← België

ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20210914.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 14 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20210914.1 Rolnummer: 2016AR2030 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2022-05-03 Raadplegingen: 364 - laatst gezien 2026-06-19 11:31 Fiche 1) De hoedanigheid van verzekeraar van de publieke sector: de publieke tewerksteller kan vrijwillig een verzekering sluiten voor het financieel verlies dat hij lijdt door de verplichtingen bij arbeidsongevallen. Deze verzekering wordt soms 'herverzekering' genoemd. De verzekering die de publieke tewerksteller aangaat, is evenwel geen herverzekering, maar een schadeverzekering, aangezien de publieke tewerksteller geen verzekeraar is in de zin van de Verzekeringswet. Artikel 95 van de Verzekeringswet is van toepassing op de schadeverzekering, waardoor de verzekeraar gesubrogeerd wordt in de verhaalsrechten van de publieke tewerksteller. 2) Omvang verhaalsrecht: het regres van de publieke tewerksteller is subrogatoir en dus beperkt tot de door het personeelslid zelf geleden schade, die bestaat uit het nettoloon. Naast dit nettoloon heeft de publieke tewerksteller echter ook bijkomende bijdragen moeten betalen. De verzekeraar is gesubrogeerd in de rechten van de publieke tewerksteller en kan bijgevolg de rechten van deze laatste uitoefenen. Op deze manier kan het brutobedrag teruggevorderd worden. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Begroting schade - Arbeidsongeschiktheid - Tijdelijke invaliditeit HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Publiek verzekeringsrecht Vrije woorden: Gebrekkige zaak; schade conform artikel 1384, eerste lid BW; tijdelijke arbeidsongeschiktheid personeelslid publieke sector; hoedanigheid verzekeraar publieke sector; herverzekering of schadeverzekering; omvang verhaalsrecht. Tekst van de beslissing ARREST N° Het hof van beroep te Brussel, burgerlijke eerste kamer, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2021/ A.R. nr. 2016/AR/2030 INZAKE VAN : De nv ETHIAS, ingeschreven met ON 0402.370.054, met maatschappelijke zetel te 4000 LIEGE, Rue des Croisiers 24, en met uitbatingszetel te 3500 HASSELT, Prins Bisschopssingel 73; appellante, vertegenwoordigd door Meester L. SCHOONBAERT loco Meester DE WILDE Line, advocaat te 9000 GENT, Poelsnepstraat 23 Bus 402-403; tegen: De nv AG INSURANCE, ingeschreven met ON 0404.494.849, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, E. Jacqmainlaan 53, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester L. PEER loco Meester PEETERS Joost, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Haantjeslei 69/A; __________________________________________________________________________ Na in beraadneming op 4 mei 2021 spreekt het hof volgend arrest uit: Gelet op: - het tussenarrest uitgesproken op 3 december 2019, en de daarin vermelde procedurestukken; - de synthesebesluiten na heropening debatten van de nv ETHIAS, neergelegd ter griffie van het hof op 28 oktober 2020; - de aanvullende conclusie na heropening der debatten van de nv AG INSURANCE, neergelegd ter griffie van het hof op 14 januari 2021; - de stukkenbundel van de nv ETHIAS, neergelegd ter griffie van het hof op 28 oktober 2020; - de stukkenbundel van de nv AG INSURANCE, neergelegd ter zitting van 22 oktober 2019. Ter zitting van 4 mei 2021 (zie proces-verbaal van de openbare zitting) verklaren de raadslieden van partijen dat zij in onderlinge overeenstemming afgeweken zijn van de conclusietermijnen en dat er geen aanleiding is tot wering van enige conclusie. Gehoord de advocaten van partijen in hun pleidooien via videoconferentie ter openbare terechtzitting van 4 mei 2021. ° ° ° I. RELEVANTE FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN 1. Voor een goed begrip van huidige zaak herneemt het hof de uiteenzetting van de feiten, zoals weergegeven in het tussenarrest van 3 december 2019: "Op 14 augustus 2012 omstreeks 9.20 u. werd A.A. gewond door in een put te hebben getrapt op de oprit van een woning, gelegen te X. Deze woning is eigendom van A.B. A.A. was als inspecteur van de lokale politie Klein-Brabant bezig met een woonstvaststelling in voormelde