← België

MS Amlin Insurance SE/A.A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 31 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2022:ARR.20221031.1 Rolnummer: 2019/AR/1336 Zaak: MS Amlin Insurance SE/A.A. Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2023-02-06 Raadplegingen: 212 - laatst gezien 2026-06-17 13:02 Fiches 1 - 2 Het dagvaarden van de verkeerde persoon moet in beginsel leiden tot de onontvankelijkheid van de vordering op grond van artikel 17 Ger.W. Dit geldt des te meer voor het aanspreken van een niet meer bestaande persoon. Dergelijke onregelmatigheid valt buiten de werkingssfeer van de nietigheidsregeling van de artikelen 860 tot 867 Ger.W., en geeft dienvolgens geen aanleiding tot beoordeling van belangenschade. In voorliggend geval bevatte de dagvaarding weliswaar de vermeldingen als voorzien in de artikelen 43 en 702, 2° Ger.W., maar werd een andere naam, rechtsvorm, nationaliteit, KBO-nummer en maatschappelijke zetel vermeld. In dit geval is er dus geen sprake van een vormgebrek bij de aanduiding van de juiste rechtspersoon, maar wordt er daarentegen een andere rechtspersoon aangeduid. De vordering wordt onontvankelijk verklaard. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) Vrije woorden: Exceptie van niet-ontvankelijkheid, dagvaarding niet meer bestaande vennootschap, onontvankelijkheid o.b.v. art. 17 Ger. W., arrest 125/2014 Grondwettelijk Hof Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - artt. 17 en 43 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - artt. 860-867 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak - Dagvaardingsexploot Vrije woorden: Exceptie van niet-ontvankelijkheid, dagvaarding niet meer bestaande vennootschap, onontvankelijkheid o.b.v. art. 17 Ger. W., arrest 125/2014 Grondwettelijk Hof Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - artt. 17 en 43 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - artt. 860-867 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing ARREST N° Het hof van beroep te Brussel, burgerlijke kamer 1N, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2022/ A.R. nr. 2019/AR/1336 INZAKE VAN : De Europese vennootschap MS AMLIN INSURANCE SE, met maatschappelijke zetel te 1030 Schaarbeek, Koning Albert II-laan 37 en met KBO nr. 0644.921.425, voorheen vennootschap naar buitenlands recht AMLIN INSURANCE NV, met ondernemingsnummer 0644.921.425, waarvan de vennootschapszetel gevestigd was te EC34 4AG Londen (Verenigd Koninkrijk), Leadenhall Building, 122 Leadenhall Street, met Belgisch bijhuis te 1030 Schaarbeek, Koning AlbertII-laan 37; appellante, vertegenwoordigd door meester GOEDHUYS Jan, advocaat te 3001 HEVERLEE, Ambachtenlaan 6; tegen : A.A., RRN X, wonende te X, geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester K. HENDRICKX loco meester DAL Muriel, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Edward Pecherstraat 34-36; ___________________________________________________________________________ 1 De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 26 april 2019 in een zaak met rolnummer 2017/3635/A. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. De partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld. 2 De feiten De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt: “Huidig geschil betreft de aansprakelijkheid van de verzekerde van verweerster, meester A.B., gewezen raadsman van eiser en advocaat bij de Balie te X, en de vergoeding voor de schade die eiser stelt door zijn toedoen te hebben geleden. Eiser raadpleegde meester A.B., nadat hem op 03.04.2013 een vonnis was betekend van 06.03.2013 van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, waarbij eiser veroordeeld werd tot betaling, van 287.063,33 euro, meer interesten en kosten aan A.C. (hierna "A.C.,") wegens contractuele wanprestatie. Het vonnis vermeldt in de rubriek "Procedure" én in het beschikkend gedeelte dat de uitspraak op tegenspraak gebeurde opzichtens eiser, dit in toepassing van art. 747 §2 Ger.W. Bij beschikking van 04.04.2012 was er immers een conclusiekalender en een rechtsdag bepaald. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Niettegenstaande het was uitgesproken op tegenspraak, tekende meester A.B. verzet aan tegen het vonnis en wel bij akte van verzet betekend aan A.C. op 02.05.

