← België

ECLI:BE:CABRL:2022:ARR.20220201.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 01 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2022:ARR.20220201.1 Rolnummer: 2021/FA/183 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-08-12 Raadplegingen: 484 - laatst gezien 2026-06-19 06:12 Fiche In een stelsel van scheiding van goederen moet onderzocht worden of de gebeurlijke vermogensverschuivingen kaderen in de plicht tot de bijdrage aan de kosten van het huishouden. De afbetaling van het kapitaal van een gezamenlijke lening verbonden aan een eigen woonst van een van de echtgenoten kadert niet in deze kost van het huishouden, enkel de afbetaling van de intresten. Ook kosten verbonden aan een onroerend goed dat aangekocht werd als investering kunnen niet als bijdragen aan de kosten van het huishouden worden beschouwd. Zonder een daadwerkelijke verarming kan er geen sprake zijn van een vermogensverschuiving zonder oorzaak. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Oneigenlijke contracten - Verrijking zonder oorzaak BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Scheiding van goederen Tekst van de beslissing INZAKE VAN: Q.R. appellante op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, (hierna: appellante), vertegenwoordigd door mr. BEELEN Bert, advocaat te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 24 TEGEN: S.T. geïntimeerde op hoofdberoep, appellant op incidenteel hoger beroep, (hierna: geïntimeerde), vertegenwoordigd door mr. VERBANCK Ann, advocaat te 3300 TIENEN, Leuvenselaan

  1. * * * * * * * * * * Gelet op de stukken van de rechtspleging, inzonderheid: - het eindvonnis op 10 november 2020 op tegenspraak uitgesproken door de familierechtbank van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, betekend op 8 februari 2021; - het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie op 5 maart 2021, waarbij tijdig hoger beroep werd aangetekend; - de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 18 oktober 2021; - de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 30 november 2021; - de door partijen neergelegde stukken. VOORGAANDEN Partijen zijn gehuwd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Tienen op 18 augustus 2001, onder het stelsel van scheiding van goederen, ingevolge huwelijkscontract, verleden voor notaris Marc Honorez te Tienen op 2 juli
  2. Uit het huwelijk van partijen zijn 3 kinderen geboren: - A. op 4 maart 2002, thans 19 jaar; - B. op 7 juli 2005, thans 16 jaar; - C. op 17 april 2008, thans 13 jaar. Op 21 september 2015 verliet appellante de echtelijke woning. De echtscheidingsprocedure werd ingeleid bij verzoekschrift neergelegd op 26 april
  3. Bij vonnis van 20 oktober 2016, betekend op 23 november 2017, werd de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Op 16 januari 2017 ging notaris Depuydt over tot het opstellen van het proces-verbaal van opening van werkzaamheden. Op 17 september 2017 werd het proces-verbaal van afsluiting van de opening van werkzaamheden opgesteld. Op 22 januari 2018 stelde notaris Depuydt het overzicht van de aanspraken van beide partijen samen en op 12 juli 2018 werd de staat van vereffening opgesteld. Zowel appellante als geïntimeerde formuleerden bezwaren. Op 15 november 2018 is notaris Depuydt overgegaan tot het opstellen van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden en op 21 november 2018 tot het opstellen van zijn schriftelijk advies. De zaak werd verwezen naar de familierechtbank te Leuven. BESTREDEN VONNIS Bij het thans bestreden eindvonnis van 10 november 2021 heeft de eerste rechter als volgt beslist: De zwarigheid van partijen zijn ontvankelijk en deels gegrond zoals hierna word bepaald. De zwarigheid van R.Q. met betrekking tot de afbetalingen op de lening bij Fortis AG voor het onroerend goed gelegen te X is gegrond. De zwarigheid van T.S. met betrekking tot de betaling van de registratierechten, de onroerende voorheffing , de brandverzekering en de hypothecaire lening voor het onroerend goed gelegen te Y is gegrond. De rechtbank beveelt dat de staat van vereffening door notaris Benjamin DEPUYDT opgesteld op 12 juli 2018 wordt aangepast volgens de hiernavolgende richtlijn: - R.Q. heeft recht op de verrekening ten nadele van T.S. van het bedrag van 50.000,00 euro inzake de afbetaling van de lening bij Fortis AG voor de woning gelegen te X; - T.S. heeft recht op de verrekening ten nadele van R.Q. van de helft van de volgende bedragen voor het onroerend goed gelegen te Y: - de registratierechten ten bedrage van 22.124,60; - de betaling voor de onroerende voorheffing van in totaal 2.323,89 euro; - de betaling van de brandverzekering voor in totaal 1.621,40 euro; - de aflossingen op de hypothecaire lening voor in totaal 47.275,76 euro. De zaak wordt terug verzonden naar de notaris om de staat van vereffening en verdeling aan te passen, rekening houdend met de opmerking van de rechtbank. Partijen worden voor het overige afgewezen in hun zwarigheden. De kosten inzake de vereffening en verdeling worden ten laste van de massa gelegd. VOORWERP VAN DE HOGERE BEROEPEN
  4. HOOFDBEROEP Overeenkomstig haar conclusie voor het hof vordert appellante, met de gedeeltelijke hervorming van het vonnis a quo: - te zeggen voor recht dat appellante recht heeft op vergoeding van geïntimeerde van het bedrag van euro 98.744,89, te vermeerderen met de wettelijke intresten sedert de inleiding van de eis; - de bezwaren van geïntimeerde met betrekking tot het onroerend goed gelegen te Y, ongegrond te verklaren en zijn aanspraken op de helft van de volgende bedragen af te wijzen: • de registratierechten ten bedrage van euro 22.124,60; • de betalingen voor de onroerende voorheffing van in totaal euro 2.323,89; • de betalingen voor de brandverzekering voor in totaal euro 1.621,40; • de aflossingen op de hypothecaire lening voor in totaal euro 47.275,
