← België

Het Vlaams Gewest/De Belgische Staat e.a.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 21 februari 2022 ECLI nr: ECLI

§1, 2de lid van het oud Burgerlijk Wetboek verjaard.

3) Kwalificatie vordering: het verhalen van de gemaakte kosten is geen vordering tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid (art.

§1

, 2de lid van het oud Burgerlijk Wetboek), maar een persoonlijke rechtsvordering (artikel 2bis.1.§1 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming). Ladingverlies valt buiten art. 2bis, §1 van de Wet van 31 december 1963 en degene die kosten heeft gemaakt (de Belgische Staat/FOD Financiën) kan zich verhalen op de begunstigde (Vlaams Gewest). De begunstigde dient te betalen op grond van de wet en kan vervolgens als derde betaler verhaal zoeken bij de aansprakelijke overeenkomstig art. 2bis.1 § 4 van de Wet van 31 december 1963. Thesaurus CAS: DWANGBEVEL UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Algemeen (verjaring (burgerlijk recht)) Vrije woorden: Opruiming ladingverlies; geschil tussen staatsorganismen i.v.m. invordering factuur; verzet tegen dwangbevel en onderliggende schuldvordering o.b.v. art. 221 W.Reg., artikel 3 van de Domaniale wet van 22 december 1949 is enkel van toepassing op vaststaande schuldvorderingen; geen verjaring vordering; verhaal kosten op de begunstigde is geen buitencontractuele, maar persoonlijke rechtsvordering; opruiming dierlijk afval is geen interventie die onder artikel 2bis §1 van de Wet van 31 december 1963 valt; begunstigde is degene in wiens belang de interventie uitgevoerd wordt. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art.

§1- 35 ELI link Pub nr 1804032155 Wet - 22-12-1949 - Art.

3 - 30 ELI link Pub nr 1949122210 Wet - 31-12-1963 - Art. 2bis.1 - 30 ELI link Pub nr 1963123106 Tekst van de beslissing ARREST N° Het hof van beroep te Brussel, burgerlijke eerste kamer N, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2022/1470 A.R. nr. 2019/AR/1058 INZAKE VAN : Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 20, woonplaats kiezende op het kantoor van zijn raadsman; appellant, vertegenwoordigd door meester R. VAN TURNHOUT loco meester GEERTS Gert, advocaat te 2600 BERCHEM (ANTWERPEN), Borsbeeksebrug 36; tegen :