  1. Bij vonnis van 04.09.2013 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Leuven het verzet onontvankelijk, om reden dat het rechtsmiddel van verzet enkel mogelijk is tegen een verstekvonnis, terwijl het vonnis waartegen eiser in verzet opkwam, werd uitgesproken op tegenspraak. Ingevolge de betekening op 03.04.2013 was het vonnis van 06.03.2013 inmiddels echter in kracht van gewijsde getreden, zodat het rechtsmiddel van hoger beroep niet langer meer openstond. Het vonnis van 06.03.2013 was definitief. Eiser meent dat meester A.B., door te opteren voor verzet in plaats van hoger beroep, een fout beging die hem ernstige schade berokkende: hij verloor met name de kans op een hervorming van het vonnis van 06.03.2013 in tweede aanleg, met minstens een herleiding van het bedrag waartoe hij werd veroordeeld. De rechtbank te Leuven bepaalde dit bedrag op basis van het verslag van de door haar aangestelde gerechtelijk deskundige, accountant CLEEREN, maar volgens eiser had de deskundige bepaalde schadeposten foutief in rekening gebracht. Eiser oefent thans een rechtstreekse vordering uit tegen verweerster in haar hoedanigheid van beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van meester A.B. ” 3 Het voorwerp van de vordering 3.1 A.A. dagvaardde NV AMLIN EUROPE en vroeg haar veroordeling tot de betaling aan hem van 255.876,38 euro, “te vermeerderen met de conventionele verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet sedert datum ingebrekestelling, en vervolgens met de gerechtelijke intresten aan dezelfde intrestvoet vanaf datum dagvaarding tot op datum van algehele betaling” en “van een materiële schadevergoeding, provisioneel begroot op 1,00 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 2 mei 2013 tot datum dagvaarding en nadien met de gerechtelijke intresten aan dezelfde intrestvoet tot de datum van algehele betaling” en de kosten. De NV AMLIN EUROPE vroeg: “ - te zeggen voor recht dat eiser met AMLIN EUROPE N.V., vennootschap naar Nederlands recht, een verkeerde vennootschap heeft gedaagd, nl. een vennootschap die niet meer bestond op het ogenblik van de dagvaarding, en die bijgevolg ook niet kan worden veroordeeld (eerste middel); - de vordering van eiser dienvolgens onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren en hem tot de kosten te veroordelen. - (ondergeschikt) te zeggen voor recht dat, mocht de door eiser ingeroepen schade werkelijk bestaan, quod non, eiser dan zelf een ernstige fout beging die zijn beweerde schade heeft veroorzaakt, door geen tegenspraak te voeren tijdens het onderzoek van de gerechtsdeskundige en nooit te reageren op diens schriftelijke verzoeken tot verduidelijking, door geen argumenten te zijner verdediging in te roepen voor de rechtbank en door mr. A.B. pas net voor het aflopen van de termijn van hoger beroep te raadplegen; minstens dat het overgrote deel van de aansprakelijkheid bij eiser zelf moet worden gelegd (tweede middel); - (ondergeschikt) te zeggen voor recht dat mr. A.B. zich in een kort tijdsbestek een complexe zaak moest eigen maken en zo een helaas belangrijk detail over het hoofd zag, fout die ieder normaal voorzichtig advocaat, in dezelfde precaire situatie geplaatst, zou kunnen maken, zodat het handelen van mr. A.B. binnen het normbeeld blijft en geen fout uitmaakt die tot aansprakelijkheid kan leiden; minstens dat een verpletterend aandeel in de aansprakelijkheid voor de beweerd geleden schade bij eiser zelf moet worden gelegd (derde middel) ; - (meer ondergeschikt) te zeggen voor recht dat zolang eiser niet aantoont dat hij zelf enige betaling van zijn veroordeling door het vonnis van 6 maart 2013 heeft verricht, hij niet bewijst enige schade te hebben geleden (vierde middel) ; - (meer ondergeschikt) te zeggen voor recht dat eisers vordering wat betreft zijn beweerde ‘onterechte veroordeling’ tot (terug)betaling aan A.C. van 178.