← België

HBK-SPAARBANK N.V. c. RSZ

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 februari 2002 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020218.4 Rolnummer: S.00.0142.N Zaak: HBK-SPAARBANK N.V. c. RSZ Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2003-04-18 Raadplegingen: 609 - laatst gezien 2026-06-19 06:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het arrest dat beslist dat het als loon beschouwde voordeel erin bestaat dat de werkgever de eigendomsparticipatie van zijn werknemers financiert door in te staan voor de betaling van hun aandelen via de continuïteitsbijdrage, en oordeelt dat de waarde van het als loon beschouwde voordeel overeenstemt met de aanschafwaarde van de toe te kennen aandelen, stelt het bedrag van de gevorderde sociale zekerheidsbijdragen vast op basis van de door de appèlrechters vastgestelde waarde van het loon beschouwde voordeel, waar het beslist dat de sociale zekerheidsbijdragen berekend moeten worden op de aanschafprijs van de toegekende aandelen. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Bijdragen - Grondslag - Loon - Voordeel - Aandelen - Financiering door werkgever - Continuïteitsbijdrage - Waardering - Aanschafwaarde toegekende aandelen Wettelijke bepalingen: Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Art. 14 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Wet 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers - 12-04-1965 - Art. 2 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Fiche 2 Wanneer de werkgever geen aangifte heeft gedaan van een voordeel of een voordeel te laag heeft gewaardeerd, dient de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid ambtshalve de waarde van het voordeel te bepalen en het bedrag van de verschuldigde bijdragen vast te stellen aan de hand van alle reeds voorhanden zijnde gegevens, of na daartoe alle nuttig geachte inlichtingen te hebben ingewonnen bij de werkgever; in geval van betwisting over het door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid vastgestelde bedrag, kan de feitenrechter de waarde van het voordeel, met het oog op de berekening van de verschuldigde bijdragen, bepalen aan de hand van alle gekende gegevens, ook wanneer deze dateren van na de betaling of toekenning van het als loon beschouwde voordeel. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Bijdragen - Grondslag - Loon - Voordeel - Waardering - Werkgever - Geen aangifte of te lage waardering - Gevolg - Rijksdienst voor Sociale Zekerheid - Ambtshalve waardering - Betwisting - Waardering door feitenrechter - In acht te nemen gegevens Wettelijke bepalingen: Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Artt. 21 en 23 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Fiche 3 Wanneer de betaling van loon dat verschuldigd is door de werkgever, door een derde gebeurt, wordt deze derde als werkgever beschouwd voor de inning en invordering van de verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen en treedt hij in de plaats van de werkgever voor de vervulling van alle verplichtingen betreffende dit loon. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Bijdragen - Inning en invordering - Betaling van loon - Tussenkomst van een derde - Verplichtingen Wettelijke bepalingen: Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Art. 43 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 KB 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 28-11-1969 - Art. 36 - 01 ELI link Pub nr 1969112813 Fiche 4 Het arrest dat oordeelt dat het als loon beschouwde voordeel bestaat in de financiering door de werkgever door een continuïteitsbijdrage van de aandelen van zijn werknemers in de personeelscoöperatie en dat de betaling van dit voordeel plaatsvindt op het ogenblik van de betaling van de continuïteitsbijdrage door de werkgever aan de personeelscoöperatie en niet op het ogenblik van de toekenning van de aandelen aan de werknemers door de personeelscoöperatie, beslist wettig dat de personeelscoöperatie geen derde is die tussenkomt in de betaling van het als loon beschouwde voordeel. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Bijdragen - Grondslag - Loon - Voordeel - Aandelen - Financiering - Betaling van loon - Tijdstip van betaling - Betaling van continuïteitsbijdrage - Toekenning van aandelen door personeelscoöperatie - Geen tussenkomst van een derde Wettelijke bepalingen: Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Art. 43 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 KB 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 28-11-1969 - Art. 36 - 01 ELI link Pub nr 1969112813 Fiche 5 Een aan de werknemers toegekend voordeel maakt deel uit van het loon wanneer de individuele werknemer, onder de overeengekomen voorwaarden, aanspraak kan maken ten laste van zijn werkgever op de toekenning van dat voordeel en hij zijn recht stoelt op de dienstbetrekking. Thesaurus CAS: LOON - ALGEMEEN Vrije woorden: Loonbegrip - Loonbeschermingswet - Voordeel Wettelijke bepalingen: Wet 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers - 12-04-1965 - Art. 2 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Fiche 6 De verplichtingen van de werkgever om de bijdrage van de werknemer bij iedere betaling van het loon in te houden en deze, samen met zijn bijdrage, om de drie maanden over te maken aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, vereist niet dat het toegekende voordeel op het ogenblik van de betaling daadwerkelijk in het vermogen van de betrokken werknemer terechtkomt, aangezien ook de betaling van sommen aan een derde als de betaling van loon kan worden beschouwd, mits de werknemer aanspraak kan maken op die uitbetaling en hij zijn recht stoelt op de dienstbetrekking. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Bijdragen - Verplichtingen werkgever - Betaling van loon - Betaling aan een derde Wettelijke bepalingen: Wet 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers - 12-04-1965 - Art. 2 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Art. 23 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Fiches 7 - 8 Het arrest dat te kennen geeft dat het gedeelte van de door de werkgever betaalde continuïteitsbijdrage waarop sociale zekerheidsbijdragen gevorderd worden voldoende geïndividualiseerd of individualiseerbaar was bij de betaling van de continuïteitsbijdrage, kan wettig beslissen dat met de betaling van de continuïteitsbijdrage door de werkgever aan de personeelscoöperatie, het voordeel werd betaald dat als loon moet worden beschouwd voor de heffing van de gevorderde sociale zekerheidsbijdragen. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Bijdragen - Inning en invordering - Betaling van loon - Betaling door werkgever - Continuïteitsbijdrage - Individualiseerbaar voordeel Wettelijke bepalingen: Wet 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers - 12-04-1965 - Art. 2 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Artt. 14 en 23 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Thesaurus CAS: LOON - ALGEMEEN Vrije woorden: Loonbegrip - Loonbeschermingswet - Betaling van loon - Betaling door werkgever - Continuïteitsbijdrage - Individualiseerbaar voordeel Wettelijke bepalingen: Wet 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers - 12-04-1965 - Art. 2 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Artt. 14 en 23 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Tekst van de beslissing Nr. S.00.0142.N.- HBK-SPAARBANK, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel gevestigd te 2018 Antwerpen, Lange Lozanastraat 250, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer 74, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Waterloolaan 76, verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, in aanwezigheid van PERSONEELSCOOPERATIE HBK, coöperatieve vennootschap, met zetel gevestigd te 2018 Antwerpen, Lange Lozanastraat 250, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer 217.225. tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij. Nr. S.00.0143.N.- PERSONEELSCOOPERATIE HBK, coöperatieve vennootschap, met zetel gevestigd te 2018 Antwerpen, Lange Lozanastraat 250, ingeschre¬ven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer 217.225. eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9031 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Waterloolaan 76, verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, in aanwezigheid van HBK-SPAARBANK, naamloze vennootschap, met zetel gevestigd te 2018 Antwerpen, Lange Lozanastraat 250, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer 74. tot bindendverklaring van het arrest opgeroepn partij. I. Bestreden uitspraak De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest, op 10 december 2000 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen III. A. Eiseres voert in haar verzoekschrift in zake nr. S.00.0142.N twee middelen aan. A. 1. Eerste middel Geschonden wettelijk bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet ; - de artikelen, 14, 21, 22 en 23 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (art. 21 in de versies zoals het bestond vóór en na de wijziging van die wetsbepaling bij wet van 20 juli 1991 ; artikel 23 in de versies zoals het bestond vóór en na de wijziging van die wetsbepaling bij wet van 6 juli 1989) ; - de artikelen 23, eerste en tweede lid, en 38, §1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers ; - artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers ; - de artikelen 20 en 34, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ; - de artikelen 29,§2, en 147bis, §2, van de Vennootschappenwet die Boek I, titel IX, van het Wetboek van Koophandel uitmaakt (artikel 147bis, §2, in de versies zoals het bestond vóór en na de wijziging van die wetsbepaling bij wet van 20 juli 1991). Aangevochten beslissing Het arbeidshof verklaart het hoger beroep van eiseres ongegrond en bevestigt het beroepen vonnis dat eiseres, rekening houdend met een nominale waarde van 1.000 BEF per aandeel, veroordeelt tot betaling van sociale zekerheidsbijdragen op de aandelen die de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij aan de werknemers van eiseres heeft toegekend, in al zijn onderdelen. Het arbeidshof aldus beslist op volgende gronden (pag. 5 8 van het arrest) : “Met onderhandse overeenkomsten van onder meer 5 november 1987 en 7 november 1989 gesloten tussen [eiseres en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] beoogden zij de participatie van de werknemers en het behoud van de zelfstandigheid van [eiseres]. Hierbij ging [eiseres] de verbintenis aan jaarlijks een bedrag ter beschikking te stellen dat berekend werd aan een percentage van 5 pct. van de aangroei van de eigen middelen in het laatst afgesloten boekjaar, voor zover dit verwezenlijkt werd door de jaarproductie, en dit vermenigvuldigd met de groeicoëfficiënt van het marktaandeel in de spaarbanksector volgens volgende formule : [...]