verklaarde in een brief van 9 september 2015: "Hiermee willen we u graag informeren dat de Schüssler mineraalzouten als bedoeling hebben om het tekort van een bepaald mineraalzout te helpen corrigeren en dat ze niet werken volgens de "similia similibus currentur" regel beschreven door Hahneman" (Vrije vertaling uit het Duits door eiseres). Bij brief van 13 oktober 2015 verklaarde het FAGG zijn beslissing met betrekking tot de kwalificatie van de celzouten van de firma Sonnenmineral te herzien, in het licht van de argumenten aangevoerd door A.B., en in het bijzonder de door haar voorgelegde verklaring van A.C., die aantoont dat deze celzouten niet worden bereid volgens de procédés voorgeschreven door Dr. Schüssler. Het FAGG aanvaardde dat de celzouten van de firma Sonnenmineral niet kunnen worden beschouwd als een geneesmiddel, maar verklaarde dat elke verwijzing naar Dr. Schüssler diende te worden vermeden, aangezien de producten van Sonnenmineral niet bereid worden volgens de homeopathische procédés zoals vereist volgens de receptuur van Dr. Schüssler. Tevens verbood zij elke vermelding van therapeutische indicaties voor deze celzouten in de etikettering, folders, pamfletten, cursussen en mondelinge informatie. Aangezien deze celzouten worden beschouwd als voedingsmiddelen, raadde het FAGG A.B. aan contact op te nemen met het FAVV (het Federaal Agentschap voor de Voedselveiligheid), en wees het FAGG haar er op dat deze celzouten enkel in de handel mogen worden gebracht indien zij in overeenstemming zijn met de geldende wetgeving inzake voedingsmiddelen. Bij aangetekende brief van 26 oktober 2015, gericht aan het FAGG, verzocht A.B. het FAGG om een herziening van de beslissing om de celzouten van Adler te beschouwen als homeopathische geneesmiddelen. Zij voerde aan dat celzouten nooit worden bereid volgens homeopathische procédés, nu zij enkel zouden worden verdund (in D6 of D12), maar niet geschud en zij evenmin volgens de similia similibus regel" zouden worden bereid. A.B. verklaarde tevens dat zij van mening was dat zij de benaming "Dr. Schüssler" celzouten verder mag gebruiken aangezien elke connotatie met een homeopathisch product uitgesloten is, en zij bereid is uitdrukkelijk te vermelden op het etiket dat het niet gaat om een homeopathisch product. Zij betwistte het standpunt van het FAGG dat Sonnenmineral deze celzouten niet volgens de methode van Dr. Schüssler zou bereiden. A.B. verklaarde tot slot het wel eens te zijn met het standpunt van het FAGG inzake therapeutische indicaties, en niet kan worden gezegd dat het middel helpt tegen bv. koorts, verzakte voeten, doorbloeding, .... Bij brief van 27 oktober 2015 antwoordde het FAGG op de brief van A.A. van 3 oktober
  1. Het FAGG deelde mee dat het elk product bereid volgens de bereidingsmethodes beschreven in de "Homöopatisches Arzneibuch" (hierna HAB) beschouwt als een homeopathisch geneesmiddel, op grond van de definitie van een homeopathisch geneesmiddel in de Belgische wetgeving, gesteund op de Europese definitie van een homeopathisch geneesmiddel zoals vermeld in de richtlijn 2001/83/EC. Aangezien de celzouten van de firma Adler worden bereid volgens de bereidingsmethode van de HAB, zoals deze firma zelf vermeldt op haar website, worden deze celzouten door het FAGG aanzien als homeopathische geneesmiddelen. Bijgevolg dienen deze producten vergund of geregistreerd te worden alvorens ze op de markt kunnen worden gebracht, en is de verkoop van vergunde en geregistreerde producten beperkt tot een apotheek. Uit de informatie waarover het FAGG beschikt, blijkt dat deze producten niet over enige registratie en vergunning beschikken, zodat zij niet mogen verkocht worden op de Belgische markt. De andere producten die als celzouten verhandeld worden, maar niet worden bereid volgens een erkende farmacopee vallen niet onder de bevoegdheid van het FAGG, voor zover zij geen therapeutische indicatie claimen. Tot slot wees het FAGG A.A. op de mogelijkheid om geneesmiddelen online aan te kopen via een geregistreerde apotheek, gelet op zijn wens om geen apotheek te bezoeken. Naar aanleiding van briefwisseling uitgaande van eiser, namens X, nodigde het FAGG eiser uit om zijn standpunt namens X met betrekking tot celzouten toe te lichten op een vergadering van 12 januari 2016, waar onder meer de voorzitter van de Commissie voor homeopathische geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik, de voorzitter van de gemengde commissie en het hoofd van de cel homeopathie aanwezig waren. A.A. maakte voorafgaand aan deze vergadering een synthesenota over aan het FAGG, die op deze vergadering werd besproken. Zowel het FAGG als A.A. bleven bij hun standpunt. Het FAGG stelde tijdens deze vergadering onder meer: - celzouten hebben een andere werking dan voedsel, en dus een therapeutische werking; - deze werking komt volgens A.A. door verdunning, en deze verdunning wordt volgens de firma Adler verkregen volgens de Duitse farmacopee; - de homeopathische literatuur verwijst naar Schüssler celzouten; - een dilutie zoals D6 of D12 (in tegenstelling tot b.v. 1/1.000.000) verwijst naar een homeopathische bereidingswijze bepaald in een farmacopee, zodat deze farmacopee dient te worden gevolgd; - er is een reactie zoals bij homeopathische geneesmiddelen; - het gebruik van bepaalde celzouten wordt bepaald in functie van bepaalde symptomen en klachten, waarbij elk celzout zijn specifieke indicatie heeft: dit behoort tot de sfeer van de geneeskunde.