é,00 euro die z.i. bij een tijdig hoger beroep had kunnen worden herleid tot 3% van dit bedrag, iedere realiteitszin mist (vijfde middel) ; - (meer ondergeschikt) te zeggen voor recht dat de rekenkundige beweringen van eiser over de dubbele aanrekening van 38.000,00 en 12.283,00 euro iedere grond missen (zesde middel) ; - (meer ondergeschikt) te zeggen voor recht dat eiser geen kans maakte om in hoger beroep de schadevergoeding van 34.631,33 euro wegens ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst met A.C. te herleiden tot een lager bedrag, met een argumentatie die ten onrechte steunt op de veronderstelling dat het enkel om een opzegging zou gaan (zevende middel) ; - (meest ondergeschikt) te zeggen voor recht dat door de fout van mr. A.B. eiser een enorm risico op grote schade en verlies heeft ontlopen, precies omdat er géén hoger beroep werd aangetekend, zodat hij gebaat was en niet geschaad door deze fout (achtste middel) - de vordering van eiser dienvolgens ongegrond te verklaren en hem tot de kosten te veroordelen.” 3.2 De eerste rechter besliste als volgt: “ Zegt voor recht dat de vermelding in de gedinginleidende dagvaarding “Vennootschap naar buitenlands recht AMLIN EUROPE N.V. met ondernemingsnummer 0416.056.358, waarvan de vennootschapszetel gevestigd is te 1181 LD Amstelveen (Nederland), Van Heuven Goedhartlaan 939, met Belgisch bijhuis te 1030 Schaarbeek (België), Koning Albert II-laan 37” geacht wordt te slaan op: “Vennootschap naar buitenlands recht AMLIN INSURANCE N.V. met ondernemingsnummer 0644.921.425, waarvan de vennootschapszetel gevestigd is te EC34 4AG Londen (Verenigd Koninkrijk), Leadenhall Building, 122 Leadenhall Street, met Belgisch bijhuis te 1030 Schaarbeek (België), Koning Albert II-laan 37”. Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, Veroordeelt AMLIN INSURANCE N.V. bijgevolg tot betaling aan eiser van 79.676,31 euro, meer gerechtelijke verwijlinteresten aan de wettelijke interestvoet vanaf 20.09.2017 tot de volledige betaling, Verwijst AMLIN INSURANCE N.V. in de gedingkosten (…)” 3.3 In hoger beroep vraagt MS AMLIN INSURANCE SE: “· in limine litis vaststellen dat de vordering van geïntimeerde lastens NV AMLIN EUROPE en de veroordeling van concluante onontvankelijk was en vervolgens de onterechte veroordeling van concluante – die niet in zake was en aldus niet kon worden veroordeeld – teniet doen/ongedaan maken (in hoofdorde). · Aangaande de grond van de zaak, de vordering van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond verklaren en geïntimeerde dienvolgens veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding begroot op 8.400,00 euro per aanleg (in ondergeschikte of uiterst ondergeschikte orde) ” A.A. vraagt het hoger beroep ongegrond te verklaren. Bij incidenteel hoger beroep vraagt hij MS AMLIN INSURANCE SE te veroordelen tot betaling aan hem van 255.876,38 euro, plus de gerechtelijke verwijlintresten aan de wettelijke interestvoet vanaf 20 september 2017 en de kosten. 4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.1 De grond van het hoger beroep 4.1.1 De ontvankelijkheid van de vordering MS AMLIN INSURANCE SE werpt op dat de dagvaarding op 20 september 2017 werd betekend aan de NV AMLIN EUROPE, een vennootschap naar Nederlands recht met bijhuis te Schaarbeek, terwijl deze vennootschap op dat ogenblik niet meer bestond. De NV AMLIN EUROPE was op 14 januari 2016 gefuseerd met de vennootschap AMLIN INSURANCE UK Ltd, een vennootschap naar Engels en Welsh recht, met als resultaat het ophouden van het bestaan van de NV AMLIN EUROPE en het ontstaan van de NV naar Engels en Welsh recht AMLIN INSURANCE, met maatschappelijke zetel te 122 Leadenhall Street in EC 34 4AG Londen (Verenigd Koninkrijk). MS AMLIN INSURANCE SE stelt dat de vordering van A.A. tegen een niet bestaande vennootschap onontvankelijk had verklaard moeten worden. A.A. betwist niet dat formeel