  1. De BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIEN, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 3001 HEVERLEE, Philipssite 3a bus 3, geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester Christiaan LUYCKX loco meester COLOGNE Christophe, advocaat te 1000 BRUSSEL, Eedgenotenstraat 118;
  2. De BELGISCHE STAAT, FOD BINNENLANDSE ZAKEN, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse zaken, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 2, geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester VERGUCHT Peter, advocaat te 1700 DILBEEK, Ninoofsesteenweg 255; ___________________________________________________________________________ 1 De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 13 juli 2018 in een zaak met rolnummer 2016/4502/A. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. De partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld. 2 De feiten De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt: “
  3. Op 9 september 2010 ging tweede verweerder (Binnenlandse Zaken) over tot facturatie aan het Vlaamse Gewest van een bedrag van 3.919,41 euro. Het betrof de kosten voor de opruiming van dierlijk afval door de Civiele Bescherming op 8 juli 2010 ten gevolge van ladingverlies door een vrachtwagen op de Ring Oost te Dilbeek.
  4. Tweede verweerder (Binnenlandse Zaken) droeg eerste verweerder (Financiën) op om deze factuur in te vorderen.
  5. Het Vlaamse Gewest betwist te moeten instaan voor de kosten van deze interventie, en tussen partijen wordt hierover herhaaldelijk gecorrespondeerd.
  6. Op 19 oktober 2016 vaardigde de ontvanger een dwangbevel uit tot invordering van de som van 3.919,14 euro. Het dwangbevel werd diezelfde dag geviseerd en uitvoerbaar verklaard.
  7. Op 28 oktober 2016 werd het dwangbevel betekend met een bevel tot betalen.
  8. Bij verzoekschrift van 28 november 2016 heeft het Vlaamse Gewest de huidige zaak ingeleid. Zij stelt dat zij overeenkomstig artikel 221 W. Reg. verzet kan aantekenen tegen het dwangbevel en tevens tegen de onderliggende schuldvordering. ” 3 Het voorwerp van de vordering 3.1 Voor de eerste rechter vroeg het VLAAMSE GEWEST het dwangbevel van 19 oktober 2016, betekend bij exploot van 28 oktober 2016, op te heffen, te vernietigen en/of nietig te verklaren en te zeggen voor recht dat de aanspraken van verweerders lastens hem op grond van de factuur nr. 10/1025 van 9 september 2010 verjaard en ongegrond zijn. De BELGISCHE STAAT FOD FINANCIEN vroeg “de dagvaarding ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren” en te zeggen voor recht dat voor zover het geschil betrekking heeft op de verjaring van de invordering, uitsluitend de beslagrechter bevoegd is. De BELGISCHE STAAT FOD BINNENLANDSE ZAKEN vroeg: “In hoofdorde: De vorderingen van de eiser ongegrond te verklaren; Te horen zeggen voor recht dat de eiser gehouden is tot betaling van de som van 4.214,93 EUR meer intresten aan de wettelijke intrestvoet sedert de betekening van het dwangbevel dd. 28 oktober 2016 tot en met de datum van de effectieve betaling. Ondergeschikt: De eiser te veroordelen tot betaling van het bedrag van 3.919,41 EUR, te vermeerderen met de intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 16 februari 2011 tot en met de datum van algehele betaling;” 3.2 De eerste rechter verklaarde de vordering van het VLAAMSE GEWEST ontvankelijk maar ongegrond, en veroordeelde het tot betaling van de kosten. 3.3 In hoger beroep vraagt het VLAAMSE GEWEST “het dwangbevel van 19 oktober 2016, aan concluante betekend bij exploot van 28 oktober 2016, op te heffen, te vernietigen en/of nietig te verklaren; tevens te zeggen voor recht dat de aanspraken van geïntimeerden lastens concluante op grond van de factuur nr. 10/1025 van 9 september 2010 verjaard en ongegrond zijn; de tegenvordering van tweede geïntimeerde, in zoverre ontvankelijk, alleszins ook af te wijzen als ongegrond”. De BELGISCHE STAAT FOD FINANCIEN vraagt het hoger beroep ongegrond te verklaren. De BELGISCHE STAAT FOD BINNENLANDSE ZAKEN vraagt het hoger beroep ongegrond te verklaren, en ondergeschikt het VLAAMSE GEWEST “te veroordelen tot de betaling van het bedrag van 3.919,41 EUR, te vermeerderen met de Intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 16 februari 2011 tot en met de datum van algehele betaling.” 4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.1 De grond van het hoger beroep Het VLAAMSE GEWEST voert aan dat het dwangbevel nietig is omdat de onderliggende schuldvordering wordt betwist. Op de datum van het dwangbevel, 19 oktober 2016, luidde artikel 3 van de Domaniale wet van 22 december 1949 als volgt: “Iedere aan de Staat of aan Staatsorganismen verschuldigde som waarvan de invordering vervolgd wordt door de administratie belast met de inning en de invordering mag door middel van dwangbevel ingevorderd worden. Het dwangbevel wordt door de met de invordering belaste ontvanger uitgevaardigd; het wordt door de bevoegde ambtenaar geviseerd en uitvoerbaar verklaard en bij gerechtsdeurwaardersexploot betekend.” Elke aan (in dit geval) de BELGISCHE STAAT verschuldigde som kan dus ingevorderd worden bij dwangbevel. Terecht werpt het VLAAMSE GEWEST echter op dat deze bepaling alleen van toepassing is op de vaststaande schuldvorderingen.