. Na reservering van de sommen uit hoofde van betaling van de vennootschapsbelasting van 42,4 pct. en tot en met 1989 van de liquidatiebelasting uit hoofde van artikel 120 W.I.B. op de tegenwaarde van de deelbewijzen bij uittreding, werd het saldo van de continuïteitsbijdrage verdeeld. Deels werden de verdeelde sommen geblokkeerd voor de werknemers, die nog geen vijf jaar anciënniteit hadden. De verdeling van de deelbewijzen over de vennoten geschiedde op voet van gelijkheid, dus ongeacht functie of wedde. De deeltijdse werknemers ontvingen deelbewijzen a rato van hun prestaties. Volgens het overzicht dat door [eiseres] zelf werd opgesteld werden de nieuwe aandelen in de betrokken jaren telkens aan 1.000 BEF per aandeel ingeschreven. [...] Deels werden deze geïndividualiseerd, d.w.z. verdeeld en ingeschreven op de individuele aandelenboekjes van de effectieve vennoten werknemers. [...] Volgens [verweerder] zijn er bijdragen in de sociale zekerheid verschuldigd op de sommen die jaarlijks in het eerste kwartaal op de aandelenboekjes ingeschreven worden ten titel van nieuwe deelbewijzen. Hierbij wordt uitgegaan van een nominaal bedrag van 1.000 BEF per aandeel en dit voor een 200 tal werknemers [...]. [Eiseres] betwist deze vorderingen, alleszins de omvang van de basis voor de berekening van de bijdragen”, en verder (pag. 21 van het arrest): “Uit de weergave van de feiten bleek voldoende dat de aandelen voordelen kunnen opleveren, al is de realisatie ervan afhankelijk van meerdere voorwaarden: een blijvende band met [eiseres] (een arbeidsovereenkomst, brugpensioen, overlevende echtgenoten van een werknemer); - een anciënniteit in de dienstbetrekking van [eiseres] van vijf jaar of meer; een toename van het commercieel succes van [eiseres] (toename van de eigen middelen van [eiseres] ten aanzien van de spaarbanksector of van de spaarfondsen binnen de BSV). Deze voordelen ontstaan door de toekenning van dividenden en/of in de mogelijke waardevermeerdering van de aandelen zelf, die echter eerder theoretisch is nu de aandelen niet verhandelbaar zijn. De waarde ervan is volstrekt afhankelijk van de beslissing van het beheersorgaan over te gaan tot herwaardering ervan en kan dus niet voortvloeien uit het spel van vraag en aanbod. Bij gebrek daaraan blijft de waarde ervan dus gelijk aan de conventionele waarde (artikel 29 van het koninklijk besluit 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen, B.S. 19 oktober 1976). In de statuten wordt bovendien voorzien dat de verkoop van de aandelen van de werknemersvennoten, die [eiseres] en dus eveneens [de tot bindend verklaring van het arrest opgeroepen partij] verlaten, geschiedt aan een door het beheersorgaan te bepalen prijs, die de balanswaarde niet mag overschrijden. In de balansen werd op de aandelen in casu nooit enige waardevermindering, noch waardevermeerdering ingeboekt. Hierbij kan tevens worden opgemerkt dat [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] geen eigen activiteit heeft en dat haar inkomsten zich enkel situeren in de door [eiseres] besloten overgemaakte continuïteitsbijdragen en de opbrengst van de in [eiseres] en de in de NV Logipar gedane investeringen. Op die wijze kan [eiseres] het zogenaamd winst¬gevend karakter van [de tot bindend verklaring van het arrest opgeroepen partij] controleren en aldus eveneens de waardebepaling van de aandelen zelf in [de tot bindend verklaring van het arrest opgeroepen partij]”, en verder (pag. 22 28 van het arrest): “[Eiseres] dient wel toe te geven dat aandelen ‘met een nominale waarde van 1.000 BEF’ toebedeeld zijn aan individuele vennoten, zoals onder meer blijkt uit de lijsten van deelname in de kapitaalsverhogingen over 1982 tot en met 1994. [...] Waar [eiseres] aldus de eigendomsparticipatie van haar werknemers financiert door in te staan voor de betaling van hun aandelen via de continuïteitsbijdrage, bekomen deze werknemers alleszins een in geld waardeerbaar voordeel [...]. Omdat het in casu een voordeel is in een andere vennootschap, met name [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij], wil [eiseres] voorhouden dat het voordeel door [de tot bindend verklaring van het arrest opgeroepen partij] zou zijn toegekend. In verband met het in geld waardeerbaar karakter kan bovendien verwezen worden naar artikel 5 en 6 van de statuten van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij], en naar de lijsten van [eiseres] waar per vennoot over het jaar 1988, 1989 en 1990 de deelname en het aantal aandelen wordt gespecifieerd en die aantonen dat de voordelen in geld gewaardeerd worden. De gewijzigde berichten van [verweerder] zijn hierop gebaseerd, alsmede de rekeninguittreksels en de erop volgende dagvaardingen. Op grond van artikel 22 van de Sociale Zekerheidswet moet [verweerder] immers het bedrag van de bijdrage vaststellen : ‘aan de hand van alle reeds voorhanden zijnde gegevens of, na alle daartoe nuttig geachte inlichtingen te hebben ingewonnen bij de werkgever, die verplicht is deze te verstrekken’. [Verweerder] heeft zich gebaseerd op de lijst van de aandelen en de waardebepalingen ervan, zoals [eiseres] ze zelf aan adjunct-inspecteur Heynen heeft overhandigd. De argumentatie van [eiseres] als zou de waardebepaling foutief zijn is niet aangetoond en wordt tegengesproken doordat op basis van deze waardebepaling door [eiseres] ook werd betaald. [...] Voor de in concreto waardering verwijzen [eiseres en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] hier naar artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 om voor te houden dat de waardering dient te gebeuren volgens de courante waarde ; artikel 20 van het koninklijk besluit is echter enkel van toepassing op voordelen in natura maar niet op aandelen van een vennootschap [...]. Uit het artikel 29, §2, van de Vennootschappenwet volgt dat ieder aandeel overeenstemt met een inbreng in geld of met een inbreng in natura. Voor een coöperatieve vennootschap dient verwezen te worden naar artikel 147bis van de vennootschappenwet. De verwijzing door [eiseres en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] naar de zogenaamde onoverdraagbaarheid en onverhandelbaarheid van de aandelen is dan ook niet ter zake, daar, rekeninghoudend met de inbreng, de waarde van de aandelen wordt vastgelegd [...] Ook in deze tekst van [eiseres] wordt dus andermaal de deelname in de winst naar voren gebracht, wat uiteraard het doel is van een aandeel in een vennootschap; het dient dan ook aanvaard te worden dat de toekenning van de aandelen in [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] aan de werknemers van [eiseres] een in geld waardeerbaar voordeel is; de concrete waardering van dergelijk aandeel gebeurt normaal op grond van de aangifte door de werkgever volgens artikel 21 van de Sociale Zekerheidswet. Bij niet akkoord met deze aangifte kan [verweerder] op grond van artikel 22 van de Sociale Zekerheidswet ambtshalve het bedrag van de verschuldigde bijdragen bepalen, maar dit gebeurt dan ‘aan de hand van alle reeds voorhanden zijnde gegevens of na alle daartoe nuttig geachte inlichtingen te hebben ingewonnen bij de werkgever, die verplicht is ze te verstrekken’. In het wijzigingsbericht werd uitgegaan van de gekende nominale waarde, zijnde de gegevens die door [eiseres] werden verstrekt; de aandelen werden de facto betaald volgens hun nominale waarde, zodat over de waardebepaling geen twijfel meer kan bestaan. Bovendien blijkt uit de toelichting van [eiseres] dat dezelfde nominale waarde terugbetaald wordt wanneer de werknemer uit de [tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] uittreedt, zodat niet alleen bij het intreden, maar ook bij het uittreden een identieke waardebepaling van het aandeel plaatsvindt en men dus wel degelijk kan spreken over de courante waarde. De voorwaarden die aan het aandelenbezit verbonden zijn, zijn bovendien aan de werknemer bekend op het ogenblik dat hij het aandeel bekomt en in de vennootschap intreedt, zodat deze voorwaarden door de werknemer worden aanvaard en niettemin deze voorwaarden geen weerslag hebben op de betaling van de prijs die de werknemer alsdan voor het aandeel zou moeten betalen, maar in casu niet betaalt omdat zijn werkgever dit voor hem doet via de continuïteitsbijdrage. Er dient dan ook te worden besloten dat: het aandeel ter zake in geld waardeerbaar is; [verweerder] correct toepassing heeft gemaakt van artikel 22 van de Sociale Zekerheidswet in verband met de bepaling van de waarde van het aandeel, gelet op de voorhanden zijnde gegevens en de nuttige inlichtingen die door de werkgever werden verstrekt. [...] De concrete voordelen zijn moeilijk in te schatten maar het is onbetwistbaar dat de reële kost om de werknemer toe te laten tot de voordelen, voortvloeiend uit het aandelenbezit te laten genieten, neerkomt op de aankoopprijs van een aandeel, te weten 1.000 BEF per aandeel, zoals blijkt uit de lijsten die [eiseres en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] neerleggen. In het verband tussen de voordelen toegekend door [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] en het bestaan van de arbeidsovereenkomst is een drievoudig onderscheid te maken: door zijn arbeidsovereenkomst kan de werknemer na vijf jaar anciënniteit vennoot worden om aldus in aanmerking te komen tot het bekomen van jaarlijkse aandelen en dividenden; door het voortduren van de arbeidsovereenkomst kan de werknemer zijn voordeel behouden en er het jaarlijks genot van ontvangen; door het beëindigen van de arbeidsovereenkomst kan de werknemer zijn aandelen in geld verzilveren. In de eerste fase (

  1. a)volgt de toekenning van aandelen aan de betrokken werknemer niet uit de statuten van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij], die enkel betrekking hebben op de daadwerkelijke vennoten. Het is pas door de verwerving van de eerste aandelen dat de betrokken werknemer vennoot wordt. Dit is dan ook enkel het gevolg van de financiering van zijn aandelen door [eiseres] als onderdeel van de door haar gestorte continuïteitsbijdrage. Dit eerste pakket aandelen is dan ook de betaling van een ‘kans’ op een ‘jaarlijkse premie’ onder vorm van dividenden en op een ‘uittredingsvergoeding’ onder de vorm van de inkoop of overdracht van zijn aandelen die hij bij het verlaten van zijn dienstbetrekking kan verwerven. Nu deze premie en uitdiensttreding dermate georganiseerd is dat de werknemer er geen absoluut recht op heeft en de beslissing tot uiteindelijke uitbetaling en de omvang ervan geïnterfereerd wordt door tal van externe factoren, kan [verweerder] worden bijgetreden dat het voordeel, voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst in deze fase geraamd moet worden op de waarde vereist om van deze voordelen te kunnen genieten, te weten de boekwaarde van de toegekende aandelen en dus niet op de uiteindelijk reëel te bekomen voordelen. Deze redenering geldt ogenschijnlijk enkel voor de toekenning van het eerste pakket aandelen, waardoor de betrokken werknemer het statuut van vennoot verwerft. In de tweede fase (
