id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 08 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2022:ARR.20220208.1 Rolnummer: 2018/FA/757 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-08-12 Raadplegingen: 240 - laatst gezien 2026-06-14 00:56 Fiche De taak van de curator van een onbeheerde nalatenschap omvat het opmaken van een boedelbeschrijving en het betalen van de passiva. Deze taak eindigt zodra een algemene rechtsopvolger opdaagt die de nalatenschap opvordert en deze zuiver aanvaardt of onder voorrecht van boedelbeschrijving, zelfs in het geval waarin de hoedanigheid van deze algemene rechtsopvolger wordt betwist. De curator van een onbeheerde nalatenschap wordt belast met een gerechtelijke bewindvoerdersop- dracht. Nu geen wettelijke regeling voor de begroting van diens staat van kosten en ereloonstaat voorzien is, is deze onderworpen aan de soevereine appreciatie van de rechter. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Deskundigenonderzoek - Ereloon GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Boedelbeschrijving BURGERLIJK RECHT - BEKWAAMHEID - Voorlopige bewindvoering - Bewindvoerder BURGERLIJK RECHT - BEKWAAMHEID - Voorlopige bewindvoering - Einde BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Onbeheerde nalatenschap Tekst van de beslissing INZAKE VAN: STRUYVEN Paul qq, in zijn hoedanigheid van curator over de onbeheerde nalatenschap van wijlen de heer P.G., kantoorhoudende te 1050 Elsene, Opperstraat 95 appellant op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, (hierna: appellant), TEGEN: D.R. D.G. geïntimeerden op hoofdberoep, appellanten op incidenteel hoger beroep, (hierna: geïntimeerden), vertegenwoordigd door mr. VAN HOUT Anneleen, advocaat te 1853 STROMBEEK-BEVER, Jozef Van Elewijckstraat 59 * * * * * * * * * * Het hof heeft kennis genomen van: - het tussenvonnis op 29 november 2017 op tegenspraak uitgesproken door de familierechtbank van Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, waarvan partijen geen akte van betekening neerleggen; - het vonnis op 26 juli 2018 op tegenspraak uitgesproken door de familierechtbank van Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, betekend op 14 september 2018; - het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie op 15 oktober 2018, waarbij tijdig hoger beroep werd aangetekend; - de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 30 augustus 2021; - de syntheseconclusie van geïntimeerden neergelegd ter griffie op 18 oktober 2021; - de door partijen neergelegde stukken. I. VOORGAANDEN
- P.G. overleed in Jette op 21 maart 2012 en was op het moment van zijn overlijden alleenstaand (uit de echt gescheiden) en kinderloos. Dokter F.D., vader van geïntimeerden, was zijn huisarts. Bij een bezoek van F.D. aan P.G. tijdens zijn verblijf in het UZ, heeft P.G. hem zijn huissleutel (een appartement), autosleutel en de sleutel van een bankkluis overhandigd, met de vraag deze aan notaris Lens toe te vertrouwen. Volgens het relaas van geïntimeerden, heeft de notaris deze niet in ontvangst willen nemen. De sleutel van de bankkluis kon wel overhandigd worden aan de BNP Paribas Fortis bank. De huissleutel en autosleutel heeft F.D. verder bewaard. Een week na het overlijden van P.G. heeft het UZ opnieuw contact opgenomen met F.D., omdat niemand het lichaam van de overledene was komen opeisen. Wijlen P.G. blijkt nadien door de gemeente Jette te zijn begraven.
- Op 11 februari 2013 heeft F.D. — nog steeds in het bezit van de huissleutel en autosleutel — een verzoekschrift neergelegd bij de familierechtbank, tot aanstelling van een curator van de onbeheerde nalatenschap. Appellant werd vervolgens door de familierechtbank bij beschikking van 7 oktober 2013 aangesteld als curator van de onbeheerde nalatenschap van wijlen P.G. F.D. heeft vervolgens de sleutels in zijn bezit overhandigd aan appellant, aangestelde curator. Op 19 december 2013 heeft de curator de bankkluis bij BNP Paribas Fortis bank geopend, waarin een testament in twee delen werd aangetroffen van 8 september 2005, en een bijvoegsel van 1 november
- Hieruit blijkt dat de kinderen van F.D., geïntimeerden, door de decujus aangeduid worden als algemeen legataris.
- Appellant bracht geïntimeerden hiervan niet dadelijk op de hoogte maar schreef op 16 januari 2014 notaris Lens aan om haar standpunt te vragen in verband met de testamenten. Notaris Lens reageerde blijkbaar niet waarop appellant een herinnering stuurde op 12 en 27 augustus
- Bij schrijven van 9 september 2014 antwoordde notaris Lens aan appellant. Appellant schreef F.D. aan op 15 september 2014 — 9 maanden na het aantreffen van de testamenten - met de melding dat er een probleem zou zijn inzake de nalatenschap van P.G., omwille van zijn hoedanigheid van "behandelende geneesheer", daarbij verwijzend naar de artikelen 909 en 911 oud BW. Appellant stelde in dit schrijven voor om reeds een deel van de nalatenschap ten gelde te maken en een voorschot op de successierechten te betalen. Het echtpaar D. - S. raadpleegde onmiddellijk hun huidige advocate, die appellant aanschreef op 14 oktober 2014, om meer verduidelijking te krijgen, vermits zij noch hun kinderen op de hoogte waren van het feit desgevallend testamentair erfgenaam te zijn. Volgens de informatie van geïntimeerden werd een vergadering georganiseerd met de curator op 19 december
- Intussen legde de curator op 31 oktober 2014 een verzoekschrift neer bij de rechtbank, om toelating te verkrijgen tot de openbare verkoop van het appartement van de decujus. Bij beschikking van de rechtbank van 10 december 2014 werden de debatten heropend op de zitting van 14 januari
- Geïntimeerden hebben op 6 januari 2015 de nalatenschap van de heer G. aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving.
- Bij vonnis van de familierechtbank van 14 januari 2015 werd toelating gegeven tot openbare verkoop van het betreffende appartement. Geïntimeerden waren intussen tussengekomen in de procedure en hadden zich akkoord verklaard met een openbare verkoop. Het testament (bestaande uit twee delen) en het bijvoegsel werden op 26 maart 2015 neergelegd onder de minuten van notaris lndekeu. Verder werd op 24 april 2015 een boedelbeschrijving van de nalatenschap opgesteld door notaris Indekeu. Na deze boedelbeschrijving is een discussie gerezen tussen appellant en geïntimeerden omtrent het al dan niet verder organiseren van een openbare verkoop van het betreffende appartement, dat geïntimeerden intussen in onverdeeldheid wensten te behouden.
- Bij beschikking van de familierechtbank van 11 augustus 2015 werden geïntimeerden in het bezit gesteld van de nalatenschap.
- Bij beschikking van de familierechtbank van 28 augustus 2015 werd de openbare verkoop van het appartement, gepland op 10 september 2015, opgeschort. In deze beschikking werd tevens vermeld dat er door de tussenkomst van de algemene legatarissen geen sprake meer was van een onbeheerde nalatenschap, zelfs indien de geldigheid van het testament in twijfel zou worden getrokken. Op 3 november 2015 werd door notaris Lens, op verzoek van geïntimeerden, een aangifte van nalatenschap ingediend.
- Geïntimeerden hebben de curator gedagvaard, onder meer in afgifte van de nalatenschap en tot het geven van rekenschap daaromtrent.