  5. Geïntimeerde vordert het hoofdberoep ongegrond te verklaren.
  6. INCIDENTEEL HOGER BEROEP Overeenkomstig zijn syntheseconclusie voor het hof vordert geïntimeerde, met de gedeeltelijke hervorming van het vonnis a quo: In hoofdorde: - het eerste vonnis te bevestigen wat het bezwaar van appellante m.b.t. de verkoopopbrengst van het pand gelegen te Z betreft; - het eerste vonnis te hervormen m.b.t. de hypothecaire lening bij Fortis AG, meer bepaald geen verrekening in het voordeel van appellante toe te kennen, minstens kan maar rekening worden gehouden met de helft, gezien geïntimeerde er zelf voordeel heeft uit gehaald; - het eerste vonnis te bevestigen wat betreft de aanspraken van geïntimeerde betreffende de helft van de volgende bedragen: o de betaalde registratierechten t.b.v. euro 22.124,60; o de betalingen van de onroerende voorheffing van in totaal euro 2.323,89; o de betalingen voor de brandverzekering voor in totaal euro 1.621,40; o de aflossing op de hypothecaire lening voor in totaal euro 47.275,76; - het eerste vonnis te hervormen voor wat de aanspraken op volgende bedragen, die door geïntimeerde werden betaald, betreft: o onkosten nutsvoorzieningen t.b.v. euro 2.047,37; o de kosten van leegstand t.b.v. euro 7.
  7. In uiterst ondergeschikte orde: - in zoverre enige vergoeding ten voordele van appellante wordt weerhouden m.b.t. Z, tevens te zeggen voor recht dat geïntimeerde op zijn beurt gerechtigd is op een bedrag van euro 84.192,58 (= euro 168.385,16 : 2); - in zoverre het eerste vonnis zou worden hervormd wat betreft de aanspraken van geïntimeerde aangaande de woning gelegen te Y, te zeggen voor recht dat de staat van vereffening minstens dient te worden aangepast als volgt, meer bepaald met als referentiedatum de datum van de feitelijke scheiding, dit is 21 september 2015: o te zeggen voor recht dat geïntimeerde bijgevolg gerechtigd is op euro 19.416,83,80 in plaats van euro 12.663,15 voor de lening op de woning, gelegen te 3300 Y; o te zeggen voor recht dat geïntimeerde bovendien gerechtigd is op de volgende bedragen betreffende de woning gelegen te Y: • elektriciteit en gas: van oktober 2015 tot en met augustus 2017: euro 888,64; • brandverzekering: euro 594,
  8. • onroerende voorheffing, in totaal: euro 1.168,82; • leegstand: euro 6.
  9. Appellante vordert het incidenteel hoger beroep ongegrond te verklaren. BEOORDELING I. ALGEMEEN
  10. De echtgenoten mogen ingevolge artikel 1387 oud BW hun huwelijksovereenkomsten regelen naar goeddunken, mits zij daarin niets bedingen dat strijdig is met de openbare orde of de goede zeden. Partijen hebben een huwelijkscontract onder het stelsel van de scheiding van goederen gesloten dat hen overeenkomstig artikel 1134 oud BW tot wet strekt. In het stelsel van scheiding van goederen tussen de echtgenoten ontstaat geen goederenvereniging noch gemeenschappelijk vermogen en de goederen van elk van de echtgenoten blijven hem eigen. De wet bepaalt dat in principe ieder van hen de bevoegdheid van beheer, genot en beschikking alleen bezit over zijn goederen, inkomsten en besparingen.
