← België

ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20210928.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 28 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20210928.3 Rolnummer: 2019/FA/781 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-08-12 Raadplegingen: 209 - laatst gezien 2026-06-13 21:10 Fiche De herroeping van een schenking wegens ondankbaarheid moet worden ingesteld binnen de bijzonder korte termijn van één jaar, te rekenen vanaf de dag van het misdrijf of vanaf de dag dat het misdrijf de schenker bekend kon zijn. De wet spreekt van ‘misdrijf', maar er moet worden aangenomen dat hiermee elke handeling bedoeld is die de ondankbaarheid in de zin van artikel 955 oud BW meebrengt en niet slechts het misdrijf sensu stricto in de zin van artikel 955, tweede lid oud BW. Deze bijzonder korte termijn onderstreept zeer goed het bijzondere karakter van de vordering tot ontbinding van de schenking omdat het rechtsverkeer rechtszekerheid eist en niet te veel in onzekerheid gebracht mag worden door persoonlijke gebeurtenissen, zoals de ondankbaarheid van de begiftigde ten aanzien van de schenker. De feitenrechter beoordeelt soeverein de ernst van de aan hem voorgelegde feiten en de opportuniteit van de gevorderde ontbinding in de concrete omstandigheden van het geval. De vraag om een aanstelling van een bewindvoerder in het belang van de goede werking van de vennootschappen kan niet als een belediging worden beschouwd. Conventionele terugkeer kan alleen maar bedongen worden ten voordele van de schenker en kan niet bedongen worden ten voordele van een derde. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Schenkingen - Herroeping Tekst van de beslissing INZAKE VAN: A.K. appellant, bijgestaan door mr. DE RIECK Jan, advocaat te 3000 LEUVEN, Fonteinstraat 1A bus 501, TEGEN: A.V. geïntimeerde, bijgestaan door mr. JANSSEUNE Kobe (ANTWERPEN) loco mr. GOYENS Dries, advocaat te 2260 WESTERLO, Grote Markt

  1. * * * * * * * * * * Gelet op de stukken van de procedure, inzonderheid: - het vonnis van 18 november 2019, op tegenspraak uitgesproken door de familierechtbank van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, waarvan partijen verklaren dat dit niet werd betekend; - het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 19 december 2019, waarbij een tijdig en regelmatig hoger beroep werd ingesteld; - de syntheseconclusie van appellant van 23 november 2020; - de syntheseconclusie van geïntimeerde van 3 december 2020; - de neergelegde stukken. Feitelijke en procedurele voorgaanden
  2. Geïntimeerde, is de enige zoon van appellant, en wijlen O.D. (overleden op 27 augustus 2012). Appellant en wijlen zijn echtgenote O.D. bouwden een vastgoedimperium op (voornamelijk studentenkamers en projectontwikkeling met het oog op verhuur). In dit kader werden de vennootschappen W. NV, X. NV, Y. NV en Z. NV opgericht.
  3. Appellant en zijn vooroverleden echtgenote deden diverse schenkingen aan appellant en dit via handgifte, bevestigd in geschriften en ondersteund door bewijzen van overdracht van de gelden namelijk op: - 22 januari 2002: 247.893,52 euro - 9 september 2005: 1.000.000 euro - 28 december 2010: 50.000 euro - 24 januari 2011: 5.000 euro - 16 juni 2011: 1.167.238 euro - 24 juni 2011: 2.332.762 euro - 30 juni 2011: effecten - 5 september 2011: 284.415,14 euro - 6 september 2011: effecten en 6.992,65 euro - 6 september 2011: 290.722,97 euro - 5 december 2011: 470.000 euro - 5 december 2011: 471.097,72 euro, 172.884,21 USD, 46.910,31 CHF en effecten Daarnaast is er sprake van overdrachten van gelden op rekening van geïntimeerde waarvan appellant stelt dat dit bewaargevingen betreft.
  4. Bij notariële akte van 20 oktober 2011 schonk wijlen O.D. aan haar zoon V.A., geïntimeerde, de naakte eigendom van 625 aandelen in de NV W., 62 aandelen in NV X. en 555 aandelen in de NV Y. Ingevolge het overlijden van mevrouw D. verwierf geïntimeerde de volledige eigendom van deze aandelen. Bij notariële akte van 20 oktober 2011 schonk appellant aan zijn zoon V.A., geïntimeerde, de naakte eigendom van 3.341 aandelen in de NV W., 61 aandelen in de NV X. en 554 aandelen in de NV Y. Geïntimeerde stuurde op 23 maart 2015 een uitgebreide brief naar appellant waarbij hij duidelijk maakte dat hij zich niet goed voelde en een aantal problemen aankaartte in de verhouding tussen hen beiden. Minstens sinds maart 2015 is de verhouding tussen appellant en geïntimeerde dan ook volledig verziekt en verzuurd.
  5. Op dagvaarding van de heer V.A. van 20 april 2016 werd meester Johan Mommaerts aangesteld als voorlopig bewindvoerder van de vennootschappen W., X., Y. en Z. In het aanstellingsvonnis van 10 mei 2016 stelde de rechter het volgende vast: "Zowel (geïntimeerde) als (appellant) betwisten evenwel niet dat er sinds enige tijd een diepgaande en blijvende onenigheid tussen hen is ontstaan die de normale werking van (de vennootschappen) onmogelijk maakt". Deze aanstelling werd een aantal keren verlengd. De voorlopig bewindvoerder kon beide partijen overhalen om een bemiddeling op te starten en beide partijen gingen op gesprek bij de bemiddelaar.
  6. Na deze eerste gesprekken bij de bemiddelaar ging appellant op 26 mei 2016 over tot dagvaarding in gerechtelijke ontbinding van de NV Y., van de NV W. en de NV X. Bij vonnis van 4 juli 2017 van de rechtbank van koophandel te Leuven werden deze vorderingen opgeschort in afwachting van een uitspraak door de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Leuven in de zaken tot gedwongen overdracht. Tegen dit vonnis is hoger beroep aangetekend door appellant. Dit hoger beroep is hangend.
  7. Geïntimeerde is op 27 september 2016 overgegaan tot dagvaarding van appellant tot gedwongen overdracht van zijn Y-aandelen aan geïntimeerde. Op diezelfde datum werd er ook een geschillenregelingprocedure door geïntimeerde opgestart in de NV W. en de NV X. In deze procedure werd geoordeeld dat de aandelen van de diverse vennootschappen in handen van geïntimeerde komen. Appellant tekende hoger beroep aan tegen deze beslissingen die nadien in hoger beroep werden bevestigd. De procedure nopens de waardering van de aandelen loopt nog verder.
  8. Op 1 augustus 2017 is appellant overgegaan tot dagvaarding van geïntimeerde tot herroeping van al wat appellant aan geïntimeerde heeft geschonken (gelden en aandelen) wegens ondankbaarheid en tot teruggave van in bewaargeving gegeven zaken (gelden en effecten).