- Bij vonnis van 18 mei 2016 (verbeterd bij vonnis van 15 juli 2016) werden de vorderingen van geïntimeerden ontvankelijk verklaard en werd geoordeeld dat de nalatenschap niet meer onbeheerd is sedert 11 augustus 2015, waardoor de opdracht van de curator beëindigd is en hij gehouden is tot afgifte van de nalatenschap aan huidige geïntimeerden en tot het geven van rekenschap. De discussie omtrent de kosten en erelonen van de curator van de onbeheerde nalatenschap, alsook omtrent de vordering tot schadevergoeding werden naar de bijzondere rol verzonden voor verdere instaatstelling. Appellant richtte op 9 augustus 2016 een schrijven aan de voorzitter van de familierechtbank, tot goedkeuring van zijn kosten- en ereloonstaat. Bij schrijven van 10 augustus 2016 reageerde de raadsman van geïntimeerden onmiddellijk aan de voorzitter van de familierechtbank, met de melding dat in het vonnis van 18 mei 2016 duidelijk was aangegeven dat deze kosten- en ereloonstaat onderworpen zou worden aan tegenspraak.
- In een ander dossier dat hangende was bij de familierechtbank werd bij vonnis van 23 november 2016 dr. Bart Cornelis als deskundige aangesteld. Voormeld dossier werd ingeleid door een aantal (achter-)nichten en neven van wijlen P.G. die de nietigheid vorderden van de testamenten die de heer G. had opgesteld. De vordering tot nietigheid van de testamenten werd afgewezen als ongegrond bij vonnis van de familierechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 4 december 2019 en tegen dit vonnis werd geen hoger beroep aangetekend. II. HET BESTREDEN VONNIS Bij het thans bestreden tussenvonnis van 29 november 2017 werden de debatten als volgt heropend: (...) zoals uiteengezet in het motiverend gedeelte van huidig vonnis, om de verwerende partij toe te laten een nieuwe gedetailleerde staat van onkosten en ereloon op te stellen, rekening houdend met het feit dat: 1) De opdracht van de curator vroegtijdig eindigde, op 11 augustus 2015; 2) Het appartement dat tot de nalatenschap behoort, uiteindelijk niet ten gelde werd gemaakt; 3) Een overzicht noodzakelijk is, van het beheer van de nalatenschap door de curator, met vermelding van alle nuttige data, zo onder meer het beheer omtrent het appartement, het voertuig, alsook de data waarop opdracht werd gegeven tot het maken van bepaalde kosten, gestaafd met stukken; 4) De curator daarbij een kopie dient neer te leggen van alle verslagen, en desgevallend stukken, die hij sedert zijn aanstelling aan de rechtbank heeft overgemaakt, en gevoegd werden aan het dossier van de betreffende onbeheerde nalatenschap (onder meer eventuele tussentijdse verslagen etc.).(...) Bij het thans bestreden vonnis van 26 juli 2018 heeft de eerste rechter als volgt beslist: - aan de verwerende partij wordt een ereloon toegekend voor de uitvoering van zijn mandaat ten bedrage van euro 15.606,57 (+ BTW); - de verwerende partij kan voormeld bedrag (+ BTW) afhouden van het blijkbaar nog geblokkeerde bedrag op zijn rubriekrekening van euro 52.345,27 uit de nalatenschap, waarna hij het saldo onmiddellijk zal overmaken aan huidige geïntimeerden; - verder wordt een voorlopige schadevergoeding toegekend aan huidige geïntimeerden, te betalen door de verwerende partij, ten bedrage van euro 180 + euro 165 + euro 718,74 + euro 3.509 = euro 4.572,74, meer gerechtelijke interesten vanaf heden, aan de wettelijke interestvoet; - de vordering van huidige geïntimeerden inzake een schadevergoeding voor de nalatigheidsinteresten op de erfbelasting, nalatigheidsinteresten op de onroerende voorheffing, nog te bepalen interesten op achterstallige elektriciteitsfacturen, en een voorbehoud voor de achterstallige kosten van mede-eigendom worden naar de bijzondere rol verzonden voor verdere instaatstelling; - de kosten worden aangehouden. III. VOORWERP VAN DE HOGERE BEROEPEN I. HOOFDBEROEP Overeenkomstig zijn conclusie voor het hof vordert appellant, met de [gedeeltelijke] hervorming van de bestreden vonnissen: - de vordering van geïntimeerden tot betaling van een schadevergoeding onontvankelijk te verklaren, minstens ongegrond te verklaren; - de tegenvordering van appellant ontvankelijk en gegrond te verklaren; - de staat van kosten en erelonen van de curator ten belope van euro 52.345,27 goed te keuren en te zeggen voor recht dat het saldo dat nog geblokkeerd staat op de consignatierekening BEXXX bij de ING aan de curator toekomt vermeerderd met de intresten. Geïntimeerde vordert het hoofdberoep ongegrond te verklaren. II. INCIDENTEEL HOGER BEROEP Overeenkomstig hun syntheseconclusie voor het hof vorderen geïntimeerden, met de [gedeeltelijke] hervorming van de bestreden vonnissen: - te zeggen voor recht dat de kosten die door de curator werden gemaakt sedert 6 januari 2015, minstens sedert 11 augustus 2015 niet ten laste zijn van de nalatenschap; - appellant te veroordelen tot terugbetaling van de kosten ten bedrage van euro 5.419,75, verhoogd met de intresten, die hij gemaakt heeft nadat zijn mandaat was beëindigd; - de staat van onkosten en erelonen van de curator te herleiden tot euro 1.166 kosten en euro 5.000 erelonen, hetzij in totaal euro 6.166 te verhogen met de BTW; - appellant te veroordelen tot een schadevergoeding, geraamd op euro 68.243,98 te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 11 augustus
- Appellant vordert het incidenteel hoger beroep ongegrond te verklaren. IV. BEOORDELING
- Algemeen: taak van de curator van een onbeheerde nalatenschap- aanvang en einde 1.
- Artikel 811 oud BW bepaalt: Wanneer, na het verstrijken van de termijnen van boedelbeschrijving en van beraad, zich niemand aanmeldt om een nalatenschap op te vorderen, geen erfgenaam bekend is of de bekende erfgenamen de nalatenschap hebben verworpen, wordt deze als onbeheerd beschouwd. De nalatenschap is onbeheerd, zo ze door niemand wordt opgevorderd, ook niet door de Staat. De Staat is dus geen noodzakelijke erfgenaam, die niet het recht zou hebben aan de nalatenschap te verzaken. Maar zodra de Staat beweert recht te hebben op de nalatenschap en dit ter kennis brengt, is de nalatenschap niet langer onbeheerd. Het is daarbij niet nodig dat hij reeds inbezitstelling bekomen heeft. Een onregelmatige vraag tot inbezitstelling, omdat ze niet gebeurde overeenkomstig de formaliteiten bepaald bij artikel 770 oud BW is dan ook een voldoende bewijs dat de Staat aanspraak maakt op de nalatenschap, zodat ze niet langer onbeheerd is en er dan ook geen aanleiding meer bestaat tot aanstelling van een curator. Zo de nalatenschap onbeheerd is, verwerft niemand, ook de Staat niet, enig recht op de activa ervan en is ook niemand tot enig passief gehouden. Meer nog, niemand kan de goederen van de nalatenschap beheren en de nalatenschap vereffenen. 1.