  2. b)vloeit het recht op toekenning van nieuwe pakketten aandelen voort uit de statuten van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] en de erop geënte jaarlijkse beslissing van de beheersorganen van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij]. Dit is echter een voorwaardelijke toekenning die afhankelijk is van de daadwerkelijke storting van de continuïteitsbijdrage [...]. De ware 'activiteiten' van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] bestaan dan ook in de door haar o.a. in het jaarverslag uitgewerkte aanmoedigingen van de werknemers van [eiseres] tot hogere productiviteit alsmede in de inbreng van deze vennoten zelf, waarbij deze daadwerkelijk in het bedrijf van [eiseres] deze verhoogde productieve arbeid verrichten. In deze optiek is de jaarlijkse toekenning van de aandelen aan deze werknemers dan ook niet anders dan de waardering van hun arbeid. Nu het inboeken van deze inbreng en de waardering ervan geschiedt door de financiering mits een bijdrage door [eiseres], betekent dit, wat betreft de rechtstreekse arbeidsrechtelijke verhouding tussen [eiseres] en de betrokken werknemer, niets anders dan het toekennen van een bijkomende premie onder de vorm van een bijkomende kans op de voordelen voortvloeiend uit de jaarlijks toebedeelde aandelen. De waarde hiervan is gelijk aan de aanschafprijs van deze bijkomende kans, te weten 1.000 BEF per aandeel. Wanneer de werknemer vennoot in de laatste fase (
  3. c)uittreedt als werknemer en vennoot en zijn aandelen kan verzilveren dan betekent de omzetting van de aandelen in gelden niets anders dan het verzilveren van de opgebouwde kansen op voordelen. Dit is dus ten aanzien van [eiseres] geen nieuw voordeel, doch de tegeldemaking van de reeds verworven voordelen. [Verweerder] neemt dan ook over de betrokken periode terecht de bedragen van de verworven aandelen in aanmerking, waarvan [eiseres en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] voorhielden dat deze 1.000 BEF per aandeel hadden gekost en derhalve een waarde in geld uitmaakten [...]. Het door [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] bezorgde overzicht geeft inderdaad per werknemer aan wat de financiële kost was in de betrokken periode voor de financiering van de toegekende aandelen, anders gesteld op grond van welk bedrag hun inbreng in arbeid werd ingeboekt. Of deze aandelen hun waarde behielden is niet relevant, nu dit afhankelijk was van de eigen werking van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij]. Lastens [eiseres] staat enkel vast dat zij in de respectieve jaren de in het overzicht opgesomde bedragen onrechtstreeks doch exclusief gefinancierd heeft om haar werknemers van de aan deze aandelen verbonden voordelen te laten genieten. Op het moment van de toekenning van de aandelen komt de waarde ervan ten bedrage van de geldende balanswaarde als schuldvordering lastens [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] in het patrimonium terecht van de individuele werknemer [...] en verlaat het dus het patrimonium van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] die, hoewel ze houder blijft van de fondsen, een gelijke som als schuld lastens de aandeelhouder dient te boeken. In de arbeidsrechtelijke verhouding tussen [eiseres] en haar werknemers is enkel de financiering van de aandelen relevant en niet de waarde evolutie van de aandelen zelf. Hierbij kan enkel de aanschafwaarde relevant zijn. Enige actualisering van deze waarde is derhalve niet aan de orde. De aanschaf van aandelen kostte in de betrokken periode steeds 1.000 BEF per aandeel, zodat door de vermenigvuldiging van deze aanschafwaarde met het aantal toegekende aandelen de omvang van het voordeel uitsluitend in geld dient gewaardeerd te worden. [Eiseres] wil dit situeren in de vernoemde derde fase om te stellen dat de sociale-zekerheidsbijdragen slechts dienen betaald te worden na de effectieve betaling van het loon, waarbij [eiseres] verkeerdelijk verwijst naar de Algemene Onderrichtingen ten behoeven van de werkgevers en naar het cassatiearrest van 16 september 1985 (J.T.T. 1986, 242). Dit cassatiearrest bevestigt de algemene regel dat de sociale-zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn van zodra het loon verschuldigd is: (...) dat, blijkens artikel 34 van voormeld koninklijk besluit de bijdragen opeisbaar worden door het verstrijken van de termijn waarvoor ze, ingevolge de tewerkstelling gedurende die periode, verschuldigd zijn”. Het cassatiearrest gaat dan verder in verband met de toepassing van deze algemene regel op de gemensualiseerde opzeggingsvergoeding, waarbij vastgesteld wordt “dat artikel 35bis van dit koninklijk besluit die regel aanpast”. Het Hof van Cassatie heeft dus uitdrukkelijk bepaald dat artikel 35bis geen afwijking is van de algemene regel, die inhoudt dat de sociale bijdragen moeten worden betaald op het ogenblik van het verschuldigd zijn van het loon; artikel 35bis is een specifieke aanpassing van het algemeen principe, wat betreft de gemensualiseerde opzeggingsvergoeding, en verder (pag. 30 31 van het arrest) : “De essentie van de aaneengeschakelde juridische verhoudingen tussen [eiseres] en haar werknemers, tussen [eiseres en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] onderling en tussen [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] met dezelfde werknemer vennoot is dat [eiseres] via deze werkgever bovenop het normale loon voordelen aan zijn werknemer financiert die deze uiteindelijk in de vorm van aandelen in [de tot bindendverklaring van het arrest op¬geroepen partij] verkrijgt; o.m. uit de jaarverslagen vanaf 1979 t/m 1990 blijkt deze praktijk bestaan te hebben. Vanaf 1991 heeft [eiseres] éénzijdig de betaling van de continuïteitsbijdrage stopgezet om reden, zoals in de overeenkomst tussen [eiseres en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] voorzien, dat er bij [eiseres] geen meerwaardeaangroei was van de eigen middelen. Anderzijds heeft [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] geen individualisering doorgevoerd door middel van toekenning van aandelen op naam aan de vennoten werknemers, wat zij overige jaren wel heeft gedaan in verhouding tot de gepresteerde arbeidstijd zoals dit blijkt uit de neergelegde jaarverslagen van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij]. [...] Aldus worden de werknemers bevoordeeld in geval van positieve productiviteit en dit voordeel wordt geconcretiseerd door het aandeel dat de werknemers voor rekening van [eiseres] bekomen in [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij]. Het is enkel op de waarde van dit aandeel dat [verweerder] RSZ bijdragen aanrekent en het heeft dan ook geen enkel belang of een deel van de door [eiseres] betaalde continuïteitsbijdragen volgens artikel 2 van de overeenkomst tussen [eiseres en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij], geherinvesteerd wordt in H.B.K. aandelen of op een andere wijze gereserveerd wordt (bv. ten voordele van werknemers die nog geen aandeelhouder zijn omdat zij niet de nodige anciënniteit hebben). Hierop wordt immers geen bijdrage gevorderd en de bijdrage beperkt zich tot de waarde van de aandelen die aan de personeelsleden van [eiseres] worden toegekend, zonder dat deze personeelsleden hiervoor een eigen geldelijke inbreng dienen te doen, daar de financiële middelen ter beschikking worden gesteld door [eiseres], op grond van artikel 1 van de overeen¬komst die zij afsloot met [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij]. [...] [Verweerder] vordert echter geen sociale bijdragen op bv. de dividenden, daar dit een voordeel is, hetwelk krachtens de statuten van de vennootschap wordt toegekend, maar wel sociale bijdragen op het aandeel, hetwelk met de middelen van [eiseres] gecreëerd wordt ten voordele van haar werknemers omwille van hun dienstbetrekking”, en verder (pag. 38 van het arrest): “De continuïteitsbijdragen zijn wel degelijk relevant voor de vorderingen van [verweerder] daar deze bijdragen dienden tot financiering van de individuele toegekende aandelen, waarop [verweerder] de Sociale-zekerheidsbijdragen berekent”, en verder (pag. 40 van het arrest): “De beslissing van de aandeelhouders van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] creëert geen geldstroom, doch beslist enkel over de herschikking van een binnenkomende geldstroom en dit in overleg met [eiseres], die mee in het directiecomité zetelt. Zoals later zal worden herhaald, impliceert deze binnenkomende geldstroom een virtuele verrijking van de aandelen. De jaarlijkse beslissing over de bestemming van de continuïteitsbijdrage beïnvloedt deze verrijking niet essentieel. De aankoop van aandelen in [eiseres] is immers een omzetting van het aanwezig kapitaal. Het niet geïnvesteerd kapitaal is per definitie reeds pro rata eigendom van de aandeelhouders. De beslissing van de algemene vergadering kan evenzo inhouden over te gaan tot herwaardering van de bestaande aandelen als, zoals in casu, tot het uitschrijven en toekennen van nieuwe aandelen. Dit is dus inderdaad louter een boekhoudkundige inschatting en boeking van de reeds reëel bestaande verhoudingen tussen aandeelhouders en vennootschap”, en verder (pag. 41-43 van het arrest): “Het toekennen van aandelen is in deze context enkel het declaratief vastleggen van de schuldvordering van de individuele werknemer op het gezamenlijk doch afgescheiden patrimonium. Er gebeurt dus bij de toekenning van aandelen geen onmiddellijke geldstroom naar de individuele werknemer. De uitbetaling door [eiseres] realiseert zich op het moment van de betaling van de continuïteitsbijdrage [...]