(1)In huidig geval is tussen de BELGISCHE STAAT FOD BINNENLANDSE ZAKEN en het VLAAMSE GEWEST tussen februari 2011 en juni 2015 uitgebreid briefwisseling gevoerd waarbij de BELGISCHE STAAT FOD BINNENLANDSE ZAKEN aandrong op betaling en het VLAAMSE GEWEST betwistte dat het gehouden was tot betaling.
(2)De schuldvordering waarvoor een dwangbevel is uitgevaardigd was dus niet vaststaand. Anders dan het VLAAMSE GEWEST betoogt, leidt dit niet tot de nietigverklaring van het dwangbevel. De wet bepaalt geen nietigheidssanctie. De vaststelling dat er wel degelijk betwisting bestaat, brengt alleen mee dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel geen doorgang kan vinden, minstens tot uitspraak is gedaan over het vaststaand karakter van de schuldvordering. Ten overvloede: indien het dwangbevel nietig zou verklaard worden moet vervolgens onderzocht worden of de som inderdaad verschuldigd is aan de BELGISCHE STAAT FOD BINNENLANDSE ZAKEN.
(3)Het hof oordeelt hier niet als beslagrechter (over de tenuitvoerlegging) en kan dus onderzoeken of de vordering van de BELGISCHE STAAT FOD BINNENLANDSE ZAKEN gegrond is. Het VLAAMSE GEWEST werpt op dat de vordering van de BELGISCHE STAAT FOD BINNENLANDSE ZAKEN verjaard is met toepassing van artikel 100 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit. Artikel 15 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof bepaalt evenwel dat de verjaringsregels van het gemeen recht van toepassing zijn op de gemeenschappen en gewesten. Deze regels komen dus in de plaats van die van artikel 100 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit. Artikel 16 van de wet van 16 mei 2003 maakt alleen een uitzondering voor salarissen, voorschotten daarop en vergoedingen, toelagen of uitkeringen, die een toebehoren van de salarissen vormen of ermee gelijkstaan. Krachtens artikel 17 van de wet van 16 mei 2003 is bij Koninklijk besluit van 4 mei 2010 de inwerkingtreding voor het VLAAMSE GEWEST uitgesteld tot 1 januari 2012. De Wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat, die ook op de BELGISCHE STAAT de regels van gemeen recht toepasselijk verklaart, bevat in zijn artikel 131, 2de lid een overgangsregeling (artikel 100 blijft van toepassing op de schuldvorderingen die ontstaan zijn vóór de inwerkingtreding van deze wet). De wet van 16 mei 2003 bevat geen overgangsregeling en is dus van onmiddellijke toepassing. Indien wordt aangenomen dat de schuldvordering van de BELGISCHE STAAT FOD BINNENLANDSE ZAKEN is ontstaan op 8 juli 2010, de datum van de interventie van de civiele bescherming, dan was ze op 1 januari 2012 nog niet verjaard met toepassing van artikel 100 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit. De verjaringsregels naar gemeen recht moeten dus toegepast worden. Het VLAAMSE GEWEST houdt voor dat de vordering van de BELGISCHE STAAT FOD BINNENLANDSE ZAKEN een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering is zodat artikel

§1, 2de lid van het oud Burgerlijk Wetboek van toepassing is.

De BELGISCHE STAAT FOD BINNENLANDSE ZAKEN steunt echter niet op de aansprakelijkheid van het VLAAMSE GEWEST voor zijn onrechtmatige daad, maar op de gehoudenheid van het VLAAMSE GEWEST op grond van artikel 2bis.1.§1 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming. Het VLAAMSE GEWEST wordt niet door een slachtoffer aangesproken bijvoorbeeld in zijn hoedanigheid van bewaarder van een gebrekkige zaak (de weg). Artikel 2bis.1.§1 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming luidt: “De Staat en de gemeenten zijn gehouden, ten laste van de begunstigden van de prestaties, de kosten te verhalen die respectievelijk aan de diensten van de civiele bescherming en aan de openbare brandweer worden veroorzaakt tijdens de prestaties, welke door die diensten worden verricht buiten de interventies bedoeld in artikel 2bis, §

  1. Onverminderd de bepalingen van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening, bepaalt de Koning welke van de opdrachten vermeld in artikel 2bis, § 1, kunnen verhaald worden ten laste van hun begunstigden en deze die gratis moeten uitgevoerd worden.” De BELGISCHE STAAT FOD BINNENLANDSE ZAKEN heeft geen schade geleden, maar is gehouden tot het verhalen op de begunstigde van kosten veroorzaakt aan de civiele bescherming. De BELGISCHE STAAT FOD BINNENLANDSE ZAKEN beschouwt het VLAAMSE GEWEST als de begunstigde in de zin van artikel 2bis.1.§
  2. Dit verhalen van kosten is dus geen vordering tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid, maar een persoonlijke rechtsvordering. Het VLAAMSE GEWEST werpt op, met verwijzing naar een arrest van het Hof van Cassatie, dat het bestaan van een wettelijke verplichting niet uitsluit dat schade in de zin van artikel 1382 en 1383 van het oud Burgerlijk Wetboek ontstaat, tenzij blijkens de inhoud of de strekking van de wet de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van degene die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten.