  11. De regels van het primair stelsel zijn echter altijd toepasselijk, ook in geval van scheiding van goederen en dit kan óf de onafhankelijkheid van de vermogens, óf de handelingsbekwaamheid van de echtgenoten beperken. De beperkingen vloeien voort uit de bepalingen die de bescherming van de gezinswoning beogen maar ook uit de bepalingen die de bijdrage van iedere echtgenoot in de lasten van het huwelijk en in de opvoeding van de kinderen betreffen. Artikel 221 oud BW verplicht iedere echtgenoot bij te dragen in de lasten van het huwelijk naar zijn vermogen en artikel 217 oud BW legt hem op zijn inkomsten bij voorrang te besteden aan zijn bijdrage in de lasten van het huwelijk. Dit betekent dat de echtgenoten zo nodig met het geheel van hun inkomsten in de lasten van het huwelijk moeten bijdragen, maar het betekent niet dat de echtgenoten verplicht zijn al hun inkomsten hiervoor uit te geven. Geen enkele bepaling, noch in het hoofdstuk aan de scheiding van goederen gewijd noch in het primair stelsel, laat de mogelijkheid aan de echtgenoten hieromtrent een andere regeling te treffen dan deze bepaald in artikel 221 oud BW, zodat de echtgenoten hiervan niet bij overeenkomst noch bij huwelijkscontract kunnen afwijken. De echtgenoten kunnen in hun huwelijkscontract wel overeenkomen dat hun bijdrage wordt vermoed dag na dag te zijn geleverd, zodat geen rekening moet worden opgemaakt. In een dergelijk geval volstaat het dat de echtgenoot die beweert zijn bijdrage regelmatig en bevrijdend te hebben voldaan, hiernaar enkel verwijst zonder hiervan het bewijs te moeten leveren.
  12. Het huwelijkscontract gesloten tussen partijen op 2 juli 2001 bepaalt: - In artikel 2: De echtgenoten dragen in de lasten van het huwelijk bij, ieder naar vermogen. Zij worden vermoed hun bijdragend aandeel, dag na dag te verschaffen. - In artikel 5: Bij ontstentenis van schriftelijke rekeningen, worden de echtgenoten vermoed tussen hen dag na dag de rekeningen die ze elkaar verschuldigd zijn te kunnen afsluiten, met inbegrip van deze betreffende de bijdrage in de lasten van het huwelijk en deze betreffende de bezoldiging van familiewerk, huishouding of maatschappelijk werk van ieder van hen. De verdeling van de spaargelden in de loop van het huwelijk alsook de vaststelling van de rechten van iedere echtgenoot bij de verrijking in onverdeeldheid, worden geacht te zijn verwezenlijkt geweest tot regeling van de rekeningen, die de echtgenoten elkaar verschuldigd kunnen zijn. De echtgenoten zullen bijdragen in de lasten van het huwelijk naar hun vermogen overeenkomstig de dwingende bepalingen van artikel 221 oud BW maar de facto werd ook contractueel bedongen dat tussen partijen wordt vermoed dat de rekeningen daaromtrent tussen hen dag na dag werden gemaakt; Het feit dat partijen worden vrijgesteld van iedere rekening nopens hun bijdrage in de lasten van het huwelijk van dag tot dag, sluit geenszins op een expliciete en duidelijke wijze uit dat het vermoeden dat er tussen hen werd verrekend van dag tot dag kan worden weerlegd. Het beding heeft tot gevolg dat van een echtgenoot niet gevorderd kan worden dat deze bewijst voldoende te hebben bijgedragen in de lasten van het huwelijk. De bewijslast wordt om die reden omgedraaid. Indien een dergelijk beding niet opgenomen zou zijn in een stelsel van scheiding van goederen, zou diegene die beweert afdoende te hebben bijgedragen in de lasten van het huwelijk, het bewijs hiervan moeten leveren. Door de omkering van de bewijslast is het niet aan de beweerde schuldenaar om aan te tonen dat hij zich van zijn verplichtingen heeft bevrijd (art. 1315, tweede lid oud BW), vermits wordt vermoed dat hij zich van dag tot dag heeft bevrijd, maar is het aan de schuldeiser om het tegendeel aan te tonen.
  13. Bij een stelsel van scheiding van goederen:

(1)is geen sprake van drie vermogens, maar enkel van twee onderscheiden eigen vermogens;
(2)zijn de wettelijke regels nopens vergoedingsrekeningen voor het wettelijk huwelijksvermogensstelsel niet van toepassing maar behoort het principe van verrekening tussen de twee gescheiden vermogens tot de essentie van het stelsel van scheiding van goederen. Het principe van gescheiden vermogens verhindert niet dat echtgenoten samen eigendomsrechten hebben op hetzelfde goed. Er ontstaat tussen hen een onverdeeldheid (en geen gemeenschappelijk vermogen) indien zij, zoals in casu het geval is, voorafgaand en tijdens het huwelijk gezamenlijk goederen verwerven en de onverdeelde aandelen van elke echtgenoot in deze onverdeeldheid behoren dan tot het eigen vermogen. Dit betekent dat de regels van het gemeen recht inzake mede-eigendom van toepassing zijn (art. 577-2 oud BW). Geïntimeerde werpt dan ook ten onrechte op dat de vorderingen nopens de gezamenlijk gesloten lening van 50.000 euro en de schulderkenning, die beiden dateren van vóór het huwelijk, niet verdeeld kunnen worden in het kader van de huidige procedure, vermits de vordering niet slaat op de vereffening van het huwelijksvermogen maar wel degelijk van de onverdeeldheden die bestaan tussen partijen. Daarbij is het onbelangrijk of deze onverdeeldheden tot stand kwamen voorafgaand of na het huwelijk.