  9. Op 18 mei 2019 gaat geïntimeerde over tot dagvaarding in kort geding om appellant verbod op te leggen nog enig contact te hebben met de huurders van de onroerende goederen die eigendom zijn van beide partijen en deze vordering werd afgewezen als ongegrond. Vonnis a quo Bij het bestreden vonnis van 18 november 2019 werd de vordering van appellant afgewezen als ongegrond. Voorwerp van het hoger beroep Overeenkomstig zijn conclusie voor het hof vordert appellant, zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis teniet te doen en opnieuw rechtdoende, genoemde schenkingen zoals gedaan aan de heer V.A. te herroepen wegens ondankbaarheid; A. Wat betreft de herroeping van de schenkingen Dhr. V.A. dan ook, in hoofdorde, te veroordelen tot teruggave van alles wat hem door dhr. K.A. geschonken werd, zijnde: − Een bedrag van 3.356.229,25 EUR, − De geschonken effecten, waarbij voorbehoud wordt gemaakt voor enige waardeverminderingen die deze effecten intussen hebben ondergaan en die aan het gebrek aan zorg van de begunstigde te wijten zijn: o 124 aandelen (VE) van de nv X. (0447.994.203) minstens ten bedrage van 31.030,00 EUR, o De effecten van effectenrekening 230-0647400-42, minstens voor een bedrag van 104.617,16 EUR, o De aandelen zoals geschonken middels de overeenkomst d.d. 05.12.2011, minstens voor een totale waarde van 147.672,08 EUR en gespecifieerd onder punt 5 van het feitenrelaas, o De effecten van effectenrekening 799-9231191-91, minstens voor een bedrag van 150.000,00 EUR, o De blote eigendom van hierna vermelde aandelen m.b.t. de verschillende vennootschappen (geschonken uit het eigen vermogen van dhr. K.A.):  554 aandelen van de nv Y. (0448.506.917),  61 aandelen van de nv X. (0447.994.203),  3.341 aandelen van de nv W. (0418.742.268), − 172.884,21 USD, − 46.910,31 CHF, Dit alles te vermeerderen met de vruchten die reeds uit dit alles werden gehaald sinds de schenkingsdatum; In ondergeschikte orde, dhr. V.A. te veroordelen tot teruggave van minstens de helft van de waarde van de schenkingen dewelke uit het gemeenschappelijk vermogen van dhr. K.A. en wijlen mevr. D., zijnde: − Een bedrag van 3.356.229,25 EUR gedeeld door 2 = 1.678.144,63 EUR, − De geschonken effecten, waarbij voorbehoud wordt gemaakt voor enige waardeverminderingen die deze effecten intussen hebben ondergaan en die aan het gebrek aan zorg van de begunstigde te wijten zijn: o 62 aandelen (VE) van de nv X. (0447.994.203) minstens ten bedrage van 31.030,00 EUR gedeeld door 2 = 15.515,00 EUR, o De helft effecten van effectenrekening 230-0647400-42, minstens voor een bedrag van 104.617,16 EUR gedeeld door 2 = 52.308,58 EUR, o De helft van de aandelen zoals geschonken middels de overeenkomst d.d. 05.12.2011, minstens voor een totale waarde van 147.672,08 EUR en gespecifieerd onder punt 5 van het feitenrelaas, gedeeld door 2 = 73.836,04 EUR o De helft effecten van effectenrekening 799-9231191-91, minstens voor een bedrag van 150.000,00 EUR gedeeld door 2 = 75.000,00 EUR o De blote eigendom van hierna vermelde aandelen m.b.t. de verschillende vennootschappen (geschonken uit het eigen vermogen van dhr. K.A.):  554 aandelen van de nv Y. (0448.506.917),  61 aandelen van de nv X. (0447.994.203),  3.341 aandelen van de nv W. (0418.742.268), − 172.884,21 USD gedeeld door 2 = 86.442,11 USD, − 46.910,31 CHF gedeeld door 2 = 23.455,16 CHF, Dit alles te vermeerderen met de vruchten die reeds uit dit alles werden gehaald sinds de schenkingsdatum; In meer ondergeschikte orde, dhr. V.A. minstens te veroordelen tot teruggave van de volgende bedragen gelet op het conventionele beding van terugkeer dat werd gestipuleerd in de schenkingsaktes van 05.12.2011: o De schenking van 470.000 EUR (d.d. 05.12.2011), zodoende dat 235.000 EUR in ieder geval dient terug te keren naar het vermogen van de heer K.A.; o De schenking van volgende bedragen c.q. effecten dienen terug te keren: 235.548,86 EUR, 86.442,11 USD, 23.455,16 CHF en de helft van de geschonken effecten voor een bedrag van (minstens) 73.836,04 EUR. Dhr. K.A. stelt tevens een vordering in op basis van artikel 6 van de twee schenkingsaktes, om binnen een termijn van drie maanden na het instellen van de vordering de interesten aan te tekenen overeenkomstig artikel 6 van de schenkingsakte tot de datum van algehele betaling. B. Wat betreft de teruggave van in bewaring gegeven geldsommen Dhr. V.A., in hoofdorde, te veroordelen tot voldoening van zijn teruggaveplicht ingevolge de voorliggende bewaargevingen en dus de volgende geldsommen terug te geven, m.n.: − De geldsommen dewelke door dhr. K.A. en (wijlen) mevr. D. in bewaring werden gegeven ten bedrage van 4.809.779,93 EUR, − De geldsommen dewelke door dhr. K.A. in bewaring werden gegeven na het overlijden van mevr. D. ten bedrage van 3.162.904,83 EUR, − De geldsommen dewelke in bewaring werden gegeven ter voldoening van de schenkingsrechten ten bedrage van 37.634,15 EUR, − De geldsommen dewelke in bewaring werden gegeven ter voldoening van de successierechten ingevolge de nalatenschap van mevr. D. ten bedrage van 172.756,21 EUR, Dit alles te vermeerderen met de vruchten die reeds uit dit alles werd gehaald vanaf de datum van de in bewaargeving; In ondergeschikte orde, dhr. V.A. minstens te veroordelen tot voldoening van de helft van zijn teruggaveplicht ingevolge de voorliggende bewaargevingen en dus de volgende geldsommen dewelke met het gemeenschappelijk vermogen van dhr. K.A. en mevr. D.: − De geldsommen dewelke door dhr. K.A. en (wijlen) mevr. D. in bewaring werden gegeven ten bedrage van 4.809.779,93 EUR gedeeld door 2 = 2.404.889,97 EUR, − De geldsommen dewelke door dhr. K.A. in bewaring werden gegeven na het overlijden van mevr. D. ten bedrage van 3.162.904,83 EUR, − De geldsommen dewelke in bewaring werden gegeven ter voldoening van de schenkingsrechten ten bedrage van 37.634,15 EUR gedeeld door 2 = 18.817,08 EUR − De geldsommen dewelke in bewaring werden gegeven ter voldoening van de successierechten ingevolge de nalatenschap van mevr. D. ten bedrage van 172.756,21 EUR, Dit alles te vermeerderen met de vruchten die reeds uit dit alles werd gehaald vanaf de datum van de in bewaargeving; In meer ondergeschikte orde te horen zeggen voor recht dat de overschrijvingen dienen beschouwd te worden als schenkingen en zodoende dhr. V.A. te veroordelen tot teruggave van de integrale schenkingen wegens ondankbaarheid: − De geldsommen dewelke door dhr. K.A. en (wijlen) mevr. D. geschonken werden gegeven ten bedrage van 4.809.779,93 EUR, − De geldsommen dewelke door dhr. K.A. geschonken werden gegeven na het overlijden van mevr. D. ten bedrage van 3.162.904,83 EUR, − De geldsommen dewelke geschonken werden gegeven ter voldoening van de schenkingsrechten ten bedrage van 37.634,15 EUR, − De geldsommen dewelke geschonken werden gegeven ter voldoening van de successierechten ingevolge de nalatenschap van mevr. D. ten bedrage van 172.756,21 EUR, In uiterst ondergeschikte orde te horen zeggen voor recht dat de overschrijvingen minstens voor de helft dienen beschouwd te worden als schenkingen en zodoende dhr. V.A. te veroordelen tot teruggave van de helft van de schenkingen wegens ondankbaarheid: − De geldsommen dewelke door dhr. K.A. en (wijlen) mevr. D. geschonken werden ten bedrage van 4.809.779,93 EUR gedeeld door 2 = 2.404.889,97 EUR, − De geldsommen dewelke door dhr. K.A. geschonken werden na het overlijden van mevr. D. ten bedrage van 3.162.904,83 EUR, − De geldsommen dewelke geschonken werden ter voldoening van de schenkingsrechten ten bedrage van 37.634,15 EUR gedeeld door 2 = 18.817,08 EUR. De geldsommen dewelke geschonken werden ter voldoening van de successierechten ingevolge de nalatenschap van mevr. D. ten bedrage van 172.756,21 EUR. C. In ieder geval Dhr. V.A. te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, zoals voorzien in artikel 1022 Ger. W, thans begroot op 18.000 EUR. Geïntimeerde vordert het hoger beroep ongegrond te verklaren. Beoordeling
