id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 26 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20211026.2 Rolnummer: 2020/FA/639 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-08-12 Raadplegingen: 219 - laatst gezien 2026-06-13 21:50 Fiche De wettelijke regeling betreffende de erfrechtelijke reserve (art. 913 - 915bis oud BW) wordt beschouwd als zijnde van openbare orde. Indien de (subjectieve) oorzaak van de verbintenis hier afbreuk aan doet, is deze verbintenis volstrekt nietig. In casu is de oorzaak van de overeenkomst te vinden in de relatie die eerste verweerster na cassatie sedert vele jaren had met de decujus en de intentie die ze hadden om samen een gezinswoning op te richten. Het begiftigingsoogmerk wordt in casu afgeleid uit de verkoopprijs die beduidend lager is dan de waarde van het goed en uit de omstandigheid dat de verkoop in de lijn lag van een context die voorzag in een bevoordeling van eerste verweerster na cassatie, ook door een testament en een beding van aanwas wat betreft roerende goederen en een beding van aanwas nopens de volle eigendom van het verkochte onroerend goed. Er is aldus sprake van een onrechtstreekse schenking en het geschonken bedrag moet aan de fictieve massa worden gevoegd. Het komt de notaris-vereffenaar toe om de fictieve massa samen te stellen en de gebeurlijke inkorting te doen. Een aanwasbeding is maar een kanscontract naarmate er een werkelijk aleatoir karakter aan is verbonden. Er is vereist dat bij de sluiting van de overeenkomst met het aanwasbeding min of meer een gelijkheid qua overlevingskansen bestaat tussen de partijen. Een leeftijdsverschil van 11 jaar is niet dermate groot dat er geen sprake meer is van min of meer gelijke overlevingskansen, zeker aangezien de ziekte van de decujus nog niet bekend was op het ogenblik van de opstelling van het beding. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Algemeen (erfrecht) BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Schenkingen - Onrechtstreekse schenking Tekst van de beslissing INZAKE VAN: I.J. eiser na cassatie, vertegenwoordigd door mr. CASIER Elke, advocaat te 8820 TORHOUT, Rijselstraat 38, TEGEN: L.M. eerste verweerder na cassatie, vertegenwoordigd door mr. COUCKE Pieter, advocaat te 8000 BRUGGE, Cordoeaniersstraat 17-19, I.K. tweede verweerder na cassatie, niet in persoon aanwezig. * * * * * * * * * * Gelet op de stukken van de rechtspleging, inzonderheid: - het eindvonnis op 5 november 2015 op tegenspraak uitgesproken door de familierechtbank van de rechtbank van eerste aanleg te West-Vlaanderen, afdeling Brugge, waarvan partijen geen akte van betekening neerleggen; - het verzoekschrift hoger beroep neergelegd ter griffie op 30 december 2015, waarbij tijdig hoger beroep werd aangetekend; - het arrest op 18 mei 2017 op tegenspraak uitgesproken door het hof van beroep te Gent; - het arrest op 3 december 2018 uitgesproken door het Hof van Cassatie; - de dagvaarding na cassatie neergelegd ter griffie op 2 november 2020; - de syntheseconclusie van eerste verweerder na cassatie neergelegd ter griffie op 20 april 2021; - de conclusie van eiser na cassatie neergelegd ter griffie op 14 juni 2021; - de door partijen neergelegde stukken. Op de zitting van 12 oktober 2021 verschijnt tweede verweerder, die rechtsgeldig opgeroepen was, niet noch iemand voor hem. De zaak staat vastgesteld voor pleidooien na een beschikking overeenkomstig artikel 747 Gerechtelijk Wetboek en de overige partijen vorderen een arrest op tegenspraak. Het hof gaat in op deze vordering. FEITELIJKE EN PROCEDURELE VOORGAANDEN
- J.I., eiser na cassatie, en K.I., tweede verweerder na cassatie, zijn de kinderen uit het huwelijk van N.I. en O.P. van wie N.I. uit de echt was gescheiden. Eerste verweerster na cassatie, M.L., onderhield sedert oktober 1980 een liefdesrelatie met wijlen N.I., hetgeen resulteerde in een feitelijke samenwoonst (officieel sedert 1 augustus 2003) en sinds 19 januari 2004 in een wettelijke samenwoning, ingevolge verklaring voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Beernem, na vooraf een samenlevingsovereenkomst te hebben gesloten bij akte verleden voor notaris Philippe Vanlatum te Beernem (Oedelem), op 16 januari
- Eerste verweerster na cassatie kocht zich bij authentieke akte van 6 februari 2002 in een perceel grond met weiland gelegen te Veldstraat 9, 8730 Beernem van N.I. voor een prijs van 12.395 euro, met de bedoeling op dit perceel samen een huis te bouwen. Bij akte van 15 november 2002 werd een beding van aanwas gekoppeld aan deze onverdeeldheid tussen eerste verweerster na cassatie en N.I. Op 19 januari 2004 legden eerste verweerster na cassatie en N.I. een verklaring van samenwoning af voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Beernem, voorafgegaan door een samenlevingscontract met akte verleden voor mr. Philippe Vanlatum, notaris te Beernem (Oedelem) dd. 16 januari
- Diezelfde dag dicteerde N.I. aan notaris Philippe Vanlatum een authentiek testament waarin eerste verweerster na cassatie werd aangeduid als algemene legataris. Op 8 maart 2004 overleed de heer I.