(4)Het arrest heeft echter betrekking op de vraag of degene op wie een wettelijke (of contractuele of reglementaire) verplichting rust ook schade lijdt in de zin van artikel 1382 en 1383 van het oud Burgerlijk Wetboek en die schade kan verhalen op de aansprakelijke. Aan de orde is daar het verhaal van derde-betalers op de aansprakelijke. Voor dat verhaal zijn uiteraard wel de regels met betrekking tot onrechtmatige daad van toepassing, met inbegrip van die over de verjaring van die vordering. In deze is echter geen sprake van een verhaal van de derde-betaler op de aansprakelijke, maar van een verhaal, op grond van de wet, van degene die kosten heeft gemaakt, op degene die de wet aanduidt, hier “de begunstigde”. In een volgende fase kan die begunstigde wel verhaal zoeken op wie aansprakelijk is voor zijn onrechtmatige daad (bijvoorbeeld wie de schade aan de weg initieel heeft veroorzaakt door zijn fout). Dat is wat is bepaald in artikel 2bis.1 § 4 van de Wet van 31 december 1963: “Overeenkomstig de regels van gemeen recht blijft voor de personen, die de kosten moeten betalen bedoeld in § 1, een beroep open tegen de derde aansprakelijken”. Huidige zaak is dus een geval waar de begunstigde moet betalen op grond van de wet, en vervolgens als derde betaler verhaal kan zoeken bij de aansprakelijke.
(5)Het VLAAMSE GEWEST beroept zich voorts op een passage uit het verslag aan de Koning bij het Koninklijk besluit van 25 april 2007 tot vaststelling van de opdrachten van de hulpdiensten die kunnen verhaald worden en diegene die gratis zijn: "(...) Artikel 3. Dit artikel somt eerst de opdrachten op die verhaald kunnen worden. Voor die opdrachten wordt de keuze overgelaten aan de bevoegde overheden, in tegenstelling tot de niet-wettelijke opdrachten. Deze laatste, met name de opdrachten die niet opgenomen zijn in artikel 2bis van de voormelde wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, moeten verplicht door de bevoegde overheden verhaald worden, overeenkomstig artikel 2bis/1, § 1, eerste lid, van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming. De kosten worden verhaald ten aanzien van de begunstigde. Naar aanleiding van een opmerking van de Road van State werd het verhaal van de kosten ten aanzien van de opbeller van een vals alarm en ten aanzien van de dader van een brandstichting geschrapt. Uiteraard blijven de gewone regels inzake burgerlijke aansprakelijkheid hierop van toepassing. (...)" Ten onrechte leest het VLAAMSE GEWEST daarin dat het verhaal van artikel 2bis.1.§1 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming een toepassing is van de gewone regels inzake burgerlijke aansprakelijkheid. Er staat alleen dat voor het verhaal van de kosten ten aanzien van de opbeller van een vals alarm en ten aanzien van de dader van een brandstichting de gewone regels inzake burgerlijke aansprakelijkheid gelden. Bijgevolg is niet artikel

§1

, 2de lid van het oud Burgerlijk Wetboek van toepassing, maar artikel

§1, 1ste lid.

Dat laatste bepaalt dat de verjaringstermijn tien jaar bedraagt. De vordering kon niet eerder ontstaan dan op 8 juli