  1. De partij die opwerpt dat er sprake is van vermogensverschuivingen tijdens het huwelijk moet het bewijs hiervan leveren. Voor de toepassing van de door de rechtspraak ontwikkelde en door het Hof van Cassatie tot algemeen rechtsbeginsel gepromoveerde en op de billijkheid steunende rechtsfiguur van de verrijking zonder oorzaak is het voorhanden zijn van vijf voorwaarden vereist: 1°) een vermogensaanwas van de verwerende partij; 2°) een verarming van de eisende partij; 3°) de correlatie tussen de aanwas en de verarming; 4°) het ontbreken van een geldige juridische oorzaak voor de aanwas resp. de verarming; 5°) het ontbreken van enige andere mogelijkheid voor de verarmde partij om zich op een andere rechtsgrond te beroepen.
  2. In zoverre een partij zich beroept op de bijdrage die een echtgenoot moet leveren in de lasten van het huwelijk als oorzaak voor een gebeurlijke vermogensverschuiving wordt rekening gehouden met het feit dat: - de verarming van het eigen vermogen van één van de partijen en de verrijking van dat van de andere niet gestoeld mag zijn op de bewuste wil om op definitieve wijze een vermogensverschuiving tot stand te brengen en evenmin zijn oorzaak mag vinden in vrijgevigheid; - bij de beoordeling van de vordering tot verrekening van de door één van beide partijen gedane betalingen eveneens rekening wordt gehouden met het feit dat beide partijen ertoe gehouden zijn bij te dragen in de lasten van het gezin en de gemeenschappelijke huishouding in verhouding met hun mogelijkheden; - de lasten van het huishouden waarin elke echtgenoot bij voorrang op andere uitgaven dient bij te dragen en dit in verhouding tot zijn aandeel in de samengevoegde inkomsten van beide echtgenoten, alle lasten van het gezinsleven omvat, zoals de kosten van wonen, nutsvoorzieningen, verzekeringen, brandstof, voeding, kledij, ontspanning, reizen, geneesmiddelen en medische verzorging, enz., niet enkel van beide partners, maar eveneens van de kinderen die deel uitmaken van het gezin; - de bijdrage in deze lasten van het huishouden kan bestaan hetzij in een geldelijke injectie in deze lasten, hetzij in het ter beschikking stellen van eigen goederen voor het gezin zoals een eigen woning, hetzij in het verrichten van huishoudelijke arbeid en andere arbeid ten behoeve van het gezin; - de echtgenoten enkel gerechtigd zijn op de door hen gevorderde bedragen in zoverre zij bewijzen dat hun bijdrage in de lasten van het huishouden veel hoger was dan het aandeel waartoe zij gehouden waren gezien hun bijdragemogelijkheden. II. Toegepast op de huidige zaak
  3. Aangaande de schulderkenning 1.
  4. Uit het overzicht van de door partijen geformuleerde aanspraken opgesteld door de notaris-vereffenaar op 22 januari 2018 blijkt dat appellante betaling vorderde van geïntimeerde van een som van 75.000 euro ingevolge een door geïntimeerde op 2 juli 2001 ondertekende schulderkenning. Geïntimeerde betwistte deze vordering, stellende dat:
(1)hij deze som nooit had ontvangen
(2)het een persoonlijke vordering is, die verjaard is
(3)er sprake is van afstand van recht/rechtsverwerking en
(4)de lening van 50.000 euro die door beide partijen werd aangegaan voor de renovatiewerken aan de eigen woning van geïntimeerde die als gezinswoning fungeerde, inbegrepen zit in deze som. 1.
  1. De notaris-vereffenaar heeft in zijn staat de aanspraak van appellante aanvaard (voor een som van 74.368,06 euro) en dit wordt bevestigd door de eerste rechter. 1.