- Bij vonnis op 19 januari 2007 beval de rechtbank van eerste aanleg van West-Vlaanderen, afdeling Brugge, de vereffening-verdeling van de nalatenschap en werd de overeenkomst van aanwas van alle roerende goederen aan de langstlevende van de partijen uit de oorspronkelijke overeenkomst nietig verklaard en werd bepaald dat de testamentaire beschikking door N.I. opgesteld diende te worden ingekort ingevolge de wettelijke reserve voor zijn beide kinderen. Dit vonnis werd bevestigd in hoger beroep.
- Op 21 juli 2010 ging eiser na cassatie over tot dagvaarding van beide verweerders na cassatie teneinde de nietigverklaring te vorderen van de verkoopovereenkomst van 6 februari 2002 en van het daaropvolgende beding van aanwas van 15 november
- Bij een niet bestreden vonnis op 29 juni 2012 beslist de rechtbank van eerste aanleg te West-Vlaanderen, afdeling Brugge, het volgende: - De dagvaarding is geldig; - De vordering is ontvankelijk, maar de rechtbank werpt ambtshalve de exceptie van niet-kantmelding op. - Wat betreft de grond van de zaak: de rechtbank sommeert de ondertekende notariële aktes voor te leggen. - Alvorens recht te doen wordt een deskundige aangesteld om de waarde van het onroerende goed te schatten. De deskundige stelde vast dat het voorwerp van de zogenaamde koopovereenkomst als zijnde een "perceel weiland" niet correct was op het ogenblik van de overeenkomst. De deskundige schatte de waarde van het onroerende goed als volgt: - op 6 februari 2002 (enkel perceel grond): 140.000 euro; - op 8 april 2004 (grond + opstallen): 140.000 euro (grond) + 250.000 euro (opstallen).
- Bij het thans bestreden eindvonnis van 5 november 2015 heeft de eerste rechter de vorderingen ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Eiser na cassatie tekende tegen dit vonnis hoger beroep aan. Eerste verweerster na cassatie stelde geen incidenteel hoger beroep in en tweede verweerder na cassatie sloot zich aan bij het ingestelde hoger beroep.
- Bij arrest van het hof van beroep te Gent van 18 mei 2017 werd het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaard maar hervormde het hof van beroep te Gent het bestreden vonnis van 5 november 2015 en verklaarde de oorspronkelijke vordering van eiser na cassatie onontvankelijk.
- Eiser na cassatie tekende cassatieberoep aan en bij arrest van het Hof van Cassatie van 3 december 2018 werd het arrest van het hof van beroep te Gent van 18 mei 2017 vernietigd, stellende dat er geen hoger beroep was aangetekend tegen de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg te West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 5 november 2015 om de vordering van eiser na cassatie ontvankelijk te verklaren en bijgevolg enkel de beslissing nopens de gegrondheid van de oorspronkelijke vordering bij de appelrechter aanwezig was. Het Hof van Cassatie oordeelde dat de appelrechter, door deze vorderingen niettemin onontvankelijk te verklaren op de grond dat in de procedure van vereffening-verdeling enkel de notaris geschillen via een proces-verbaal aanhanging kan maken, artikel 1068, eerste lid Gerechtelijk Wetboek schendt. SAISINE VAN HET HOF Gelet op de integrale vernietiging van het arrest van het hof van beroep te Gent van 18 mei 2017, is het hof gevat om de gegrondheid van de oorspronkelijke vordering van eiser na cassatie te beoordelen. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN NA CASSATIE I. Voorwerp van de vorderingen na cassatie van eiser na cassatie Overeenkomstig zijn conclusie voor het hof vordert eiser na cassatie, met de gedeeltelijke hervorming van het vonnis a quo: - zijn oorspronkelijke vordering integraal ontvankelijk en gegrond te verklaren; - zodoende te zeggen voor recht dat de koopovereenkomst, dan wel de schenking, betreffende de verkoop van de helft in volle eigendom van het onroerend goed gelegen te Beernem, 3de afdeling Sint-Joris, Veldstraat 9 en Speybrouck groot 52a 59ca en de erop staande villa nietig is, minstens het te herkwalificeren als een vermomde schenking (als voorschot op erfdeel); - tevens te zeggen voor recht dat het beding van aanwas ingelast in de akte van 15 november 2002 zonder voorwerp is gezien de nietige koopovereenkomst, minstens deze overeenkomst of dit beding nietig te verklaren; - uitermate subsidiair: gebeurlijk te zeggen voor recht dat de vermomde schenking van het voormelde onroerend goed aan inkorting onderworpen is. Derhalve te zeggen dat voormeld onroerend goed door de notaris dient opgenomen te worden in de definitieve massa van de nalatenschap aan de waarde van het onroerend goed bepaald door de deskundige op datum van het openvallen van de nalatenschap. Eerste verweerster na cassatie vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. II.Vordering in ondergeschikte orde van eerste verweerster na cassatie Overeenkomstig haar syntheseconclusie voor het hof vordert eerste verweerster na cassatie in ondergeschikte orde: - de vordering tot inkorting vooreerst te laten beslechten door de boedelnotaris en minstens te bevelen dat deze slechts in waarde zal geschieden. BEOORDELING
- Aangaande de nietigheid van de koopovereenkomst 1.