- Om de aanstelling van een curator te kunnen uitlokken, moet de nalatenschap dus onbeheerd zij, d.w.z. er moet voldaan zijn aan de voorwaarden van artikel 811 oud BW, namelijk: - de termijnen van boedelbeschrijving en van beraad moeten verstreken zijn. Verwezen wordt hier naar de termijnen voorzien bij artikel 795 oud BW, de termijn van drie maanden voor het opstellen van de inventaris en veertig dagen voor het beraad; - niemand meldt zich aan om de nalatenschap te vorderen. Met die ‘niemand' wordt bedoeld elke rechtsopvolger met algemene roeping, wat ook zijn titel weze. Het gaat hier dus zowel om alle erfgerechtigde bloedverwanten, als om de langstlevende echtgenoot, als om de algemene legataris en de algemeen contractueel erfgestelde, als om de Staat. Maakt één onder hen aanspraak op de erfenis en oefent hij zijn rechten uit, dan is de nalatenschap niet of niet langer onbeheerd; - de andere algemene rechtsverkrijgers (de Staat, de algemene legataris) moeten anders dan de wettelijke erfgenamen een positieve houding aannemen tegenover de nalatenschap en moeten optreden om te verhinderen dat deze vacant verklaard wordt. Deze algemene rechtsopvolgers moeten dus in principe wel de nalatenschap opeisen. Dat kunnen ze maar als ze effectief tot de nalatenschap geroepen zijn; - er mag geen enkel erfgenaam bekend zijn of de gekende erfgenamen moeten de nalatenschap hebben verworpen. 1.
- Artikel 813 oud BW bepaalt: ‘De door de familierechtbank, overeenkomstig artikel 1228 van het Gerechtelijk Wetboek aangewezen curator is gehouden de staat van nalatenschap door een boedelbeschrijving te doen vaststellen. Hij beheert de nalatenschap. De bepalingen van de afdeling III van dit hoofdstuk betreffende de tegeldemaking van het actief en de betaling van het passief door de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam, zijn van toepassing op deze afdeling.' De opdracht van de curator tot de onbeheerde nalatenschap beperkt er zich toe de nalatenschap te vereffenen: hij zal bij middel van de in de nalatenschap aanwezige activa, die hij desgevallend te gelde maakt, de passiva betalen. Zijn beheer staat in functie van die opdracht. Alhoewel dat niet in de wet gepreciseerd wordt, bestaat de eerste verplichting van de curator (alsmede van de notaris-vereffenaar) er in na te gaan of er toch geen erfgenamen (bloedverwanten in de erfelijke graad, een langstlevende echtgenoot, een algemeen legataris of een algemeen erfgestelde) bestaan. De curator moet ‘de staat van de nalatenschap door een boedelbeschrijving doen vaststellen' (art. 813 eerste lid oud BW). Deze inventaris wordt opgesteld in de vormen zoals voorzien in geval van aanvaarding van de nalatenschap onder voorbehoud van boedelbeschrijving. De inventaris moet dus bij authentieke akte worden opgesteld. De notaris, belast met deze opdracht, kan zonder verdere tussenkomst van de rechtbank door de curator worden aangesteld. Er is geen termijn voorzien binnen dewelke de inventaris moet worden opgemaakt, dit moet wel gebeuren bij de aanvang van de opdracht. De curator moet een aangifte van nalatenschap indienen bij de ontvanger van de registratie. De termijn waarbinnen dit moet gebeuren vangt aan op de dag van zijn aanstelling. Er zal evenwel geen aanleiding zijn tot het heffen van successierecht nu er geen overgang plaatsvindt, tenzij bij testament bijzondere legaten of de legaten ten algemene titel werden toebedeeld en de curator deze aan de legatarissen zal uitkeren na betaling van de schulden. 1.
- De curator over de onbeheerde nalatenschap moet bij middel van de in de nalatenschap aanwezige activa de passiva betalen. Hij staat dan ook in voor het behoud van de hereditaire massa. Hij dient zijn opdracht uit te voeren met in de eerste plaats de belangen van de schuldeisers voor ogen, maar ook deze van de legatarissen en van de erfgenamen die zouden kunnen opdagen. De curator kan tot behoud van de hereditaire massa bewarende maatregelen nemen, als het afsluiten van een verzekeringspolis, het betalen van de premies... Hij kan daden van voorlopig beheer stellen: dringende herstellingen doen, bederfbare waren verkopen, enz. Hij kan m.a.w. die beheersdaden stellen in het belang van de massa die ook door de beneficiaire erfgenaam kunnen worden gesteld en bv. herstellingen doen, die al zijn ze niet dringend, nodig of minstens nuttig zijn. 1.
- De curator over een onbeheerde nalatenschap moet niet alleen de nalatenschap beheren, hij moet ze ook vereffenen. Hij moet dus de goederen verkopen om de schuldeisers en de legatarissen te kunnen voldoen. Deze verkoop moet nochtans gebeuren in de vorm voorgeschreven voor de verkoop van goederen die deel uitmaken van een beneficiair aanvaarde nalatenschap. De verkregen sommen mag hij in handen houden, want hij is nu gelijkgesteld met de erfgenaam die aanvaardt onder voorrecht van boedelbeschrijving. De verkoop van de onroerende goederen moet gebeuren zoals voorgeschreven in artikel 1186 e.v. Ger.W. Bij een openbare verkoop vertegenwoordigt de curator over de onbeheerde nalatenschap alle afwezige erfgerechtigden. 1.
- De curator kan als vertegenwoordiger van de massa alle vorderingen van de nalatenschap instellen of zich verweren tegen vorderingen tegen de nalatenschap ingesteld. Hij oefent zijn opdracht van rechtswege uit. Gedingen ingeleid door of tegen de overledene moet hij niet hervatten in de zin van artikelen 815-816 Ger. W., maar enkel voortzetten. Hij kan onder meer de schuldvorderingen innen, desgevallend dagvaarden in betaling, dagvaarden in vereffening-verdeling van een nalatenschap waarin de erflater gerechtigd was. Hij kan elke bezitsvordering inleiden of er zich tegen verweren, optreden als eiser of verweerder in zakelijke vorderingen zoals met betrekking tot erfdienstbaarheden. 1.
- De opdracht van de curator eindigt wanneer de vereffening ten einde is en de schulden werden betaald in de mate waarin hiertoe activa aanwezig waren in de nalatenschap. Zij neemt eveneens een einde wanneer een algemene rechtsopvolger opdaagt die de nalatenschap opvordert en deze zuiver aanvaardt of onder voorrecht van boedelbeschrijving. Zijn opdracht eindigt uiteraard bij zijn overlijden, maar ook bij zijn ontslag dat bij verzoekschrift gericht moet zijn aan de rechtbank die hem heeft aangesteld. Diezelfde rechtbank kan ook zijn opdracht intrekken. 1.
- De curator over de onbeheerde nalatenschap wordt door de rechtbank gelast met een opdracht als bewindvoerder. Voor de begroting van zijn staat van kosten en erelonen is geen wettelijke regeling voorzien. Er werden richtlijnen opgesteld dienaangaande, maar deze zijn pas van toepassing op aanstellingen na 1 januari
- De curator van een onbeheerde nalatenschap wordt belast met een gerechtelijke bewindvoerdersopdracht. Nu geen wettelijke regeling voor de begroting van diens staat van kosten en ereloonstaat voorzien is, is deze onderworpen aan de soevereine appreciatie van de rechter. Het hof zal bijgevolg de omvang van de geleverde prestaties onderzoeken. De curator van de onbeheerde nalatenschap treedt op als een bezoldigd mandataris van de schuldeiser en is dus verantwoordelijk voor het nadeel dat het gevolg is van een door hem begane fout.
- Wat betreft de afrekening van de curator 2.