de verkeerde vennootschap is gedagvaard, maar beschouwt dit als een vormgebrek (artikel 43 van het Gerechtelijk Wetboek), waarop de nietigheidsleer moet worden toegepast, en voert aan dat MS AMLIN INSURANCE SE geen belangenschade heeft geleden, zodat er geen nietigheid is (artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek). Het dagvaarden van de verkeerde persoon moet in beginsel leiden tot de onontvankelijkheid van de vordering op grond van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek. Dit geldt a fortiori voor het aanspreken van een niet meer bestaande persoon. Wanneer een exploot van dagvaarding weliswaar de vermeldingen bevat als voorzien in de artikelen 43 en 702, 2° van het Gerechtelijk Wetboek, maar deze betrekking hebben op een andere persoon dan diegene die de eiser had dienen te dagvaarden, brengt dit de niet-ontvankelijkheid van de aldus ingeleide vordering met zich mee. Dergelijke onregelmatigheid valt buiten de werkingssfeer van de nietigheidsregeling van de artikelen 860 tot 867 van dat wetboek, en geeft dienvolgens geen aanleiding tot beoordeling van belangenschade. Na de fusie moeten nieuwe vorderingen ingesteld worden tegen de nieuwe titularis, de nieuwe vennootschap. Het Grondwettelijk Hof heeft een en ander uitgebreid verwoord in zijn arrest 125/2014 van 19 september 2014: “B.4.
  2. Krachtens artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek [kan] de rechtsvordering […] niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen ». Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van het Gerechtelijk Wetboek (Verslag Van Reepinghen, Pasin., 1967, III, p. 322), moet de rechtsvordering worden ingesteld tegen diegene die de hoedanigheid bezit om ze te beantwoorden. Wanneer een exploot van dagvaarding weliswaar de in de artikelen 43 en 702, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde vermeldingen bevat, maar die betrekking hebben op een andere persoon dan diegene die de eiser had dienen te dagvaarden, brengt dat de onontvankelijkheid van de aldus ingeleide vordering met zich mee. Een dergelijke onregelmatigheid valt buiten de werkingssfeer van het stelsel van de nietigheden van de artikelen 860 tot 867 van dat Wetboek en geeft dan ook geen aanleiding tot een beoordeling van de schade (Cass., 29 juni 2006, Arr. Cass., 2006, nr. 366). B.4.
  3. Krachtens artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek « [kan,] wat de verzuimde of onregelmatig verrichte vorm ook zij, geen [proceshandeling] […] nietig worden verklaard, indien de wet de nietigheid ervan niet uitdrukkelijk heeft bevolen ». Tot de in die bepaling bedoelde vormvoorschriften behoren de vermeldingen die elk exploot van dagvaarding moet bevatten; in dat verband worden in artikel 43, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek « de naam, de voornaam, de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats en, in voorkomend geval, het elektronisch adres en de hoedanigheid van de persoon voor wie het exploot bestemd is » vermeld en heeft artikel 702 van hetzelfde Wetboek betrekking op « de naam, de voornaam en de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de gedaagde ». Hoewel de verzuimen en onregelmatigheden welke die vermeldingen aantasten, bij de voormelde artikelen 43 en 702 met nietigheid worden bestraft, gaat het desalniettemin maar om een relatieve nietigheid, in zoverre zij vreemd zijn aan de in het voormelde artikel 862, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde verzuimen en onregelmatigheden : krachtens artikel 861 van hetzelfde Wetboek kan de nietigheid bijgevolg enkel worden uitgesproken indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen heeft geschaad van de partij die de exceptie opwerpt. Bovendien kan dat verzuim of die onregelmatigheid worden rechtgezet onder de voorwaarden die in het voormelde artikel 867 van hetzelfde Wetboek zijn bepaald. B.4.
