← België

ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20211220.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 20 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2021:ARR.20211220.2 Rolnummer: 2020AR656; 2020AR664 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-04-27 Raadplegingen: 204 - laatst gezien 2026-06-13 22:57 Fiche Verzoek tot bevelen van voorlopige maatregelen afgewezen: het Grondwettelijk Hof heeft in haar arrest nr. 135/2018 van 11 oktober 2018 geoordeeld dat het criterium van de nationaliteit niet relevant is ten aanzien van het door de wetgever nagestreefde doel en art. 851 van het Ger. W. dan ook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Art. 851 Ger.W. kon slechts worden gehandhaafd tot uiterlijk 31 augustus 2019, maar de wetgever heeft tot op heden nagelaten om wetgevend op te treden. Het huidige art. 851 Ger.W. kan op heden geen rechtsgrond meer vormen om een borgstelling op te leggen aan de eisende vreemdeling. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Borgstelling vreemdeling eiser Vrije woorden: Cautio iudicatum solvi, verzoek tot bevelen voorlopige maatregelen (art. 19, derde lid Ger. W.), schending gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel (art. 10 en 11 GW) Tekst van de beslissing ARREST N° Het hof van beroep te Brussel, eerste kamer N, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2021/ A.R. nr. 2020/AR/656 conn. 2020/AR/664 INZAKE VAN : Zaak I : 2020/AR/656

  1. De bvba A.A., met zetel te X,
  2. A.B.,
  3. A.C., appellanten, vertegenwoordigd door Meester Adil AURAGHI loco Meester VAN ACKER Jo, advocaat te 9030 MARIAKERKE (GENT), Durmstraat 29; tegen : A.D., woonstkeuze doende op het kantoor van haar raadsman Meester COOPMAN Bart, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester COOPMAN Bart, advocaat te 1081 KOEKELBERG, Jules Besmestraat 126; Mede in zake :
  4. De cvba A.E., met zetel te X, Partij in hoger beroep,
  5. A.F., Partij in hoger beroep,
  6. A.G., Partij in hoger beroep,
  7. A.H., Partij in hoger beroep, Allen vertegenwoordigd door Meester Adil AURAGHI loco Meester DEBAENE Stijn, advocaat te 1040 ETTERBEEK, Louis Schmidtlaan 29;
  8. MS AMLIN INSURANCE SE, ON 0644.921.425, met zetel te 1030 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 37, Gedaagde in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring;
  9. De vennootschap naar buitenlands recht ZURICH INSURANCE PUBLIC LIMITED COMPANY, ON 0882.245.682, met zetel te 1930 ZAVENTEM, Da Vincilaan 5, Gedaagde in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring;
  10. De nv KBC VERZEKERINGEN, ON 0403.552.563, met zetel te 3000 LEUVEN, Professor Van Overstraetenplein 2, Gedaagde in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring; Allen vertegenwoordigd door Meester MEURS loco Meester KEULERS Hugo, advocaat te 1000 BRUSSEL, Havenlaan 86c bus 113; Zaak II : 2020/AR/664
  11. De cvba A.E., met zetel te X
  12. A.F.,
  13. A.G., Appellanten; Allen vertegenwoordigd door Meester Adil AURAGHI loco Meester DEBAENE Stijn, advocaat te 1040 ETTERBEEK, Louis Schmidtlaan 29; Tegen : A.D., woonstkeuze doende op het kantoor van haar raadsman Meester COOPMAN Bart, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester COOPMAN Bart, advocaat te 1081 KOEKELBERG, Jules Besmestraat; Mede in zake :
  14. De bvba A.A., met zetel te X,
  15. A.B.,
  16. A.C., Partijen in hoger beroep, vertegenwoordigd door Meester Adil AURAGHI loco Meester VAN ACKER Jo, advocaat te 9030 MARIAKERKE (GENT), Durmstraat 29;
  17. MS AMLIN INSURANCE SE, ON 0644.921.425, met zetel te 1030 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 37, Gedaagde in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring;
  18. De vennootschap naar buitenlands recht ZURICH INSURANCE PUBLIC LIMITED COMPANY, ON 0882.245.682, met zetel te 1930 ZAVENTEM, Da Vincilaan 5, Gedaagde in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring;