- Appellant heeft op 1 augustus 2016 de volgende afrekening opgesteld waarvan hij betaling vordert: Kosten: Opening dossier euro 50 Brieven/mails/fax
(150), kopies telefoon euro 1.160 Erelonen - Studie dossier - Contacten met banken, CRT, patrimoniumdocumentatie, Dr D. Banken, syndicus, genealoog De Neuville, notarissen Lens, Gerard Indekeu en Olivier Van Maele - Opening koffer - Contacten met Mr. X., Mr. Y. en Mr. Z. - Opstellen verzoekschrift openbare verkoop - Opstellen besluiten, aanvullende besluiten en synthesebesluiten - Opstellen verzoekschrift heropening debatten - 3 zittingen verzoekschrift openbare verkoop - 3 zittingen ten gronde - Recuperatie van euro 430.063,01 - Schatting appartement expert Peeters euro 215.000 Totaal: euro 645.063,01 euro 41.963,15 Subtotaal euro 43.129,15 Meer 21% BTW euro 9.057,12 Voorgeschoten gerechtskosten euro 159 Totaal te betalen euro 52.345,27 2.
- Appellant werpt op dat deze staat op een correcte wijze werd opgesteld en integraal verschuldigd is omdat: - zijn staat van kosten en erelonen berekend werd overeenkomstig het minimabarema dat toegepast wordt door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel voor aanstellingen die dateren van voor 2018; - deze percentages niet enkel gelden voor zover goederen te gelde werden gemaakt en er aldus ook rekening moet gehouden worden met de waarde van het appartement; - er rekening moet gehouden worden met de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van 28 augustus 2015, waarin de Voorzitter in het motiverend gedeelte uitdrukkelijk heeft gesteld: ‘Zodoende kan de curator van de onbeheerde nalatenschap zijn dossier afsluiten, rekening houdend met het reeds geschatte actief zoals opgenomen in de boedelbeschrijving, te verhogen met onder meer de venale waarde van het te verkopen appartement'; - deze beschikking van 28 augustus 2015 betekend werd op 8 september 2015 aan geïntimeerden en kracht van gewijsde heeft; - er geen enkele reden is om zijn ereloonstaat te herleiden. 2.
- Geïntimeerden vorderen de herleiding van een aantal kosten vermits appellant zijn mandaat zowel juridisch als feitelijk niet als een goed huisvader heeft uitgevoerd omdat: - er geen boedelbeschrijving werd opgesteld (dit gebeurde pas nadat geïntimeerden de nalatenschap hadden aanvaard onder boedelbeschrijving); - hij nooit een aangifte van nalatenschap deed; - geen genealogisch onderzoek is gebeurd voor 10 augustus 2015; - hij weigerde over te gaan tot afgifte van de nalatenschap; - hij geïntimeerden niet op de hoogte bracht van het bestaan van de testamenten; - hij in gebreke bleef nopens het beheer van het appartement; - het voertuig Mercedes pas na twee jaar, nadat dit aanzienlijk in waarde was gedaald, verkocht werd; - hij in totaal bijna euro 21.000 betaalde aan de vereniging der mede-eigenaars; - hij een deskundige betaalde voor de schatting van de waarde van het appartement daar waar dit door de notaris kon gebeuren; - zelfs de vleugelpiano officieel werd geschat; - de kosten van openbare verkoop, zelfs nadat geïntimeerden te kennen gaven niet langer te willen verkopen, niet ten laste van de nalatenschap kunnen worden gelegd; Geïntimeerden vorderen de herleiding van de ereloonstaat naar euro 5.000 omdat: - de curator nog heeft gehandeld ook nadat geïntimeerden de nalatenschap hebben aanvaard en hij de nalatenschap verder is blijven beheren alsof geïntimeerden als testamentair begunstigden niet bestonden; - de percentages van toepassing zijn in het geval er sprake is van een volledige vereffening wat niet gebeurd is; - de curator geen gedetailleerde ereloonstaat met tijdsbesteding heeft opgemaakt zodat controle onmogelijk is; - de curator pas een detail heeft overgemaakt nadat hij daartoe verplicht werd in het kader van de heropening van de debatten bevolen bij vonnis van 29 november 2017; - het ereloon veroorzaakt door het obstinaat doordrijven van de verkoop door de curator niet ten laste van de nalatenschap kan worden gelegd; - de curator ook de kosten aanrekent voor zijn verdediging in de procedure betwisting erelonen, wat niet opgaat; - de notaris geen ereloon kan aanrekenen voor zijn contacten met de advocaten die de nietigheid van de testamenten hebben gevorderd; - de barema's bepaald in het KB van 10 augustus 1998 tot aanbeveling strekken en geen wettelijke verplichting inhouden; - de erelonen begroot moeten worden in billijkheid rekening houdende met de concrete omstandigheden van de zaak. 2.
- De eerste rechter heeft bij vonnis van 26 juli 2018 geoordeeld als volgt: - De rechtbank gaat uit van de berekening door de curator in zijn syntheseconclusie van een ereloon van euro 31.213,15 meer BTW en reduceert deze tot de helft namelijk euro 15.606,57 op grond van een aantal overwegingen opgesomd in het bestreden vonnis op pagina 10, 11 en
- 2.
- Er bestaan geen wettelijke regels voor het berekenen van de staat van ereloon en kosten van een curator over een onbeheerde nalatenschap. Er bestaan sedert 2018 aanbevelingen voor de begroting ervan. De begroting van deze staat is aldus de facto onderworpen aan de feitelijke beoordelingsbevoegdheid van de familierechter die hem heeft aangewezen. Het KB van 10 augustus 1998 houdende de vaststelling van de regels en barema's tot bepaling van de kosten en erelonen van de curatoren strekte ertoe de regels vast te stellen welke van toepassing zijn op curatoren die optreden op grond van de faillissementswet van 8 augustus
- Krachtens artikel 33 van voornoemde faillissementswet van 8 augustus 1997 (Belgisch Staatsblad van dinsdag 28 oktober 1997) had dit KB tot doel : - de regels en barema's tot vaststelling van het ereloon van curatoren te bepalen; - de kosten die afzonderlijk worden vergoed, alsook de wijze waarop zij worden begroot, te bepalen. Het toepassingsgebied van voormeld KB betreft enkel en alleen de faillissementscuratoren, die - benevens het feit dat beiden gerechtsmandatarissen zijn - geen gemeenschappelijke kenmerken hebben met curatoren over een onbeheerde nalatenschap. (vgl. Gent 23 januari 2020, TEP 2020/1, 197; Antwerpen 3 april 2019, TEP 2020, 158; VERSTRAETE, J.,"De praktische afwikkeling van de onbeheerde nalatenschap", in VERSTRAETE, J. (ed.), Erfrecht. Deel II De verdeling van de nalatenschap, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, 2021, 224-225 (2 p.). Er kan enkel teruggegrepen worden naar forfaitaire bedragen of berekeningsmethodes in zoverre een exacte begroting, onder meer op basis van de opgave van het aantal gepresteerde uren niet mogelijk is. Het is aan de curator van de onbeheerde nalatenschap om de begroting van zijn ereloon te rechtvaardigen. Hij dient hiertoe een gedetailleerde verantwoording voor te leggen, o.a. ook met opgave van het aantal gepresteerde uren. 2.