  2. Appellante moet overeenkomstig artikel 907 Ger.W. haar vordering bewijzen en overeenkomstig voormalig artikel 1326 oud BW (van toepassing vermits de bewijsregels van toepassing zijn ten tijde van het ondertekenen van de overeenkomst) moet een onderhands biljet of een onderhandse belofte waarbij een enkele partij zich tegenover de andere verbindt om haar een geldsom of een waardeerbare zaak te betalen, geheel geschreven zijn met de hand van de ondertekenaar, of tenminste moet deze, benevens zijn handtekening, met de hand een goed voor of een goedgekeurd voor geschreven hebben, waarbij de som of de hoeveelheid van de zaak voluit in letters is uitgedrukt. De schulderkenning gedateerd 2 juli 2001 waarop appellante zich beroept werd volledig met de hand geschreven door geïntimeerde en voldoet aan deze vereisten. In deze schulderkenning erkent geïntimeerde dat hij een som van 3.000.000 BEF heeft gekregen van appellante ten titel van renteloze lening teneinde verbouwingswerken uit te voeren in zijn eigen onroerend goed, dat later als gezinswoning zou dienstig zijn. De overhandiging van de gelden moet door appellante aldus niet bewezen worden vermits geïntimeerde in deze schulderkenning expliciet en uitdrukkelijk erkent dat deze gelden hem door appellante werden gegeven. Het komt aan geïntimeerde toe, die beweert dat de gelden niet werden overhandigd, om dit aan te tonen. Geïntimeerde beweert maar bewijst niet dat de gezamenlijke hypothecaire lening van 2.000.000 BEF, die zij voor de renovatie van zijn eigen woning aangingen bij Fortis AG op 2 januari 2001, in de som van 3.000.000 BEF begrepen zit. Geïntimeerde maakt dit ook niet aannemelijk, vermits hij deze som niet gekregen heeft van appellante maar deze door beide partijen werd geleend en op het ogenblik van de ondertekening van de schulderkenning het mogelijk was dat er afgesproken was tussen partijen dat appellante deze zou afbetalen maar dat deze afbetaling in ieder geval alsdan nog niet was gebeurd door appellante. Bovendien wijzen de overige stukken neergelegd door appellante erop dat zij aanzienlijke eigen gelden besteed heeft aan de renovatie van de eigen woning van geïntimeerde, door betaling van facturen, een overzicht van de spaargelden waarover ze beschikte en afhalingen die ze in die periode deed. Gelet op voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd, wordt het incidenteel hoger beroep van geïntimeerde ongegrond verklaard op dit punt.
  3. Aangaande de gezamenlijke lening voor de eigen woonst van geïntimeerde 2.
  4. Partijen hebben samen voorafgaand aan het huwelijk een lening afgesloten van 50.000 euro voor de renovatie van de eigen woning van geïntimeerde, die later als echtelijke woning dienst deed. Appellante betaalde alleen deze lening af. Zij is van oordeel dat de afbetaling van het kapitaal van deze lening een verrijking van geïntimeerde tot gevolg heeft en een verarming van haar. Appellante vordert de betaalde intresten niet terug. 2.
  5. De notaris heeft deze vordering van appellante afgewezen, stellende dat er geen schriftelijke overeenkomst was gesloten tussen partijen en er verondersteld werd verrekend te zijn dag per dag. De eerste rechter heeft geoordeeld dat de afbetalingen van het kapitaal van deze gezamenlijke lening door appellante moeten worden verrekend omdat er sprake is van een verrijking in hoofde van geïntimeerde, een verarming in hoofde van appellante en deze vermogensverschuiving zijn oorzaak niet heeft in de bijdrage die appellante moet leveren in de lasten van het gezin, vermits zij voldoende had bijgedragen door andere betalingen. 2.
  6. Het hof stelt vast dat: - enerzijds appellante minstens officieel, althans dit blijkt uit de aanslagbiljetten, een hoger inkomen had tijdens het huwelijk dan geïntimeerde, maar anderzijds geïntimeerde als zelfstandige schrijnwerker geen overzicht bijbrengt van zijn omzet, beroepskosten, voordelen in natura zodat onmogelijk is na te gaan wat zijn werkelijke inkomsten zijn; - appellante weliswaar aandelen bezit in het familiebedrijf en de patrimoniumvennootschap, maar geenszins aangetoond is dat zij hier hic et nunc maandelijkse inkomsten uit genereert; - appellante aantoont dat zij een zeer groot deel van de lasten van het gezin ten laste nam (betalingen opvang kinderen, boodschappen, nutsvoorzieningen enz.): - appellante de kinderbijslag/groeipakket ontving; - de eigen woning van geïntimeerde werd gebruikt als gezinswoning; - geïntimeerde tijdens het huwelijk ook bijdroeg in de lasten van het huwelijk maar in mindere mate; - geïntimeerde behoudens zijn loon als zelfstandige schrijnwerker, investeerde in onroerende goederen, die hij kocht, mogelijk opknapte, en alsdan met winst verkocht (zo realiseerde hij op de verkoop van de onroerende goederen Z (dat hij samen met appellante kocht) en Z een aanzienlijke winst (ongeveer 300.000 euro meer verkocht dan aangekocht na 9 jaar); - hierdoor zijn bijdragemogelijkheden in de lasten van het gezin effectief hoger werden en hij aldus minstens evenveel diende bij te dragen in de lasten van het huishouden als appellante; - appellante met haar maandelijkse inkomen alleen de gezamenlijke lening afgesloten door beide partijen afbetaalde. Geïntimeerde is na de feitelijke scheiding eigenaar gebleven van een onroerend goed dat hij aankocht voor het huwelijk voor ongeveer 2.000.000 BEF en dat tijdens het huwelijk volledig werd gerenoveerd, daar waar deze renovatie grotendeels betaald werd met de lening die partijen gezamenlijk aangingen en die alleen door appellante werd afbetaald. 2.