  10. Aangaande de herroeping van de schenkingen wegens ondankbaarheid 1.
  11. Overwegende dat appellant van oordeel is dat er in hoofde van geïntimeerde sprake is van grove beledigingen in de zin van artikel 955, lid 2 oud BW, dat hij dienaangaande verwijst naar de brief die geïntimeerde hem schreef op 23 maart 2005 en de daaropvolgende procedures; Dat appellant stelt dat deze handelingen van zijn zoon wel degelijk grove beledigingen zijn en voortgezet werden na de brief van 23 maart 2005 waarbij zijn zoon hem een narcist noemde en zijn vader vroeg uit zijn leven te verdwijnen; Dat appellant van oordeel is dat de eerste rechter ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn vordering tot herroeping niet tijdig, namelijk één jaar na de kennisname van het misdrijf werd ingeleid; Dat appellant van oordeel is dat de termijn van artikel 957 oud BW enkel slaat op misdrijven en niet op grove beledigingen; Dat appellant verder stelt dat er in ieder geval ook na 23 maart 2005 nog sprake is van grove beledigingen door zijn zoon naar hem toe door alle procedures die hij ten aanzien van hem instelde en voerde, zodat zijn vordering tot herroeping van de schenkingen die hij deed niet alleen tijdig maar ook gegrond is. 1.
  12. Overwegende dat geïntimeerde van oordeel is dat: - er geen sprake is van grove beledigingen van hem naar zijn vader toe; - het schrijven van 23 maart 2005 geenszins beledigend bedoeld is maar een schreeuw was van hem om de onhoudbare situatie te veranderen; - hij meegesleurd werd in procedures waar hij veelal een verdedigende houding aannam of het belang van de vennootschappen en het behoud van het opgebouwde patrimonium voor ogen had; - de vordering in ieder geval niet tijdig werd gesteld. 1.
  13. Overwegende dat het hof vooreerst van oordeel is dat appellant enkel de herroeping kan vorderen van het aandeel van de schenkingen die hij zelf deed maar geenszins de herroeping kan vorderen van de schenkingen die zijn vooroverleden echtgenote aan geïntimeerde deed; Dat appellant niet aantoont dat hij hiervoor beschikt over de vereiste hoedanigheid en bijgevolg zijn vordering tot herroeping van de schenkingen wegens ondankbaarheid beperkt blijft tot zijn aandeel in deze schenkingen en geenszins het aandeel kan betreffen gedaan door zijn vooroverleden echtgenote. 1.
  14. Overwegende dat overeenkomstig artikel 953 oud BW een schenking onder de levenden niet kan worden herroepen dan wegens niet-vervulling van de voorwaarden waaronder zij gedaan is en wegens ondankbaarheid; Dat artikel 955 oud BW de schenker bijgevolg de mogelijkheid geeft de schenking te herroepen (de facto ontbinden) indien de begunstigde zich ondankbaar gedraagt; Dat de herroeping van de schenking wegens ondankbaarheid de civielrechtelijke sanctie behelst voor een onheuse gedraging van de begunstigde ten aanzien van de schenker. 1.
  15. Overwegende dat artikel 955 oud BW limitatief de gevallen opsomt van ondankbaarheid namelijk: 1° Indien de begiftigde een aanslag op het leven van de schenker heeft gepleegd; 2° Indien hij zich tegenover hem heeft schuldig gemaakt aan mishandelingen, misdrijven of grove beledigingen; 3° Indien hij weigert hem levensonderhoud te verschaffen; Dat deze gevallen van ondankbaarheid restrictief moeten worden geïnterpreteerd; Overwegende dat appellant die zich beroept op één van deze gevallen, namelijk de grove beledigingen, de bewijslast hiervan draagt; Dat een ‘grove belediging' iedere gedraging van de begiftigde is, die een beledigend of kwetsend karakter heeft en de morele integriteit, eer en waardigheid van de schenker aantast; Dat het begrip grove beledigingen in artikel 955, 2° oud BW een materiële en een intentionele component heeft; Dat van een grove belediging in de zin van artikel 955, 2° oud BW sprake is wanneer de begiftigde zich schuldig maakt aan een ernstig feit of een geheel van feiten die door hun herhaling ernstig zijn, gepleegd met de bedoeling om de schenker te beledigen of te kwetsen en de morele integriteit, eer en waardigheid van de schenker aantasten en die door hun aard blijk geven van ondankbaarheid; Dat er slechts van grove beledigingen sprake is wanneer de begiftigde zich schuldig heeft gemaakt aan één of meer ernstige en opzettelijke feiten maar ook vereist is dat de begiftigde de bijzondere intentie had door deze feiten de schenker te beledigen. Overwegende dat de beledigende feiten voldoende zwaarwichtig moeten zijn en de beoordeling van deze ernst afhangt van allerlei factoren, zoals het sociale milieu en de (eventueel familiale) verhouding tussen schenker en begiftigde; Dat de beoordeling niet lichtzinnig mag gebeuren vermits de normale rechtsuitoefening niet in het gedrang mag komen en de begiftigde niet mag belemmerd worden in de normale uitoefening van zijn rechten. 1.