woning. Bij het stappen van de dienstwagen naar de deur van de woning kwam A.A. met zijn voet in een put in de oprit terecht. De nv ETHIAS heeft als arbeidsongevallenverzekeraar uitgaven gedaan voor een totaal bedrag van euro 33.786,55. De nv AG INSURANCE is de brandverzekeraar van A.B." 2. Bij tussenarrest van 3 december 2019 heeft het hof geoordeeld dat A.B. bewaarder was van de oprit en dat de oprit een gebrek vertoonde. Het hof heeft derhalve besloten dat voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van art. 1384, eerste lid B.W., zodat de verzekerde van de nv AG INSURANCE aansprakelijk is voor de door het slachtoffer geleden schade. Verder heeft het hof geoordeeld dat het schadegeval gedekt wordt door de verzekering van de nv AG INSURANCE. Wat de omvang van de schadevergoeding betreft, heeft het hof de heropening van de debatten bevolen teneinde - de nv ETHIAS toe te laten te verduidelijken op welke bepaling zij haar vordering steunt en meer gedetailleerde stukken met betrekking tot het loon en de uitbetaling ervan voor te leggen; - partijen toe te laten meer uitgebreid standpunt in te nemen over de omvang van de schadevergoeding, onder meer rekening houdend met de wettelijke grondslag van de vordering van de nv ETHIAS. 3. Partijen hebben vervolgens geconcludeerd over het hiervoor weergegeven voorwerp van de heropening van de debatten. II. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN 4. Bij synthesebesluiten na heropening debatten formuleert de nv ETHIAS haar vordering als volgt: "De vordering van concluante gegrond te verklaren. Dienvolgens geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan concluante van een bedrag van 38.121,29 EUR, te vermeerderen met de compensatoire intresten aan wettelijke intrestvoet - op 4.129,61 EUR vanaf de gemiddelde datum van betaling d.d. 14 november 2012 tot de datum van het arrest; - op 31.051,68 EUR vanaf de datum van betaling d.d. 30 juli 2013 tot de datum van het arrest; - op 446,09 EUR vanaf de datum van betaling d.d. 6 maart 2014 tot de datum van het arrest; - op 486,64 EUR vanaf de datum van betaling d.d. 19 december 2014 tot de datum van het arrest; - op 486,64 EUR vanaf de datum van betaling d.d. 21 december 2015 tot de datum van het arrest; - op 486,64 EUR vanaf de datum van betaling d.d. 22 december 2016 tot de datum van het arrest; - op 486,64 EUR vanaf de datum van betaling d.d. 21 december 2017 tot de datum van het arrest; - op 486,64 EUR vanaf de datum van betaling d.d. 20 december 2018 tot de datum van het arrest; - op 60,71 vanaf de datum van betaling d.d. 20 december 2019 tot de datum van het arrest, en meer de gerechtelijke intresten aan wettelijke intrestvoet op de hoofdsom en de compensatoire intresten tot de datum van algehele betaling. Tevens geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van de procedure in elke aanleg, geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ad 3.000,00 EUR per aanleg (basisbedrag overeenkomstig het K.B. dd. 26/10/2007) inbegrepen." 5. De nv AG INSURANCE besluit in hoofdorde tot de ongegrondheid van de vordering. In ondergeschikte orde vraagt zij de vordering af te wijzen bij gebrek aan bewijs. In uiterst ondergeschikte orde vraagt de nv AG INSURANCE te zeggen voor recht dat de vordering van de nv ETHIAS moet herleid worden naar de bedragen overeenkomstig het nettoloon en dat het overige moet worden afgewezen als ongegrond. Nog in uiterst ondergeschikte orde vraagt zij de vordering van de nv ETHIAS slechts toelaatbaar te verklaren ten belope van het bedrag van euro 36.561,29. In ieder geval vraagt de nv AG INSURANCE om de nv ETHIAS te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op euro 3.000,00 voor de procedure in eerste aanleg en eveneens op euro 3.000,00 voor de procedure in graad van beroep. III. BESPREKING III.1. Gegrondheid van de vordering van de nv ETHIAS