  4. Uit het voorgaande vloeit voort dat, zoals de verwijzende rechter opmerkt, de rechtzoekenden verschillend worden behandeld naargelang zij verkeerdelijk een andere persoon hebben gedagvaard dan die welke had moeten worden gedagvaard, of naargelang hun dagvaarding een onregelmatigheid of een verzuim bevat, maar wel tegen de juiste persoon is gericht: in tegenstelling tot die tweede categorie van rechtzoekenden, die zich op het hiervoor in herinnering gebrachte stelsel van de nietigheden kunnen beroepen, zien de rechtzoekenden van de eerste categorie hun rechtsvordering onontvankelijk verklaard, zonder in dat geval dat stelsel te kunnen genieten. B.5.
  5. Dat verschil in behandeling berust op een objectief criterium : de aard van de regel waarvan de schending wordt bestraft. Artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek bevestigt immers een grondregel, terwijl de artikelen 860 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek alleen op de onregelmatigheden naar de vorm van toepassing zijn. B.5.
  6. De regels betreffende de vormvoorschriften en de termijnen om beroep in te stellen zijn gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico’s van rechtsonzekerheid. Die regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen de beschikbare procedures aan te wenden. B.
  7. Zoals reeds is opgemerkt, vereist artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek dat de rechtsvordering moet worden ingesteld tegen diegene die de hoedanigheid bezit om ze te beantwoorden; indien zulks niet het geval is, heeft de rechtsvordering, zoals de verwijzende rechter opmerkt, in werkelijkheid betrekking op een persoon die vreemd is aan de feiten en aan het geschil, en die rechtsvordering zal onontvankelijk worden verklaard, zonder het bij de artikelen 860 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek geregelde stelsel van de nietigheden te kunnen genieten. Die maatregel blijkt relevant te zijn ten aanzien van de hiervoor beoogde legitieme doelstellingen. Wat de verkeerdelijk gedagvaarde persoon betreft, is het immers niet denkbaar dat hij partij kan zijn in het geding, verplicht is zich te verdedigen en de kosten ervan te dragen, en eventueel kan worden veroordeeld, zelfs indien zijn situatie vreemd is aan het geschil. Wat betreft de persoon op wie het geschil betrekking heeft, die had moeten worden gedagvaard maar niet is gedagvaard, is het evenmin denkbaar dat hij kan worden veroordeeld. Wat ten slotte de eiser betreft, moet worden opgemerkt dat het uitbreiden van het stelsel van de nietigheden tot een dagvaarding die verkeerdelijk is gericht tot een rechtspersoon die vreemd is aan het geschil, naast de schending van de artikelen 860 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, van dien aard zou zijn dat de termijn wordt omzeild waarbinnen de rechtsvordering in voorkomend geval moest worden ingesteld, in het geval waarin die termijn zou zijn verstreken. De in het stelsel van de nietigheden bedoelde verzuimen en onregelmatigheden, die in het geding zijn, vooronderstellen allereerst dat de juiste persoon door de eiser wordt gedagvaard. Daarenboven, zoals reeds is opgemerkt, betreffen zij procedureformaliteiten - en geen voorwaarde voor het uitoefenen van de rechtsvordering -, zoals zulks het geval is voor de hoedanigheid, vereist bij artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek. Ten slotte moeten de betrokken verzuimen en onregelmatigheden, behalve voor die welke in artikel 862, § 1, zijn beoogd, om de nietigheid van de proceshandeling die zij aantasten te verantwoorden, de belangen hebben geschaad van de partij die de exceptie opwerpt. Uit het voorgaande vloeit voort dat het in het geding zijnde verschil in behandeling is verantwoord ten aanzien van de bekommernis om een goede rechtsbedeling te verzekeren en de risico’s van rechtsonzekerheid te weren; er moet evenwel worden nagegaan of dat verschil in behandeling geen onevenredige gevolgen ten aanzien van die doelstellingen heeft. B.