  2. Op 25 februari 2016 dagvaardde eiser het FAGG voor deze rechtbank, ter inleiding van huidige procedure. Eveneens in 2016 leidden eiser en A.B. een procedure in voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, zetelend in kort geding, waarbij zij onder meer de neerlegging van het volledig administratief dossier vorderden, evenals een deel van de vorderingen die thans ten gronde worden hernomen. Bij vonnis van 20 december 2016 verklaarde de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt zich territoriaal onbevoegd, en verzond hij deze zaak naar de voorzitter van deze rechtbank, die deze zaak naar de rol verzond. Op 11 mei 2017 dagvaardde A.B. het FAGG voor deze rechtbank. Deze procedure is gekend onder het AR 17/1900/A." V. BESPREKING V.
  3. Tweede middel van het FAGG: volstrekte en manifeste onduidelijkheid, zelfs onleesbaarheid van de conclusie van A.A. en de daarin gestelde prejudiciële vraagstelling
  4. Het FAGG merkt terecht op dat "het een waar titanenwerk betreft om de conclusie van appellant vooreerst te lezen en daarnaast inzicht te krijgen welke argumentatie betrekking heeft op welke vorderingen van appellant" en dat "de gestelde uitvoerige en uitgebreide prejudiciële vraagstelling bijzonder onduidelijk is en niet als prejudiciële vraagstelling kan weerhouden worden". Overeenkomstig art. 744 Ger. W. moeten de conclusies uitdrukkelijk de aanspraken van de concluderende partij bevatten, evenals de middelen die worden ingeroepen ter ondersteuning van de vordering of het verweer, waarbij in voorkomend geval verschillende middelen genummerd worden en hun voordracht in hoofdorde of in ondergeschikte orde wordt vermeld. De door A.A. neergelegde tekst van 180 pagina's, genaamd "conclusie in beroep", voldoet niet aan de wettelijke eisen ter zake. Deze tekst omvat niet op een duidelijke en begrijpbare wijze welke de middelen in feite en in rechte zijn, waarop deze procespartij haar vorderingen steunt. Het betreft een geheel onsamenhangende tekst, waarin feiten, argumenten, grieven en citaten door elkaar verweven zijn, op dergelijke wijze, dat het hof niet bij machte is de middelen in feite en in rechte waarop iedere vordering steunt, terug te vinden. Het begrip "middelen" wordt weliswaar gebruikt in de tekst, doch de tekst bevat geen "middelen" die beantwoorden aan de definitie van het begrip. Een "middel" wordt immers gedefinieerd als "een zelfstandige redenering, opgebouwd op basis van feiten (feitelijk middel) of rechtsregels (juridisch middel), die leidt naar het concrete rechtsgevolg waarop de eiser of verweerder aanspraak maakt. Het middel is als theoretisch concept te onderscheiden van het argument, d.i. een (feitelijk of juridisch) element dat het middel ondersteunt en verantwoordt" (zie: B. ALLEMEERSCH en S. VOET, "De wet «Potpourri I». Wijzigingen van het burgerlijk procesrecht", RW 2015-16, afl. 39,
(1523), 1528, nr. 16). Deze conclusie neergelegd door A.A. op 16 april 2019, wordt bijgevolg niet als een conclusie in de zin van art. 744 Ger. W. aangezien. Uit art. 780, eerste lid, 3° Ger. W. volgt dat de rechter niet verplicht is te antwoorden op een conclusie die de middelen, aangevoerd ter ondersteuning van de vordering, niet uiteenzet overeenkomstig art. 744, 3° Ger. W. Anders gesteld, beperkt art. 780, eerste lid, 3° Ger. W. de verplichting van de rechter om de middelen van de partijen te beantwoorden. Elke partij moet dus, in de regel, zich eraan verwachten dat de rechter onderzoekt of haar middelen zijn uiteengezet overeenkomstig art. 744, eerste lid, 3° Ger. W., ook als de andere partij dat niet heeft betwist. De rechter die oordeelt dat de conclusie van een partij het voorschrift van art. 744, 3° Ger. W. niet naleeft, miskent het recht van verdediging niet wanneer hij die middelen niet beantwoordt, hoewel de partijen geen debat over de kwestie hebben gevoerd (Cass. AR S.18.0056.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181210.8, 10 december 2018, JT 2019, afl. 6783, 597 en www.cass.be).