  1. a)Toepassing van art. 95 van de Verzekeringswet 6. De vordering van de nv ETHIAS is gesteund op art. 95 Wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen (Verzekeringswet), dat het volgende bepaalt: "De verzekeraar die de schadevergoeding betaald heeft, treedt ten belope van het bedrag van die vergoeding in de rechten en rechtsvorderingen van de verzekerde of de begunstigde tegen de aansprakelijke derden." 7. De nv AG INSURANCE is van oordeel dat de nv ETHIAS geen rechtstreekse vordering op grond van voormelde bepaling heeft, omdat de nv ETHIAS geen verzekeraar, maar een herverzekeraar is van de publieke tewerksteller die de eigenlijke arbeidsongevallenverzekeraar is. Herverzekeringsovereenkomsten vallen niet onder deel 4 van de Verzekeringswet (zie: art. 54 van de Verzekeringswet), zodat de nv ETHIAS zich niet kan beroepen op art. 95 van de Verzekeringswet. Verder stelt de nv AG INSURANCE dat de nv ETHIAS zich evenmin kan beroepen op art. 1251, 3° (oud) B.W., dat bepaalt dat indeplaatsstelling van rechtswege geschiedt ten voordele van hem die met anderen of voor anderen tot betaling van een schuld gehouden zijnde, er belang bij had deze te voldoen. Bij subrogatie is de overdracht het gevolg van de betaling van de schuld door een derde die in de rechten van de schudeiser treedt. De herverzekeraar betaalt niet rechtstreeks aan het personeelslid en betaalt ook niet de schuld door de derde (de publieke werkgever). De herverzekeraar betaalt naderhand de uitgaven van de publieke tewerksteller terug. 8. Er bestaat discussie over de hoedanigheid van de verzekeraar van de publieke sector. De verplichtingen bij arbeidsongevallen die in de private sector op de arbeidsongevallenverzekeraar rusten, moeten in de publieke sector door de publieke tewerksteller zelf worden vervuld. Omdat de publieke tewerksteller de schuldenaar blijft en het slachtoffer moet vergoeden, wordt deze soms "eigen verzekeraar" genoemd in de zin van de Wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector (Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel). De publieke tewerksteller kan vrijwillig een verzekering sluiten voor het financieel verlies dat hij lijdt door de verplichtingen bij arbeidsongevallen. Deze verzekering wordt soms "herverzekering" genoemd. Zo bepaalt art. 16 van de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel het volgende: "De renten, bijslagen en vergoedingen toegekend aan de personeelsleden van de besturen, diensten of instellingen vermeld in artikel 1, 1°, 3° tot 7° en 10°, alsook aan de in artikel 1bis, 1° en 2°, bedoelde personen vallen ten laste van de Schatkist. Dit geldt eveneens voor de procedurekosten, behalve wanneer het gaat om een tergende en roekeloze eis. De rechtspersonen vermeld in artikel 1, 2°, 8° en 9°, de korpsen van de lokale politie vermeld in artikel 1, 11°, alsook de instellingen vermeld in artikel 1bis, 3°, dragen de last van de renten, bijslagen en vergoedingen, toegekend aan hun personeelsleden met toepassing van deze wet. Dit geldt eveneens voor de procedurekosten. De Koning legt daartoe, indien nodig, de verplichting op een verzekering aan te gaan. In dat geval kunnen zowel het slachtoffer als de herverzekeraar geen rechtsvordering tegen elkaar instellen." De verzekering die de publieke tewerksteller aangaat, is evenwel geen herverzekering, aangezien de publieke tewerksteller geen verzekeraar is in de zin van de Verzekeringswet. Artikel 5, 1° van de Verzekeringswet omschrijft de "verzekeraar" immers als "elke persoon of onderneming die als contractspartij verzekeringsovereenkomst(
  2. en)aanbiedt, ongeacht de beroepshoedanigheid van deze persoon en ongeacht of bij het afsluiten van de overeenkomst gebruik wordt gemaakt van actuariële technieken". De verzekering die de publieke tewerksteller aangaat, is een schadeverzekering, die in art. 5, 15° van de Verzekeringswet wordt gedefinieerd als "verzekering waarbij de verzekeringsprestatie afhankelijk is van een onzeker voorval dat schade veroorzaakt aan iemands vermogen". Artikel 95 van de Verzekeringswet is van toepassing op de schadeverzekering. De verzekeraar, de nv ETHIAS, wordt door de betaling aan de verzekerde, de politiezone Klein-Brabant, gesubrogeerd in de verhaalsrechten van deze laatste tegen de aansprakelijke derde. Deze zienswijze wordt bevestigd door de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof op grond van volgende overwegingen: "B.4.1.1. Een door de overheid gesloten arbeidsongevallenverzekering is een verzekering tot vergoeding van schade, in de zin