  16. Overwegende dat overeenkomstig artikel 957 oud BW de eis tot herroeping wegens ondankbaarheid ingesteld moet worden binnen een jaar, te rekenen van de dag van het misdrijf waarvan de schenker de begiftigde beschuldigt, of van de dag waarop het misdrijf de schenker bekend kon zijn; Dat deze vervaltermijn enkel geldt voor de vordering in herroeping van de schenking wegens ondankbaarheid; Dat de termijn van één jaar, bepaald in artikel 957 oud BW, zowel van toepassing is in geval van een testament als van schenking (vgl. Cass., 12 december 1889, Pas., 1890, I, 33); Dat de vordering tot ontbinding wegens ondankbaarheid moet worden ingesteld binnen de bijzonder korte termijn van één jaar, te rekenen vanaf de dag van het misdrijf of vanaf de dag dat het misdrijf de schenker bekend kon zijn; Dat de wet van ‘misdrijf' spreekt, maar er moet worden aangenomen dat hiermee elke handeling bedoeld is die de ondankbaarheid in de zin van artikel 955 oud BW meebrengt en niet slechts het misdrijf sensu stricto in de zin van artikel 955 tweede lid oud BW; Dat immers de ratio legis is dat indien de begiftigde geen vordering instelt na de feiten weerhouden in artikel 955 oud BW, de schenker onweerlegbaar vermoed wordt de begiftigde vergiffenis te hebben geschonken en dit niet enkel kan slaan op een eigenlijk misdrijf maar op elke handeling die de ondankbaarheid in de zin van artikel 955 oud BW meebrengt, Dat deze termijn geen gewone verjaringstermijn is maar een vervaltermijn, die bijgevolg niet voor schorsing en/of stuiting in aanmerking komt. 1.
  17. Overwegende dat deze bijzonder korte termijn zeer goed het bijzondere karakter van de vordering tot ontbinding van de schenking onderstreept omdat het rechtsverkeer rechtszekerheid eist en niet te veel in onzekerheid gebracht mag worden door persoonlijke gebeurtenissen, zoals de ondankbaarheid van de begiftigde ten aanzien van de schenker; Dat hoewel de ontbinding wegens ondankbaarheid geen zakelijke werking heeft ten aanzien van derden, deze onrechtstreeks toch de rechtszekerheid in het gedrang brengt omdat ontbinding tot gevolg heeft dat het vermogen van de begiftigde, en dus het onderpand van diens schuldeisers, verkleint; Overwegende dat de termijn in principe aanvangt op de dag van het misdrijf als het op die dag aan de schenker bekend kon zijn, en in het geval het misdrijf hem pas later bekend kon zijn, dan loopt de termijn loopt te rekenen van die dag; Dat de termijn niet noodzakelijk loopt vanaf het ogenblik van de effectieve kennisname, maar vanaf het ogenblik waarop de schenker kennis had kunnen krijgen van het de misdrijf, en de feitenrechter hierover soeverein oordeelt; Overwegende dat in het geval het om een voortdurend misdrijf (dit is een misdrijf waarbij de strafbare gedraging bestaat in een ononderbroken delictuele toestand, die wordt gehandhaafd) gaat, zoals het weigeren om levensonderhoud te verschaffen, de termijn begint te lopen vanaf het ogenblik van het beëindigen van het misdrijf; Dat in het geval het gaat om een voortgezet misdrijf (een voortgezet of collectief misdrijf bestaat uit verschillende strafbare gedragingen, die elk op zich reeds een misdrijf vormen, maar die, omwille van de opeenvolgende uitvoering en de eenheid van opzet als één misdrijf worden beschouwd), zoals het herhaald afleggen van valse getuigenissen onder ede met het oog op een veroordeling van de schenker (artikel 215 SW), de termijn begint te lopen vanaf de dag van het laatste misdrijf; Dat indien het feit dat ondankbaarheid uitmaakt aldus wordt voortgezet in de tijd, de termijn niet loopt zolang het feit niet is opgehouden. 1.
  18. Overwegende dat de feitenrechter soeverein de ernst van de aan hem voorgelegde feiten en de opportuniteit van de gevorderde ontbinding beoordeelt in de concrete omstandigheden van het geval; Dat uit de stukken van het dossier nopens het bestaan en de gebeurlijke aanvang van de grove beledigingen het volgende blijkt: - Op 23 maart 2005 schrijft geïntimeerde aan appellant een brief van 4 pagina's met de titel ‘leven en geleefd worden' die door appellant als een grove belediging wordt ervaren omdat zijn zoon hem daarin een narcist noemt en hem vraagt hem met rust te laten omdat zijn vader hem verstikt; - Deze brief is bij aandachtige lezing zeer genuanceerd en geenszins agressief maar eerder een lange oproep om een andere weg in te slaan, zowel in de relaties tussen vader en zoon maar ook op zakelijk vlak; - Zo schrijft geïntimeerde: ‘misschien is het allemaal verloren tijd en gaat er nooit een oplossing komen doch tracht ik om oprecht mijn inzichten op te schrijven. Zodat jij ook beseft dat ik hier zeker niet licht over gegaan ben. Wellicht is deze brief een ultiem eindpunt en misschien ook een nieuw begin. De grote vraag is waar is alles zo fout gelopen. ‘k heb altijd enorm naar jullie opgekeken. De afgelegde weg, de toewijding, de opoffering om een onderneming van de grond op te bouwen'....'Bedrijven die innoveren, vernieuwen, evolueren zijn de enige die het goed doen zelfs in deze tijd. Verandering is de nieuwe honger. Tussen ons wordt verandering afgeremd en is alleen traditioneel volgens jou de juiste weg. Ja, Pa we verschillen van mening. Terwijl jij staat te kuizen of af te breken, steen te schuppen, kan je niets anders doen wat meer zou kunnen renderen en zo komt het dat er slechte afspraken worden gemaakt met aannemers. Er zit bij ons geen enkele structuur in heel de organisatie en dat besef ik al lang. Daarom is het zo moeilijk iets samen te doen. Je laat niets los waardoor er geen ruimte is voor nieuwe dingen.'...' Na het overlijden (van moeder) ben je zo veranderd. Wat op zich niet erg is. Maar je negatieve ingesteldheid en constant bekritiserende houding haalt zeker niet het beste uit een mens. Niet naar anderen toe en ook niet voor mij als zoon. Een ander kan nooit iets goed doen, er zijn ook geen goede stielmannen, tijden zijn hard veranderd. Kijk eens terug wat er de laatste jaren nog wel goed is verlopen.' - In deze brief spreekt geïntimeerde verder over het feit dat hij veranderd is, dat hij met angsten en schuldgevoel worstelt, dat hij het moeilijk heeft omdat gebleken is dat hij (zoals zijn moeder), drager is van het BRCA1gen en hij kanker kan krijgen en doorgeven, dat hij en zijn vriendin een kinderwens hebben en zij hiervoor diverse onderzoeken hebben gedaan, dat dit niet is gelukt tot dan en dit zwaar was om te incasseren voor hem en zijn vriendin, dat hij hiervoor op een donderdagnamiddag 2 uur afwezig was op het werk maar het niet aan zijn vader durfde vertellen, dat hij zijn uiterste best doet maar het nooit genoeg is en er geen waardering is maar enkel kritiek; dat vader dreigt alles te laten leeg staan en onderkomen; - dat geïntimeerde in een diep gat was gevallen en professionele hulp heeft gezocht en hij in de brief letterlijk schrijft: ‘want ik zag het belang niet meer van mijn bestaan. Ik, je zoon. De grootste teleurstelling voor een vader. Je weet waarschijnlijk niet vanwaar alles wat nu gebeurt komt. Als je behandeld wordt als een bezit, een verworven recht om als slaaf dingen te moeten doen. Communicatie naar mij is altijd, je moet dit, je moet dat, nu moet... volledig opgebrand heb ik al lang geen plezier meer in dingen, laat staan voldoening. Mijn enthousiasme constant de kop ingedrukt. Ons mama zei in het ziekenhuis nog: ‘mensen zoals papa eindigen alleen. Ik heb dat lang niet willen accepteren maar het gaat er van komen als je iedereen constant afstoot. Totaal verwonderd dat ik deze toestand zo lang heb kunnen volhouden, kan ik maar op één manier verklaren. De liefde van een zoon voor zijn papa, jij dus. Doch er zijn grenzen en ik ben er al ver over. Het moet en zal veranderen en wel nu, niet morgen maar nu. Ik stop ermee op deze manier. Geen lopende zaken of aan het lijntje houden. Laat me met rust, sta niet aan mijn deur, geen telefoon, niets meer, laat me los, je verstikt me! Laat het bezinken; en aub, ga hulp zoeken- praat erover. Gebruik je tijd om opnieuw positief te worden en de goeie dingen te zien.' - Deze brief is geen aanzet tot communicatie geweest tussen beiden maar heeft integendeel de voorheen reeds slechte relatie verder verzuurd; - Dit heeft geresulteerd in procedures die nu eens door appellant dan weer door geïntimeerde werden ingesteld; - Een opgestarte bemiddeling werd niet verdergezet omdat kort na het opstarten ervan appellant overging tot dagvaarding in gerechtelijke ontbinding van de vennootschappen waar beiden aandelen in hadden. 1.