  1. Naast het gebrek aan structuur wordt de "conclusie in beroep" neergelegd door A.A., gekenmerkt door haar buitensporige lengte. De conclusie telt 180 pagina's. In de rechtsleer gaan stemmen op voor een beperking van het aantal conclusiepagina's, in overeenstemming met de Europese procedure-aanbevelingen (b.v. rules of ECHR (regels van het Europees Hof voor de echten van de Mens) 47.2.b). In geval van overschrijding van het aantal pagina's geldt geen motiveringsplicht (meer) (S. MOSSELMANS, "Conclusiepagina-beperking", RW 2017-18, afl. 37, 1442). In casu kan de buitensporige lengte van de conclusie worden gekwalificeerd als procesrechtsmisbruik. De rechter is niet gehouden op dergelijke conclusie te antwoorden. V.
  2. Ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vorderingen
  3. Het FAGG voert aan dat A.A. geen persoonlijk en rechtstreeks belang heeft bij zijn vorderingen, omdat hij nog steeds Dr. Schüssler celzouten kan kopen, onder meer in een online apotheek. Volgens het FAGG wil A.A. enkel dat zijn partner de celzouten kan verder verkopen in haar winkel, wat neerkomt op een onrechtstreeks belang. Indien A.A. zelf celzouten zou willen verkopen in de winkel van zijn partner en daaruit een inkomen zou verwerven, merkt het FAGG op dat A.A. geen handelaar is en dus op illegale wijze producten zou verkopen.
  4. A.A. is van oordeel dat hij belang heeft als consument en als verkoper van celzouten. Als consument stelt hij dat hij geen correcte informatie heeft gekregen van het FAGG en daardoor gekrenkt is in zijn eer en faam. Bovendien stelt hij dat de celzouten in een apotheek veel duurder zijn dan in de winkel van zijn partner. Als verkoper van celzouten stelt hij dat hij als aangestelde werkt in de zaak van zijn partner en door het verbod geen celzouten meer kan verkopen en bijgevolg geen inkomen meer kan verwerven.
  5. Overeenkomstig art. 17 Ger. W. kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen. Artikel 18 Ger. W. voegt daaraan toe dat het belang een reeds verkregen en dadelijk belang moet zijn. Het Gerechtelijk Wetboek zelf geeft geen omschrijving van het begrip belang. In het verslag van Koninklijk Commissaris VAN REEPHINGEN wordt het belang evenwel omschreven als "ieder materieel of moreel - daadwerkelijk, maar niet theoretisch - voordeel dat de eiser kon halen uit de vordering die hij instelde, op het ogenblik waarop hij die vordering aanhangig maakte, zelfs zo de erkenning van het recht, de ontleding of de ernst van de schade slechts komen vast te staan op het ogenblik van de uitspraak van het vonnis" (P. VANLERSBERGHE, "Artikel 17 Ger. W.", in X., Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, 2002, (Ger. W. art. 17-1) Ger. W. art. 17-9, nr. 7). De procespartij die beweert houder te zijn van een subjectief recht, heeft, ook al wordt dat recht betwist, het vereiste belang opdat zijn vordering ontvankelijk kan worden verklaard. Het onderzoek van het bestaan en de omvang van het subjectief recht dat die partij aanvoert, houdt geen verband met de ontvankelijkheid, maar met de gegrondheid van de vordering (zie o.m. Cass. AR C.16.0491.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170915.5, 15 september 2017, Jb. Markt. 2017, 436; Cass. AR C.13.0374.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151029.2, 29 oktober 2015, Arr. Cass. 2015, afl. 10, 2458, concl. C. VANDEWAL, Pas. 2015, afl. 10, 2437, TBO 2016, afl. 2, 149, concl. C. VANDEWAL en RW 2016-17 (samenvatting), afl. 6, 220, noot). A.A. beroept zich op het recht om celzouten te kunnen kopen tegen een voordelige prijs en op het recht op een inkomen uit de verkoop van celzouten. Hij heeft derhalve het vereiste belang in de zin van art. 17-18 Ger. W. De vorderingen van A.A. zijn bijgevolg ontvankelijk. V.