- Overwegende dat eiser na cassatie van oordeel is dat de koopovereenkomst van 6 februari 2002 nietig moet worden verklaard omdat: - er sprake is van een ongeoorloofde oorzaak, namelijk het uithollen van de rechten van de reservatairen; - het betalen van een prijs een essentiële voorwaarde is voor de totstandkoming van een koop-verkoop en eiser na cassatie stelt dat er in casu weliswaar een veel te lage prijs werd bepaald maar niet werkelijk werd betaald; Dat eiser na cassatie verder opwerpt dat een belachelijk lage prijs werd betaald die niet overeenstemt met de economische werkelijkheid, wat afdoende blijkt uit het voorliggende deskundigenverslag, zodat er de facto niet echt een prijs werd betaald; Overwegende dat eerste verweerster na cassatie opwerpt dat er wel degelijk een prijs werd bepaald in de authentieke verkoopovereenkomst en deze prijs ook werkelijk werd betaald wat afdoende wordt aangetoond met rekeninguittreksels van de koper en verkoper; Dat verder eerste verweerster na cassatie opwerpt dat de prijs van een koop niet noodzakelijk moet beantwoorden aan de werkelijke economische waarde van het goed, daar waar bovendien niet is aangetoond dat dit in casu niet het geval zou zijn. 1.
- Overwegende dat elke overeenkomst die bedoeld is om afbreuk te doen aan de door een wetgeving van openbare orde beschermde rechten volstrekt nietig is; Dat de (subjectieve) oorzaak van de verbintenis uit de beweegredenen of de concrete motieven bestaat die de partijen of één van hen ertoe hebben bewogen de betrokken rechtshandeling te stellen (de zogenaamde ‘subjectieve oorzaak'); Dat de beoordeling van het doorslaggevende karakter van de motieven tot de onaantastbare appreciatiebevoegdheid van de feitenrechter behoort; Overwegende dat van ongeoorloofdheid van het voorwerp of van de oorzaak van de verbintenis sprake is wanneer de door de schuldenaar beloofde prestatie of één van de determinerende beweegredenen van de partijen, op zichzelf beschouwd, strijdig is met de openbare orde of met de goede zeden; Dat dit het geval is wanneer die prestatie "een onwettige toestand mogelijk maakt of in stand houdt" of dergelijke toestand door één van de partijen hoofdzakelijk wordt nagestreefd; Overwegende dat een aantal basisregels van het erfrecht geacht worden van openbare orde te zijn, omdat zij de fundamentele principes vastleggen op grond waarvan volgens de in onze samenleving heersende maatschappelijke, economische en familiale opvattingen, de overgang van iemands vermogen dient plaats te hebben na zijn overlijden; Dat de wettelijke regeling betreffende de erfrechtelijke reserve (art. 913 - 915bis oud BW) beschouwd wordt als zijnde van openbare orde, omdat zij geïnspireerd is door de zorg voor de maatschappelijke en familiale organisatie van iemands goederen na zijn overlijden en meer bepaald het behoud van de goederen in de familie, en de morele plicht van de erflater om zijn naaste familieleden niet volledig onterfd achter te laten. 1.
- Overwegende dat het hof aldus onderzoekt of in casu de beweegreden van het tot stand komen van de koopovereenkomst van 6 februari 2002 de facto het uithollen van de wettelijke reserve van eiser na cassatie en tweede verweerder na cassatie is; Dat het hof dienaangaande vaststelt dat: - N.I. reeds sedert lange tijd feitelijk samenwoonde met eerste verweerster na cassatie; - zij samen een huishouden hadden; - geen gegevens worden bijgebracht nopens de financiële middelen van koper en verkoper; - geenszins blijkt dat eerste verweerster na cassatie, die weduwe was, volledig financieel afhankelijk was van haar partner N.I.; - uit de voorgelegde betalingsbewijzen blijkt dat eerste verweerster na cassatie dadelijk na de aankoop van de helft van de grond van N.I. aanzienlijke betalingen deed voor de oprichting van een woning op deze grond die later dienst zou doen als gezinswoning; Dat de loutere bewering van eiser na cassatie dat de enige oorzaak voor het tot stand komen van de koopovereenkomst te vinden is in het uithollen van de wettelijke reserve niet bewezen wordt aan de hand van overtuigende elementen en integendeel de oorzaak ervan eerder te vinden is in de relatie die eerste verweerster na cassatie sedert vele jaren had met N.I. en het huishouden dat ze samen voerden en de intentie die ze hadden om samen een gezinswoning op te richten; Dat het hof van oordeel is dat de koopovereenkomst niet nietig is omwille van ongeoorloofde oorzaak. 1.
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 1591 oud Burgerlijk Wetboek, voor de totstandkoming van een koopovereenkomst de koopprijs bepaald moet zijn en door de partijen worden vastgesteld; Dat er in casu wel degelijk een koopprijs door de partijen werd vastgesteld en uit de door eerste verweerster bijgebrachte rekeninguittreksels ontegensprekelijk blijkt dat de bedongen prijs van haar rekening op de rekening van N.I. werd gestort; Dat eiser na cassatie opwerpt dat de voorgaande rekeninguittreksels ook moeten worden bijgebracht om te onderzoeken of de betaalde prijs niet eerst van de rekening van N.I. naar de rekening van verweerster na cassatie werd gestort, maar dergelijk onderzoek zich niet opdringt, temeer daar eerste verweerster na cassatie reeds geruime tijd met N.I. samenwoonde en met hem sinds geruime tijd een huishouden vormde; Dat er aldus mogelijk vermogensverschuivingen zijn gebeurd tussen hen die gebeurlijk te verklaren zijn door hun beider bijdrage aan de kosten van het huishouden; Dat het hof van oordeel is dat enerzijds een prijs werd bepaald en anderzijds afdoende is aangetoond aan de hand van overtuigende, tegensprekelijke en objectieve stukken, namelijk rekeninguittreksels van de periode van het tot stand komen van de koopovereenkomst dat deze prijs via overschrijving van de rekening van de koper naar de rekening van de verkoper werd voldaan; Dat het aan eiser na cassatie komt, die beweert dat deze gelden vooralsnog afkomstig waren van de verkoper, om het bewijs hiervan te leveren en dit bewijs ontbreekt; Dat van deze loutere bewering, zelfs niet het minste bewijs of een begin van bewijs wordt aangebracht en er geen reden is om dienaangaande nog bijkomend onderzoek te voeren; Dat dergelijk onderzoek immers niet aangewend kan worden om een partij het noodzakelijke bewijs van diens loutere bewering te verschaffen. 1.