  1. Op 19 oktober 2016 is het dwangbevel uitgevaardigd; de verjaring was dus nog niet ingetreden. De BELGISCHE STAAT FOD BINNENLANDSE ZAKEN heeft ten overvloede zijn vordering ingesteld bij conclusie voor de eerste rechter neergelegd op 14 mei
  2. Overigens was de vordering reeds aanhangig door het verzet van het VLAAMSE GEWEST zelf bij dagvaarding van 28 november
  3. Dat verzet is niet gedaan tegen een tenuitvoerlegging van het dwangbevel voor de beslagrechter, maar tegen de schuldvordering zelf: het VLAAMSE GEWEST vroeg de rechtbank te verklaren dat de aanspraken van verweerders lastens hem op grond van de factuur nr. 10/1025 van 9 september 2010 verjaard en ongegrond zijn. De interventie van de civiele bescherming van op 8 juli 2010 had betrekking op het opruimen van een verlies van een lading dierlijk afval door een vrachtwagen op de R0 te Dilbeek, een weg van het VLAAMSE GEWEST. Artikel 2bis.
  4. § 1 van de Wet van 31 december luidt zoals reeds vermeld: “De Staat en de gemeenten zijn gehouden, ten laste van de begunstigden van de prestaties, de kosten te verhalen die respectievelijk aan de diensten van de civiele bescherming en aan de openbare brandweer worden veroorzaakt tijdens de prestaties, welke door die diensten worden verricht buiten de interventies bedoeld in artikel 2bis, §
  5. Onverminderd de bepalingen van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening, bepaalt de Koning welke van de opdrachten vermeld in artikel 2bis, § 1, kunnen verhaald worden ten laste van hun begunstigden en deze die gratis moeten uitgevoerd worden.” Voor alles wat valt buiten de interventies bedoeld in artikel 2bis, § 1 moeten de kosten dus verhaald worden; voor de interventies bedoeld in artikel 2bis, § 1 kunnen de kosten verhaald worden indien de Koning dat bepaalt. De interventies opgesomd in artikel 2bis, § 1 zijn: “§
  6. De opdrachten inzake civiele bescherming zijn de volgende : 1° de interventies betreffende de strijd tegen brand en ontploffing; 2° de brandpreventie; 3° de dringende medische hulpverlening; 4° de technische hulpverleningswerkzaamheden; 5° onverminderd artikel 6, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de bestrijding van vervuiling en van het vrijkomen van gevaarlijke stoffen 6° de strijd tegen de rampspoedige gebeurtenissen, de catastrofen en de schadegevallen; 7° de coördinatie van de hulpverleningsoperaties, met name de installatie van de coördinatiemiddelen; 8° de internationale opdrachten van civiele bescherming; 9° de preventieve opdrachten tijdens grote bijeenkomsten van personen; 10° de waterbevoorrading; 11° de waarschuwing van de bevolking; 12° de logistieke ondersteuning.” Het opruimen van het verlies van een lading dierlijk afval valt niet onder een van die interventies. Dat geldt ook voor de interventie onder §1, 5°, de bestrijding van vervuiling: in het verslag aan de Koning bij het Koninklijk besluit van 25 april 2007 tot vaststelling van de opdrachten van de hulpdiensten die kunnen verhaald worden en diegene die gratis zijn staat vermeld, bij de bespreking van de definitie van vervuiling in artikel 1 §1, 5°: “Het artikel preciseert dat de vervuiling begrepen moet worden als een aantasting van het milieu door een vervuilende stof. Daaruit vloeit voort dat het verlies van een lading op een openbare weg, zoals stenen of groenten, geen vervuiling is. Als de interventie van de hulpdiensten betaald moet worden, zal zij in dit geval verhaald worden op de begunstigde van de interventie, namelijk de vervoerder, en niet op de eigenaar van de lading.” Het opruimen van het dierlijk afval is geen interventie onder artikel 2bis §1 van de Wet; volgens artikel 2bis.