. Hierbij dient opgemerkt te worden dat, zo bij de ontvangst van de continuïteitsbijdrage niet tot het toekennen van nieuwe aandelen zou beslist worden, het gezamenlijk patrimonium evenzeer en in dezelfde mate verrijkt is en er zich boekhoudkundig een herwaardering van de bestaande aandelen zou opdringen, zodat, behoudens voor nieuwe vennoten, de gelden eveneens naar de individuele aandeelhouders zouden terugvloeien. De beslissing tot het toekennen van nieuwe aandelen is derhalve een beslissing tot herschikking van het eigen vermogen en kan derhalve op zich niet meer aangezien worden als een uitbetaling van loon. Door de beslissing opteert men voor de verdeling van het maatschappelijk kapitaal over meerdere aandelen, in plaats van een opwaardering van de bestaande aandelen. De individuele werknemer heeft vanaf de storting van de continuïteitsbijdrage een aantal virtueel hoger gewaardeerde aandelen en ziet deze waarde, door de beslissing tot toekenning van bijkomende aandelen, nadien verspreid over meerdere aandelen, waarvan in de balans voorgehouden wordt dat deze in de betrokken periode steeds hun aanschafwaarde van 1.000 BEF hebben behouden. De impliciete verrijking door het verstrekte voordeel geschiedt dus wel degelijk op het moment van de ontvangst van de continuïteitsbijdrage in het gezamenlijk vermogen en niet zozeer op het moment van de toekenning van de nieuwe aandelen”. Grieven A. 1.1. Eerste onderdeel Artikel 149 van de Grondwet verplicht de rechter zijn vonnis of arrest regelmatig met redenen te omkleden. De rechterlijke beslissing waarvan het beschikkend gedeelte op tegenstrijdige redenen is gegrond, is niet regelmatig met redenen omkleed. De appèlrechters overwegen, zoals in het middel wordt aangehaald, dat op het moment van de toekenning van de aandelen de waarde ervan als schuldvordering ten laste van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij in het patrimonium van de werknemer terechtkomt (pag. 27, laatste alinea van het arrest). De appèlrechters beslissen eveneens dat de uitbetaling van het als loon beschouwde voordeel op het ogenblik van de storting van de continuïteitsbijdrage plaatsvindt (pag. 42, b), derde alinea van het arrest). Het arbeidshof stelt nochtans zelf vast dat de toekenning van de aandelen is geschied, nadat de aandeelhouders van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij daartoe hebben beslist en een herschikking van de binnenkomende geldstroom hebben doorgevoerd (pag. 7-8 en 40 van het arrest). Uit die vaststelling van de appèlrechters volgt dat de toekenning van de aandelen niet op hetzelfde ogenblik als de storting van de continuïteitsbijdrage, maar op een later tijdstip is geschied en dat de betaling van het als loon beschouwde voordeel niet gelijktijdig op het ogenblik van de storting van de continuïteitsbijdrage en op het ogenblik van de toekenning van de aandelen kan zijn geschied. De beslissing van de appèlrechters dat de nominale waarde van 1.000 BEF per aandeel overeenstemt met de courante waarde der aandelen bijgevolg op tegenstrijdige motieven berust, nu de appèlrechters tezelfdertijd beslissen dat de betaling van het als loon beschouwde voordeel plaatsvindt op het ogenblik van de storting van de continuïteitsbijdrage en op het ogenblik van de toekenning van de aandelen. Hieruit volgt dat het arrest niet regelmatig met redenen is omkleed, vermits de appèlrechters hun beslissing dat de waarde van het als loon beschouwde voordeel moet worden vastgesteld op de nominale waarde van 1.000 BEF per aandeel, gronden op tegenstrijdige redenen (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). A. 1.2. Tweede onderdeel Artikel 149 van de Grondwet verplicht de rechter zijn vonnis of arrest regelmatig met redenen te omkleden. Een arrest is ook niet regelmatig met redenen omkleed, wanneer het op dubbelzinnige redenen is gegrond. Een beslissing is op dubbelzinnige redenen gegrond, wanneer die redenen op verschillende wijzen kunnen worden uitgelegd en de beslissing volgens één of meer van die uitleggingen naar recht verantwoord is en volgens een of meer andere niet. De appèlrechters overwegen dat op het moment van de toekenning van de aandelen de waarde ervan als schuldvordering ten laste van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij in het patrimonium van de werknemer terechtkomt (pag. 27, laatste alinea van het arrest) en dat de uitbetaling van het als loon beschouwde voordeel op het ogenblik van de storting van de continuïteitsbijdrage plaatsvindt (pag. 42, b), derde alinea van het arrest). Voor zover het Hof zou oordelen dat het arrest niet op tegenstrijdige motieven berust, laat het arrest in ieder geval niet toe uit te maken of de appèlrechters nu beslissen dat de betaling van het als loon beschouwde voordeel op het ogenblik van de storting van de continuïteitsbijdrage is geschied, dan wel op het ogenblik van de toekenning van de aandelen heeft plaatsgevonden. De beslissing van de appèlrechters echter volgens de ene uitlegging wel naar recht verantwoord is, maar volgens de andere uitlegging niet. Indien het arrest aldus dient gelezen dat de appèlrechters zouden beslissen dat de betaling op het ogenblik van de storting van de continuïteitsbijdrage is geschied, de appèlrechters hun beslissing waarbij zij de waarde van het als loon beschouwde voordeel vaststellen op de nominale waarde van 1.000 BEF per aandeel, immers niet naar recht verantwoorden. omdat het arbeidshof in dat geval het als loon beschouwde voordeel niet waardeert op het ogenblik waarop het volgens de appèlrechters zelf is uitbetaald, maar op een tijdstip en op basis van feitelijke gegevens die dateren van na de betaling van het als loon beschouwde voordeel, zoals in het achtste onderdeel van het middel verder wordt ontwikkeld. Het arrest derhalve niet regelmatig met redenen is omkleed, vermits de appèlrechters hun beslissing dat de waarde van het als loon beschouwde voordeel moet worden vastgesteld op de nominale waarde van 1.000 BEF per aandeel, gronden op dubbelzinnige redenen (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). A. 1.3. Derde onderdeel Overeenkomstig artikel 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en 23 en 38, §1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, worden de sociale-zekerheidsbijdragen berekend op grond van het loon der werknemers dat bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming (van het loon) is bedoeld. Artikel 2 van de wet van 12 april 1965 definieert het loon van de werknemer als het loon in geld of de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever. De basis voor de berekening van de sociale-zekerheidsbijdragen bestaat krachtens die wetsbepalingen bijgevolg in het aan de werknemer toegekende voordeel en niet in de kost voor de werkgever om dat voordeel aan zijn werknemer toe te kennen. Het arbeidshof stelt vast dat de reële kost voor eiseres om haar werknemers toe te laten tot de voordelen die uit het bezit van aandelen van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij voortvloeien, neerkomt op de aankoopprijs van een aandeel te weten, 1.000 BEF per aandeel, (pag. 25 van het arrest). Het arbeidshof beslist dat de sociale-zekerheidsbijdragen moeten worden berekend op de aanschafprijs van de bijkomende kans op de voordelen voortvloeiend uit de jaarlijks toebedeelde aandelen. Het arbeidshof stelt aldus het bedrag van de gevorderde sociale-zekerheidsbijdragen niet vast op basis van het loon van de werknemers van eiseres, zijnde het aan deze werknemers toegekende voordeel, maar op basis van de kostprijs voor eiseres om haar werknemers dat voordeel te laten genieten. Hieruit volgt dat het arbeidshof het wettelijk begrip ‘loon’ en inzonderheid het begrip ‘in geld waardeerbaar voordeel’ miskent en in strijd met uitdrukkelijke wetsbepalingen de gevorderde sociale-zekerheidsbijdragen niet op het loon van de werknemers van eiseres berekent door te beslissen dat verweerder terecht sociale-zekerheidsbijdragen vordert op basis van de aanschafprijs van 1.000 BEF per aandeel, op grond dat die prijs overeenstemt met de reële kost voor eiseres om haar werknemers toe te laten tot de uit het aandelenbezit voortvloeiende voordelen (schending van de artikelen 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, 23, en 38, §1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, zoals in het middel gepreciseerd). A. 1.4. Vierde onderdeel Zoals in het eerste onderdeel is uiteengezet, sociale zekerheidsbijdragen worden berekend op grond van het loon van de werknemer dat zowel in geld uitgedrukte als in geld waardeerbare voordelen omvat. Overeenkomstig artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders de niet in geld uitgedrukte, maar in geld waardeerbare voordelen in natura met het oog op de berekening van de sociale-zekerheidsbijdragen worden geschat tegen een in franken uitgedrukt bedrag dat met hun courante waarde overeenstemt. Voordelen in natura zijn zowel goederen als producten en aandelen moeten als voordelen in natura worden beschouwd. Sociale-zekerheidsbijdragen op als loon toegekende aandelen moeten bijgevolg worden berekend op de courante waarde van de aandelen. Eiseres voerde in haar verzoekschrift tot hoger beroep (pag. 10 en 12-15) en in haar appèlconclusie (pag. 14-16) aan dat de aandelen van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij op hun courante waarde moeten worden gewaardeerd. Het arbeidshof beslist evenwel dat artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 enkel van toepassing is op voordelen in natura, maar niet op aandelen van een vennootschap. Het arbeidshof beslist aldus niet naar recht dat de aandelen niet mogen worden beschouwd als voordelen in natura die met het oog op de betaling van sociale-zekerheidsbijdragen op hun courante waarde moeten worden geschat. Hieruit volgt dat het arbeidshof door op die gronden te beslissen dat verweerder terecht sociale-zekerheidsbijdragen vordert op basis van de nominale waarde van 1.000 BEF per aandeel ten eerste het wettelijk begrip ‘loon’ en inzonderheid het begrip ‘in geld waardeerbaar voordeel’ miskent (schending van de artikelen 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, 23, en 38, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, zoals in het middel gepreciseerd) en ten tweede zijn beslissing dat de aandelen van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij met oog op de betaling van sociale-zekerheidsbijdragen niet op hun courante waarde moeten worden gewaardeerd, niet naar recht verantwoordt (schending van de artikelen 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, 23, en 38, §1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers en 20 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals in het middel gepreciseerd). A. 1.5. Vijfde onderdeel Zoals in het vierde onderdeel is uiteengezet, moeten sociale-zekerheidsbijdragen op als loon toegekende aandelen bijgevolg worden berekend op de courante waarde van de aandelen. Eiseres voerde in haar verzoekschrift tot hoger beroep (pag. 10 en 12-15) en