  7. Uit het voorgaande volgt aldus dat: - er sprake is van een verrijking van geïntimeerde, vermits deze een volledig gerenoveerde woning bezit en de renovatiekosten grotendeels door appellante werden betaald; - er sprake is van een verarming van appellante vermits zij kapitaal en intresten van een lening afbetaalde voor de eigen woning van geïntimeerde; - er een verband is tussen beiden; - er geen oorzaak is voor deze vermogensverschuiving althans wat betreft de afbetaling van het kapitaal. De afbetaling van de intresten van deze lening kaderen immers in de dagdagelijkse lasten van het gezin van partijen, maar de afbetaling van het kapitaal betreft een investering in onroerend goed die enkel geïntimeerde ten goede kwam. Voor het overige blijkt ook dat appellante ingevolge de andere betalingen die zij deed in de lasten van het gezin en de afbetaling van de rente (die de bewoning van het eigen goed van geïntimeerde compenseert) voldoende bijdroeg in de lasten van het gezin, zelfs in verhouding met haar bijdragemogelijkheden; - voor het overige evenmin blijkt dat appellante op een definitieve wijze deze vermogensverschuiving wenste tot stand te brengen en zij dit uit vrijgevigheid deed. Het hof is, gelet op voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd, van oordeel dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat de afbetalingen van het kapitaal van de gezamenlijke lening voor de eigen woning van geïntimeerde die door appellante alleen werden gedaan verrekend moeten worden. Het incidenteel hoger beroep is op dit punt ongegrond.
  8. Aangaande het onroerend goed Z 3.
  9. Partijen kochten op 5 juni 2003 samen een onroerend goed aan te Z voor een som van 143.778 euro en gingen hiervoor samen een lening aan bij KBC van 80.000 euro. Geïntimeerde kocht op 18 april 2012 alleen nog een aanpalend onroerend goed ZZ aan voor 337.000 euro en sloot voor de volledige aankoopprijs een lening af. Geïntimeerde betaalde beide leningen af en betaalde alle kosten voor deze onroerende goederen. Beide onroerende goederen werden op 11 oktober 2012 verkocht voor in totaal 800.000 euro. Het saldo van beide leningen werd afbetaald en het saldo werd op de eigen rekening van geïntimeerde gestort. Appellante vordert de helft van de gerealiseerde meerwaarde. 3.
  10. De notaris was van oordeel dat appellante niet gerechtigd is op een vergoeding, dat er geen vermogensverschuiving voorligt die losstaat van de huwelijksrelatie, dat er aldus vermoed wordt verrekend te zijn dag per dag en dat appellante naar aanleiding van het ondertekenen van de verkoopovereenkomst geenszins te kennen gaf aanspraak te maken op een deel van de verkoopprijs. De eerste rechter heeft op grond van andere motieven geoordeeld dat appellante inderdaad niet gerechtigd is op een vergoeding. De eerste rechter oordeelde dat appellante geen verarming aantoont zodat er geen vermogensverschuiving is aangetoond. 3.
  11. Overeenkomstig de leer van de vermogensverschuiving zonder oorzaak wordt de omvang van de restitutieplicht bepaald door het kleinste van twee bedragen, namelijk de verrijking van de ene en de verarming van de andere. Een schuldvordering op basis van de verrijking zonder oorzaak is een waardeschuldvordering en geen geldschuldvordering. Deze schuldvordering mag bijgevolg geherwaardeerd worden rekening houdend met de voor het goed verkregen verkoopprijs (vgl. Cass. (1e k.) AR C.11.0159.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120927.1, 27 september 2012 (M.D. / G.B.)). Het hof stelt echter vast, samen met de eerste rechter dat er geen verarming in hoofde van appellante is aangetoond. Appellante heeft weliswaar samen met geïntimeerde het onroerend goed Z aangekocht en samen met geïntimeerde een lening afgesloten, maar appellante heeft geen eigen gelden in deze aankoop geïnvesteerd en heeft verder geen afbetalingen gedaan van de leningen, noch andere kosten betaald verbonden aan dit pand. Het hof stelt verder vast dat na de verkoop van het pand, geïntimeerde, die wel gelden had geïnvesteerd in de aankoop en de afbetalingen van beide leningen had gedaan, in het bezit bleef van de verkoopopbrengsten. Het klopt dat geïntimeerde is verrijkt; maar niet ingevolge een verarming van appellante en aldus niet ten koste van appellante. De verarming is een conditio sine qua non om beroep te kunnen doen op de verrijking zonder oorzaak, daar waar er geen enkele verarming is aangetoond door appellante verbonden aan de aankoop en verkoop van het onroerend goed te Z. Appellante heeft aldus geen waardeschuldvordering ten aanzien van geïntimeerde wat dit onderdeel betreft (zodat er evenmin sprake kan zijn van een herwaardering). Het hof is van oordeel dat de eerste rechter terecht deze vordering van appellante als ongegrond heeft afgewezen en haar hoofdberoep is dienaangaande ongegrond.