  19. Overwegende dat het hof van oordeel is dat appellant er niet in slaagt aan te tonen dat er sprake is van grove beledigingen in de zin van artikel 955, lid 2 oud BW door geïntimeerde met de intentie hem te beledigen; Dat de brief van 23 maart 2005 inderdaad onder meer spreekt van vader als narcist (omdat hij nooit vraagt aan zijn zoon of aan anderen hoe het met hen gaat) en geïntimeerde inderdaad vraagt met rust gelaten te worden (omdat vader op onverwachte momenten naar zijn zoon komt om op hem te roepen en te zeggen wat er moet gebeuren, wat hij moet doen en hoe), maar niet blijkt dat geïntimeerde dit schreef met de bedoeling vader te beledigen maar eerder om vader wakker te schudden en te laten weten dat zijn zoon ongelukkig was met de situatie, dat hij volledig opgebrand was, dat hij de dingen wou veranderen, dat hij zocht naar waardering van vader en die niet kreeg, dat vader hem bekritiseerde en hij op deze manier niet langer kon samenwerken en leven; Dat duidelijk is dat vader deze brief wél als beledigend heeft ervaren en niet in de andere zin heeft gelezen namelijk als een oproep om te praten en dingen te veranderen; Overwegende dat zelfs indien er al sprake zou zijn van een grove belediging in deze brief, het hof vaststelt dat appellant niet tijdig, namelijk binnen de termijn van één jaar na kennisname, de vordering tot herroeping heeft ingesteld temeer daar er geen sprake is van een bewezen voortzetting van de beweerde maar niet bewezen grove beledigingen na deze brief. 1.
  20. Overwegende dat door de interpretatie van vader van deze brief, de situatie tussen beiden inderdaad volledig is verzuurd en geïntimeerde in het belang van de goede werking van de vennootschappen om de aanstelling van een bewindvoerder heeft gevraagd; Dat het voeren van deze procedure geen grove belediging uitmaakt maar eerder als een beschermingsmaatregel voor het door vader en moeder opgebouwde patrimonium moet worden gezien; Overwegende dat ook de procedure tot gedwongen overname van de aandelen niet als een grove belediging kan worden beschouwd; Dat deze vordering werd ingewilligd en uit de motivering van de beslissing dienaangaande duidelijk blijkt dat de bedoeling is om de belangen van de diverse vennootschappen, opgericht door appellant en diens vooroverleden echtgenote en deel uitmakend van het door hen opgebouwde patrimonium, te beschermen; Overwegende dat verder het feit dat geïntimeerde de opgestarte bemiddeling niet wenste verder te zetten nadat zijn vader de gerechtelijke ontbinding van de vennootschappen vorderde (tijdens de bemiddeling) evenmin kan worden beschouwd als een grove belediging; Dat appellant immers met het vorderen van de gerechtelijke ontbinding van de vennootschappen de deur dicht deed voor enige mogelijk toenadering en verzoening; Overwegende dat het feit dat geïntimeerde vader in kortgeding dagvaardde om hem te verbieden contact op te nemen met de huurders en deze vordering werd afgewezen als ongegrond, in het kader van alle voorgaande procedures en incidenten evenmin als een grove belediging kan worden aanvaard. 1.
  21. Overwegende dat voor het overige geen feiten of elementen worden bewezen door appellant die door het hof weerhouden worden als grove beledigingen in de zin van artikel 955 lid 2 oud BW; Dat het hof, gelet op voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd, dan ook van oordeel is dat de vordering van appellant tot herroeping van de schenkingen wegens ondankbaarheid terecht door de eerste rechter als ongegrond werd afgewezen en het hoger beroep op dit punt ongegrond is.
  22. Aangaande de ondergeschikte vordering tot terugvordering van de helft van de geschonken gelden en het beding van terugkeer 2.
  23. Overwegende dat appellant in diens conclusie stelt: ‘in ondergeschikte orde wordt minstens de helft van de geschonken bedragen en effecten teruggevorderd. Ter zake stelde de eerste rechter ten onrechte dat geen vordering op basis van het conventionele recht op terugkeer zou ingesteld zijn. Ter zake bevatten de besluiten van de heer K.A. de volgende passage: "Zodoende dient dan ook gesteld te worden dat minstens 235.000,00 moet terugkeren naar het vermogen van dhr. K.A.. Het weze immers duidelijk dat hij zijn recht van conventionele terugkeer uitoefent. Dhr. K.A. formuleert alvast een voorbehoud om - voor zover als nodig - wanneer er geen betaling is binnen een termijn van 3 maanden, hierop interesten aan te rekenen conform artikel 6 van de schenkingsakte." Ter zake stelde de eerste rechter dan ook ten onrechte dat er geen vordering zou ingesteld zijn. Voor zover als nodig, en ter vrijwaring van de rechte van dhr. K.A., wordt deze vordering met betrekking tot het recht op conventionele terugkeer expliciet ingesteld. Deze vordering met betrekking tot het recht op conventionele terugkeer heeft enerzijds betrekking op de schenking van 470.000 EUR (d.d. 05.12.2011), zodoende dat 235.000 EUR in ieder geval dient terug te keren naar het vermogen van de heer K.A. Anderzijds heeft deze vordering betrekking op een tweede schenking van dezelfde datum (m.n. 05.12.2011) de welke als volgt is samengesteld: § een bedrag van 471.097,72 EUR, § een bedrag van 172.884,21 USD, § een bedrag van 46.910,31 CHF, § effecten voor een waarde van 147.672,08 EUR ten tijde van de schenking, zodoende dat er op basis van het uitgeoefende conventionele recht van terugkeer de volgende bedragen c.q. effecten dienen terug te keren: 235.548,86 EUR, 86.442,11 USD, 23.455,16 CHF en de helft van de geschonken effecten voor een bedrag van (minstens) 73.836,04 EUR. Louter volledigheidshalve dient opgemerkt te worden dat alle hierboven vermelde bedragen, expliciet, dan wel impliciet vervat zaten in de vordering zoals deze werd ingesteld door dhr. K.A.. Ter zake dient dan ook gesteld te worden dat de eerste rechter nagelaten heeft om de vordering vanwege dhr. K.A. correct uit te leggen en deze vervolgens toe te kennen.' 2.