in haar appèlconclusie (pag. 14-16) aan dat met het oog op de waardering van de aandelen rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat de aandelen onbeschikbaar zijn tot op het tijdstip waarop de vennoot uit de tot bindend verklaring van het arrest opgeroepen partij treedt. Het arbeidshof beslist evenwel dat ieder aandeel overeenkomstig de vennootschapswet overeenstemt met een inbreng in geld of in natura en dat de waarde van de aandelen rekening houdend met de inbreng moet worden vastgesteld en de onoverdraagbaarheid van de aandelen dienaangaande niet ter zake doet (pag. 23 van het arrest). Het arbeidshof beslist aldus niet naar recht dat de aandelen van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij niet moeten worden gewaardeerd op hun courante waarde, maar op de waarde die met de inbreng overeenstemt en dat geen rekening mag worden gehouden met de onoverdraagbaarheid van de aandelen. Hieruit volgt dat het arbeidshof, door op die gronden te beslissen dat verweerder terecht sociale-zekerheidsbijdragen vordert op basis van de nominale waarde van 1.000 BEF per aandeel, ten eerste zijn beslissing dat de aandelen van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij met oog op de betaling van sociale-zekerheidsbijdragen niet op hun courante waarde moeten worden gewaardeerd, niet naar recht verantwoordt (schending van de artikelen 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, 23, en 38,§1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers en 20 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals in het middel gepreciseerd), en ten tweede door rekening te houden met de inbreng en de onoverdraagbaarheid van de aandelen buiten beschouwing te laten, de waarde van de aandelen niet op hun courante waarde, maar op een andere waarde vaststelt (schending van de artikelen 20 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en 29, §2, en 147bis, §2, van de wet van 30 november 1935 houdende gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, zoals in het middel gepreciseerd). A. 1.6. Zesde onderdeel Overeenkomstig artikel 21 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, moet iedere verzekeringsplichtige werkgever aan verweerder een aangifte doen geworden met verantwoording van (het) bedrag van de verschuldigde bijdragen. Overeenkomstig artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, worden de niet in geld uitgedrukte, maar in geld waardeerbare voordelen in natura met het oog op de berekening van de sociale-zekerheidsbijdragen geschat tegen een in franken uitgedrukt bedrag dat met hun courante waarde overeenstemt. Artikel 22 van de wet van 27 juni 1969 kent aan verweerder de bevoegdheid toe ambtshalve het bedrag van de gevorderde bijdragen aan de hand van alle reeds voorhanden zijnde of ingewonnen gegevens te bepalen, wanneer geen dan wel een onvolledige of onjuiste aangifte van de gevorderde bijdragen door de werkgever is gedaan. Deze wetsbepaling staat aan verweerder evenwel niet toe de op voordelen in natura gevorderde sociale-zekerheidsbijdragen op een andere basis dan de courante waarde van die voordelen vast te stellen, maar laat verweerder alleen toe de courante waarde van voordelen in natura ambtshalve vast te stellen, wanneer de werkgever geen dan wel een onvolledige of onjuiste aangifte heeft gedaan. Het arbeidshof stelt vast dat de wijzigingsberichten, de rekeninguittreksels en de dagvaardingen van verweerder zijn gebaseerd op de lijsten van eiseres waarin per vennoot over het jaar 1988, 1989 en 1990 de deelname en het aantal aandelen wordt gespecificeerd en dat de wijzigingsberichten uitgaan van de gekende nominale waarde der aandelen. Het arbeidshof overweegt voorts dat de concrete waardering van een aandeel normaal gebeurt op grond van de aangifte door de werkgever en bij niet akkoord ambtshalve door verweerder. Het arbeidshof beslist op die gronden dat verweerder de waarde der aandelen met een correcte toepassing van artikel 22 van de wet van 27 juni 1969 heeft vastgesteld. Het arbeidshof laat aldus verweerder toe sociale-zekerheidsbijdragen op de nominale waarde in plaats van op de courante waarde der aandelen te vorderen, ingeval de werkgever geen of een onvolledige of onjuiste aangifte van het bedrag der sociale-zekerheidsbijdragen heeft gedaan. Het arbeidshof, door op die gronden te beslissen dat verweerder de gevorderde sociale-zekerheidsbijdrage terecht op basis van de nominale waarde van 1.000 BEF per aandeel heeft berekend, miskent derhalve de regel dat aandelen met het oog op de berekening van de sociale-zekerheidsbijdragen op hun courante waarde moeten worden geschat (schending van de artikelen 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, 23, en 38, §l, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers en 20 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals in het middel gepreciseerd) en beslist niet naar recht dat van die regel mag worden afgeweken ingeval van ambtshalve vaststelling van de sociale-zekerheidsbijdragen door verweerder (schending van de artikelen 21 en 22 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en 20 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals in het middel gepreciseerd). A. 1.7. Zevende onderdeel Overeenkomstig artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders de niet in geld uitgedrukte, maar in geld waardeerbare voordelen in natura met het oog op de berekening van de sociale-zekerheidsbijdragen worden geschat tegen een in franken uitgedrukt bedrag dat met hun courante waarde overeenstemt. De courante waarde in de gangbare, algemeen geldende waarde bestaat. De verplichting tot vaststelling van de concrete courante waarde van een voordeel in natura legt aan verweerder nochtans de verplichting op om rekening te houden met alle elementen die deze concrete courante waarde kunnen beïnvloeden. Eiseres voerde in haar verzoekschrift tot hoger beroep (pag. 10 en 12 15) en in haar appèlconclusie (pag. 14-16) aan dat de waarde van de aandelen op discretionaire wijze door de Raad van bestuur van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij wordt bepaald op het ogenblik van de uittreding van de werknemers van eiseres, dat de waarde overeenkomstig de statuten van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij minder kan bedragen dan de balanswaarde, dat bij de waardebepaling van een toekomstig hypothetisch voordeel een actualisering moet plaatsvinden en dat de waarde van de aandelen, rekening houdend met de risicodragende beleggingen van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij, niet overeenstemt met de nominale waarde van de aandelen. Het arbeidshof evenwel, enerzijds, beslist dat het geen belang heeft dat [de tot bindendverklaring van het arrest op¬geroepen partij] herinvesteert in eiseres en dat een actualisering van de aanschafwaarde van de aandelen niet aan de orde is, op grond dat verweerder enkel op de nominale waarde van de aandelen sociale-zekerheidsbijdragen vordert (pag. 31 van het arrest), hoewel de appèlrechters, anderzijds, zelf vaststellen dat de inkomsten van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] zich gedeeltelijk situeren in de opbrengst van de in eiseres en in de N.V. Logipar gedane investeringen en dat de realisatie van de aan het aandelenbezit verbonden voordelen onder meer afhankelijk is van de toename van het commercieel succes van eiseres (pag. 5 8, 21 en 26 van het arrest). Het arbeidshof stelt aldus de waarde der aandelen van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij vast op de nominale waarde van 1.000 BEF per aandeel en weigert rekening te houden met factoren waarvan de appèlrechters nochtans zelf erkennen dat zij de realisatie en de omvang van de aan het aandelenbezit verbonden voordeel beïnvloeden. Het arbeidshof beslist dat de nominale waarde van 1.000 BEF per aandeel overeenstemt met de courante waarde der aandelen. Het arbeidshof derhalve door geen rekening te houden met factoren waarvan de appèlrechters erkennen dat zij de waarde van de aandelen beïnvloeden en door te beslissen, dat de nominale waarde van 1.000 BEF per aandeel met de courante waarde van de aandelen overeenstemt, het begrip ‘courante waarde’ miskennen en op die gronden niet naar recht beslissen dat verweerder terecht sociale-zekerheidsbijdragen vordert op de aandelen die door de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij aan de werknemers van eiseres zijn toegekend, op basis van de nominale waarde van 1.000 BEF per aandeel (schending van de artikelen 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, 23, en 38, §1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, 20 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals in het middel gepreciseerd). A. 1.8. Achtste onderdeel Sociale-zekerheidsbijdragen worden op grond van het bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers bedoelde loon van de werknemer berekend. Krachtens artikel 23 van dezelfde wet worden de werknemersbijdragen door de werkgever bij iedere betaling van het loon ingehouden en zijn die samen met de werkgeversbijdragen verschuldigd. Uit die wetsbepalingen vloeit noodzakelijkerwijze voort dat de sociale-zekerheidsbijdragen moeten zijn berekend op het tijdstip waarop iedere betaling van het loon plaatsvindt. De waardering van een als loon beschouwd voordeel moet, met het oog op de berekening van de in te houden bijdragen bijgevolg eveneens op het tijdstip waarop iedere betaling van het loon plaatsvindt, zijn geschied. Het arbeidshof stelt (in de hoger aangehaalde overwegingen van de appèlrechters op pag. 7-8, 22 24 en 31 van het arrest) vast dat verweerder sociale-zekerheidsbijdragen vordert op de jaarlijks in de aandelenboekjes ingeschreven aandelen die op het nominaal bedrag van 1.000 BEF per aandeel worden gewaardeerd en dat eiseres betwistte dat de als loon beschouwde aan¬delen met het oog op de betaling van sociale-zekerheidsbijdragen op hun nominale waarde mochten worden gewaardeerd. Het arbeidshof stelt (in de hoger aangehaalde overwegingen van de appèlrechters op pag. 5-8 van het arrest) voorts vast dat de uitbetaling door eiseres zich realiseert op het moment van de betaling van de continuïteitsbijdrage enerzijds en dat de continuïteitsbijdrage pas nadien gedeeltelijk werd geïndividualiseerd door de toekenning van aandelen met een nominale waarde van 1.000 BEF aan de individuele vennoten van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij anderzijds. Het arbeidshof beslist niettemin dat verweerder terecht de op 1.000 BEF per aandeel vastgestelde nominale waarde van de verworven aandelen in aanmerking neemt voor de berekening van de gevorderde sociale- zekerheidsbijdragen. Het arbeidshof waardeert aldus het als loon beschouwde voordeel niet op het ogenblik waarop het volgens de appèlrechters zelf is uitbetaald, maar op een tijdstip en op basis van feitelijke gegevens die dateren van na de betaling van het als loon beschouwde voordeel. Hierbij volgt dat het arbeidshof zich met het oog op de waardering van het als loon beschouwde voordeel op een verkeerd tijdstip plaatst (schending van de artikelen 23 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en 34, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals in het middel gepreciseerd) en tevens de regel dat voordelen in natura op hun courante waarde moeten worden geschat, miskent (schending van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). A. 