  7. § 1 moeten de kosten daarvan dus verhaald worden, lastens de begunstigde van de prestaties. Vraag is ten slotte wie hier de begunstigde van de prestatie is. Artikel 2bis.
  8. § 2 van de Wet van 31 december bepaalt dat de Koning “de wijze van vaststelling en van verhaal van de kosten bedoeld in § 1” regelt. De Koning heeft dit gedaan bij Zijn besluit van 25 april 2007 tot vaststelling van de opdrachten van de hulpdiensten die kunnen verhaald worden en diegene die gratis zijn. Artikel 1 §1, 4° daarvan definieert begunstigde in de zin van het besluit als “de fysieke persoon of de rechtspersoon in wiens belang de interventie uitgevoerd wordt”. In huidig geval is dat uiteraard het VLAAMSE GEWEST: het was zijn weg, de R0, die schoongemaakt werd. De interventie is dus uitgevoerd in zijn belang. De BELGISCHE STAAT FOD BINNENLANDSE ZAKEN moet dus de kosten verhalen op het VLAAMSE GEWEST, dat vervolgens met toepassing van artikel 2bis. 1 §4 van de Wet van 31 december 1963 overeenkomstig de regels van gemeen recht de derde aansprakelijke kan aanspreken, door wiens fout het dierlijk afval op zijn weg was terechtgekomen. Het VLAAMSE GEWEST beroept zich ook op dit punt op de reeds aangehaalde passage uit het verslag aan de Koning bij het Koninklijk besluit van 25 april 2007 over het verlies van een lading op een openbare weg, zoals stenen of groenten: “Als de interventie van de hulpdiensten betaald moet worden, zal zij in dit geval verhaald worden op de begunstigde van de interventie, namelijk de vervoerder, en niet op de eigenaar van de lading.” Ladingverlies van stenen of groenten is inderdaad geen vervuiling, en dus is het opruimen daarvan een opdracht buiten artikel 2bis, § 1, en dus moeten de kosten daarvan verhaald worden op de begunstigde. De begunstigde van de interventie is volgens de tekst van het Koninklijk besluit (artikel 1 §1, 4°) evenwel degene “in wiens belang de interventie uitgevoerd wordt”. De uitdrukkelijke tekst van het Koninklijk besluit kan niet opzij geschoven worden voor een - niet echt heldere - zin in het verslag aan de Koning. Het valt overigens niet in te zien waarom de prestatie per se in het belang zou zijn van de vervoerder, terwijl ze evident in het belang is van de wegbeheerder, wiens opdracht het is de weg in goede staat en open te houden (op gevaar aansprakelijk gesteld te worden door wie schade zou lijden door een gebrek in de uitvoering van die opdracht). Ten slotte: zelfs indien zou aangenomen worden dat de opruiming ook in het belang was van de vervoerder, dan neemt dat niet weg dat ze in het belang was van het VLAAMSE GEWEST. Het VLAAMSE GEWEST verwijst naar een (hoger reeds aangehaald) arrest van het Hof van Cassatie met betrekking tot kosten voor de technische hulpverleningswerkzaamheden die niet het gevolg zijn van een noodoproep om mensen te beschermen of te redden, waarbij het Hof oordeelde dat die kosten niet definitief ten laste zijn van de gemeente en dat zij deze kosten kan verhalen op degene die aansprakelijk is.