- Overwegende dat de bedongen prijs mogelijk lager is dan de werkelijke economische waarde van de helft van de grond, maar de bedongen prijs niet dermate laag is dat er sprake zou zijn van de afwezigheid van een prijs; Dat eiser na cassatie opwerpt dat er sprake is van tegenstrijdige beslissingen dienaangaande door de eerste rechter die eerst bij vonnis van 29 juni 2012 een deskundige aanstelt om de waarde van de verkochte grond te begroten en nadien bij vonnis van 5 november 2015 beslist dat de economische waarde van het goed niet van belang is om te oordelen of er al dan niet sprake is van een betaalde prijs; Overwegende dat in het vonnis van 29 juni 2012 inderdaad een deskundige werd aangesteld om advies te verstrekken over de waarde van de verkochte grond maar dit gebeurde alvorens in rechte te oordelen over wat dan ook, en in het vonnis zelfs geen gewag werd gemaakt van een verkoop tegen een te geringe prijs; Dat de oorspronkelijke vordering van eiser na cassatie ertoe strekte te zeggen voor recht dat de vermomde schenking van de helft in volle eigendom nietig is evenals het beding van aanwas en er minstens voor recht moet worden gezegd dat de vermomde schenking aan inbreng onderworpen is; Dat bij de aanstelling van de deskundige bijgevolg geen rekening werd gehouden met de later geformuleerde uitgebreide vordering van eiser na cassatie om de koopovereenkomst nietig te verklaren wegens het niet betalen van een prijs of een te lage prijs; Overwegende dat er aldus geen sprake kan zijn van tegenstrijdige beslissingen door de eerste rechter; Dat het hof, gelet op voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd, van oordeel is dat het hoger beroep op dit punt ongegrond is.
- Aangaande de benadeling 2.
- Stelling van de partijen Overwegende dat eiser na cassatie opwerpt dat er bij de totstandkoming van de koopovereenkomst sprake is van benadeling van 7/12de wat volgens hem afdoende blijkt uit de waardeschatting door de gerechtsdeskundige en zijn vordering wel degelijk tijdig is ingesteld vermits hij enerzijds pas in het kader van de beroepsprocedure (eiser na cassatie verduidelijkt niet in conclusie in welke beroepsprocedure en op welk ogenblik) kennis zou hebben gekregen van de overeenkomst van 6 februari 2002 en hij tijdig de vordering tot vernietiging zou hebben ingesteld bij conclusie van 13 november 2007; Overwegende dat eerste verweerster na cassatie van oordeel is dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat de vordering wegens benadeling, die volgens haar ook niet bewezen is, laattijdig werd ingesteld. 2.
- Beoordeling Overwegende dat artikel 1676 oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de eis tot nietigverklaring van de overeenkomst wegens benadeling niet meer ontvankelijk is na verloop van twee jaren te rekenen van de dag van de koop; Dat in artikel 1676 oud Burgerlijk Wetboek niet bepaald wordt dat de vordering moet ingesteld worden binnen de twee jaar na kennisname van de koop, maar twee jaren te rekenen van de dag van de koop; Dat de bewering van eiser na cassatie dat hij pas in de loop van de ‘beroepsprocedure' kennis kreeg van de koopovereenkomst vooreerst niet bewezen is en anderzijds aldus niet van belang is; Dat eiser na cassatie uiterlijk op 6 februari 2004 de vordering tot benadeling kon instellen, wat niet gebeurde noch bij dagvaarding noch bij conclusies en deze termijn van twee jaren een vervaltermijn is; Dat na het verstrijken van deze termijn de nietigheid van de verkoop uit hoofde van benadeling (zelfs bij wijze van exceptie) niet meer kan ingeroepen worden (vgl. Cass. 7 juni 1951, RW, 1951-52, 73; Pas. 1951, I, 683, Arr. Cass. 1951, 589); Dat het hoger beroep gelet op het voorgaande, wat dit punt betreft ongegrond is.
- Aangaande de vermomde schenking 3.
- Stelling van de partijen Overwegende dat eiser na cassatie opwerpt dat de koopovereenkomst geen werkelijke koop maar een vermomde schenking is, dat het wel degelijk de bedoeling was van N.I. om de helft van de grond, minstens deels te schenken wat afdoende blijkt uit de werkelijke waarde van de grond; Dat volgens eiser na cassatie er weliswaar een koopovereenkomst werd gesloten maar dit de facto een schenking behelste wat afdoende blijkt uit het latere door N.I. opgestelde en nietigverklaarde testament waarbij hij wou dat niets van zijn vermogen naar iemand anders zou gaan dan naar eerste verweerster na cassatie, ook niet naar zijn zonen. Dat eiser na cassatie stelt dat de overeenkomst daarom nietig is, minstens een verdoken schenking is die ingebracht moet worden in de fictieve massa en aldus aan inkorting wordt onderworpen; Dat eiser na cassatie in ondergeschikte orde van oordeel is dat er minstens sprake is van een onrechtstreekse schenking nopens het verschil tussen de werkelijke waarde van het onroerend goed en de bedongen prijs in de koopovereenkomst; Overwegende dat eerste verweerster na cassatie van oordeel is dat er geen sprake is van verdoken schenking, dat een koopovereenkomst werd gesloten met een realistische prijs, dat de waardebepaling door de deskundige overdreven is en er geen sprake was van enige animus donandi in hoofde van N.I. 3.