  24. Overwegende dat appellant en diens vooroverleden echtgenote door middel van twee onderhandse schenkingsovereenkomsten van 5 december 2011 inderdaad de hoger vermelde bedragen aan geïntimeerde hebben geschonken; Dat in deze schenkingsovereenkomsten een conventioneel beding van terugkeer als volgt werd bedongen: ‘ingeval van vooroverlijden van de begiftigde met of zonder afstammelingen, heeft de huwelijksgemeenschap A.-D., beiden schenkers, zich het recht van terugkeer voorbehouden zoals voorzien in artikel 951 van het (oud) Burgerlijk Wetboek op het geheel van de geschonken goederen. Ingeval van vooroverlijden van één van de echtgenoten, schenkers, heeft de langstlevende van hen zich vermeld recht van conventionele terugkeer voorbehouden op de helft van de goederen.' 2.
  25. Overwegende dat artikel 951 oud BW bepaalt: ‘De schenker kan ten aanzien van de geschonken goederen het recht van terugkeer bedingen, hetzij voor het geval van vooroverlijden van de begiftigde alleen, hetzij voor het geval van vooroverlijden van de begiftigde en zijn afstammelingen. Dit recht kan alleen ten voordele van de schenker worden bedongen.'; Dat de schenker op deze wijze een recht van conventionele terugkeer verkrijgt waardoor de facto de schenking wordt ontbonden in het geval die voorwaarden zoals bedongen zich voordoen; Dat het bedingen van een conventionele terugkeer in geval van vooroverlijden van de begiftigde neerkomt op het inlassen van een ontbindende voorwaarde; Dat dit enkel kan ingevolge de gebeurtenissen die opgesomd zijn in artikel 951 oud BW, namelijk het vooroverlijden van de begiftigde wat een louter toevallige gebeurtenis is; Dat de schenker de verwezenlijking ervan niet in de hand heeft en door het inlassen van dergelijke voorwaarde geen afbreuk gedaan wordt aan het essentieel onherroepelijk karakter van de schenking; Dat schenkingen immers essentieel onherroepelijk zijn en enkel in de gevallen opgesomd in artikel 955 oud BW kunnen herroepen worden en enkel ingeval van de overeenkomstig artikel 951 oud BW toegelaten bedongen terugkeer de geschonken goederen naar de schenker kunnen terugkeren; Dat dit principe immers inhoudt dat de schenker zich geen rechtstreeks of onrechtstreeks middel mag voorbehouden, waardoor hij achteraf zijn schenking zou kunnen uithollen en haar dus indirect herroepen; Overwegende dat in artikel 951 oud BW deze mogelijke ontbinding op de eerste plaats wordt bepaald indien de begiftigde vóór de schenker overlijdt en in dergelijke hypothese de terugkeer plaats heeft door het loutere feit dat de begiftigde vooroverlijdt, ook al laat hij nochtans afstammelingen na; Dat overeenkomstig artikel 951 oud BW de terugkeer ook bedongen kan worden voor het geval niet alleen de begiftigde zelf, maar ook zijn kinderen de schenker niet overleven; Dat uit het voorgaande blijkt dat artikel 951 oud BW de mogelijkheid geeft om in een schenking te bedingen dat de geschonken goederen naar de schenker zullen terugkeren in de gevallen die er worden in opgesomd namelijk in het geval van het vooroverlijden van de begiftigde (en/of diens kinderen), in casu geïntimeerde. 2.
  26. Overwegende dat aldus duidelijk is dat in de schenkingsovereenkomsten van 5 december 2011 bedongen is dat in geval van vooroverlijden van geïntimeerde de geschonken goederen terugkeren naar de schenkers, in dit geval appellant en zijn vooroverleden echtgenote; Dat conventionele terugkeer alleen maar bedongen kan worden ten voordele van de schenker en niet bedongen kan worden ten voordele van een derde; Dat de eigendomsoverdracht die de schenking teweeg bracht retroactief te niet gedaan wordt gedaan ingeval van vooroverlijden van de begiftigde, zodat de geschonken goederen terugkeren - en alleen maar kunnen terugkeren - naar de vroegere eigenaar: de schenker; Dat ingeval er goederen worden geschonken door meerdere schenkers, terugkeer enkel kan bedongen worden voor die goederen die elke schenker apart heeft geschonken; Dat in casu appellant en diens vooroverleden echtgenote samen gelden aan geïntimeerde schonken bij schenkingsovereenkomsten van 5 december 2011 maar zij uiteraard enkel hun eigen deel aan geïntimeerde konden schenken en bij toepassing van het beding van terugkeer dit tot gevolg heeft dat enkel de goederen waarvan de schenker voorheen eigenaar was, naar hem kunnen terugkeren; Dat bijgevolg de goederen geschonken door moeder, die vooroverleden is, in geval van vooroverlijden van de begiftigde, niet kunnen terugkeren naar appellant vermits deze nooit eigenaar was van deze goederen en aldus de facto een derde is; Overwegende dat dit in de bedoelde schenkingsovereenkomsten expliciet werd opgenomen namelijk dat het conventioneel beding van terugkeer, dat van toepassing is enkel in geval van vooroverlijden van geïntimeerde, en in geval van vooroverlijden van één van de echtgenoten, de langstlevende zich het recht van conventionele terugkeer voorbehoudt op de helft van de door beide ouders geschonken goederen; Dat conventionele terugkeer steeds het vooroverlijden van de begiftigde (en eventueel van zijn afstammelingen) vóór de schenker veronderstelt en als de schenker voor de begiftigde overleden is, is er voor zijn erfgenamen helemaal geen recht van terugkeer meer uit te oefenen; Dat appellant bijgevolg dit conventioneel recht van terugkeer enkel kan uitoefenen op het door hem geschonken deel, namelijk de helft van de geschonken goederen en enkel ingeval van vooroverlijden van geïntimeerde. 2.