van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen. Op grond van artikel 95 van die wet wordt de verzekeraar door de betaling aan de verzekerde, te dezen het overheidsbestuur, gesubrogeerd in diens verhaalsrechten tegen de aansprakelijke derde, maar niet in diens verhaalsrechten tegen degene die gehouden is op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (hierna: de wet van 21 november 1989). Daar het overheidsbestuur, op grond van artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967, wordt gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer ten aanzien van de verantwoordelijke voor het ongeval, wordt de arbeidsongevallenverzekeraar van het overheidsbestuur, ofschoon er tussen hem en het slachtoffer geen rechtstreekse rechtsverhouding bestaat, gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer of diens rechthebbenden ten aanzien van de derde die aansprakelijk is voor het ongeval. B.4.1.2. Ingevolge het arrest van het Hof nr. 190/2009 van 26 november 2009 werd bij artikel 53 van de wet van 29 maart 2012 houdende diverse bepalingen (I) artikel 14bis, § 3, van de wet van 3 juli 1967 gewijzigd, zodat de overheid en haar verzekeraar thans beschikken over een subrogatie in de verhaalsrechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989. (...). B.5.3 Ook al is het verzekerde risico verschillend, het subrogatierecht van de facultatieve verzekeraar en dat van de arbeidsongevallenverzekeraar zijn identiek: in beide gevallen wordt de verzekeraar gesubrogeerd in de rechten van de persoon van wie hij het risico verzekert. Hij kan bijgevolg, binnen de bij de wet bepaalde grenzen, van de aansprakelijke derde de sommen terugvorderen die zijn verzekerde zelf had kunnen vorderen." (GwH nr. 75/2020 van 28 mei 2020, zie ook: GwH nr. 190/2009, 26 november 2009 en GwH nr. 10/2018, 1 februari 2018). Naar aanleiding van de wijziging van art. 14bis, § 3 van de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel wees de Raad van State in zijn advies op het verkeerde gebruik van het woord "herverzekeraar" in het wetsontwerp: "Het woord "herverzekeraar" wordt verkeerd gebezigd. Die term mag immers alleen worden gebruikt voor de herverzekeringsondernemingen zoals die gedefinieerd worden in artikel 4, 1°, van de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf. De term "herverzekeraar" dient vervangen te worden door de term "verzekeraar"." (Advies RvS bij het wetsontwerp van 8 maart 2012 houdende diverse bepalingen, Parl. St. Kamer 2011-2012, 2097/001, 166). In art. 14bis, § 3 van de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel wordt het begrip "verzekeraar" gebruikt. Gelet op het voorgaande, wordt besloten dat de nv ETHIAS op grond van art. 95 van de Verzekeringswet gesubrogeerd is in de verhaalsrechten van de politiezone Klein-Brabant tegen de aansprakelijke derde.
  3. b)Toepassing van art. 150 van de Verzekeringswet 9. De brandverzekering (aansprakelijkheidsverzekering) van A.B. geeft de benadeelde overeenkomstig art. 150, eerste lid van de Verzekeringswet een eigen recht tegen de verzekeraar. De rechtstreekse vordering van de politiezone Klein-Brabant is een accessorium van het recht dat de politiezone Klein-Brabant heeft overgedragen aan de nv ETHIAS. De rechten die de politiezone Klein-Brabant kon doen gelden tegen de aansprakelijke en zijn verzekeraar, zijn na de betaling overgegaan naar de nv ETHIAS.
  4. c)Omvang van het verhaalsrecht 10. De publieke tewerksteller is gehouden de wedde van de tijdelijk arbeidsongeschikte personeelsleden verder te betalen, ook al ontvangt deze hiervoor in ruil geen arbeidsprestaties. De wet geeft deze tewerksteller een verhaal op de derde die aansprakelijk is voor de arbeidsongeschiktheid, maar in tegenstelling tot de wettelijke regeling ter zake voor de werkgever in de private sector, is dit regres van de publieke tewerksteller subrogatoir en dus beperkt tot de door het personeelslid zelf geleden schade, en die bestaat uit het nettoloon. Vermits de overheid naast het aan het personeelslid betaalde nettoloon ook de ingehouden voorheffing en sociale bijdragen (bruto) heeft moeten doorstorten en bovendien ook nog bijkomende (patronale) sociale bijdragen heeft moeten betalen, tracht deze het effectief