  6. Gegrondheid van de oorspronkelijke vorderingen - Rechtsmacht
  7. De kern van huidige betwisting betreft de kwalificatie van de Dr. Schüssler celzouten als homeopathisch geneesmiddel. Deze kwalificatie door het FAGG is gesteund op de Europese definitie van een homeopathisch geneesmiddel, zoals vermeld in de Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (Pb.L. 28 november 2001, afl. 311, 67), die de basis vormt van de definitie van een homeopathisch geneesmiddel zoals opgenomen in de Belgische wetgeving, meer bepaald: "Elk geneesmiddel dat volgens een in de Europese Farmacopee of, bij ontstentenis daarvan, in de in de lidstaten officieel in gebruik zijnde farmacopees beschreven homeopathische fabricageprocédé uit substanties, genaamd homeopathische stamproducten, wordt verkregen. Een homeopathisch geneesmiddel kan verscheidene actieve substanties bevatten." (art. 1, § 1, 5° van de Geneesmiddelenwet). Hieruit volgt dat het FAGG elk product bereid volgens de bereidingsmethodes beschreven in de "Homöopathisches Arzneibuch" (HAB) beschouwt als een homeopathisch geneesmiddel. Aangezien de celzouten van de firma Adler, zoals vermeld op de website van de firma, bereid worden volgens een bereidingsmethode van de HAB, worden deze door het FAGG gekwalificeerd als homeopathische geneesmiddelen. Bijgevolg dienen deze producten vergund of geregistreerd te worden voor ze kunnen vermarkt worden. Na vergunning of registratie is de verkoop ervan beperkt tot de apotheek. Het FAGG heeft deze kwalificatie verleend aan de Dr. Schüssler celzouten naar aanleiding van een controle in de winkel van de partner van A.A. (X). Op 4 juni 2014 werden de aanwezige celzouten in de winkel uit de rekken verwijderd en in beslag genomen door de inspecteurs van het FAGG. Bij schrijven van 10 juni 2014 werd een waarschuwing gegeven aan de partner van A.A.. A.A. heeft vervolgens briefwisseling gevoerd met het FAGG, waarin hij de kwalificatie door het FAGG heeft betwist en gesteld dat de Dr. Schüssler celzouten geen homeopathisch geneesmiddel, maar een voedingsmiddel zijn. Het FAGG heeft bij schrijven van 27 oktober 2015 gericht aan A.A., zijn standpunt nogmaals uiteengezet.
  8. Hoewel hij dit niet uitdrukkelijk vordert, lijkt de vordering van A.A. erop neer te komen de beslissing van het FAGG om de Dr. Schüssler celzouten in beslag te nemen en de partner van A.A. te waarschuwen dat het bezit, de aankoop en de verkoop van de Dr. Schüssler celzouten een strafbare inbreuk op de Geneesmiddelenwet uitmaken en het afleveren van geneesmiddelen beschouwd wordt als onwettige uitoefening van het beroep van apotheker, en de daaruit voortvloeiende brief van 27 oktober 2015 aan A.A. buiten toepassing te laten, omdat het standpunt van het FAGG foutief zou zijn. Anders gesteld, lijkt A.A. een exceptie van onwettigheid, zoals voorzien in art. 159 G.W., op te werpen.
  9. Artikel 14 van de Geneesmiddelenwet verleent aan het FAGG de bevoegdheid om toezicht uit te oefenen op de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten. Het FAGG treedt op als administratieve overheid. Het hof heeft geen rechtsmacht om - in strijd met de wet - het FAGG onbevoegd te verklaren om uitspraken te doen of handelingen te stellen op grond van de Geneesmiddelenwet (vordering 8 van A.A.).
  10. Artikel 159 G.W. luidt als volgt: "De hoven en rechtbanken passen de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen." Deze bepaling laat de rechtsprekende organen of instanties bekleed met eigenlijke rechtspraak toe een controle uit te oefenen ten aanzien van de uitvoerende macht, de ondergeschikte besturen en ruimer (nog) de administratieve overheden. Het gaat om een wettigheidscontrole, wat inhoudt dat wordt nagegaan of de administratieve overheid een juridische grondslag heeft om op te treden en of de administratieve rechtshandelingen overeenstemmen met de wetten en de rechtsnormen van gelijke of hogere rang (K. LEUS en B. MARTEL, "De wettigheidstoets van artikel 159 van de Grondwet. Procedurele benadering - de toepassing van artikel 159 G.W. als exceptie", in I. COOREMAN (ed.), De wettigheidstoets van artikel 159 van de Grondwet, Brugge, die Keure, 2009,
(1)3, nr. 1). De gewone rechter kan een onwettig overheidsoptreden maar sanctioneren indien en voor zover het legaliteitsprobleem bij hem wordt opgeworpen in het raam van een geschil dat tot zijn rechtsmacht behoort.