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 14, 21, 22, 23 en 43 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (art. 21 in de versies zoals het bestond vóór en na de wijziging van die wetsbepaling bij wet van 20 juli 1991; artikel 23 in de versies zoals het bestond vóór en na de wijziging van die wetsbepaling bij wet van 6 juli 1989); - de artikelen 23, eerste en tweede lid, en 3 8,§1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers; - artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers; - de artikelen 34, eerste lid, en 36 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - de artikelen 1, 2, 26, eerste lid, en 14-1, §1, van de Vennootschappenwet die Boek I, Titel IX, van het Wetboek van Koophandel uitmaakt (de artikelen 1 en 2 in de versies zoals het bestond vóór en na de wijziging van die wetsbepalingen bij wet van 13 april 1995 ; artikel 141 in de versies zoals het bestond vóór en na de wijziging van die wetsbepaling bij wet van 20 juli 1991). Aangevochten beslissing Het arbeidshof verklaart het hoger beroep van eiseres ongegrond en bevestigt het beroepen vonnis dat eiseres veroordeelt tot betaling van sociale- zekerheidsbijdragen op de aandelen die de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij aan de werknemers van eiseres heeft toegekend, in al zijn onderdelen. Het arbeidshof beslist aldus op volgende gronden (pag. 3-4 van het arrest): “[De tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] werd opgericht bij akte van 19 april 1979 met als doel de vorming en het beheer van een fonds ten voordele van de vennootschap met een onbeperkt kapitaal, maar met een minimum van 1.400.000 BEF, bestaande uit aandelen van elk 1.000 BEF op naam, onbeperkt in aantal en uitsluitend overdraagbaar aan de ledenvennootschappen zoals bepaald in artikel 7 van de statuten. Het minimum van 1400 deelbewijzen werd volstort door de 7 stichtende vennoten voor elk 200 deelbewijzen zoals blijkt uit artikel 1 van de oprichtingsakte gepubliceerd in de bijlagen van het Belgische Staatsblad d.d. 8 mei 1979, p. 6376”, en verder (pag. 5-8 van het arrest) : “Volgens [verweerder] zijn er bijdragen in de sociale zekerheid verschuldigd op de sommen die jaarlijks in het eerste kwartaal op de aandelenboekjes ingeschreven worden ten titel van nieuwe deelbewijzen. Hierbij wordt uitgegaan van een nominaal bedrag van 1.000 BEF per aandeel en dit voor een 200 tal werknemers. [Eiseres] betwist deze vorderingen, alleszins de omvang van de basis voor de berekening van de bijdragen”, en verder (pag. 21 van het arrest): “Uit de weergave van de feiten bleek voldoende dat de aandelen voordelen kunnen opleveren, al is de realisatie ervan afhankelijk van meerdere voorwaarden: een blijvende band met [eiseres] (een arbeidsovereenkomst, brugpensioen, overlevende echtgenoten van een werknemer); een anciënniteit in de dienstbetrekking van [eiseres] van vijf jaar of meer; een toename van het commercieel succes van [eiseres] (toename van de eigen middelen van [eiseres] ten aanzien van de spaarbanksector of van de spaarfondsen binnen de BSV)”, en verder (pag. 22 van het arrest): “[Eiseres] dient wel toe te geven dat aandelen ‘met een nominale waarde van 1.000 BEF’ toebedeeld zijn aan individuele vennoten, zoals onder meer blijkt uit de lijsten van deelname in de kapitaalsverhogingen over 1982 tot en met 1994”, en verder (pag. 27 van het arrest): “Lastens [eiseres] staat enkel vast dat zij in de respectieve jaren de in het overzicht opgesomde bedragen onrechtstreeks doch exclusief gefinancierd heeft om haar werknemers van de aan deze aandelen verbonden voordelen te laten genieten. Op het moment van de toekenning van de aandelen komt de waarde ervan ten bedrage van de geldende balanswaarde als schuldvordering lastens [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] in het patrimonium terecht van de individuele werknemer [...] en verlaat het dus het patrimonium van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] die, hoewel ze houder blijft van de fondsen, een gelijke som als schuld lastens de aandeelhouder dient te boeken”, en verder (pag. 30-31 van het arrest): “Samengevat ligt de oorzaak van de continuïteitsbijdrage in de door de individuele werknemers gepresteerde arbeid, waarvoor de werkgever zich ertoe verbond bij een eruit voortvloeiende gestegen jaarproductie en eigen middelen, een bedrag te storten aan de coöperatie van een bepaalde categorie van deze werknemers, welke coöperatie jaarlijks een deel van deze bijdrage aan de individuele werknemer diende door te geven. De essentie van de aaneengeschakelde juridische verhoudingen tussen [eiseres] en haar werknemers, tussen [eiseres en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] onderling en tussen [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] met dezelfde werknemer vennoot is dat [eiseres] via deze werkgever bovenop het normale loon voordelen aan zijn werknemer financiert die deze uiteindelijk in de vorm van aandelen in [de tot bindendverklaring van het arrest op¬geroepen partij] verkrijgt; o.m. uit de jaarverslagen vanaf 1979 t/m 1990 blijkt deze praktijk bestaan te hebben. Vanaf 1991 heeft [eiseres] éénzijdig de betaling van de continuïteitsbijdrage stopgezet om reden, zoals in de overeenkomst tussen [eiseres en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] voorzien, dat er bij [eiseres] geen meerwaardeaangroei was van de eigen middelen. Anderzijds heeft [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] geen individualisering doorgevoerd door middel van toekenning van aandelen op naam aan de vennoten werknemers, wat zij overige jaren wel heeft gedaan in verhouding tot de gepresteerde arbeidstijd zoals dit blijkt uit de neergelegde jaarverslagen van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen par-tij]”, en verder (pag. 40 van het arrest): “De beslissing van de aandeelhouders van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] creëert geen geldstroom, doch beslist enkel over de herschikking van een binnenkomende geldstroom en dit in overleg met [eiseres], die mee in het directiecomité zetelt. Zoals later zal worden herhaald, impliceert deze binnenkomende geldstroom een virtuele verrijking van de aandelen. De jaarlijkse beslissing over de bestemming van de continuïteitsbijdrage beïnvloedt deze verrijking niet essentieel. De aankoop van aandelen in [eiseres] is immers een omzetting van het aanwezig kapitaal. Het niet geïnvesteerd kapitaal is per definitie reeds pro rata eigendom van de aan¬deelhouders. De beslissing van de algemene vergadering kan evenzo inhouden over te gaan tot herwaardering van de bestaande aandelen als, zoals in casu, tot het uitschrijven en toekennen van nieuwe aandelen. Dit is dus inderdaad louter een boekhoudkundige inschatting en boeking van de reeds reëel bestaande verhoudingen tussen aandeelhouders en vennootschap. Uit de geschetste constructie blijkt in deze optiek afdoende dat de last van het voordeel wel degelijk exclusief bij [eiseres] rust [...] en dat [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] enkel interfereert in de boekhoudkundige individualisering van het collectief toegekend voordeel”, en verder (pag. 41-43 van het arrest) : “De precieze betekenis van het begrip derde is afhankelijk van de identificatie van de eerste en de tweede, waarnaar het begrip impliciet verwijst. Het gaat immers over deze personen die vreemd zijn aan de juridische verhouding die bestaat tussen deze eersten en tweeden. In de context van bedoelde artikelen wordt voor de aanwijzing van deze eersten en tweeden impliciet verwezen naar de juridische verhouding die het recht op het loon of het voordeel doet ontstaan. Nu maakt [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] de vennootschap uit waarin de globaliteit van de werknemers, die aanspraak kunnen maken op het litigieuze voordeel, vertegenwoordigd is. De betaling door [eiseres] aan [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] komt dus in het door hen samengebracht patrimonium terecht. Het is vervolgens in onderlinge samenspraak dat de aldus ontvangen gelden over de werknemers verdeeld worden onder de vorm van de toekenning van aandelen en dividenden. Het toekennen van aandelen betekent niets minder dan het begroten van de individuele schuldvordering van de aandeelhouder op dit gezamenlijk patrimonium. Door het toekennen van aandelen in plaats van de daadwerkelijke en rechtstreekse uitkering van het voordeel in gelden, blijven deze gelden dus waar ze zijn. Het systeem komt dus neer op een overeenkomst waarbij [eiseres] door het financieren van nieuwe aandelen een voordeel verstrekt aan zijn werknemer, die dit voordeel voor eigen rekening investeert in [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] en aldus onrechtstreeks terug in [eiseres]. [De tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] is derhalve intrinsiek aan de methode tot de verwerving van het voordeel. Het is door haar bestaan en werking dat het voordeel wordt gecreëerd. Nu zij in de verwerving van het voordeel contractueel vervat ligt, kan zij niet aanzien worden als een derde in de zin van bedoelde artikelen. [...] Het toekennen van aandelen is in deze context enkel het declaratief vastleggen van de schuldvordering van de individuele werknemer op het gezamenlijk doch afgescheiden patrimonium. Er gebeurt dus bij de toekenning van aandelen geen onmiddellijke geldstroom naar de individuele werknemer. De uitbetaling door [eiseres] realiseert zich op het moment van de betaling van de continuïteitsbijdrage. In de verdere verdeling is het de eigen besluitvorming van de beheersorganen van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] die over de verdere verdeling beslist. Deze beslissing is dus vennootschapsrechtelijk een beslissing van de aandeelhouders zelf, die over de bestemming en herschikking van hun gezamenlijk patrimonium beslissen. Deze beslissing creëert geen