- Overwegende dat een vermomde schenking omschreven kan worden als een schenking die gedaan wordt onder de mom van een handeling ten bezwarende titel, waarin geveinsd wordt dat een tegenprestatie te leveren is, maar afgesproken dat zulks in werkelijkheid niet moet gebeuren; Dat er aldus sprake moet zijn van veinzing wat betekent dat er een discrepantie bestaat tussen wat door partijen ten aanzien van de buitenwereld opgevoerd wordt en wat ze werkelijk overeenkwamen; Overwegende dat niet alleen aangetoond moet worden dat weliswaar geveinsd werd dat een tegenprestatie zou worden geleverd maar dit niet gebeurde, maar ook dat daarvan animo donandi afgezien werd; Dat derden de veinzing en de animus donandi kunnen aantonen met alle middelen van recht ook aan de hand van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens; Dat deze vermoedens moeten steunen op een aantal feiten, die samen in dezelfde richting wijzen, zelfs al bieden die op zich genomen niet meteen een afdoend bewijs en de aangehaalde feiten bovendien niet voor tweeërlei verklaring vatbaar mag zijn; Overwegende dat de feitenrechter soeverein bepaalt of een rechtshandeling als een vermomde schenking dan wel als een handeling ten bezwarende titel moet gekwalificeerd worden; Dat een vermomde schenking geenszins nietig is zoals eiser in cassatie opwerpt maar wel tot gevolg heeft dat wat geveinsd verkocht werd maar de facto geschonken werd in de fictieve massa moet worden ingebracht en gebeurlijk aan inkorting onderhevig is. 3.
- Overwegende dat er bij een onrechtstreekse schenking geen sprake is van veinzing maar van een oprechte, geldig afgesloten andere rechtshandeling; Dat een onrechtstreekse schenking een schenking is die, buiten alle veinzing om, onder de vorm van een andere rechtshandeling gebeurt; Dat het moet gaan om een rechtshandeling die dus op zich rechtsgevolgen teweeg brengt en meer bepaald een (eigendoms)overdragend effect heeft; Dat er op die wijze sprake is van een verarming en een verrijking, wat naast het intentionele element (de animus donandi) een noodzakelijk (materieel) element is om van een schenking te kunnen spreken; Dat ook hier het bewijs van de animus donandi aangebracht kan worden met alle middelen van recht, inclusief bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens; Dat wanneer er sprake is van een onrechtstreekse schenking, de geschonken waarde aan de fictieve massa moet gevoegd worden. 3.
- Beoordeling in casu Overwegende dat het hof onderzoekt of er in casu sprake is van een vermomde schenking of van een onrechtstreekse schenking; Dat dienaangaande uit de stukken van het dossier blijkt dat: - er tussen N.I. en eerste verweerster na cassatie een koopovereenkomst werd gesloten en de bedongen prijs effectief werd overgeschreven van de rekening van de koper naar de rekening van de verkoper; - er aldus sprake was van een bedongen tegenprestatie die effectief werd voldaan door de werkelijke betaling van de bedongen prijs; - de bedongen prijs veel lager was dan de werkelijke waarde van de grond; - de werkelijke waarde van de grond op het ogenblik van het verlijden van de authentieke akte afdoende bewezen wordt aan de hand van het deskundigenverslag opgesteld op vraag van de eerste rechter door een door hem aangestelde deskundige; - in dit deskundigenverslag de waarde van de grond op 140.000 euro bepaald wordt; - eerste verweerster na cassatie deze waardebepaling betwist en stelt dat de deskundige ten onrechte rekening hield met verkochte gronden waarop nog een woning aanwezig was en de deskundige er ten onrechte van uitging dat deze woningen geen werkelijke waarde meer hadden; - het deskundig verslag een advies blijft aan de rechter, die een grote beoordelingsvrijheid behoudt en het hof niet verplicht is het standpunt van de deskundige te volgen overeenkomstig artikel 962, 4° lid Gerechtelijk Wetboek; - het deskundig verslag een niet-bindend advies is dat door de feitenrechter soeverein wordt geapprecieerd; - de expertise tegensprekelijk is verlopen en de gerechtsdeskundige gedegen en technisch onderbouwd onderzoek gevoerd heeft; - er in casu geen redenen zijn om af te wijken van het onderbouwd, tegensprekelijk en objectief advies van de deskundige; - eerste verweerster na cassatie beweert maar niet weerlegt aan de hand van overtuigende en objectieve elementen dat de geschatte waarde van de grond veel te hoog is; dat eerste verweerster na cassatie geen verslag bijbrengt dat het verslag van de deskundige op een objectieve wijze weerlegt; - de bewering van eerste verweerster na cassatie dat het hier maar om een deel bouwgrond en een groot deel weiland gaat, wordt tegengesproken door de foto's die zich in het dossier bevinden van het perceel grond en de erop gebouwde nieuwe woning en door de tegensprekelijke vaststelling van de deskundige dat er voorheen sprake was van twee kadastrale nummers, dat op het perceel nr 366 b een woning stond die op 12 december 2001 gesloopt werd en na de sloping dit