  19. De nv KBC VERZEKERINGEN, ON 0403.552.563, met zetel te 3000 LEUVEN, Professor Van Overstraetenplein 2, Gedaagde in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring; Allen vertegenwoordigd door Meester MEURS loco Meester KEULERS Hugo, advocaat te 1000 BRUSSEL, Havenlaan 86c bus 113; ___________________________________________________________________________ Na in beraadneming op 8 november 2021 spreekt het hof volgend arrest uit: Gelet op: A.R. 2020/AR/656 - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de vijfde kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel op 23 januari 2020, beslissing die werd betekend op 14 april 2020 (aan de consoorten A.B., A.C, A.F., A.G. en A.H.) en op 23 december 2020 (aan de verzekeringsmaatschappijen); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 12 mei 2020; - de beschikking gewezen in toepassing van art. 747, § 1 Ger. W. op 14 september 2020; - de beschikking gewezen in toepassing van art. 109bis, § 3 Ger. W. op 14 september 2020; - de dagvaarding in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring, betekend op 22 oktober 2020; - de beschikking gewezen in toepassing van art. 747, § 1 Ger. W. op 9 november 2020; - het verzoek tot het bevelen van voorlopige maatregelen (art. 19, derde lid Ger. W.) namens MS AMLIN INSURANCE SE, ZÜRICH INSURANCE plc en de nv KBC VERZEKERINGEN, neergelegd ter griffie van het hof op 15 maart 2021; - de beroepsconclusies over tussenvordering van A.D., neergelegd ter griffie van het hof op 4 november 2021; - de stukkenbundel van MS AMLIN INSURANCE SE, ZÜRICH INSURANCE plc en de nv KBC VERZEKERINGEN, neergelegd ter zitting van 8 november 2021; - de stukkenbundel van A.D., neergelegd ter griffie van het hof op 4 november 2021 (digitaal) en ter zitting van 8 november
  20. A.R. 2020/AR/664 - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de vijfde kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel op 23 januari 2020, beslissing die werd betekend op 14 april 2020 (aan de consoorten A.B., A.C, A.F., A.G. en A.H.) en op 23 december 2020 (aan de verzekeringsmaatschappijen); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 13 mei 2020; - de beschikking gewezen in toepassing van art. 747, § 1 Ger. W. op 14 september 2020; - de beschikking gewezen in toepassing van art. 109bis, § 3 Ger. W. op 14 september 2020; - de dagvaarding in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring, betekend op 22 oktober 2020; - de beschikking gewezen in toepassing van art. 747, § 1 Ger. W. op 16 november 2020; - het verzoek tot het bevelen van voorlopige maatregelen (art. 19, derde lid Ger. W.) namens MS AMLIN INSURANCE SE, ZÜRICH INSURANCE plc en de nv KBC VERZEKERINGEN, neergelegd ter griffie van het hof op 15 maart 2021; - de beroepsconclusies over tussenvordering van A.D., neergelegd ter griffie van het hof op 4 november 2021; - de stukkenbundel van MS AMLIN INSURANCE SE, ZÜRICH INSURANCE plc en de nv KBC VERZEKERINGEN, neergelegd ter zitting van 8 november 2021; - de stukkenbundel van A.D., neergelegd ter griffie van het hof op 4 november 2021 (digitaal) en ter zitting van 8 november
  21. Gehoord de advocaten van partijen in hun pleidooien ter openbare terechtzitting van 8 november
  22. ° ° ° Huidig arrest heeft enkel betrekking op het verzoek tot het bevelen van voorlopige maatregelen (art. 19, derde lid Ger. W.). I. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN
  23. Bij verzoekschrift op grond van art. 19, derde lid Ger. W., neergelegd ter griffie van het hof op 15 maart 2021, verzoeken MS AMLIN INSURANCE SE, ZÜRICH INSURANCE plc en de nv KBC VERZEKERINGEN het volgende: "De voorlopige maatregelen te bevelen waarbij A.D. alvorens recht te doen bij tussenarrest in toepassing van artikel 19, derde lid Ger. W. veroordeeld wordt tot een borgstelling op grond van artikel 851 Ger. W. voor de uit onderhavig geding voortvloeiende kosten en schadevergoedingen waarin zij zou kunnen worden verwezen, dewelke begroot worden op 18.360,12 EUR; De beslissing over de grond van de zaak verder aan te houden; Het te vellen tussenarrest uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande enig rechtsmiddel en zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement."
  24. A.D. besluit tot de ongegrondheid van voormelde vordering en vraagt om de kosten aan te houden. II. RELEVANTE FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN
  25. A.D. heeft de Zuid-Afrikaanse nationaliteit en is woonachtig in Zuid-Afrika.
  26. Wijlen A.I is: - de overleden echtgenoot van A.B.; - vader van A.F, A.G., A.H. en A.C.; - (mede-)oprichter van de vennootschappen bvba A.J. en cvba A.E.; - zaakvoerder/bestuurder van voornoemde vennootschappen (via de bvba A.A. wat betreft de cvba A.E.); - een van de stichtende advocaten van voormelde advocatenkantoren; - de gewezen raadsman van de familie van A.D. A.I. is overleden op 7 juni
  27. A.I. stond de familie van A.D. (o.m.) bij: - bij een schenking van aandelen van de moeder van A.K. (overleden echtgenoot van A.D.) aan haar zonen in mei 2010; - bij de oprichting van de "X Family Income Trust" op 10 december 2012 ten behoeve van A.L. en A.M. (kinderen van A.D.) e.a., A.I. was aangewezen als trustee; - bij een aandelentransactie tussen de broers A.K. en A.N. in december
  28. A.D. houdt de consoorten A.B., A.C, A.F., A.G. en A.H. aansprakelijk voor de schade die zij stelt te lijden naar aanleiding van een financiële transactie waarbij A.I. is opgetreden.
  29. Op 5 en 8 januari 2018 ging A.D. over tot dagvaarding van de consoorten A.B., A.C, A.F., A.G. en A.H. voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel. Zij vorderde de consoorten A.B., A.C, A.F., A.G. en A.H. solidair te veroordelen tot betaling van een bedrag van euro 1.513.117,15, plus de interesten vanaf 11 september 2017 tot de dagvaarding en vervolgens gerechtelijke interesten, telkens aan de wettelijke interestvoet, tot de volledige betaling.
  30. Bij het bestreden vonnis van 23 januari 2020 heeft de eerste rechter de vordering van A.D. ontvankelijk en geheel gegrond verklaard en besloten tot de effectieve aansprakelijkheid van wijlen A.I. en tot de veroordeling van appellanten (de erfgenamen van A.I. en diverse advocatenassociaties). Dit vonnis werd betekend aan de consoorten A.B., A.C., A.F., A.G., A.H. op 14 april 2020 en aan MS AMLIN INSURANCE SE, ZÜRICH INSURANCE plc en de nv KBC VERZEKERINGEN op 23 december
  31. 8.
  32. De bvba A.A., A.B. en A.C. hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 12 mei 2020 (zaak gekend onder A.R. 2020/AR/656). 8.
  33. De cvba A.E., A.F., A.G. en A.H. hebben hoger beroep aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 13 mei 2020 (zaak gekend onder A.R. 2020/AR/664).
  34. Appellanten hebben MS AMLIN INSURANCE SE, ZÜRICH INSURANCE plc en de nv KBC VERZEKERINGEN gedagvaard in gedwongen tussenkomst en gemeen- en bindendverklaring.
  35. In haar eerste beroepsconclusie heeft A.D. volgende vordering ingesteld tegen MS AMLIN INSURANCE SE, ZÜRICH INSURANCE plc en de nv KBC VERZEKERINGEN: "Appellanten in solidum te veroordelen en de Verzekeraars solidair, in solidum, de ene bij gebreke aan de andere tot de betaling aan concluante van het bedrag van euro 1.513.117,15 te vermeerderen met de interesten sedert 11 september 2017 a rato van de wettelijke interestvoet tot op de dag van dagvaarding en meer de gerechtelijke interesten aan dezelfde interestvoet sedert de datum van dagvaarding tot op datum van volledige betaling. Appellanten in solidum en de Verzekeraars solidair, in solidum, de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van concluante begroot op de kosten van dagvaarding en het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, deze laatste overeenkomstig art. 8 van het KB van 26 oktober 2007 zowel in eerste als in tweede aanleg, alsook tot de bijzondere bijdrage Fonds Juridische Tweedelijnsbijstand, (...). Voor recht te zeggen dat Gedaagden in Tussenkomst procespartij waren in eerste aanleg, doch dat zij geen hoger beroep hebben ingesteld en derhalve geacht worden te hebben berust."
  36. Naast deze procedure zijn nog volgende procedures aanhangig: - een procedure voor de ondernemingsrechtbank Brussel (gekend onder A.R. A/20/04024) tussen appellanten en de verzekeringsmaatschappijen over de dekkingsbetwisting, waarin A.D. vrijwillig is tussengekomen; - een procedure voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel (gekend onder A.R. A/21/493/A) aanhangig gemaakt door A.D. om het bestreden vonnis van 23 januari 2020 tegenstelbaar te verklaren aan MS AMLIN INSURANCE SE, ZÜRICH INSURANCE plc en de nv KBC VERZEKERINGEN en lastens hen uitvoerbaar te verklaren en bijgevolg de verzekeraars te veroordelen tot betaling van de schadevergoeding waartoe appellanten werden veroordeeld. III. BESPREKING III.
  37. Samenvoeging
  38. Het hoger beroep van 12 mei 2020, gekend onder het rolnummer 2020/AR/656, en het hoger beroep van 13 mei 2020, gekend onder het rolnummer 2020/AR/664, zijn gericht tegen hetzelfde arrest, zodat het wenselijk is beide zaken samen te behandelen en te berechten. Het hof beveelt dan ook de samenvoeging van beide zaken op grond van art. 30 Ger. W. III.