  1. Overeenkomstig art. 144 en 145 G.W. behoren geschillen over subjectieve rechten tot de rechtsmacht van de gewone hoven en rechtbanken. Geschillen die geen subjectieve rechten tot voorwerp hebben, maar de legaliteit van normen betreffen, zijn objectieve geschillen, waarop art. 146 G.W. van toepassing is: zij worden door of krachtens de wet toegewezen aan "met eigenlijke rechtspraak belaste organen", namelijk aan rechtscolleges die niet behoren tot de "gewone hoven en rechtbanken". Om na te gaan of een geschil tussen een overheid en een particulier een objectief dan wel een subjectief geschil betreft, moet worden nagegaan wat het werkelijk en rechtstreeks voorwerp is van de vordering. Is het werkelijk en rechtstreeks voorwerp de bescherming van een subjectief recht, dan gaat het om een subjectief geschil. Is het werkelijk en rechtstreeks voorwerp de vernietiging of de schorsing van een norm, dan gaat het om een objectief geschil (J. VANDELANOTTE en G. GOEDERTIER m.m.v. T. DE PELSMAEKER, Handboek Belgisch Publiekrecht, Brugge, die Keure, 2013, 821, nrs. 1319-1320).
  2. Een beroep op art. 159 G.W. moet derhalve kaderen binnen het aan de rechter voorliggende geschil omtrent de schending van een subjectief recht dat krachtens art. 144 en 145 G.W. tot zijn rechtsmacht behoort. A.A. beroept zich op zijn subjectief recht als consument om de Dr. Schüssler celzouten te kunnen kopen aan een voordeligere prijs dan in de apotheek en op zijn subjectief recht op een inkomen als verkoper van de Dr. Schüssler celzouten. Het geschil behoort derhalve tot de rechtsmacht van het hof.
  3. De exceptie van onwettigheid heeft betrekking op bestuurshandelingen of administratieve rechtshandelingen. Een administratieve rechtshandeling is een eenzijdige en uitvoerbare rechtshandeling die door een administratieve overheid wordt gesteld. In deze definitie zijn verschillende elementen aanwezig. Vooreerst moet het gaan om een rechtshandeling, dit wil zeggen een handeling die bewust wordt verricht met het oog op het creëren van rechtsgevolgen of op het beletten van het tot stand komen van bepaalde rechtsgevolgen. De beslissing moet bovendien eenzijdig en uitvoerbaar zijn. Dit laatste betekent dat de administratieve overheid bevoegd is om zonder zich vooraf tot de rechter te moeten richten, rechtstreeks de eigen rechtsaanspraken vervat in die handeling, te realiseren. Ten slotte vermeldt de definitie dat de rechtshandeling moet uitgaan van een administratieve overheid (J. VANDELANOTTE en G. GOEDERTIER m.m.v. T. DE PELSMAEKER, o.c., Brugge, die Keure, 2013, 766-767, nrs. 1232-1233). De brief van het FAGG aan A.A. d.d. 27 oktober 2015 beantwoordt niet aan de definitie van het begrip "administratieve rechtshandeling", aangezien deze niet bewust verricht is met het oog op het creëren van rechtsgevolgen en deze niet uitvoerbaar is. De brief verschaft immers louter informatie als antwoord op de door A.A. geformuleerde bemerkingen. De brief van 10 juni 2014 die een waarschuwing inhoudt aan de partner van A.A., kan evenmin worden beschouwd als een administratieve rechtshandeling. De brief is immers niet uitvoerbaar, maar houdt enkel een waarschuwing in. De exceptie van onwettigheid kan dan ook niet worden toegepast.