  8. De eiser die verkeerdelijk een andere persoon zou hebben gedagvaard dan die welke had moeten worden gedagvaard, kan, indien zulks mogelijk blijft binnen de termijnen, een nieuwe rechtsvordering instellen, ditmaal tegen de persoon die in rechte moest worden beoogd. In het geval waarin de eiser zelf niet aansprakelijk zou zijn voor de voormelde vergissing, staat het hem bovendien vrij in voorkomend geval de kostprijs van die nieuwe procedure te verhalen op de persoon die die fout heeft begaan. Ten slotte kan de eiser, in het geval waarin hij niet aansprakelijk zou zijn voor de voormelde vergissing en om redenen met betrekking tot de termijn niet langer in staat zou zijn een nieuwe rechtsvordering in te stellen, de vergoeding verkrijgen van de schade die hij heeft geleden op grond van de, naar gelang van het geval, contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid van de persoon die door zijn fout die schade heeft veroorzaakt. Gelet op het voorgaande, is het verschil in behandeling niet zonder redelijke verantwoording.” Weliswaar kan, wanneer de identiteit van de rechtspersoon vaststaat, een gebrekkige opgave van de maatschappelijke zetel de nietigheid van de door deze rechtspersoon gestelde proceshandelingen meebrengen, en dus niet de niet-toelaatbaarheid van de vordering in rechte wegens gebrek aan rechtspersoonlijkheid. In dat geval is er immers geen dwaling over de identiteit van de persoon; de persoon is gekend maar is formeel niet correct aangeduid. De fout in de vermelding van de maatschappelijke zetel is zonder invloed op de identificatie van de persoon. De eerste rechter heeft geoordeeld dat in huidig geval op grond van de feitelijke omstandigheden moet aangenomen worden dat de dagvaarding een vormgebrek bevatte en dat er geen dagvaarding was van een verkeerde vennootschap. Het hof oordeelt anders. Het feit dat de dagvaarding voor ontvangst werd getekend door “KALLON UMU, aangestelde” impliceert niets. Indien die aangestelde optrad voor MS AMLIN INSURANCE SE in plaats van voor AMLIN EUROPE, dan heeft die zich gewoon ook vergist. Dat de advocaten van AMLIN EUROPE pas in een aanvullende conclusie de exceptie van niet-ontvankelijkheid hebben opgeworpen en dat zij dus eerst verweer hebben gevoerd alsof AMLIN EUROPE terecht gedagvaard was, is zonder belang. De exceptie hoeft immers niet als eerste verweer opgeworpen te worden, en voor de beoordeling ervan is belangenschade niet relevant. De gelijkenis in de namen of het feit dat MS AMLIN INSURANCE SE de rechtsopvolger is van AMLIN EUROPE maakt het onderscheid tussen de vennootschappen niet ongedaan. Het zelfde geldt voor de vaststelling dat AMLIN EUROPE niet tegelijk met MS AMLIN INSURANCE SE heeft bestaan. Al deze elementen kunnen hoogstens meegenomen worden in de beoordeling over de verschoonbaarheid van de vergissing, maar nemen de vergissing niet weg: er is werkelijk een andere vennootschap gedagvaard. Er was in huidig geval immers niet een enkele foute vermelding in de dagvaarding (zoals in het hierboven vermelde geval van de foute aanduiding van de maatschappelijke zetel) : er was een andere naam, een andere rechtsvorm, een andere nationaliteit, een ander KBO-nummer, een andere maatschappelijke zetel (en alleen een bijhuis met hetzelfde adres) . De wettelijke informatie bij de dagvaarding vermeldt overigens de ontbinding op 14 