perceel verenigd werd met het aanpalende perceel nr 366 c tot een oppervlakte van 52 a, 95 ca; - de deskundige verder vaststelt dat op 31 oktober 2001 een bouwvergunning werd verleend voor het oprichten van een nieuwbouw met een bouwvolume van 848 m³ en om die reden het perceel geschat moet worden als een bouwplaats voor een landelijk gelegen woning en niet als weiland; - alle partijen de gelegenheid hebben gekregen om kennis te nemen van het voorverslag van de deskundige en hierop hun opmerkingen te formuleren; - enkel de raadsman van eiser na cassatie de gelegenheid te baat nam om opmerkingen te formuleren en opwierp dat de schatting te gering was en absoluut een hogere waarde weerhouden moet worden en dienaangaande verwees naar een recent verkochte eigendom in de buurt; - eerste verweerster na cassatie geen opmerkingen formuleerde nopens de schatting door de gerechtsdeskundige; - eerste verweerster na cassatie nu weliswaar beweert dat deze schatting niet overeenstemt met de werkelijke economische waarde maar geen enkel bewijs ter ondersteuning van deze bewering bijbrengt; Overwegende dat uit de voorgaande elementen aldus afdoende blijkt dat er weliswaar geen sprake is van een geveinsde koopovereenkomst vermits er wel degelijk een prijs werd betaald voor de helft van de grond, maar dat deze prijs veel lager is dan de werkelijke waarde van de grond; Dat eerste verweerster na cassatie de facto immers slechts 18% betaalde van de werkelijke waarde van haar aandeel in deze grond. 3.
- Overwegende dat het hof onderzoekt of er sprake is van een animus donandi wat betreft het verschil tussen de werkelijke waarde van de grond en de bedongen en ook effectief betaalde prijs; Dat uit de stukken van het dossier blijkt dat: - er een samenlevingscontract tussen N.I. en eerste verweerster na cassatie werd gesloten met een beding van aanwas voor alle roerende goederen; - N.I. een testament opstelde (nadien nietig verklaard) waarbij hij verklaarde dat heel zijn vermogen naar eerste verweerster na cassatie zou gaan en niets naar iemand anders, ook niet naar zijn zonen; Dat het hof van oordeel is dat uit het voorgaande duidelijk de bedoeling blijkt van N.I. om zijn levenspartner, eerste verweerster na cassatie, op zoveel mogelijk vlakken te bevoordelen; Dat het hof van oordeel is dat de animus donandi in hoofde van N.I. aldus afdoende bewezen is aan de hand van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens dat hij ook bij het verkopen van de helft van de grond aan een veel lagere waarde dan de werkelijke waarde de intentie had om aan eerste verweerster het verschil tussen deze beide waardes te schenken; Dat het begiftigingsoogmerk in casu afgeleid wordt uit de verkoopprijs die beduidend lager is dan de waarde van het goed en uit de omstandigheid dat de verkoop in de lijn lag van een context die voorzag in een bevoordeling van eerste verweerster na cassatie, ook door een testament en een beding van aanwas wat betreft roerende goederen en een beding van aanwas nopens de volle eigendom van het verkochte onroerend goed; Overwegende dat het hof van oordeel is dat uit de voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd, afdoende een onrechtstreekse schenking bewezen is door N.I. aan eerste verweerster na cassatie van de som van 70.000 euro helft van de geschatte waarde - 12.395 euro betaalde prijs = 57.605 euro; Dat dit geschonken bedrag aan de fictieve massa moet worden gevoegd; Dat het niet aan het hof maar aan de notaris-vereffenaar toekomt om de fictieve massa samen te stellen en gebeurlijk de inkorting te doen en dit zal moeten gebeuren in het kader van de bevolen vereffening en verdeling van de nalatenschap van N.I.; Dat het hoger beroep, zoals in ondergeschikte orde geformuleerd, op dit punt dan ook gegrond is.
- Aangaande de nietigheid van het beding van aanwas 4.
- Overwegende dat eiser na cassatie verder vordert, dat indien de koopovereenkomst van 6 februari 2002 als een onrechtstreekse schenking wordt aanvaard, het erin opgenomen beding van aanwas nietig is omdat: - er geen sprake is van gelijke overlevingskansen vermits N.I. 11 jaar ouder was, de levenskansen van een man al veel lager zijn dan van een vrouw en daarenboven N.I. zwaar ziek was; - ondergeschikt, het beding in strijd is met artikel 1130, tweede lid oud Burgerlijk Wetboek, vermits hier sprake is van een zuiver potestatieve voorwaarde namelijk het al dan niet beëindigen van de samenwoonst; Overwegende dat eerste verweerster na cassatie van oordeel is dat het beding van aanwas geenszins nietig is vermits: - ten tijde van het opstellen van dit beding van aanwas, N.I. nog niet zwaar ziek was en het leeftijdsverschil in se niet tot gevolg heeft dat er sprake is van ongelijke overlevingskansen; - in het beding van aanwas verbonden aan het onroerend goed niet was bedongen dat dit automatisch een einde neemt bij het beëindigen van de samenwoonst en het gaat om een overeenkomst beperkt in de tijd met de mogelijkheid om te verlengen. 4.