betaalde op de aansprakelijke derde te verhalen als een eigen schade. Het Hof van Cassatie heeft in 2001 een regel geformuleerd die sindsdien in min of meer constante vorm wordt herhaald: "Dat de overheid die ingevolge de fout van een derde krachtens de op haar rustende wettelijke of reglementaire verplichtingen de wedde en de op die wedde rustende bijdragen moet doorbetalen zonder arbeidsprestaties te ontvangen, gerechtigd is op schadevergoeding voor zover zij hierdoor schade lijdt; Dat immers het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting niet uitsluit dat schade, in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, ontstaat, tenzij wanneer, blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten." (Cass. AR C.99.0014.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010219.6, 19 februari 2001, Arr. Cass. 2001, afl. 2, 324, Pas. 2001, afl. 2, 322, RW 2001-02, 238 en TBBR 2003, 183, noot S. HEREMANS; Cass. AR C.99.0228.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010219.8, 19 februari 2001, Arr. Cass. 2001, afl. 2, 330, Pas. 2001, afl. 2, 329 en T. Verz. 2001, 777; Cass. AR C.00.0242.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010219.9, 19 februari 2001, Arr. Cass. 2001, afl. 2, 334, Pas. 2001, afl. 2, 332, T. Verz. 2001, 780 en Verkeersrecht 2001, afl. 6, 221). Hieruit volgt dat de overheid over een eigen recht beschikt tegen de aansprakelijke derde of diens verzekeraar. 11. De nv AG INSURANCE betwist dit niet, maar stelt dat dit niet betekent dat de verzekeraar van de publieke tewerksteller volledig de bedragen die deze laatste kon vorderen, kan verhalen op de aansprakelijke. Zij verwijst in dat verband naar een arrest van het Hof van Cassatie van 24 april 2002 en leidt daaruit af dat de schuldvordering van de verzekeraar van het openbaar bestuur slechts op het nettoloon van de getroffene kan worden berekend. 12. Dit standpunt van de nv AG INSURANCE kan niet worden bijgetreden. In voormeld arrest heeft het Hof van Cassatie het volgende overwogen: "Overwegende dat, krachtens artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, de verzekeraar die een ambtenaar tegen arbeidsongevallen dekt, en die aan zijn door een dergelijk ongeval getroffen verzekerde in de daaruit voortvloeiende periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid een wedde uitbetaalt, van rechtswege in de rechten van de getroffene treedt tegen de voor het ongeval aansprakelijke derde, binnen de grenzen van, enerzijds, de door hem uitgekeerde bedragen en, anderzijds, het bedrag dat de getroffene volgens het gemeen recht had kunnen verkrijgen; dat de verzekeraar, aangezien hij niet de werkgever van de getroffene is, overigens geen persoonlijke schade lijdt wegens de derving van diens arbeidsprestaties; (...); Overwegende dat de beslissing om aan verweerster het brutobedrag toe te kennen van de vervangingsinkomsten die zij ten gunste van haar verzekerde heeft uitbetaald, niet naar recht is verantwoord op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, aangezien verweerster geen persoonlijke schade heeft geleden door de derving van de arbeidsprestaties van haar verzekerde en de appelrechters niet hebben vastgesteld dat zij daarnaast nog andere persoonlijke schade zou hebben geleden; dat die beslissing evenmin is verantwoord op grond van artikel 14, § 3, van de voormelde wet van 3 juli 1967, aangezien de appelrechters niet hebben vastgesteld dat de vergoeding die de getroffene volgens het gemeen recht had kunnen verkrijgen, op dezelfde wijze zou zijn belast als haar loon." (Cass. AR P.01.1623.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020424.17, 24 april 2002, Arr. Cass. 2002, afl. 4, 1104, Pas. 2002, afl. 4, 991 en T. Verz. 2002, afl. 4, 951). Uit deze overwegingen volgt dat het Hof van Cassatie is uitgegaan van het standpunt dat de verzekeraar de ambtenaar dekt en niet de publieke tewerksteller. Hiervoor werd geoordeeld dat de verzekeraar de publieke tewerksteller dekt en gesubrogeerd is in de rechten van deze laatste. De nv ETHIAS is gesubrogeerd in de rechten van de politiezone Klein-Brabant en kan derhalve de rechten van deze laatste uitoefenen. Bijgevolg kan de nv ETHIAS het brutobedrag terugvorderen.