  4. In zoverre de vordering van A.A. niet wordt geïnterpreteerd als een exceptie van onwettigheid en wordt beschouwd als een vraag aan het hof om zelf in de plaats van het FAGG de Dr. Schüssler celzouten te kwalificeren en aan die kwalificatie de passende gevolgen te verbinden , moet worden nagegaan of deze vordering betrekking heeft op een subjectief recht van A.A. ten aanzien van het FAGG. Om uit te maken of de burger ten aanzien van een overheid over een subjectief recht beschikt, moet worden nagegaan of er een rechtsregel bestaat waarbij aan de burger rechtstreeks het recht wordt verleend om van de overheid een welbepaald gedrag te eisen en of de burger daarbij een van het algemeen belang onderscheiden eigen belang heeft. Om na te gaan of een rechtsregel aan de burger rechtstreeks een recht verleent om van de overheid een welbepaald gedrag te eisen, moet rekening worden gehouden met de aard van de bevoegdheid van de overheid. Indien de overheid over een gebonden bevoegdheid beschikt, blijft haar beslissing beperkt tot het erkennen en verklaren dat de in de norm van het objectief recht vermelde voorwaarden vervuld zijn. Geschillen over die beslissingen zijn geschillen over subjectieve rechten. Als de overheid over een discretionaire bevoegdheid beschikt, kan de burger niet rechtstreeks van de overheid een welbepaald gedrag eisen. Door de discretionaire bevoegdheid uit te oefenen ontstaat een "constitutieve beslissing tot vestiging van subjectieve rechten", maar een geschil daarover is in beginsel geen geschil over een subjectief recht, wel over de illegaliteit. Het gaat bijgevolg om een objectief geschil. Uit het voorgaande kan evenwel niet worden afgeleid dat de justitiële rechter onbevoegd zou zijn om de door het bestuur bij de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid begane onrechtmatig geachte aantasting van een subjectief recht zowel te voorkomen als te vergoeden. In dat geval moet de justitiële rechter erover waken dat hij zich niet in de plaats stelt van het bestuur (J. VANDELANOTTE en G. GOEDERTIER m.m.v. T. DE PELSMAEKER, o.c., Brugge, die Keure, 2013,821-822, nr. 1320). De kwalificatie van de Dr. Schüssler celzouten behoort tot de gebonden bevoegdheid van het FAGG, aangezien het FAGG de criteria in de wet letterlijk dient toe te passen. A.A. beschikt derhalve over een subjectief recht ten aanzien van het FAGG. Een geschil over dit subjectief recht behoort tot de rechtsmacht van het hof. Het FAGG merkt terecht op dat A.A. niet aantoont dat het standpunt van het FAGG verkeerd dan wel kennelijk onredelijk zou zijn en dat zijn subjectief recht op onrechtmatige wijze zou zijn aangetast. De vorderingen van A.A. (2-5) zijn dan ook ongegrond. Hetzelfde geldt voor de vorderingen tot morele schadevergoeding en kostenvergoeding, aangezien geen fout wordt aangetoond in hoofde van het FAGG
(9).
  1. A.A. richt zich niet zozeer tegen het standpunt van het FAGG, maar wel tegen de Belgische en Europese regelgeving die volgens hem discriminatoir is en verschillende grondrechten schendt. Hij vordert dan ook "
  2. dat het hof voor recht zegt dat het zich bevoegd verklaart, en de rechtsmacht heeft om uitspraak te doen over de vorderingen die ertoe strekken om art. 1, 5 en hoofdstuk 2 van de Europese richtlijn 2001/83 en artikel 1,

paragraaf 1 van de Geneesmiddelenwet en artikel 28bis van het KB van 23 juni 1969, onbestaande jegens appellant of niet van toepassing te verklaren en niet tegenstelbaar aan appellant." 25. Artikel 1,

Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (Pb.L. 28 november 2001, afl. 311, 67) definieert een homeopathisch geneesmiddel als volgt: "Elk geneesmiddel dat volgens een in de Europese Farmacopee of, bij ontstentenis daarvan, in de thans in de lidstaten officieel gebruikte farmacopees beschreven homeopathisch fabricageprocédé wordt verkregen uit homeopathische grondstoffen genoemde producten, substanties of mengsels. Een homeopathisch geneesmiddel kan ook verscheidene werkzame bestanddelen bevatten." Titel III, hoofdstuk 2 van deze richtlijn voorziet in een verplichte registratie van homeopathische geneesmiddelen. De hiervoor aangehaalde definitie vormt de basis van de definitie van een homeopathisch geneesmiddel zoals opgenomen in art. 1, § 1, 5° van de Belgische Geneesmiddelenwet, meer bepaald: "Elk geneesmiddel dat volgens een in de Europese Farmacopee of, bij ontstentenis daarvan, in de in de lidstaten officieel in gebruik zijnde farmacopees beschreven homeopathische fabricageprocédé uit substanties, genaamd homeopathische stamproducten, wordt verkregen. Een homeopathisch geneesmiddel kan verscheidene actieve substanties bevatten." Artikel 6 van de Geneesmiddelenwet bepaalt dat een geneesmiddel slechts in de handel mag worden gebracht, nadat een vergunning voor het in de handel brengen is verleend hetzij door de minister of zijn afgevaardigde overeenkomstig de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, hetzij door de Europese Commissie overeenkomstig het Gemeenschapsrecht. De wetgever heeft bepaald dat de Koning