  39. Borgstelling van de eisende vreemdeling
  40. MS AMLIN INSURANCE SE, ZÜRICH INSURANCE plc en de nv KBC VERZEKERINGEN stellen dat zij door de vordering van A.D. in haar eerste beroepsconclusie de hoedanigheid krijgen van verweerder in de zin van art. 851 Ger. W., waarbij A.D. de hoedanigheid heeft van eisende vreemdeling in de zin van voormelde bepaling. Artikel 851 Ger. W. luidt als volgt: "Behalve wanneer Staten bij verdrag hebben bedongen dat hun onderdanen ontslagen zijn van borgstelling ter voldoening aan het vonnis, zijn alle vreemdelingen als hoofdeiser of tussenkomende partij gehouden, indien de Belgische verweerder het vóór enige exceptie vordert, borg te stellen voor de betaling van de uit het geding voortvloeiende kosten en schadevergoedingen waarin zij kunnen worden verwezen. De verweerder kan borgstelling vorderen, zelfs voor het eerst in hoger beroep, indien hij aldaar gedaagd wordt." MS AMLIN INSURANCE SE, ZÜRICH INSURANCE plc en de nv KBC VERZEKERINGEN vragen dan ook dat A.D. zou bevolen worden zich borg te stellen voor de betaling van de uit het geding voortvloeiende kosten en schadevergoedingen waarin zij kan worden verwezen, thans begroot op euro 18.360,
  41. A.D. is van oordeel dat het verzoek ongrondwettig is en verwijst in dat verband naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 135/2018 van 11 oktober
  42. In dit arrest oordeelde het Grondwettelijk Hof als volgt: "Artikel 851 van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De gevolgen van die wetsbepaling worden gehandhaafd tot de inwerkingtreding van een wet die aan de in B.11 vastgestelde ongrondwettigheid een einde maakte en uiterlijk tot 31 augustus 2019." Het Grondwettelijk Hof overwoog het volgende: "B.
  43. Het criterium van de nationaliteit, waarop het bij de in het geding zijnde bepaling ingevoerde verschil in behandeling berust, is evenwel niet relevant ten aanzien van het door de wetgever nagestreefde doel, namelijk de betaling van de gerechtskosten en van de schadevergoeding waartoe de eiser zou kunnen worden veroordeeld, waarborgen aan de verweerder. Niets maakt het mogelijk te verantwoorden dat dat doel van bescherming van de verweerder die wordt geconfronteerd met de geldelijke verliezen die een eiser die in België geen waarborgen biedt voor de betaling van de kosten en de schadevergoeding waartoe hij zou worden veroordeeld, hem door een ongegrond proces kan doen lijden, enkel wordt nagestreefd wanneer de eiser een vreemdeling is. Het is immers niet de nationaliteit van de eiser maar wel de omstandigheid dat hij in het buitenland verblijft en in België geen goed bezit dat als waarborg kan dienen, die de verweerder kan doen vrezen dat hij wordt geconfronteerd met de onmogelijkheid in de praktijk om de uitgegeven bedragen terug te vorderen. In zoverre het enkel de buitenlandse hoofdeisers of tussenkomende partijen ertoe verplicht een cautio iudicatum solvi te verlenen, indien de Belgische verweerder zulks vóór enige exceptie vordert, is artikel 851 van het Gerechtelijk Wetboek niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet." De wetgever heeft tot op heden geen gevolg gegeven aan voormeld arrest, hoewel in dit arrest wordt geoordeeld dat art. 851 Ger. W. het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel schendt en de gevolgen van deze wetsbepaling slechts worden gehandhaafd tot uiterlijk 31 augustus
  44. Bijgevolg kan het huidige art. 851 Ger. W. geen rechtsgrond meer vormen om een borgstelling op te leggen aan de eisende vreemdeling. Het verzoek wordt dan ook afgewezen. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtsprekende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Beveelt de samenvoeging van de zaken gekend onder de rolnummers 2020/AR/656 en 2020/AR/664; Wijst het verzoek tot borgstelling van de eisende vreemdeling van MS AMLIN INSURANCE SE, ZÜRICH INSURANCE plc en de nv KBC VERZEKERINGEN af; Houdt de zaak voor het overige aan. ******* Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer N van het hof van beroep te Brussel, op 20 december 2021, waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Voorzitter, Marc DEBAERE, Raadsheer, Karen PITEUS, Raadsheer, bijgestaan door Darie VAN IMPE, Griffier. D. VAN IMPE K. PITEUS M. DEBAERE A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.