  27. Overwegende dat appellant van oordeel is dat er in casu ook conventioneel werd bedongen dat in geval van vooroverlijden van één van de schenkers, de andere overlevende schenker kan vorderen dat wat hij zelf heeft geschonken, naar hem terugkeert; Dat de interpretatie door appellant van dit beding niet verenigbaar is met het principe van het conventioneel beding van terugkeer in artikel 951 oud BW dat expliciet bepaalt dat een terugkeer mogelijk bedongen kan worden ingeval van het vooroverlijden van de begiftigde maar geenszins mogelijk is ingeval van vooroverlijden van de andere schenker; Dat een dergelijke interpretatie niet strookt met de bepalingen van artikel 951 oud BW en met de principiële onherroepelijkheid van de schenkingen; Overwegende dat het hof van oordeel is dat, gelet op voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd, ook dit onderdeel van het hoger beroep van appellant ongegrond is.
  28. Aangaande de bewaargevingen van gelden 3.
  29. Overwegende dat appellant verder stelt dat een aantal sommen werden overgeschreven naar de rekening van zijn zoon maar deze sommen in bewaring werden gegeven, en dat hij deze terugvordert; Dat appellant van oordeel is dat geenszins bewezen is dat deze sommen werden geschonken en duidelijk is dat er dus enkel sprake is van bewaargevingen in het kader van successieplanning, namelijk dat ingeval appellant zou komen te overlijden deze gelden reeds bij zijn zoon blijven; Overwegende dat geïntimeerde zich beroept op artikel 2279 oud BW, stelt dat hij deze gelden op een rechtmatige wijze heeft verkregen en het duidelijk de bedoeling was, inderdaad in het kader van successieplanning, dat deze gelden aan hem werden geschonken; Dat geïntimeerde verder van oordeel is dat in zoverre appellant zich beroept op bewaargeving, hij het bestaan van deze bewaargeving moet bewijzen maar dienaangaande geen geschrift en zelfs geen begin van geschreven bewijs voorligt zodat appellant er niet in slaagt zijn vordering te bewijzen. 3.
  30. Overwegende dat artikel 2279 oud BW bepaalt dat met betrekking tot roerende goederen het bezit als titel geldt; Dat men krachtens artikel 2230 oud BW steeds geacht wordt voor zichzelf en als eigenaar te bezitten; Dat in het kader van een geschil tussen de huidige bezitter van een lichamelijk roerend goed, in casu geïntimeerde en de onmiddellijk voorafgaande bezitter of zijn rechthebbenden, in casu appellant, het bezit een vermoeden van titel uitmaakt ten voordele van de bezitter te goeder trouw; Dat het bezit te goeder trouw van roerende goederen het eigendomsrecht enkel doet ontstaan wanneer het bezit deugdelijk is, dit wil zeggen een voortdurend, onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig bezit als eigenaar (art. 2229 en 2279 oud BW); Overwegende dat vaststaat dat geïntimeerde reeds geruime tijd in het bezit is van gelden die door appellant op zijn rekeningen werden gestort en aldus geïntimeerde zich ingevolge dit bezit kan beroepen op artikel 2279 oud BW; Dat overeenkomstig artikel 8.4 BW (art. 1315, lid 1 oud BW) het aan appellant die beweert dat dit bezit gebrekkig is, toekomt hiervan het bewijs te leveren en appellant aldus moet bewijzen, dat geïntimeerde deze gelden niet voor zichzelf en als eigenaar bezit maar deze gelden, zoals door appellant beweerd, enkel onder zich heeft als bewaarder voor appellant. 3.
  31. Overwegende dat appellant die beweert dat deze gelden door hem in bewaring werden gegeven bij zijn zoon hiervan het bewijs moet leveren; Overwegende dat overeenkomstig artikel 1921 oud BW vrijwillige bewaargeving tot stand komt door de wederzijdse toestemming van de bewaargever en de bewaarnemer; Dat overeenkomstig artikel 1923 oud BW vrijwillige bewaargeving door geschrift bewezen moet worden en het bewijs door getuigen niet toegelaten wordt voor een waarde die 375 euro te boven gaat; Dat de in artikel 1923 oud BW geschreven regel een toepassing is van het in de artikelen 1341 en volgende oud BW (nu artikel 8.9 BW) vermeld beginsel en op die regel uitzondering gemaakt wordt wanneer er een begin van bewijs door geschrift voorhanden is (zie Cass., 21 december 1891, Pas., 1892, I, 58). 3.
  32. Overwegende dat er geen geschrift werd opgesteld nopens de beweerde bewaargeving en evenmin enig begin van geschreven bewijs voorligt; Dat er geen wederzijdse berichten werden verstuurd of er evenmin sprake is van een vermelding bij de overschrijvingen van de gelden; Dat appellant van oordeel is dat door het ontbreken van een pacte adjoint zoals aanwezig was bij de werkelijke schenkingen, afdoende bewezen is dat deze overschrijvingen van de gelden de facto in bewaring werden gegeven aan zijn zoon en niet aan hem werden geschonken vermits de animus donandi niet bewezen werd. 3.
  33. Overwegende dat het ontbreken van een pacte adjoint niet het bewijs van de beweerde bewaargevingsovereenkomst door middel van geschrift of een begin van geschreven bewijs kan uitmaken; Dat appellant de facto, behoudens het verweer dat geïntimeerde niet bewijst dat deze gelden aan hem werden geschonken, geen overtuigend, tegensprekelijk en objectief (schriftelijk) bewijs, zelfs geen begin van geschreven bewijs en zelfs geen ander bewijs naar voor brengt van de beweerde bewaargeving; Dat appellant stelt dat geïntimeerde er niet in slaagt te bewijzen dat deze gelden aan hem werden geschonken maar appellant hierdoor de bewijslast omkeert; Overwegende dat geïntimeerde zich immers kan beroepen op artikel 2279 oud BW vermits uit geen enkel element blijkt dat het bezit van geïntimeerde niet deugdelijk of niet regelmatig zou zijn; Dat deze gelden door vader op zijn rekening werden overgeschreven en geïntimeerde voortdurend, onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig in bezit is gebleven van deze gelden tot vader voor het eerst in het kader van deze en voorgaande procedures de terugbetaling vorderde; Dat ingevolge dit deugdelijk bezit geïntimeerde zich kan beroepen op het vermoeden dat hij deze goederen als eigenaar en voor zichzelf bezit en hij niet de bewijslast draagt van de schenking; Overwegende dat het hof, gelet op voorgaande elementen in hun onderling verband van oordeel is dat het hoger beroep van appellant ook op dit punt ongegrond is.
  34. Aangaande de betaalde schenkings- en successierechten 4.
  35. Overwegende dat appellant vordert geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de door hem betaalde schenkings- en successierechten; Dat hij stelt dat geïntimeerde deze rechten moest betalen en hij dat deed in zijn plaats zodat er sprake is van bewaargeving van deze gelden die hij nu terugvordert, minstens vordert hij de terugbetaling van de helft van de door hem betaalde schenkingsrechten, meer ondergeschikt moeten deze bedragen beschouwd worden als schenkingen die hij eveneens wenst te herroepen wegens ondankbaarheid, en in uiterst ondergeschikte orde vordert hij de helft van deze schenkingen terug. Overwegende dat geïntimeerde van oordeel is dat deze schenkings-en successierechten geenszins bij hem in bewaring gegeven gelden zijn vermits dit veronderstelt dat hij deze gelden onder hem heeft wat niet het geval is; Dat geïntimeerde van oordeel is dat dit eveneens geschonken gelden betreft die niet wegens ondankbaarheid kunnen herroepen worden. 4.