- Appellant stelt dat bij beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel van 28 augustus 2015, die kracht van gewijsde heeft, reeds werd beslist dat hij zou vergoed worden overeenkomstig de barema's bepaald in het KB van 10 augustus 1998 en daarbij rekening gehouden moest worden met de waarde van het appartement. Het hof stelt dienaangaande vast dat: - geïntimeerden een éénzijdig verzoekschrift hebben neergelegd teneinde de opschorting van de openbare verkoop van het appartement te vorderen; - in het kader van deze procedure op éénzijdig verzoekschrift de ereloonstaat van appellant niet werd begroot. De ereloonstaat van appellant kon aldus niet begroot worden ingevolge het éénzijdig verzoekschrift neergelegd door appellanten en de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg diende zich dienaangaande niet uit te spreken. Ten overvloede is het hof van oordeel dat de bewoordingen van het motiverend gedeelte van de beschikking slaan op het afsluiten van het dossier door de curator maar niet op de wijze waarop deze zijn ereloonstaat diende op te stellen. In deze beschikking werd geenszins geoordeeld dat de begroting van de erelonen van de curator van een onbeheerde nalatenschap op een forfaitaire wijze gebeurt. 2.
- Het hof stelt vast dat appellant, niettegenstaande het verweer van geïntimeerden en de betwisting van zijn ereloonstaat, geen overzicht van de door hem gepresteerde uren geeft. Er wordt een overzicht van de prestaties gegeven nadat hierom werd gevraagd door de eerste rechter bij tussenvonnis van 29 november 2017, maar aan deze prestaties wordt geen opgave van de gepresteerde uren en de aanrekening van een uurloon verbonden. Het hof stelt nopens de opgegeven prestaties vast dat: - appellant op 19 december 2013 overging tot de opening van de bankkluis en sedertdien op de hoogte was van het bestaan van de testamenten; - appellant advies vroeg aan notaris Lens maar niet terzelfder tijd geïntimeerden informeerde over het bestaan van de testamenten; - appellant pas in september 2014, geïntimeerden informeerde over het bestaan van het testament; - appellant in het eerste jaar geen boedelbeschrijving opstelde; - het appartement en de wagen gedurende geruime tijd onaangeroerd bleven en niet ten gelde werden gemaakt; - er geen sprake is van een werkelijk beheer van het appartement, wat ook blijkt uit het schrijven van 27 februari 2015 van de vereniging der mede-eigenaars dat de kosten en lasten van het appartement sedert 2012 niet meer waren betaald; - de aanvaarding van de nalatenschap door geïntimeerden gebeurde op 6 januari 2015 wat principieel de opdracht van de curator beëindigde; - de opdracht van de curator echter is blijven doorlopen ingevolge het initieel akkoord van geïntimeerden met de openbare verkoop van het appartement; - dit mandaat werd bevestigd bij beschikking van 14 januari 2015 waarbij notaris Indekeu werd gelast met de openbare verkoop; - er op 24 april 2015 een inventaris werd opgesteld van de goederen uit de nalatenschap en geïntimeerden het appartement hebben bezocht; - op 6 mei 2015 appellant de advocaat van geïntimeerden aanschreef omdat hij had vernomen dat geïntimeerden interesse hadden in de aankoop en hij voorstelde om het appartement te laten schatten; - op 28 mei en 1 juli 2015 de raadsman van geïntimeerden liet weten dat zij het appartement in onverdeeldheid wilden houden en geen openbare verkoop nodig was; - op 5 augustus 2015 geïntimeerden een verzoekschrift neerlegden tot inbezitstelling bij de Voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel en zij bij beschikking van 11 augustus 2011 in bezit gesteld werden van de nalatenschap; - bij brief van 20 augustus 2015 de raadsman van geïntimeerden aan appellant liet weten dat haar cliënten zich verzetten tegen de openbare verkoop, tegen de aanstelling van een genealoog en zij appellant op de hoogte bracht van het feit dat geïntimeerden bij beschikking van 11 augustus 2015 in bezit werden gesteld van de nalatenschap; - het mandaat van de curator vanaf dat ogenblik, 21 augustus 2015 beëindigd is zodat alle prestaties die de curator nadien nog leverde, niettegenstaande de brief van de raadsman van geïntimeerde, niet meer kaderen in zijn aanstelling als curator van een onbeheerde nalatenschap; - appellant is blijven aandringen op openbare verkoop zodat een beschikking nodig was van de voorzitter van de Nederlandstalig rechtbank van eerste aanleg van 28 augustus 2015 om de openbare verkoop op te schorten. Uit de voorgaande elementen in hun onderling verband beschouwd, blijkt afdoende dat appellant aangesteld werd bij beschikking van 7 oktober 2013 als curator van de onbeheerde nalatenschap van P.G. en deze opdracht officieel beëindigd werd bij beschikking van inbezitstelling van de nalatenschap van 11 augustus 2015, waarvan hij per brief van 20 augustus 2015 in kennis werd gesteld, zodat zijn opdracht uiterlijk op 21 augustus 2015 eindigde. 2.
- Het hof stelt vast dat appellant enkel vergoed kan worden voor de door hem geleverde prestaties gedurende deze periode. Uit zijn eindverslag blijkt dat zijn prestaties gedurende deze periode de volgende zijn: - contact met banken, verzekeraars, CRT, patrimoniumdocumentatie, dokter D. en syndicus - contact met notaris Lens - contact met ministerie van financiën - het openen van de bankkluis en kennisname van de testamenten - aanschrijven notaris Lens voor advies - aanschrijven geïntimeerden op 14 september 2014 - het opstellen en neerleggen van een verzoekschrift tot openbare verkoop op 31 oktober 2014 - zitting 10 december 2014 in voortzetting gesteld op de zitting van 14 januari 2015 - 6 januari 2015 aanvaarden geïntimeerden de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving - zaak op 14 januari 2015 in beraad en geïntimeerden waren akkoord met de openbare verkoop - expertise appartement 30 mei 2015 (opdracht terecht gegeven vermits geïntimeerden slechts op 28 mei 2015 een eerste keer te kennen hebben gegeven het appartement in onverdeeldheid te willen houden) - expertise vleugelpiano (wel nuttig om te weten wat de werkelijke waarde was) - verkoop wagen (weliswaar lange tijd na begin opdracht maar nuttig). Het hof is samen met geïntimeerden van oordeel dat appellant geen erelonen kan aanrekenen voor tussenkomsten in de procedure betwisting testament noch erelonen voor conclusies die werden opgesteld in het kader van de betwisting van zijn opdracht. 2.
- Bij gebreke aan gedetailleerde opgave van de gepresteerde uren voor deze hoger vermelde prestaties is het hof vooralsnog genoodzaakt om de vergoeding hiervoor ex aequo et bono te begroten. De eerste rechter heeft de vergoeding voor de geleverde prestaties van appellant begroot op euro 15.606,57 meer BTW. Geïntimeerden zijn van oordeel dat deze moet herleid worden naar euro 5.
- Zij werpen dienaangaande vooral op dat appellant in gebreke is gebleven een aantal prestaties tijdig te leveren of niet heeft uitgevoerd. Het hof stelt vast dat de eerste rechter hiermee reeds rekening hield bij de begroting van de ereloonstaat daar zij: - de berekening van de ereloonstaat overeenkomstig de barema's die slechts een aanbeveling zijn begroot op euro 31.213,15 waarbij geen rekening wordt gehouden met de waarde van het appartement; - slechts de helft hiervan toekent, gelet op de vroegtijdige beëindiging van de opdracht van appellant en het feit dat hij een aantal prestaties laattijdig heeft geleverd; - rekening heeft gehouden met de beëindiging van de opdracht door de deskundige vanaf de inbezitstelling van 11 augustus
- Geen van de partijen weerlegt deze begroting aan de hand van concrete, objectieve en tegensprekelijke elementen en het hof is van oordeel dat deze begroting, die weliswaar noodgedwongen, bij gebreke aan concrete en correcte afrekening ex aequo et bono is gebeurd, kan bevestigd worden. Het hoofdberoep is op dit punt dan ook ongegrond.