  5. d)Concrete vergoeding 13. De nv ETHIAS kan het uitgekeerde bedrag terugvorderen in de mate dat dit bedrag de vergoeding die in gemeen recht voor dezelfde schadeposten verschuldigd is, niet overstijgt. De nv ETHIAS heeft volgende bedragen uitgekeerd: - medische kosten en verplaatsingskosten: euro 4.129,61 - TAO van 14/08/2012 tot en met 14/02/2013: euro 31.051,68 - jaarlijkse rente BAO van 4 %: euro 486,64 De vergoeding naar gemeen recht is als volgt: - medische kosten en verplaatsingskosten: euro 4.129,61 - TAO van 14/08/2012 tot en met 14/02/2013: euro 31.051,68 - BAO aan 4 %: 4 x euro 735,00 per punt: euro 2.940,00 De vaststellingen van de gerechtelijke geneeskundige dienst dienen niet alleen als basis voor de vergoeding in de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, maar gelden ook als feitelijk vermoeden van de economische ongeschiktheid in gemeen recht. De publieke werkgever voldoet aan zijn bewijslast door zich te beroepen op de beslissingen van de administratieve gezondheidsdienst, tenzij de derde aansprakelijke of zijn verzekeraar het tegenbewijs levert via alle middelen van recht, bijvoorbeeld op basis van een expertise die de rechter kan gelasten (zie o.m. Cass. AR C.17.0506.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181018.8, 18 oktober 2018, RGAR 2019, afl. 4, nr. 15571, RGAR 2019, afl. 9, 15618, noot B. DE CONINCK en T. Verz. 2019, afl. 4, 431; Cass. AR C.14.0276.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150130.6, 30 januari 2015, Arr. Cass. 2015, afl. 1, 268, concl. C. VANDEWAL, C., Pas. 2015, afl. 1, 249 en T. Verz. 2015, afl. 4, 401). De nv AG INSURANCE levert niet het bewijs van het tegendeel. De nv ETHIAS levert het bewijs van de door haar gedane uitgaven. Wat de jaarlijkse rente BAO betreft, heeft de nv ETHIAS op datum van haar synthesebesluiten reeds een bedrag van euro 3.365,93 betaald, zodat de vergoeding in gemeen recht voor een bedrag van euro 2.940,00 verschuldigd is. De vordering van de nv ETHIAS voor een bedrag van euro 38.121,29 (in hoofdsom) is bijgevolg gegrond. III.2. Gerechtskosten 14. Aangezien de nv AG INSURANCE in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij overeenkomstig art. 1017 Ger. W. verwezen in de kosten. 15. De vordering van de nv ETHIAS betreft een in geld waardeerbare vordering en valt in de schijf van euro 40.000,01 tot euro 60.000,00. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt euro 3.000,00 (indexatie op het ogenblik van in beraadneming; art. 2 Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, B.S. 9 november 2007). OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtsprekende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van de nv ETHIAS gegrond; Verklaart de vordering van de nv ETHIAS tegen de nv AG INSURANCE ontvankelijk en gegrond; Veroordeelt de nv AG INSURANCE tot betaling aan de nv ETHIAS van een bedrag van euro 38.121,29, te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet - op euro 4.129,61 vanaf de gemiddelde datum van betaling d.d. 14 november 2012 tot de datum van huidig arrest; - op euro 31.051,68 vanaf de datum van betaling d.d. 30 juli 2013 tot de datum van huidig arrest; - op euro 446,09 vanaf de datum van betaling d.d. 6 maart 2014 tot de datum van huidig arrest; - op euro 486,64 vanaf de datum van betaling d.d. 19 december 2014 tot de datum van huidig arrest; - op euro 486,64 EUR vanaf de datum van betaling d.d. 21 december 2015 tot de datum van huidig arrest; - op euro 486,64 vanaf de datum van betaling d.d. 22 december 2016 tot de datum van huidig arrest; - op euro 486,64 vanaf de datum van betaling d.d. 21 december 2017 tot de datum van huidig arrest; - op euro 486,64 vanaf de datum van betaling d.d. 20 december 2018 tot de datum van huidig arrest; - op euro 60,71 vanaf de datum van betaling d.d. 20 december 2019 tot de datum van huidig arrest, en meer de moratoire interesten aan de wettelijke interestvoet op de hoofdsom en de vergoedende interesten vanaf de datum van huidig arrest tot de datum van algehele betaling; Veroordeelt de nv AG INSURANCE tot de kosten van beide aanleggen, in hoofde van de nv ETHIAS begroot op euro 279,44 (dagvaarding eerste aanleg) + euro 400 (rolrecht hoger beroep) + 2 x euro 3.000,00 (rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en in hoger beroep) en in hoofde van haarzelf niet begroot daar ze ten hare laste blijven. ********* Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 14 september 2021, Waar aanwezig waren en zitting hielden: Karen PITEUS, Raadsheer, bijgestaan door Darie VAN IMPE, griffier. D. VAN IMPE K. PITEUS Gerelateerde publicatie(
  6. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010219.6 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010219.8 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010219.9 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020424.17 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150130.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181018.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.