- Overwegende dat de goederen die ingevolge een aanwasbeding aan de langstlevende toekomen, niet in de nalatenschap van de eerststervende vallen omdat de langstlevende deze goederen niet via erfenis, maar op contractuele basis verkrijgt; Dat een beding van aanwas, betreffende de volle eigendom van een onroerend goed, op zichzelf een rechtsgeldige overeenkomst is, waarbij een onverdeeldheid tussen partijen ontstaat en actuele rechten aan de wederpartij worden toegekend onder de opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van de andere; Overwegende dat bij authentieke akte van 15 november 2002 een beding van aanwas in volle eigendom werd bedongen nopens het ondertussen opgerichte woonhuis, gelegen te Beernem, Veldstraat 9; Dat het beding van aanwas een doelvermogen tussen partijen tot stand brengt betreffende een welbepaald goed, in casu de op de onverdeelde bouwgrond opgerichte woning, in onverdeeldheid; Dat de bijzondere bestemming er in bestaat dat het onverdeelde goed dient voor de huisvesting van het gezin en van de langstlevende van de partners. 4.
- Overwegende dat de modaliteiten en voorwaarden van het beding van aanwas onder meer de volgende zijn: ‘Deze overeenkomst is wederkerig toegestaan en aanvaard ten bezwarende titel als kanscontract, onder de hierna volgende modaliteiten en voorwaarden: 1) Beide partijen schatten voor zichzelf de kans om te overleven gelijk 2) Deze overeenkomst is tussen partijen gesloten voor een periode van twee jaar te rekenen vanaf heden. Ze wordt nadien automatisch, uit hoofde van de wilsuiting van partijen heden vastgesteld, verlengd met opeenvolgende periodes van twee jaar tenzij één der partijen zijn wil te kennen geeft aan de andere om ze te beëindigen hetgeen dient te gebeuren bij aangetekend schrijven verstuurd minstens drie maanden voor het einde van de lopende tweejarige periode... Tenslotte kunnen partijen op elk ogenblik gezamenlijk deze overeenkomst wijzigen of het einde van deze overeenkomst laten vaststellen bij notariële akte onderworpen aan de formaliteit van overschrijving op het hypotheekkantoor'. Overwegende dat in casu aldus niet werd bedongen dat het beding van aanwas beëindigd zou worden indien de samenwoning beëindigde zodat er geen sprake is van een potestatieve voorwaarde. 4.
- Overwegende dat een verboden erfrechtovereenkomst elk beding is dat tot voorwerp heeft louter eventuele rechten in een nog niet opengevallen nalatenschap of een bestanddeel daarvan toe te kennen, te wijzigen of af te staan; Dat een beding van aanwas evenwel meteen afdwingbare, zij het voorwaardelijke, verbintenissen doet ontstaan tussen partijen, onder meer om het goed te behouden, en aldus geen betrekking heeft op een goed in zoverre het deel zal uitmaken van een toekomstige nalatenschap; Dat de beperking in de tijd van het beding van aanwas, met mogelijkheid tot verlenging, de geldigheid van de overeenkomst niet in het gedrang brengt, omdat ook in dat geval de partijen zich nog steeds definitief verbonden hebben met betrekking tot een actueel recht; Dat het gegeven dat een aanwasbeding is gekoppeld aan een periodiciteit en meer precies is aangegaan voor (behoudens opzegging) stilzwijgend verlengde perioden van twee jaar, de overeenkomst geen onrechtmatig karakter verleent; Dat de bedoelde periodiciteit niet gelijk staat met het verval van het aanwasbeding in geval van een relatiebreuk of een feitelijke scheiding en evenmin gelijk staat met een louter eenzijdige opzegmogelijkheid, laat staan een ad nutum herroepbaarheid. 4.
- Overwegende dat eiser na cassatie terecht opwerpt dat er sprake moet zijn van een werkelijk kanscontract; Dat een aanwasbeding maar een kanscontract is naarmate er een werkelijk aleatoir karakter aan is verbonden; Dat de alea gelegen is in de gelijke kansen op ‘winst of verlies' voor elk van de partijen, afhankelijk van een totaal toevallige gebeurtenis; Dat daartoe vereist is dat er bij de sluiting van de overeenkomst met het aanwasbeding min of meer een gelijkheid qua overlevingskansen bestaat tussen de partijen; Overwegende dat het hof het niet bewezen acht dat N.I. bij het opstellen van de overeenkomst houdende een beding van aanwas op de volle eigendom van de woning, reeds zwaar ziek was en eerste verweerster en N.I. wisten dat zijn overlevingskansen om die reden veel lager waren dan die van eerste verweerster na cassatie; Dat nergens uit blijkt dat, op het ogenblik van het sluiten van het beding van aanwas en alvorens er sprake was van een eerste stilzwijgende verlenging van het beding, reeds geweten was dat N.I. nadien zwaar en mogelijk ongeneeslijk ziek zou worden; Dat dit in ieder geval niet door eiser na cassatie wordt bewezen aan de hand van een overtuigend, bewijskrachtig en tegensprekelijk stuk en het enkele gegeven dat N.I. overleed op 8 maart 2004 ongeveer 18 maanden na het tot stand komen van het beding van aanwas, geen afdoende bewijs vormt; Dat dienaangaande het hof vaststelt dat eerste verweerster en N.I. pas op 16 januari 2004 een samenlevingscontract met een beding van aanwas van de volle eigendom van de roerende goederen sloten, wat doet vermoeden dat alsdan duidelijk was dat N.I. op dat ogenblik ongeneeslijk ziek was. 4.