- Wat betreft de gevorderde schadevergoeding door geïntimeerden 3.
- Ontvankelijkheid 3.1.
- Appellant werpt op dat de vordering op grond van artikel 1382 oud BW niet ontvankelijk is omdat: - geïntimeerden niet de vereiste hoedanigheid en belang hebben; - hij gedagvaard werd in zijn hoedanigheid van curator en niet in persoonlijke naam. 3.1.
- Geïntimeerden zijn van oordeel dat hun vordering tot schadevergoeding wel degelijk ontvankelijk is omdat: - zij over de vereiste hoedanigheid en belang beschikken vanaf het ogenblik waarop zij de nalatenschap hebben aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving; - zij appellant aanspreken ingevolge zijn weigering om zijn mandaat stop te zetten en deze fout onder zijn beroepsaansprakelijkheid als curator en niet als advocaat valt. 3.1.
- De eerste rechter heeft dienaangaande geoordeeld dat de vordering van geïntimeerden tot een schadevergoeding van appellant als curator wel degelijk ontvankelijk is. 3.1.
- Artikel 1382 oud BW bepaalt: Elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, verplicht degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden. Artikel 1383 oud BW bepaalt: Ieder is aansprakelijk niet alleen voor de schade welke hij door zijn daad, maar ook voor die welke hij door zijn nalatigheid of door zijn onvoorzichtigheid heeft veroorzaakt. Het hof is van oordeel dat de curator in zijn hoedanigheid van wettelijke mandataris geacht wordt de nalatenschap mede in naam en voor rekening van de later opgedoken erfgenamen te hebben beheerd en vereffend en aansprakelijk is ten overstaan van deze erfgenamen voor de nalatigheden in de uitvoering van zijn mandaat (art. 1382, 1383, 1991 en 1992 oud BW). De curator is zoals elke lasthebber gehouden zijn mandaat te volbrengen, zolang hij daarvan niet ontheven is, en is verantwoordelijk voor de schade die uit het niet uitvoeren ervan zou kunnen ontstaan. De vordering tot schadevergoeding van geïntimeerden voor gebeurlijke fouten, tekortkomingen of nalatigheden die appellant in zijn hoedanigheid als curator zou hebben begaan is aldus ontvankelijk. Zij beschikken ook over het vereiste belang ingevolge de aanvaarding van de nalatenschap onder voorbehoud van boedelbeschrijving. 3.1.
- Appellant wordt door geïntimeerden enkel aangesproken op mogelijke fouten begaan in zijn hoedanigheid van curator, zodat de vordering ontvankelijk is. 3.
- Fouten van de curator- gebeurlijke schade en oorzakelijk verband Geïntimeerden die schadevergoeding vorderen van appellant, die in deze procedure enkel als curator is betrokken, dragen de bewijslast van hun vordering en moeten aldus aantonen dat:
(1)appellant als curator fouten heeft begaan. Hij die te kort komt aan de zorgvuldigheidsnorm van iedere voorzichtige persoon geplaatst in dezelfde omstandigheden, begaat een fout (vgl. Cass. 10 mei 1981, Arr.Cass.1980-81, 1069;). Voor een curator van de onbeheerde nalatenschap betreft dit de normaal zorgvuldige en voorzichtige beroepspersoon;
(2)zij schade hebben geleden. De schade is elk geheel of gedeeltelijk verlies van een goed dat tot het vermogen behoorde of van een voordeel dat was te verwachten (vgl. Cass. 4 maart 1975, Arr. Cass. 1975, 753). De schade moet zeker zijn (vgl. Cass. 27 september 1978, Arr. Cass. 1978-79, 127). De schade moet in concreto worden begroot (vgl. Cass. 31 december 1985, JT 186, 600);
(3)er een oorzakelijk verband is tussen beiden. Er is een oorzakelijk verband wanneer vaststaat dat zonder die fout de schade zich niet zou hebben voorgedaan zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan (Cass. 10 november 1981, Arr. Cass. 1981-82, 361). 3.2.
- Geïntimeerden zijn van oordeel dat appellant de volgende fouten heeft gemaakt: - gebrekkig beheer, namelijk wagen niet tijdig verkocht, laattijdige betaling elektriciteit en kosten van mede-eigendom, appartement niet leeggemaakt met etenswaren in frigo; - prestaties buiten zijn mandaat, namelijk verzoek aan notaris Indekeu om hen geen erfrechtverklaring af te geven, weigering nalatenschap vrijwillig vrij te geven, prestaties na beëindiging van zijn mandaat. Zij stellen dat zij hierdoor schade hebben geleden voor een totaal bedrag van euro 68.243,98 samengesteld als volgt: - minwaarde wagen van euro 5.000 ingevolge laattijdige verkoop. De wagen zou meer dan twee jaar onaangeroerd zijn gebleven en de verkeersbelasting moest verder betaald worden voor 2013 euro 396,66, 2014 euro 401,14 en 2015 euro 167,81, in totaal euro 965,88; - de kosten van de mede-eigendom werden laattijdig betaald zodat deze opliepen tot euro 17.363 en euro 3.
- Volgens geïntimeerden kan de kost hoogstens euro 3.705,77 bedragen zodat zij een schade van euro 13.363,15 hebben opgelopen; - nalatigheidsintresten ingevolge laattijdige betaling van
(1)onroerende voorheffing voor de aanslagjaren 2013 en 2014, ex aequo et bono begroot op euro 150
(2)erfbelasting van euro 26.440,82; - kosten na de beëindiging van zijn mandaat: factuur Peeters van 30 mei 2015 euro 847, factuur Electro test van 31 augustus 2015 euro 180, factuur Electro test EPC van 31 augustus 2015 euro 165, factuur visites Services van 10 september 2015 euro 718,74 en factuur Th Neuville van 8 december 2015 euro 3.509, totaal euro 5.419,74; - achterstallige elektriciteitsfacturen tussen 11 augustus 2015 en 17 april 2017 euro 524,39 (leegstand ingevolge weigering afgifte); - verlies aan huurinkomsten begroot op euro 15.200; - aankoop nieuwe frigo euro 1.
- 3.2.
- Appellant ontkent ten stelligste fouten, nalatigheden of tekortkomingen te hebben begaan en stelt dat geïntimeerden geen werkelijke schade bewijzen die in oorzakelijk verband staan met enige werkelijke fout. 3.2.
- De eerste rechter heeft bij vonnis van 26 juli 2018 geoordeeld dat: - een normaal, zorgvuldig en voorzichtig curator in dezelfde omstandigheden geplaatst, minstens vanaf het e-mailbericht vanwege de advocaat van geïntimeerden van 28 mei 2015 zich verder zou onthouden van enig aandringen op openbare verkoop en uiterlijk 11 augustus 2015 zijn mandaat beëindigd was zodat de nadien gemaakte kosten van euro 180, euro 165, euro 718,74 en euro 3.509 vergoed moeten worden; - er geen reden is om schadevergoeding toe te kennen nopens verkoop van de wagen, verkeersbelasting, verlies van huurinkomsten, frigo en diepvriezer; - de schadevergoeding met betrekking tot de nalatigheidsintresten op erfbelasting, nalatigheidsintresten op de onroerende voorheffing, nog te betalen intresten op elektriciteitsfacturen en het gevorderde voorbehoud voor achterstallige kosten van de mede-eigendom nog niet met zekerheid kan worden bepaald zodat deze naar de bijzondere rol werd gestuurd voor verdere instaatstelling. 3.2.