(6)Het VLAAMSE GEWEST ziet daarin een bevestiging van zijn stelling dat de BELGISCHE STAAT BINNENLANDSE ZAKEN zich ook in dit geval moet richten tot de aansprakelijke. Kosten voor de technische hulpverleningswerkzaamheden vallen onder artikel 2bis, § 1 van de Wet en kunnen dus verhaald worden indien de Koning dat bepaalt. Artikel 2, 2° van het Koninklijk besluit bepaalt dat de technische hulpverleningswerkzaamheden gratis worden uitgevoerd, op voorwaarde dat het gaat om een noodoproep om mensen te beschermen of te redden; anders zijn ze dus te verhalen, op de begunstigde, zoals het geval was in de zaak die leidde tot het arrest van het Hof van Cassatie. In die zaak was een lading bonen van een vrachtwagen op de weg terechtgekomen, had de brandweer van de gemeente het wegdek opgeruimd, en was de bestuurder van de vrachtwagen verantwoordelijk voor het verlies van de lading. In dit geval had dus de gemeente zelf de kosten gemaakt en zocht zij vervolgens verhaal bij de aansprakelijke. De betwisting voor het Hof van Cassatie betrof, zoals hoger reeds aangegeven, enkel de verhouding tussen de gemeente (die de wettelijke taak heeft de veiligheid van de wegen te waarborgen) en de aansprakelijke, en dus de vraag of degene op wie een wettelijke (of contractuele of reglementaire) verplichting rust ook schade lijdt in de zin van artikel 1382 en 1383 van het oud Burgerlijk Wetboek en die schade kan verhalen op de aansprakelijke.
(7)Dit betreft met andere woorden niet de draagwijdte van artikel 1 §1, 4° van het Koninklijk besluit van 25 april 2007 (wie is begunstigde). Voorts voert het VLAAMSE GEWEST aan dat er geen interventieverslag voorligt zoals vereist door artikel 5 van het Koninklijk besluit van 25 april 2007 terwijl het tegelijk stelt dat de BELGISCHE STAAT FOD BINNENLANDSE ZAKEN het interventieverslag heeft voorgelegd. Ten slotte laat het VLAAMSE GEWEST gelden dat de bedragen die worden aangerekend niet overeenstemmen met de bedragen van bijlage 1 bij het Koninklijk besluit van 25 april
  1. De BELGISCHE STAAT FOD BINNENLANDSE ZAKEN verwijst terecht naar bijlage 1 die vermeldt dat die bedragen gekoppeld zijn aan de spilindex van 138,01, en naar de aanpassing van de bedragen in de periode van de aanrekening met een factor 1,
  2. Het VLAAMSE GEWEST beperkt zich voor het overige tot de opwerping dat de BELGISCHE STAAT FOD BINNENLANDSE ZAKEN niet bewijst dat die verhoging van toepassing is, maar verduidelijkt niet welke indexering dan wel de juiste zou zijn. Het hof beschouwt de aanrekening zoals gefactureerd als in overeenstemming met de bedragen van bijlage 1 bij het Koninklijk besluit van 25 april
  3. Bijgevolg is de betwisting van de schuldvordering ongegrond, zodat het dwangbevel zijn volle uitwerking herneemt. 5 De kosten De gerechtskosten van het hoger beroep worden ten laste gelegd van het VLAAMSE GEWEST, de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek. Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007
(8)bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering 780,00 EUR. 6 Het beschikkend gedeelte Het hof, Verklaart het hoger beroep van het VLAAMSE GEWEST ontvankelijk maar ongegrond. Veroordeelt het VLAAMSE GEWEST tot de betaling van de kosten van het hoger beroep begroot op de rechtsplegingsvergoedingen van 780,00 EUR voor de BELGISCHE STAAT FOD BINNENLANDSE ZAKEN en 780,00 EUR voor de BELGISCHE STAAT FOD FINANCIEN, het rolrecht in hoger beroep van 400,00 EUR en de bijdrage van 20,00 EUR aan het Begrotingsfonds. Veroordeelt het VLAAMSE GEWEST met toepassing van artikel 269² van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, zoals vervangen bij Wet van 14 oktober 2018 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen (B.S. 20 december 2018, ed. 2) tot betaling aan de Belgische Staat, FOD Financiën, van het rolrecht hoger beroep van 400,00 EUR en tot het definitief ten laste nemen van de bijdrage van 20,00 EUR aan het Begrotingsfonds. ********** Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer N van het hof van beroep te Brussel, op waar aanwezig waren en zitting hielden : Marc DEBAERE, Raadsheer, bijgestaan door Darie VAN IMPE, Griffier.
(1)Zie Cass. 10 maart 1961, Pas., 1961, 752. Cass. AR 9241, 13 februari 1992 (Belgische Staat / Roussel), https://juportal.be (18 oktober 2001); Arr.Cass. 1991-92, 546; Bull. 1992, 519; Pas. 1992, I, 519.
(2)Stukken 3 tot en met 10 van het VLAAMSE GEWEST.
(3)Vgl. E. DIRIX, Beslag, in A.P.R., Mechelen, Wolters Kluwer, 2018, 271.
(4)Zie Cass. 24 februari 2017, http://www.cass.be(19 maart 2017); RW 2018-19 (samenvatting), afl. 10,382 en http:IIwww.rw.be/(9 november 2018), noot.
(5)Zie daarover I. BOONE, Verhaal van derde-betalers op de aansprakelijke, Antwerpen, Intersentia, 2009.
(6)Zie Cass. 24 februari 2017, http://www.cass.be(19 maart 2017); RW 2018-19 (samenvatting), afl. 10, 382 en http:IIwww.rw.be/(9 november 2018), noot.
(7)Ook de korte noot bij de publicatie in het RW (2018-19, 382) situeert het arrest in die context; ze bestaat uit de enkele verwijzing naar T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek Buitencontractueel Aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, p. 859, nr. 1346, waar die het hebben over de vraag of kosten van orde en veiligheid in het algemeen belang ten laste van de overheid blijven of kunnen verhaald worden op de aansprakelijke. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.