bijkomende middelen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat, zo bij de ontvangst van de continuïteitsbijdrage niet tot het toekennen van nieuwe aandelen zou beslist worden, het gezamenlijk patrimonium evenzeer en in dezelfde mate verrijkt is en er zich boekhoudkundig een herwaardering van de bestaande aandelen zou opdringen, zodat, behoudens voor nieuwe vennoten, de gelden eveneens naar de individuele aandeelhouders zouden terugvloeien. De beslissing tot het toekennen van nieuwe aandelen is derhalve een beslissing tot herschikking van het eigen vermogen en kan derhalve op zich niet meer aanzien worden als een uitbetaling van loon. Door de beslissing opteert men voor de verdeling van het maatschappelijk kapitaal over meerdere aandelen, in plaats van een opwaardering van de bestaande aandelen. De individuele werknemer heeft vanaf de storting van de continuïteitsbijdrage een aantal virtueel hoger gewaardeerde aandelen en ziet deze waarde, door de beslissing tot toekenning van bijkomende aandelen, nadien verspreid over meerdere aandelen, waarvan in de balans voorgehouden wordt dat deze in de betrokken periode steeds hun aanschafwaarde van 1.000 BEF hebben behouden. De impliciete verrijking door het verstrekte voordeel geschiedt dus wel degelijk op het moment van de ontvangst van de continuïteitsbijdrage in het gezamenlijk vermogen en niet zozeer op het moment van de toekenning van de nieuwe aandelen. Deze beslissingen van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] kunnen derhalve niet vereenzelvigd worden met een tussenkomst in de uitbetaling van loon. Dit impliceert immers dat pas ná de tussenkomst van de derde de gelden in het patrimonium van de werknemer terecht zouden komen -quod non. De vernoemde artikelen 43 en 36 zijn bijgevolg terzake niet toepasselijk, zodat enkel [eiseres] als schuldenaar van de bijdragen dient te worden aangezien”. Grieven A. 2.1. Eerste onderdeel Artikel 149 van de Grondwet verplicht de rechter zijn vonnis of arrest regelmatig met redenen te omkleden. De rechterlijke beslissing waarvan het beschikkend gedeelte op tegenstrijdige redenen is gegrond, is niet regelmatig met redenen omkleed. De appèlrechters stellen vast, zoals in het middel wordt aangehaald, dat de uitbetaling door eiseres zich realiseert op het moment van de betaling van de continuïteitsbijdrage (pag. 42, b), derde alinea van het arrest). Het arbeidshof beslist tezelfdertijd dat de uitbetaling van het als loon beschouwde voordeel plaatsvindt op het ogenblik van de toekenning van de aandelen (pag. 27, laatste alinea, van het arrest). Het arbeidshof stelt nochtans zelf vast dat de toekenning van de aandelen is geschied, nadat de aandeelhouders van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij daartoe hebben beslist en een herschikking van de binnenkomende geldstroom hebben doorgevoerd (pag. 7 8 en 40 van het arrest). Uit die vaststelling van de appèlrechters volgt dat de toekenning van de aandelen niet op hetzelfde ogenblik als de storting van de continuïteitsbijdrage, maar op een later tijdstip is geschied en dat de betaling van het als loon beschouwde voordeel niet gelijktijdig op het ogenblik van de storting van de continuïteitsbijdrage en op het ogenblik van de toekenning van de aandelen kan zijn geschied. De beslissing van de appèlrechters dat de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij niet tussenkomt in de uitbetaling van het als loon beschouwde voordeel omdat de gelden niet na haar tussenkomst in het vermogen van de werknemers van eiseres zijn terechtgekomen, bijgevolg op tegenstrijdige motieven berust, vermits de appèlrechters tezelfdertijd beslissen dat de betaling van het als loon beschouwde voordeel plaatsvindt op het ogenblik van de storting van de continuïteitsbijdrage en op het ogenblik van de toekenning van de aandelen. Het arrest derhalve niet regelmatig met redenen is omkleed, omdat de appèlrechters hun beslissing dat de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij niet tussenkomt in de betaling van het als loon beschouwde voordeel en dat eiseres de schuldenaar van de gevorderde sociale-zekerheidsbijdragen is, gronden op tegenstrijdige redenen (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). A. 2.2. Tweede onderdeel Artikel 149 van de Grondwet verplicht de rechter zijn vonnis of arrest regelmatig met redenen te omkleden. Een arrest is niet regelmatig met redenen omkleed, wanneer het op dubbelzinnige redenen is gegrond. Een beslissing is op dubbelzinnige redenen gegrond, wanneer die redenen op verschillende wijzen kunnen worden uitgelegd en de beslissing volgens één of meer van die uitleggingen naar recht is verantwoord en volgens een of meer andere niet. De appèlrechters overwegen dat op het moment van de toekenning van de aandelen de waarde ervan als schuldvordering ten laste van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij in het patrimonium van de werknemer terechtkomt (pag. 27, laatste alinea, van het arrest) en dat de uitbetaling van het als loon beschouwde voordeel op het ogenblik van de storting van de continuïteitsbijdrage plaatsvindt (pag. 42, b), derde alinea, van het arrest). Voor zover het Hof zou beslissen dat het arrest niet op tegenstrijdige motieven berust, het arrest in ieder geval niet toelaat uit te maken of de appèlrechters nu beslissen dat de betaling van het als loon beschouwde voordeel op het ogenblik van de storting van de continuïteitsbijdrage is geschied, dan wel op het ogenblik van de toekenning van de aandelen heeft plaatsgevonden. De beslissing van de appèlrechters echter volgens de ene uitlegging wel naar recht verantwoord is, maar volgens de andere uitlegging niet. Indien het arrest aldus dient gelezen dat de appèlrechters beslissen dat de betaling op het ogenblik van de toekenning van de aandelen is geschied, de appèlrechters hun beslissing dat de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij niet is tussengekomen in de betaling van het als loon beschouwde voordeel, immers niet naar recht verantwoorden. Het arbeidshof in dat geval immers niet naar recht kan beslissen dat het als loon beschouwde voordeel reeds in het patrimonium van de werknemers van eiseres is terechtgekomen vóór de tussenkomst van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij, zoals in het vierde onderdeel van het middel wordt ontwikkeld. Het arbeidshof in dat geval, zoals in het vijfde onderdeel van het middel verder wordt ontwikkeld, ook niet naar recht kan beslissen dat de verrijking van de individuele werknemers zich reeds vóór de tussenkomst van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij heeft voorgedaan zonder tevens na te gaan en vast te stellen of in het voorliggende geval de loutere herwaardering van de bestaande aandelen voor de individuele werknemers, rekening houdend met hun verschillende anciënniteit en hun verschillende gepresteerde arbeid, een identiek voordeel zou hebben opgeleverd als de jaarlijkse toekenning van nieuwe aandelen, rekening houdend met de anciënniteit en de gepresteerde arbeidstijd van elke individuele werknemer. Het arrest derhalve niet regelmatig met redenen is omkleed, vermits de appèlrechters hun beslissing dat eiseres als schuldenaar van de sociale-zekerheidsbijdragen moet worden beschouwd gronden op dubbelzinnige redenen (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). A. 2.3. Derde onderdeel Overeenkomstig artikel 21 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders moet iedere verzekeringsplichtige werkgever zich bij verweerder laten inschrijven en aan verweerder een aangifte doen geworden met verantwoording van het bedrag van de verschuldigde bijdragen. Overeenkomstig artikel 23 van dezelfde wet wordt de bijdrage van de werknemer door de werkgever bij iedere betaling van het loon ingehouden en moet die door de werkgever samen met zijn eigen bijdrage aan verweerder worden overgemaakt. Krachtens artikel 43 van de wet kan de Koning in afwijking van die wetsbepalingen een bijzondere regeling uitvaardigen wanneer het loon door tussenkomst van een derde aan een werknemer wordt betaald en kan de Koning die derde als werkgever beschouwen voor de inning en de invordering van de verschuldigde bijdragen. Overeenkomstig artikel 36 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, treedt de derde in de plaats van de werkgever voor de vervulling van alle verplichtingen betreffende het loon, wanneer een gedeelte van het loon door tussenkomst van die derde aan de werknemer wordt uitbetaald en wordt de derde slechts van die verplichtingen ontlast, zo hij het bedrag van de op het loon verrichte inhoudingen doorgeeft, van zodra zij gedaan zijn. Voor de toepassing van die wetsbepalingen moet onder ‘derde’ worden verstaan, de natuurlijke of rechtspersoon die juridisch van de werkgever te onderscheiden valt en onder ‘werkgever’ de natuurlijke of rechtspersoon met wie de werknemers een arbeidsovereenkomst hebben gesloten. Eiseres voerde aan dat eiseres en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij onderscheiden rechtspersonen zijn, dat de onderscheiden rechtspersoonlijkheid van beide vennootschappen niet mag worden doorbroken (pag. 5-13 van haar tweede beroepsconclusie) en dat niet eiseres maar de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij de schuldenaar van de gevorderde sociale-zekerheidsbijdragen was. Het arbeidshof stelt vast dat eiseres en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij onderscheiden vennootschappen met rechtspersoonlijkheid zijn (pag. 3-4 van het arrest). Het arbeidshof beslist nochtans dat de tot bindend verklaring van het arrest opgeroepen partij geen derde is, op grond dat de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij intrinsiek is aan de methode tot verwerving van het voordeel (pag. 41-42). De uitbetaling van het loon door een derde houdt echter precies in dat de derde tussenkomt in en intrinsiek is aan de verwerving van het als loon beschouwde voordeel door de werknemer. Hieruit volgt dat de appèlrechters door op die gronden te beslissen dat niet de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij, maar eiseres de schuldenaar van de gevorderde sociale-zekerheidsbijdragen is, niet alleen de onderscheiden rechtspersoonlijkheid van eiseres en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij miskennen (schending van de artikelen 1, 2, 26, eerste lid, en 141, §1, van de Vennootschapswet die Boek I, titel IX, van het Wetboek van Koophandel uitmaakt, zoals in het middel gepreciseerd), maar tevens hun beslissing dat de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij niet als derde kan worden beschouwd, niet naar recht verantwoorden (schending van de