- Het hof is van oordeel dat appellant wel degelijk fouten heeft begaan door: - ongeveer twee jaar te wachten met het opstellen van een boedelbeschrijving; - twee jaar te wachten met de verkoop van een voertuig Mercedes en dit meer dan twee jaar te laten stilstaan voor de verkoop; - de kosten van mede-eigendom, onroerende voorheffing en elektriciteit niet tijdig te betalen; - niet over te gaan tot afgifte van de nalatenschap na de inbezitstelling; - nog kosten te maken na de beëindiging van zijn mandaat waarvan hij minstens op 21 augustus 2015 kennis kreeg. Appellant heeft hierbij niet gehandeld zoals elk normaal, voorzichtig en zorgvuldig curator van een onbeheerde nalatenschap zou doen. Dit geldt in ieder geval voor het laattijdig handelen in verband met beheer van het appartement, de verkoop van de wagen, het opstellen van de boedelbeschrijving. Appellant werpt ten onrechte op dat hij bij de uitvoering van zijn opdracht rekening moest houden met alle belangen ook deze van de wettelijke erfgenamen die hun rechten deden gelden. Appellant diende enkel het belang van de nalatenschap of de massa die hij vertegenwoordigt, voor ogen te houden en rekening te houden met het feit dat zijn mandaat beëindigd werd door de inbezitstelling. Door halsstarrig vast te houden aan zijn mandaat dat beëindigd werd sedert de inbezitstelling en het benaarstigen van de openbare verkoop en nog kosten te doen nadien heeft hij wel degelijk fouten begaan. Zelfs na het vonnis van 18 mei 2016 van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel wachtte appellant nog tot maart 2017 om de sleutels van het appartement af te geven aan geïntimeerden, evenals de gelden van de nalatenschap. Deze houding van appellant is niet die van een normaal, voorzichtig en zorgvuldig curator van een onbeheerde nalatenschap. 3.2.
- Nopens de door geïntimeerden gevorderde schadevergoeding, stelt het hof vast dat: - geïntimeerden in januari 2015 de nalatenschap hebben aanvaard en zij pas vanaf dan vorderingen nopens de nalatenschap kunnen stellen; - geïntimeerden beweren maar niet aantonen dat door de laattijdige verkoop van de wagen deze euro 5.000 minder heeft opgebracht. Geïntimeerden bewijzen dit niet aan de hand van tegensprekelijke, overtuigende en objectieve stukken zoals een schatting van de wagen bij begin van de opdracht van de curator in vergelijking met de werkelijk verkoopprijs. De verkoopprijs stemt bovendien overeen met de schatting gemaakt naar aanleiding van het opstellen van de inventaris. Geïntimeerden bewijzen hun werkelijke schade aldus niet afdoende; - wat betreft de verkeersbelasting deze kosten vermeden konden worden indien appellant tijdig te kennen had gegeven dat de wagen niet meer in gebruik was en deze wagen tijdig had verkocht. De kosten betaald na januari 2015 betreffen aldus schade in hoofde van geïntimeerden in causaal verband met de fout zodat een bedrag van euro 167,81 wordt weerhouden; - geïntimeerden het appartement pas konden te huur stellen na afgifte van de sleutels in maart 2017 en zij effectief vanaf juni 2017 het appartement verhuren voor euro 750 per maand. Het betreft hier een sociaal appartement dat ingeval van leven van de decuius pas beschikbaar was voor verhuring vanaf 25 augustus 2016, vermits er een contractuele bewoningsplicht was door P.G. Geïntimeerden beweren dat het appartement ook voordien verhuurd kon worden ingevolge het overlijden van P.G., maar tonen dit niet naar genoegen van recht aan op basis van overtuigende, tegensprekelijke en objectieve stukken. Het hof is van oordeel dat geïntimeerden het appartement wel konden verhuren vanaf 25 augustus 2016 daar waar ze dit de facto nu pas konden vanaf 15 maart 2017, datum waarop appellant overging tot de daadwerkelijke inbezitstelling en afgifte van de sleutels. De schade van geïntimeerden is aldus beperkt tot 7 maanden huur X euro 750 (huur die ze ontvangen sedert juni 2017) = euro 5.250; - de kosten van de mede-eigendom die door appellant werden betaald, al dan niet laattijdig, in ieder geval verschuldigd waren door de massa, zodat dienaangaande geen werkelijke en concrete schade bewezen wordt door geïntimeerden. Er is niet bewezen dat er intresten werden aangerekend door laattijdige betaling. Er is niet bewezen dat er onverschuldigde kosten door appellant werden betaald. Enige werkelijke schade in hoofde van geïntimeerden is niet bewezen; - geïntimeerden opwerpen dat de frigo en diepvriezer in het appartement moesten vervangen worden omdat er nog etenswaren inzaten. Het hof is van oordeel dat geïntimeerden hun werkelijke schade dienaangaande niet bewijzen. Mogelijk dienden deze toestellen vervangen te worden ingevolge ouderdom, het is niet bewezen dat na schoonmaak deze toestellen onbruikbaar waren en er moet rekening gehouden worden met de vetusteit; - geïntimeerden opwerpen dat de elektriciteitsfacturen zijn blijven doorlopen ook nadat zij in bezit werden gesteld. Het hof stelt vast dat er inderdaad een minimaal bedrag betaald diende te worden maar het is onduidelijk of dit slaat op verwarming of een minimale, noodzakelijk dienst. Er blijkt evenmin uit de stukken dat dit slaat op intresten op achterstallige bedragen zodat deze schade niet afdoende is bewezen; - geïntimeerden opwerpen dat zij nalatigheidsintresten hebben betaald ingevolge laattijdige betaling van onroerende voorheffing maar hiervan geen bewijs bijbrengen en een forfaitair bedrag aanrekenen van euro
- Geïntimeerden bewijzen hun werkelijke en concrete schade niet dienaangaande; - geïntimeerden stellen dat zij elk euro 13.220,41 intresten op de door hen verschuldigde erfbelasting moeten betalen ingevolge de foutieve inhouding van de gelden door appellant. Appellant heeft pas op 15 maart 2017 een deel van de nalatenschap gestort aan geïntimeerden die op hun beurt euro 45.945,32 hebben gestort als erfbelasting. De nalatigheidsintresten op de erfbelasting hebben een aanvang genomen op 1 maart 2016 en bedragen volgens de gegevens opgenomen in de conclusie van geïntimeerden euro 22 per dag en opgestaafd door de nodige stukken. Geïntimeerden stellen dat zij de erfbelasting ook niet volledig hebben betaald nadat zij op 15 maart 2017 door appellant daadwerkelijk in het bezit werden gesteld van de nalatenschap omdat er een procedure hangende was nopens de betwisting van de testamenten en dit ingevolge het handelen van appellant. Het hof is enerzijds van oordeel dat de procedure tot betwisting van de testamenten niet te wijten is aan een fout van appellant. Anderzijds is het hof wel van oordeel dat appellant de gelden van de massa in het bezit diende te stellen van geïntimeerden nadat hij op 20 augustus 2015 kennis kreeg van de beschikking van 11 augustus 2015 waarbij geïntimeerden de inbezitstelling van de nalatenschap hebben verkregen. Er was geen enkele reden om te wachten tot 15 maart 2017 om over te gaan tot de daadwerkelijke inbezitstelling. Het handelen van de curator dienaangaande is niet dat van een zorgvuldig en voorzichtig curator. De intresten die daadwerkelijk betaald werden door geïntimeerden op de door hen verschuldigde erfbelastingen in de periode tussen 1 maart 2016 en 15 maart 2017 zijn wel degelijk schade geleden door geïntimeerden in causaal verband met de fout van appellant. Er kan aldus een schadevergoeding van euro 22 per dag X 380 dagen = euro 8.360 worden toegekend. - Wat betreft de facturen betaald door appellant na beëindiging van zijn mandaat, stelt het hof vast dat: ° de elektriciteitskeuring en het EPC-attest door appellant werden aangevraagd op 10 augustus 2015, aldus tijdens zijn mandaat. Deze kosten komen geïntimeerden bovendien ten goede vermits zij nadien ook het appartement hebben verhuurd en dan over dergelijke attesten moeten beschikken. Deze facturen van euro 180 en euro 165 worden om die reden niet als schade weerhouden en het hoofdberoep is op dit punt gegrond. ° de factuur voor schatting van het appartement door expert Peeters dateert van 30 mei