voor homeopathische geneesmiddelen en voor traditionele kruidengeneesmiddelen voor menselijk gebruik kan afwijken van de algemeen geldende vereisten voor het verlenen van vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen door een vereenvoudigde vergunningsprocedure te voorzien in toepassing van het Gemeenschapsrecht. Een dergelijke vereenvoudigde procedure is voorzien in art. 38 en volgende van het Koninklijk Besluit van 14 december 2006 betreffende geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik (B.S. 22 december 2006). Wat betreft art. 28bis van het Koninklijk Besluit van 23 juni 1969 betreffende de registratie van de geneesmiddelen (B.S. 10 juli 1969), merkt het hof op dat §§ 1, 2, 4, 5 en 6 opgeheven zijn bij art. 264, 3° van het Koninklijk Besluit van 14 december 2006 (B.S. 22 december 2006), met ingang van 1 januari 2007 (art. 284), § 3 werd gewijzigd bij art. 2 van het Koninklijk Besluit van 2 maart 2005 (B.S. 18 maart 2005), bij art. 264, 3° van het Koninklijk Besluit van 14 december 2006 (B.S. 22 december 2006 (derde uitg.)), met ingang van 1 januari 2007 (art. 284) en bij art. 2 van het Koninklijk Besluit van 17 februari 2021 (B.S. 4 maart 2021), met ingang van 5 april 2018 (art. 28). Artikel 28bis, § 3 van het Koninklijk Besluit van 23 juni 1969 luidt thans als volgt: "Met het oog op het leveren van het bewijs van de onschadelijkheid van verdunningen die meer dan één deel per 10.000 van het stamproduct bevat of meer dan één honderdste van de kleinste eventueel in de allopathische geneeskunde gebruikte dosis voor de werkzame bestanddelen waarvan de aanwezigheid in een allopathisch geneesmiddel met zich meebrengt dat een medisch voorschrift moet worden voorgelegd, zoals bedoeld in § 2, a), derde streepje, mag eveneens vooraf een dossier worden ingediend met betrekking tot een bepaalde verdunning die gemeenschappelijk is voor een reeks geneesmiddelen die van hetzelfde stamproduct zijn afgeleid." 26. De gewone hoven en rechtbanken hebben geen rechtsmacht om een wet, in casu de Geneesmiddelenwet, te toetsen aan de Grondwet. Een toetsing van de wetskrachtige normen aan de Grondwet kan enkel toekomen aan het Grondwettelijk Hof, waarvan de bevoegdheden worden bepaald en kunnen worden verruimd door de grondwetgever en de bijzondere wetgever. 27. De gewone hoven en rechtbanken dienen een wet wel te toetsen aan een internationale norm met directe werking. In het arrest Le Ski van 27 mei 1971 vestigde het Hof van Cassatie de voorrang van de internationale normen: bij een conflict tussen een wetskrachtige norm en een internationale norm met directe werking moet de rechter de wetskrachtige norm buiten toepassing laten (Cass. 27 mei 1971, Arr. Cass. 1971, 967). Een richtlijn heeft in beginsel geen directe werking en dient eerst in nationaal recht te worden omgezet vooraleer er rechtsgevolgen aan kunnen worden verbonden. Wanneer de einddatum voor het omzetten van de richtlijn in nationaal recht is bereikt, ontstaat er in hoofde van de staat een verplichting en kan er in hoofde van de burger een recht ontstaan. In die situatie kan een richtlijn toch directe werking verkrijgen. De Geneesmiddelenwet vormt de omzetting van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik. A.A. voert niet aan dat de wetgever voormelde richtlijn niet tijdig of niet correct heeft omgezet. 28. De Belgische hoven en rechtbanken hebben geen rechtsmacht om de Europese regelgeving te toetsen aan de algemene rechtsbeginselen en de grondrechten gewaarborgd door het Europees recht. Deze rechtsmacht komt toe aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat o.m. volgende bevoegdheden heeft: (

  1. i)het beantwoorden van prejudiciële vragen, (
  2. ii)het nietig verklaren van bepaalde Europese rechtshandelingen, en (iii) het behandelen van beroepen tegen een lidstaat die zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. 29. A.A. voert schendingen aan van de Grondwet, van algemene rechtsbeginselen en van grondrechten gewaarborgd door het Europees recht. In het arrest Melki-Abdeli van 22 juni 2010 oordeelde het Hof van Justitie dat de toetsing van wetten aan de Grondwet moet voorafgaan aan de toetsing van die wetten aan het Europees recht. Dergelijke voorrangsregeling is voorzien in art. 26, § 4 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, dat het volgende bepaalt: "Wanneer voor een rechtscollege de schending wordt opgeworpen door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van een grondrecht dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze is gewaarborgd in een bepaling uit titel II van de Grondwet en in een bepaling van Europees of internationaal recht, dient het rechtscollege eerst aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de verenigbaarheid met de bepaling uit titel II van de Grondwet. Indien voor het rechtscollege slechts de schending van de bepaling van Europees of internationaal recht wordt opgeworpen, dient het rechtscollege, zelfs ambtshalve, na te gaan of titel II van de Grondwet een geheel of gedeeltelijk analoge bepaling