- Overwegende dat er verder inderdaad sprake is van een leeftijdsverschil van 11 jaar tussen beiden, nog versterkt door de hogere overlevingskansen van vrouwen, maar dit niet wegneemt dat er de facto nog steeds sprake is van een min of meer gelijke kans op winst of verlies die afhankelijk is van een totaal toevallige gebeurtenis namelijk het vooroverlijden van één van beide partijen; Dat het leeftijdsverschil niet dermate groot was ten tijde van het sluiten van de overeenkomst dat er geen sprake meer was van min of meer gelijke overlevingskansen; Dat N.I. alsdan 64 jaar was en eerste verweerster na cassatie 53 jaar was en aldus jonger maar geen van beiden op dat ogenblik bewezen gezondheidsproblemen hadden en aldus de facto min of meer gelijke overlevingskansen hadden; Dat geen van beiden er zich kon aan verwachten dat N.I. op 66-jarige leeftijd zou overlijden en dit een totaal toevallige gebeurtenis is; Dat bovendien aan de hand van de stukken die eerste verweerster na cassatie bijbrengt blijkt dat zij veel meer facturen heeft betaald van haar eigen rekening voor de oprichting van de nieuwbouwwoning, die voor beiden dienstig zou zijn als gezinswoning en aldus N.I. grotere voordelen zou verwerven indien zij voor hem zou overlijden; Dat dit mee in overweging kan worden genomen bij het beoordelen van de gelijke overlevingskansen wat door de rechter op een souvereine wijze wordt beoordeeld; Overwegende dat de eerste rechter aldus terecht heeft geoordeeld dat het beding van aanwas geldig is aangegaan en niet nietig moet worden verklaard en het hoger beroep dienaangaande ongegrond is.
- Aangaande de gerechtskosten 5.
- Vorderingen van de partijen Eiser na cassatie vordert eerste verweerster na cassatie te veroordelen in de kosten van het geding, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 1.440 euro. Eerste verweerster na cassatie vordert eiser na cassatie te veroordelen in de kosten van het geding, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 1.440 euro. 5.
- Beoordeling Overwegende dat de eerste rechter eiser na cassatie en tweede verweerder na cassatie heeft veroordeeld tot de gedingkosten van eerste aanleg, die in hoofde van eerste verweerster na cassatie werd bepaald op een rechtsplegingsvergoeding van 1.320 euro; Dat, gelet op de deels gegronde vordering van eiser na cassatie en zijn deels gegrond hoger beroep, alle gedingkosten, van eerste aanleg en hoger beroep voor één derde ten laste van elke partij gelegd worden en gezegd wordt voor recht dat geen wederzijdse rechtsplegingsvergoedingen verschuldigd zijn; Overwegende dat artikel 1111 Gerechtelijk Wetboek op volledige en autonome wijze het ten laste leggen van de kosten van het verzoek tot cassatie regelt, rekening houdende met de beperkte bevoegdheid van het Hof en het bijzondere voorwerp van dit verzoek, dat verschillend is van de eis betreffende dewelke de bestreden beslissing recht spreekt; Dat deze kenmerken eigen aan het cassatieverzoek uitsluiten dat de rechtsplegingsvergoeding bepaald in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek in deze kosten zou worden inbegrepen, aangezien deze verband houdt met de aard en het belang van het geschil die de partijen tegenover elkaar stelt bij de rechter ten gronde en waarvan de beoordeling, afhankelijk van criteria die verband houden met de grond van de zaak, het Hof zou verplichten tot een onderzoek dat niet tot zijn bevoegdheid behoort; Dat nu het cassatieberoep gegrond was en het hoger beroep deels gegrond is, de gerechtskosten van eerste aanleg, in hoger beroep en cassatie ten laste van elke partij gelegd worden elk voor één derde en wederzijds geen rechtsplegingsvergoedingen toegekend worden. OM DEZE REDENEN, HET HOF, 42e KAMER (FAMILIEKAMER) Rechtsprekend na tegenspraak ten aanzien van tweede verweerder na cassatie op grond van artikel 747, § 4 Ger.W., Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond; Hervormt het bestreden vonnis van 5 november 2015 enkel op de hierna bepaalde punten; namelijk wat betreft de beoordeling nopens de onrechtstreekse schenking en de gerechtskosten; Opnieuw rechtsprekend enkel op deze punten, mede gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep: - Zegt voor recht dat de overeenkomst van 6 februari 2002 een onrechtstreekse schenking inhoudt door N.I. aan eerste verweerster na cassatie van 57.605 euro en dit bedrag aan de fictieve massa van de te vereffenen en verdelen nalatenschap van N.I. moet worden gevoegd; Verklaart voor het overige de vorderingen van eiser na cassatie en van eerste verweerster na cassatie ongegrond; Veroordeelt elke partij in één derde van de gerechtskosten eerste aanleg (kosten van dagvaarding en gerechtsdeskundige, niet begroot in conclusie) van het hoger beroep, begroot in hoofde van eiser na cassatie op 20 euro bijdrage Begrotingsfonds, en in hoofde van verweerders na cassatie op nul euro, en zegt voor recht dat er wederzijds geen rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep verschuldigd is. Veroordeelt overeenkomstig artikel 269/2 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten zowel elke partij tot betaling aan de Belgische staat, FOD Financiën, van één derde van het rolrecht hoger beroep ten bedrage van 400 euro / 3 = elk 133,33 euro. Dit arrest werd gewezen door de 42ste kamer, familiekamer van het Hof van Beroep te Brussel, samengesteld uit: P. SENAEVE, voorzitter, V. AELBRECHT, raadsheer, C. VAN ROY, raadsheer, die alle zittingen hebben bijgewoond en die over de zaak hebben beraadslaagd. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div