- Het hof is van oordeel dat de opdracht werd gegeven binnen het mandaat van appellant en een dergelijke schatting ook nuttig was voor geïntimeerden temeer daar zij in eerste instantie te kennen hadden gegeven akkoord te gaan met de verkoop van het appartement. Zij bewijzen hun werkelijke schade dienaangaande niet. ° wat betreft de factuur de Neuville van 8 december 2015 is onduidelijk wanneer de opdracht voor het genealogisch onderzoek, dat inderdaad door appellant moest gebeuren, is gegeven daar waar de factuur dateert van maanden na de beëindiging van zijn opdracht. Deze kosten komen geïntimeerden in ieder geval niet ten goede en betreffen aldus schade in hunnen hoofde zodat de factuur van euro 3.509 in rekening wordt gebracht. ° de factuur van Visites services van 10 september 2015 van euro 718,74 betreft bezoeken aan het appartement in het kader van de openbare verkoop tussen 22 augustus 2015 en 8 september
- Deze kosten zijn ten onrechte door appellant gedaan, vermits hij minstens sedert 21 augustus 2015 wist of moest weten dat zijn opdracht was beëindigd door de inbezitstelling en geïntimeerden reeds diverse keren te kennen hadden gegeven dat zij in onverdeeldheid wensten te blijven. Er wordt aldus een bedrag van euro 718,74 als werkelijke schade weerhouden. 3.2.
- Het hof weerhoudt aldus een totale schadevergoeding in hoofde van geïntimeerden van: - factuur de Neuville: euro 3.509 - factuur visites services : euro 718,74 - intresten op erfbelasting: euro 8.360 - gederfde huurinkomsten: euro 5.250 - verkeersbelasting 2015: euro 167,81 - totaal: euro 18.005,55 Geïntimeerden vorderen op dit bedrag intresten vanaf 11 augustus
- De vergoedende interesten lopen vanaf het ontstaan van de schade tot op de dag van de gerechtelijke beslissing die de vergoeding bepaalt. Zij vergoeden het uitstel van betaling tot die datum (vgl. Cass. 7 oktober 1976, Arr. Cass. 1977, 148; Cass. 20 februari 1980, Arr. Cass. 1980, 739) De feitenrechter beoordeelt binnen de perken van de conclusie op onaantastbare wijze de omvang van de schade, of er als bijkomende vergoeding vergoedingsrente moet worden toegekend en wat het aanvangspunt is voor de berekening van die rente (vgl. Cass. 23 juni 1981, RW 1982-83, 87; Cass. 8 september 1981, Arr. Cass. 1981-82, 31). Het hof stelt vast dat geïntimeerden hun schadevergoeding pas definitief hebben begroot in conclusie voor het hof. Het hof kent aldus gerechtelijke intresten toe op de toegekende bedragen vanaf 18 oktober 2021, datum waarop de vordering definitief werd geformuleerd tot datum integrale betaling. Het incidenteel hoger beroep is, mede gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, aldus deels gegrond.
- Aangaande de gerechtskosten 4.
- Vorderingen van de partijen Appellant vordert geïntimeerde te veroordelen in de kosten van het geding, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van euro 3.
- Geïntimeerden vorderen appellant te veroordelen betaling van tot de kosten van dagvaarding ten bedrage van euro 247,41, de betekeningskosten ten bedrage van euro 321,67, euro 352,89 en euro 307,27 en de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van euro 13.000 in eerste aanleg en in hoger beroep. 4.
- Beoordeling Gelet op de deelse gegrondheid van de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden en de deelse gegrondheid van de vordering van appellant, wordt elke partij veroordeeld in de helft van de gedingkosten eerste aanleg, in hoofde van geïntimeerden begroot op de dagvaardingskosten van euro 247,41 en wordt voor recht gezegd dat er wederzijds geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is. Gelet op het slechts zeer beperkt gegrond hoofdberoep en het deels gegrond incidenteel hoger beroep, worden de rolrechten van het hoger beroep integraal ten laste gelegd van appellant en de overige gedingkosten van hoger beroep voor 7/10de ten laste van appellant en voor 3/10de ten laste van geïntimeerden gelegd, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding die aan beide zijden wordt begroot op euro 3.
- Er is geen reden om een verhoogde rechtsplegingsvergoeding toe te kennen zoals gevorderd door geïntimeerden, omdat de proceshouding van appellant geenszins tergend is en er geen enkele reden is om de rechtsplegingsvergoeding te berekenen op de totale waarde van de nalatenschap. De wederzijdse vorderingen betreffen immers betaling van erelonen en schadevergoeding. De kosten van betekening waarvan sprake zijn ten laste van de massa. OM DEZE REDENEN, HET HOF, 42e KAMER (FAMILIEKAMER) Rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond; Verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond; Hervormt de bestreden vonnissen van 29 november 2017 en 26 juli 2018 enkel daar waar de eerste rechter - de facturen voor de elektriciteitskeuring en EPC attest van euro 180 en euro 165 als schadevergoeding heeft toegekend; - heeft geoordeeld dat de verkeersbelasting voor 2015 en de gederfde huur niet als schadevergoeding kon worden toegekend; Opnieuw rechtsprekend enkel op deze punten, mede gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep en rechtsprekend over de definitieve vordering van geïntimeerden in hoger beroep: Veroordeelt appellant tot het betalen aan geïntimeerden samen van een schadevergoeding van euro 18.005,55, meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet sedert 21 oktober 2021 tot datum van integrale betaling. Wijst voor het overige het hoofdberoep en het incidenteel hoger beroep af als ongegrond. Veroordeelt elke partij in de helft van de gerechtskosten van eerste aanleg, begroot in hoofde van geïntimeerden op de dagvaardingskosten van euro 247,41 en op euro 20 bijdrage Begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand, en in hoofde van appellant op euro 0, en zegt voor recht dat er wederzijds geen rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg verschuldigd is. Veroordeelt appellant in 7/10de en geïntimeerden in 3/10de van de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van appellant op euro 20 bijdrage Begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand en in hoofde van elke partij op een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van euro 3.
- Veroordeelt overeenkomstig artikel 269/2 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten appellant tot betaling aan de Belgische staat, FOD Financiën, van het rolrecht hoger beroep ten bedrage van euro
- Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 42ste kamer, familiekamer van het Hof van Beroep te Brussel op 08 FEBRUARI
- Waar aanwezig waren : J. DANCKAERTS, raadsheer, V. AELBRECHT, raadsheer, C. VAN ROY, raadsheer, H. COEYMANS, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div