  12. Aangaande het onroerend goed Y 4.
  13. Partijen kochten samen op 13 december 2012 een onroerend goed aan te Y voor 150.000 euro en sloten samen een woningkrediet af voor de volledige aankoopsom en nog een apart woningkrediet van 25.000 euro. Geïntimeerde betaalde in totaal 88.846,52 euro: - de registratierechten ten bedrage van 22.124,60 euro; - de onroerende voorheffing vanaf de aankoop tot de afstand: 574,33 euro + 580,74 euro + 582,58 euro + 586,24 euro = 2.323,89 euro; - de brandverzekering op de woning vanaf de aankoop tot de afstand: 81,07 per kwartaal, hetzij 324,28 euro per jaar X 5 = 1.621,40 euro; - de maandelijkse aflossingen t.b.v. 844,21 euro X 56 maanden = 47.275,76 euro; - leegstand betaald in 2016 en 2017: 1.200,00 euro + 2.600,00 euro + 3.900,00 euro = 7.700,00 euro; - de onkosten voor het water: 753,74 euro; - de onkosten voor de elektriciteit: 2.047,37 euro. Geïntimeerde vordert vergoeding voor deze bedragen. 4.
  14. De notaris heeft deze vordering van geïntimeerde afgewezen. De eerste rechter heeft geoordeeld dat geïntimeerde gerechtigd was op vergoeding, behoudens wat betreft de leegstandsheffing en de kosten van de nutsvoorzieningen. 4.
  15. Partijen kochten samen het onroerend goed te Y aan en waren aldus onverdeeld eigenaar op het ogenblik van de feitelijke scheiding. Tot dat ogenblik betaalde geïntimeerde alle kosten verbonden aan dit onroerend goed (dat nooit door partijen werd bewoond, noch verhuurd). Ingevolge deelakkoord, opgenomen in het proces-verbaal van opening van werkzaamheden van 16 januari 2017 nam appellante deze woning over, vrij en onbelast, van de onverdeelde massa voor de waarde van 150.000 euro, zijnde de waardering van de gehele woning. Partijen kwamen overeen dat appellante bij het verlijden van de akte enkel de nodige som voor terugbetaling van het hypothecair krediet gekoppeld aan de woning, de kosten van overname en de helft van de kosten van schrapping van de bestaande hypotheek diende te voldoen. De andere helft werd door geïntimeerde voldaan. In het proces-verbaal van opening van werkzaamheden wordt verder overeengekomen dat: - geen saldo gerubriceerd wordt bij de notaris maar partijen voor de latere vereffening en verdeling rekening houden met een waarde van 150.000 euro voor deze woning; - met deze opleg de bestaande hypothecaire schuldeiser zijnde KBC Bank terugbetaald wordt, waarbij het deelkrediet van 25.000 euro exclusief ten laste zal worden genomen door geïntimeerde, die omtrent dit krediet geen vorderingen voor verleden of toekomst stelt en zorgt voor desolidarisatie van appellante uiterlijk bij het verlijden van de akte van overname; - het deelakkoord andere vorderingen omtrent de woning onverkort laat bestaan. Op 7 september 2017 werd de akte van afstand ondertekend. 4.
  16. Uit de stukken van het dossier blijkt dat: - partijen dit onroerend goed blijkbaar aankochten op 13 december 2012 als opbrengsteigendom voor 150.000 euro; - partijen aldus samen onverdeelde eigenaar waren van dit onroerend goed en gehouden waren overeenkomstig voormalig artikel 577-2, § 3 oud BW (van toepassing op de onverdeeldheid die beëindigd is op 7 september 2017, daar waar de nieuwe bewijsregels in voege zijn getreden op 1 november 2020) alle kosten verbonden aan dit onroerend goed elk in verhouding tot hun aandeel erin (elk 50%) te betalen; - geen bewijs van werkelijke renovaties voorliggen noch van verhuur van dit onroerend goed; - de waarde van dit onroerend goed bij de akte van afstand begroot werd op 150.000 euro; - appellante het saldo van de hypothecaire lening van 150.000 euro overnam, wat op 7 september 2017 122.435,08 euro bedroeg; - geïntimeerde de andere lening voor 25.000 euro verder ten laste nam; - geïntimeerde de registratierechten betaalde van 22.124,60 euro en de leningen afbetaalde en alle andere kosten verbonden aan dit onroerend goed betaalde. Geïntimeerde beroept zich op de verrijking zonder oorzaak en moet aldus een verrijking aantonen in hoofde van appellante, een verarming in zijnen hoofde en een verband tussen beiden zonder dat er een oorzaak mag te vinden zijn voor deze vermogensverschuiving. 4.
  17. Het hof stelt vast dat: - geïntimeerde verarmd is, daar hij alle kosten betaalde voor een totaal bedrag van 88.846,52 euro; - appellante verrijkt is, vermits zij samen met geïntimeerde onverdeeld eigenaar was op het ogenblik van de feitelijke scheiding van 150.000 euro en zij het onroerend goed ter waarde van 150.000 euro overnam voor een totaal bedrag van 122.435,08 euro, daar waar zij geen registratierechten betaalde bij de aankoop ervan, noch de lening afbetaalde of andere kosten betaalde; - er een verband is tussen enerzijds de verarming van geïntimeerde en anderzijds de verrijking van appellante. 4.