bevat. Deze verplichtingen doen geen afbreuk aan de mogelijkheid van het rechtscollege om, tegelijkertijd of op een later tijdstip, ook een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen." 30. A.A. stelt een aantal prejudiciële vragen voor aan het Grondwettelijk Hof en aan het Hof van Justitie. Het FAGG merkt terecht op dat deze vragen onduidelijk, zelfs onleesbaar zijn. Het hof is niet gehouden tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof of aan het Hof van Justitie. Wat de voorgestelde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof betreft, meent het hof dat het antwoord op de prejudiciële vragen niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen (art. 26, § 2 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof). Het hof kan immers enkel uitspraak doen over de vorderingen ten aanzien van het FAGG, aangezien enkel deze laatste partij is in huidig geding. Het hof kan zich niet uitspreken over eventuele fouten van de wetgevende macht bij de omzetting van de Europese richtlijn. Hetzelfde geldt voor de prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Een antwoord op de voorgestelde prejudiciële vragen is niet noodzakelijk voor het wijzen van huidig arrest (art. 267 VWEU). 31. Zoals hiervoor reeds weergegeven (zie supra randnr. 19), laat art. 159 G.W. de rechtsprekende organen of instanties bekleed met eigenlijke rechtspraak toe een controle uit te oefenen ten aanzien van de uitvoerende macht, de ondergeschikte besturen en ruimer (nog) de administratieve overheden. Het gaat om een wettigheidscontrole, wat inhoudt dat wordt nagegaan of de administratieve overheid een juridische grondslag heeft om op te treden en of de administratieve rechtshandelingen overeenstemmen met de wetten en de rechtsnormen van gelijke of hogere rang. Het hof stelt vast dat art. 28bis van het Koninklijk Besluit van 23 juni 1969 een juridische grondslag vindt in de Geneesmiddelenwet en daarmee overeenstemt, zodat deze bepaling niet buiten toepassing wordt gelaten. 32. Samengevat oordeelt het hof dat het voor een aantal vorderingen van A.A. geen rechtsmacht heeft en dat de overige vorderingen ongegrond zijn. V.4. Gerechtskosten 33. Aangezien A.A. in het ongelijk wordt gesteld, wordt hij overeenkomstig art. 1017 Ger. W. verwezen in de kosten. 34. De vordering van A.A. is deels in geld waardeerbaar en deels niet in geld waardeerbaar, zodat de rechtsplegingsvergoeding moet worden begroot op het hoogste bedrag. Het in geld waardeerbaar deel van de vordering valt in de schijf van euro 5.000,01 tot euro 10.000,00. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt euro 1.170,00; het maximumbedrag is euro 2.600,00 (art. 2 Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, B.S. 9 november 2007). Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor het niet in geld waardeerbaar deel van de vordering bedraagt euro 1.560,00; het maximumbedrag is euro 13.000,00 (art. 3 van voormeld koninklijk besluit). 35. Het FAGG vraagt het maximumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding en begroot dit op euro 2.400,00, gelet op het tergend en roekeloos karakter van de vorderingen, het door A.A. gecreëerde complexe karakter van de zaak en de ellenlange conclusies. A.A. heeft tergend en roekeloos gehandeld, aangezien hij - na het duidelijk gemotiveerde vonnis waarin zijn tergende en roekeloze houding werd benadrukt - hoger beroep heeft ingesteld, waarin hij hetzelfde standpunt blijft herhalen met dezelfde en anders geformuleerde vorderingen. Ook in hoger beroep strookt de wijze waarop de zaak werd in staat gesteld, niet met het gedrag van een normaal zorgvuldige procespartij. De conclusie van A.A. telt 182 p. en is zeer onduidelijk en moeilijk leesbaar. A.A. heeft het dossier onnodig complex gemaakt, waardoor van het FAGG en zijn raadsman bovenmatige inspanningen waren vereist. De rechtsplegingsvergoeding wordt dan ook begroot op het gevorderde bedrag van euro 2.400,00. Het hof kan niet meer toekennen dan hetgeen wordt gevorderd. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtsprekende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van A.A. ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre het een aantal vorderingen onontvankelijk verklaart; Opnieuw recht doende, Verklaart voormelde vorderingen ongegrond; Veroordeelt A.A. tot de kosten van het hoger beroep, in hoofde van het FAGG begroot op euro 2.400,00 en in hoofde van hemzelf begroot op euro (rolrecht hoger beroep). *********** Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 13 september 2021, waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Voorzitter, Marc DEBAERE, Raadsheer, Karen PITEUS, Raadsheer, bijgestaan door Darie VAN IMPE, Griffier. D. VAN IMPE K. PITEUS M. DEBAERE A. DE PREESTER Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110408.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151029.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170915.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181210.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.