  36. Overwegende dat bewaargeving van gelden, zoals hiervoor reeds gesteld, overeenkomstig artikel 1915 oud BW, een handeling is waarbij men het geld van een ander aanneemt, onder verplichting om dit te bewaren en in natura terug te geven; Dat voor het bestaan van een contract van bewaargeving het door partijen beoogde doel moet zijn om de overgemaakte zaak te bewaren en te behouden, onder verplichting om ze naderhand in natura terug te geven (zie Cass., 11 december 1845, Pas., 1846, I, 75); Dat de door appellant betaalde schenkings- en successierechten geenszins in bewaring werden gegeven aan geïntimeerde maar rechtstreeks werden betaald aan de registratiekantoren; Dat er aldus geen sprake is van een bewezen bewaargeving van deze gelden; Overwegende dat appellant de facto een schuld die door geïntimeerde verschuldigd was, heeft betaald; Dat artikel 1236 oud BW bepaalt dat een verbintenis kan voldaan worden door ieder die daarbij belang heeft, gelijk een medeschuldenaar of een borg en een verbintenis zelfs voldaan kan worden door een derde die daarbij geen belang heeft, mits die derde in naam en tot kwijting van de schuldenaar handelt of mits hij, handelende in zijn eigen naam, niet in de rechten van de schuldeiser gesteld wordt. 4.
  37. Overwegende dat een onrechtstreekse schenking een schenking is die, buiten alle veinzing om, onder de vorm van een andere rechtshandeling gebeurt; Dat om van een onrechtstreekse schenking te kunnen spreken, er sprake moet zijn van een rechtshandeling die dus op zich rechtsgevolgen teweeg brengt en meer bepaald een (eigendoms)overdragend effect heeft; Dat er aldus de facto sprake moet zijn van een verarming en een verrijking, wat naast het intentionele element (de animus donandi) een noodzakelijk (materieel) element is om van een schenking te kunnen spreken; Dat het ook moet gaan om een definitieve rechtshandeling die dus een onherroepelijke overdracht tot gevolg heeft, nu schenkingen in principe onherroepelijk zijn Overwegende dat bij het bewijs van de animus donandi alle middelen van recht toegelaten zijn, inclusief vermoedens, die dan wel bepaald, gewichtig en met elkaar overeenstemmend moeten zijn (artikel 1353 oud BW); Dat het enkele feit dat een neutrale rechtshandeling plaatsvond niet volstaat omdat het eigene van dergelijke akte precies is dat ze haar oorzaak niet aangeeft maar die animus donandi wel afgeleid kan worden uit de omringende omstandigheden. Overwegende dat uit de stukken van het dossier blijkt dat: - appellant en diens vooroverleden echtgenote de schenkingsrechten betaalden naar aanleiding van alle schenkingen die ze deden zodat er dienaangaande sprake is van een bewezen rechtshandeling die een verarming uitmaakte in hunnen hoofde en een verrijking in hoofde van geïntimeerde; - appellant na het overlijden van zijn echtgenote, in de plaats van geïntimeerde, de successierechten betaalde die deze verschuldigd was en ook daar aldus sprake is van een rechtshandeling die een eigendomsoverdragend effect heeft door enerzijds de verarming van appellant en de verrijking van geïntimeerde; - in tempore non suspecto appellant op geen enkele wijze heeft laten blijken dat geïntimeerde deze door hem (en wat betreft de schenkingsrechten door zijn vooroverleden echtgenote) betaalde rechten diende terug te betalen; - uit geen enkel element van het dossier blijkt dat zij hiervan terugbetaling vorderden; Overwegende dat het hof van oordeel is dat uit de voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd, blijkt dat er sprake is van een rechtshandeling met een eigendomsoverdragend effect gebeurd door appellant met de intentie om te schenken; Dat de animus donandi afdoende blijkt uit de omringende omstandigheden, waaronder het vrijwillig voldoen van deze rechten zonder dat geïntimeerde dit vroeg, en het feit dat appellant nooit terugbetaling vorderde in tempore non suspecto; Dat het betalen van deze schenkings- en successierechten in de plaats van geïntimeerde moet beschouwd worden als een onrechtstreekse schenking door appellant en zoals hiervoor reeds gesteld er geen sprake is van een bewezen ondankbaarheid in hoofde van geïntimeerde; Dat deze onrechtstreekse schenking niet herroepen kan worden daar er geen ondankbaarheid in de zin van artikel 955 oud BW in hoofde van geïntimeerde bewezen is; Overwegende dat het hof, gelet op de voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd, het hoger beroep ook op dit punt ongegrond verklaart. Aangaande de gerechtskosten
  38. Vorderingen van partijen Overwegende dat appellant vordert geïntimeerde te veroordelen tot de gedingkosten van beide aanleggen inbegrepen een rechtsplegingsvergoeding van 18.000 euro per aanleg. Dat geïntimeerde vordert appellant te veroordelen tot de gedingkosten van beide aanleggen inbegrepen een rechtsplegingsvergoeding van 18.000 euro per aanleg.
  39. Beoordeling Overwegende dat de eerste rechter appellant terecht als verliezende partij heeft veroordeeld tot de gedingkosten, maar de rechtsplegingsvergoeding ten onrechte begroot heeft op 18.000 euro in hoofde van geïntimeerde; Dat immers appellant enerzijds veroordeling vordert van geïntimeerde tot terugbetaling van een aantal bedragen maar anderzijds herroeping vordert van de schenking van aandelen wat een niet in geld waardeerbare vordering betreft; Dat appellant geen expliciet maar wel een impliciet hoger beroep heeft aangetekend wat betreft de toegekende rechtsplegingsvergoeding vermits appellant vordert geïntimeerde te veroordelen tot de gedingkosten; Dat appellant, gelet op diens ongegrond hoger beroep veroordeeld wordt tot de gedingkosten van eerste aanleg en hoger beroep, inbegrepen een rechtsplegingsvergoeding van 2 x 1.440 euro in hoofde van geïntimeerde. OM DEZE REDENEN, HET HOF, 42ste kamer, (FAMILIEKAMER) Rechtsprekend op tegenspraak, mede ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond, behoudens in zoverre appellant veroordeeld wordt tot een rechtsplegingsvergoeding van 18.000 euro; Opnieuw rechtsprekende, enkel op dit punt: Veroordeelt appellant tot een rechtsplegingsvergoeding aan de zij van geïntimeerde van 1.440 euro; Veroordeelt appellant in de gerechtskosten van hoger beroep, begroot op 20 euro bijdrage begrotingsfonds en een rechtsplegingsvergoeding 1.440 euro voor geïntimeerde. Veroordeelt overeenkomstig artikel 269/2 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten appellant tot betaling aan de Belgische Staat, FOD Financiën, van het rolrecht hoger beroep ten bedrage van 400 euro. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 42ste kamer, familiekamer van het Hof van Beroep te Brussel op 28 SEPTEMBER
  40. Waar aanwezig waren : P. SENAEVE, voorzitter, V. AELBRECHT, raadsheer, C. VAN ROY, raadsheer, H. COEYMANS, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.