  18. Het hof onderzoekt of er een oorzaak is voor deze vermogensverschuiving en is samen met de eerste rechter van oordeel dat: - de oorzaak voor deze vermogensverschuiving niet te vinden is in de bijdrage die elke echtgenoot moet leveren in de lasten van het gezin. Alle kosten verbonden aan dit onroerend goed betreffen immers kosten verbonden aan een investering in onroerend goed dat beide partijen deden. Deze woning was nooit dienstig als gezinswoning en alle lasten die eraan verbonden zijn, ook de afbetalingen van de intresten van de lening, zijn kosten verbonden aan deze investering en kunnen aldus geenszins als lasten van het gezin worden beschouwd; - uit geen enkel element van het dossier blijkt dat geïntimeerde deze betalingen deed uit vrijgevigheid of het zijn bedoeling was deze vermogensverschuiving op een definitieve wijze tot stand te brengen. Het hof is van oordeel dat deze vermogensverschuiving aldus zonder oorzaak is. 4.
  19. Nopens de hoegrootheid van de restitutieplicht stelt het hof vast dat: - beide partijen dit onroerend goed aankochten als onverdeelde mede-eigenaars en aldus gehouden waren elk voor de helft de registratierechten, brandverzekering, onroerende voorheffing en alle andere kosten te betalen; - geïntimeerde alleen deze kosten betaalde, zodat hij verarmd is voor het deel dat door appellante verschuldigd is in deze kosten, daar waar appellante voor dit deel verrijkt is omdat zij deze kosten niet betaalde; - de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat de leegstandsheffing verschuldigd was ingevolge het feit dat geïntimeerde reeds een ander onroerend goed had, daar waar uit artikel 4, § 1, 1° van het belastingsreglement blijkt dat appellante voor de jaren 2016 en 2017 hiervan nog vrijgesteld was; - de door geïntimeerde betaalde nutsvoorzieningen (water en elektriciteit) slaan op facturen op zijn naam, aldus op contracten afgesloten op zijn naam, daar waar geenszins blijkt dat dit verbruik slaat op kosten verbonden aan de onverdeelde eigendom, die onbewoond was. Gelet op de voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd, is het hof van oordeel dat de eerste rechter appellante terecht heeft veroordeeld tot het betalen van de helft van de volgende door geïntimeerde betaalde sommen, verschuldigd door de onverdeeldheid: - de registratierechten ten bedrage van 22.124,60 euro. - de onroerende voorheffing vanaf de aankoop tot de afstand: 574,33 euro + 580,74 euro + 582,58 euro + 586,24 euro = 2.323,89 euro; - de brandverzekering op de woning vanaf de aankoop tot de afstand: 81,07 euro per kwartaal, hetzij 324,28 euro per jaar X 5 = 1.621,40 euro; - de maandelijkse aflossingen t.b.v. 844,21 euro X 56 maanden = 47.275,76 euro. Het hoofdberoep van appellante wordt ongegrond verklaard. III. Aangaande de gerechtskosten
  20. Vorderingen van de partijen Appellante vordert geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide aanleggen, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van euro 1.440 in eerste aanleg en euro 1.560 in hoger beroep. Geïntimeerde vordert appellante te veroordelen in de kosten van beide aanleggen, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van euro 1.440 in eerste aanleg en euro 1.560 in hoger beroep.
  21. Beoordeling De eerste rechter heeft terecht, gelet op de deels gegronde en deels ongegronde vorderingen, de gedingkosten eerste aanleg ten laste van de massa gelegd met dien verstande dat wederzijds geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is. Gelet op het ongegrond hoofdberoep en het ongegrond incidenteel hoger beroep, worden de gedingkosten hoger beroep, ten laste van elke partij elk voor de helft gelegd met dien verstande dat wederzijds geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is. OM DEZE REDENEN, HET HOF, 42e KAMER (FAMILIEKAMER) Rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk doch ongegrond; Verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond; Veroordeelt elke partij in de helft van de gerechtskosten van het hoger beroep, vereffend in hoofde van appellante op 20 euro bijdrage Begrotingsfonds, en in hoofde van geïntimeerde op nul euro, en zegt voor recht dat er wederzijds geen rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep verschuldigd is. Veroordeelt overeenkomstig artikel 269/2 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten zowel de heer S. als mevrouw Q. tot betaling aan de Belgische staat, FOD Financiën, van de helft van het rolrecht hoger beroep ten bedrage van 400 euro / 2 = elk 200 euro. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 42ste kamer, familiekamer van het Hof van Beroep te Brussel op 01 FEBRUARI
  22. Waar aanwezig waren : J. DANCKAERTS, raadsheer, V. AELBRECHT, raadsheer, C. VAN ROY, raadsheer, H. COEYMANS, griffier. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120927.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.