januari 2016 door fusie van AMLIN EUROPE met AMLIN INSURANCE. In dit geval was er dus geen vormgebrek bij de aanduiding van de juiste rechtspersoon, maar de aanduiding van een andere rechtspersoon. De eerste rechter vermocht dus niet MS AMLIN INSURANCE SE, die niet gedagvaard was, in de plaats te schuiven van de NV AMLIN EUROPE, die wel gedagvaard was en niet meer bestond. Hieruit volgt dat de eerste rechter uitspraak had moeten doen over een vordering tegen AMLIN EUROPE en niet over een vordering tegen MS AMLIN INSURANCE SE. AMLIN EUROPE bestond niet meer, zodat de vordering tegen haar onontvankelijk wordt verklaard (artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek). Er was voor de eerste rechter geen vordering tegen MS AMLIN INSURANCE SE. De veroordeling moet dus ongedaan gemaakt worden. A.A. stelt in hoger beroep (formeel bij incidenteel hoger beroep) een vordering tegen MS AMLIN INSURANCE SE, maar dat is een nieuwe vordering in hoger beroep tegen iemand die geen partij was in eerste aanleg; die vordering is dus niet ontvankelijk (artikel 812 van het Gerechtelijk Wetboek). Het hoger beroep van MS AMLIN INSURANCE SE is dus gegrond. 5 De kosten De gerechtskosten van de beide aanleggen worden ten laste gelegd van A.A., de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek. Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag (geïndexeerd zoals van toepassing op het ogenblik van inberaadname; het proces-verbaal van de zitting vermeldt dat de partijen aanspraak maken op de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding zoals geïndexeerd op 1 juni 2021) 9.100,00 euro. 6 Het beschikkend gedeelte Het hof Verklaart het hoger beroep van MS AMLIN INSURANCE SE en het incidenteel hoger beroep van A.A. ontvankelijk; Verklaart het incidenteel hoger beroep van A.A. ongegrond en het hoger beroep van MS AMLIN INSURANCE SE gegrond als volgt: Hervormt het vonnis en spreekt opnieuw recht als volgt: Verklaart de vordering van A.A. tegen AMLIN EUROPE onontvankelijk; Stelt vast dat er voor de eerste rechter geen vordering is ingesteld tegen MS AMLIN INSURANCE SE. Verklaart de vordering van A.A. in hoger beroep tegen MS AMLIN INSURANCE SE onontvankelijk. Veroordeelt A.A. tot de betaling van de kosten van beide aanleggen, die voor eerste aanleg begroot door de eerste rechter, en die in hoger beroep begroot op de rechtsplegingsvergoeding van 9.100,00 EUR voor MS AMLIN INSURANCE SE, het rolrecht in hoger beroep van 400,00 EUR en de bijdrage van 20,00 EUR aan het Begrotingsfonds. Veroordeelt A.A. met toepassing van artikel 269² van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, zoals vervangen bij Wet van 14 oktober 2018 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen (B.S. 20 december 2018, ed. 2) tot betaling aan de Belgische Staat, FOD Financiën, van het rolrecht hoger beroep van 400,00 EUR en tot het definitief ten laste nemen van de bijdrage van 20,00 EUR aan het Begrotingsfonds. *********** Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer N van het hof van beroep te Brussel, op 31 oktober 2022, waar aanwezig waren en zitting hielden : Marc DEBAERE, Voorzitter, Karen PITEUS, Raadsheer, Claude VERHEYLEWEGHEN, Plaatsvervangend raadsheer, bijgestaan door Darie VAN IMPE, Griffier. D. VAN IMPE C. VERHEYLEWEGHEN K. PITEUS M. DEBAERE Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.