artikelen 21, 23 en 43 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en 36 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals in het middel gepreciseerd). A. 2.4. Vierde onderdeel Zoals in het derde onderdeel is uiteengezet, treedt de derde in de plaats van de werkgever voor de vervulling van alle verplichtingen betreffende het loon, wanneer een gedeelte van het loon door tussenkomst van die derde aan de werknemer wordt uitbetaald en wordt de derde slechts van die verplichtingen ontlast, zo hij het bedrag van de op het loon verrichte inhoudingen doorgeeft, van zodra zij gedaan zijn. De uitbetaling van het loon geschiedt op het ogenblik waarop het toegekende voordeel in het vermogen van de werknemer terechtkomt. Eiseres voerde aan dat niet eiseres maar de tot bindend verklaring van het arrest opgeroepen partij de schuldenaar van de gevorderde sociale- zekerheidsbijdragen was, vermits verweerders vordering steunt op de nominale waarde van de aandelen en deze aandelen door de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij zijn toegekend (pag. 8 van haar verzoekschrift tot hoger beroep). Het arbeidshof stelt vast dat verweerder sociale-zekerheidsbijdragen vordert op de aan de werknemers van eiseres toegekende aandelen van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij (pag. 31, vierde en voorlaatste alinea, van het arrest). De appèlrechters stellen tevens vast dat ten aanzien van eiseres enkel vaststaat dat zij de toegekende aandelen heeft gefinancierd om haar werknemers van de eraan verbonden voordelen te laten genieten (pag. 27, voorlaatste alinea) en dat de aandelen worden toegekend door de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij (pag. 24, 25 en 27 van het arrest). Het arbeidshof beslist voorts dat de waarde van de toegekende aandelen op het moment van de toekenning van de aandelen als schuldvordering ten laste van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij in het patrimonium van de individuele werknemer terechtkomt en dus het patrimonium van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij verlaat (pag. 27, laatste alinea). Het arbeidshof beslist nochtans dat dit niet kan vereenzelvigd worden met een tussenkomst in de uitbetaling van het loon. De appèlrechters derhalve het begrip ‘betaling’ van het loon miskennen en niet naar recht beslissen dat de tussenkomst van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij niet vóór de betaling van het loon heeft plaatsgevonden (schending van de artikelen 23 en 43 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en 36 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals in het middel gepreciseerd) en hun beslissing dat niet de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij, maar eiseres de schuldenaar van de gevorderde sociale-zekerheidsbijdragen is, niet naar recht verantwoorden met de overweging dat de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij niet is tussengekomen in de betaling van het als loon beschouwde voordeel (schending van de artikelen 43 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en 36 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals in het middel gepreciseerd). A. 2.5. Vijfde onderdeel Overeenkomstig de artikelen 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en 23 en 38,§1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, de sociale-zekerheidsbijdragen worden berekend op grond van het loon der werknemers dat bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming (van het loon) is bedoeld. Artikel 2 van de wet van 12 april 1965 definieert het loon van de werknemer als het loon in geld of de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever. Krachtens artikel 23 van de wet van 27 juni 1969 worden de werknemersbijdragen door de werkgever bij iedere betaling van het loon ingehouden en zijn die samen met de werkgeversbijdragen verschuldigd. Uit de desbetreffende wetsbepalingen vloeit noodzakelijkerwijze voort dat werknemers en werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid moeten worden berekend op het aan elke werknemer individueel toegekende loon. De collectieve toekenning van een voordeel aan de werknemers kan slechts als een betaling van loon worden beschouwd, op voorwaarde dat het collectieve voordeel over de betrokken werknemers wordt geïndividualiseerd en de betaling van het loon bijgevolg niet kan plaatsvinden vóór de individualisering van het collectieve voordeel. De appèlrechters stellen vast dat ten aanzien van eiseres enkel vaststaat dat zij de toegekende aandelen heeft gefinancierd om haar werknemers van de eraan verbonden voordelen te laten genieten (pag. 27, voorlaatste alinea) en dat de aandeelhouders van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij, na de storting van de continuïteitsbijdrage, beslisten over de herschikking van de binnenkomende geldstroom en interfereerden in de boekhoudkundige individualisering van het collectief toegekende voordeel (pag. 40 van het arrest). Het arbeidshof stelt voorts vast dat jaarlijks voor de werknemers van eiseres sommen als nieuwe deelbewijzen werden ingeschreven in de aandelenboekjes van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij, dat de toekenning van aandelen onder meer afhankelijk was van de anciënniteit van elke betrokken werknemer (pag. 5-8 en 21 van het arrest) en dat de individualisering van het door eiseres toegekende voordeel is gedaan in verhouding tot de gepresteerde arbeidstijd (pag. 30 31 van het arrest). Het arbeidshof beslist niettemin dat de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij slechts een boekhoudkundige herschikking is van het individuele aandeel der werknemers in het gezamenlijke vermogen en dat de jaarlijkse beslissing van de algemene vergadering van [de tot bindendver-klaring van het arrest opgeroepen partij] over de bestemming van de continuïteitsbijdrage de verrijking van de individuele werknemers niet essentieel beïnvloedt, vermits de algemene vergadering net zo goed tot herwaardering van de bestaande aandelen had kunnen overgaan (pag. 40 en 42 43 van het arrest). Het arbeidshof kan die beslissing niet naar recht afleiden uit de door de appèlrechters vastgestelde feiten zonder tevens na te gaan en vast te stellen of in het voorliggende geval de loutere herwaardering van de bestaande aandelen voor de individuele werknemers, rekening houdend met hun verschillende anciënniteit en hun verschillende gepresteerde arbeid, een identiek voordeel zou hebben opgeleverd als de jaarlijkse toekenning van nieuwe aandelen, rekening houdend met de anciënniteit en de gepresteerde arbeidstijd van elke individuele werknemer. De appèlrechters derhalve, door op die gronden te beslissen dat niet de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij, maar eiseres de schuldenaar van de gevorderde sociale-zekerheidsbijdragen is, het begrip ‘loon’ miskennen (schending van de artikelen 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, 23, en 38, §1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, zoals gepreciseerd in het middel), en niet naar recht beslissen dat de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij niet is tussengekomen in de betaling van het als loon beschouwde voordeel (schending van de artikelen 23 en 43 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en 36 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals gepreciseerd in het middel). III. B. Eiseres voert in haar verzoekschrift inzake nr S.00.0143.N drie middelen aan: B. 1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 14, 21 (in de versie zoals het bestond vóór de vervanging van die bepaling door artikel 14 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen), 23 (met §2 zowel in de versie van vóór als na de wijziging ervan door artikel 20 van de Programmawet van 6 juli 1989) en 43 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - artikel 23, eerste en tweede lid, en artikel 38,§1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers; artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers ; artikel 34, eerste en derde lid, (vóór de invoeging van een nieuw derde en een vierde lid, wat het derde lid betreft door artikel 1 van het koninklijk besluit van 24 september 1992 tot wijziging van artikel 34 het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wat het vierde lid betreft door artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 april 1995 tot wijziging van artikel 34 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders) en artikel 36, eerste en derde lid, eerste zin, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ; artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Aangevochten beslissing Het arbeidshof verklaart in de bestreden beslissing, recht sprekend over de hoofdvordering van de verweerder, het hoger beroep van de eiseres en de tegenvordering van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis van de eerste rechter, dat de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij veroordeelde tot het betalen van sociale-zekerheidsbijdragen op de aandelen die de eiseres aan werknemers van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij toekende, rekening houdende met een nominale waarde van 1.000 frank per aandeel, in al zijn onderdelen, onder meer op grond van de volgende motieven : Na te hebben vastgesteld dat de eiseres werd opgericht met als doel de vorming en het beheer van een fonds ten voordele van de vennootschap met een onbeperkt kapitaal, bestaande uit aandelen van 1.000 frank op naam, aandeelhouder kunnen worden van de eiseres, personeelsleden van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij die op datum van de jaarvergadering vijf jaar in dienst zijn, gepensioneerde personeelsleden van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij, wettige echtgenoten of samenwonende partners van overleden echtgenoten, vennootschappen met een gelijkaardig doel als dat van de eiseres of waarin de eiseres een betekenisvolle participatie heeft en de personeelsleden van de voornoemde vennootschappen, onder de¬zelfde voorwaarden als die welke gelden voor de personeelsleden van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij, de naamloze vennootschap Logipar in 1990 vennoot is geworden van de eiseres, de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij de verbintenis aanging onder bepaalde voorwaarden jaarlijks een bedrag ter beschikking te stellen van de eiseres, continuïteitsbijdrage genoemd, dat op een welbepaalde wijze werd berekend, na reservering van de sommen verschuldigd voor de betaling van de vennootschapsbelasting en, tot en met 1989, van de liquidatiebelasting, het saldo van de continuiteitsbijdrage deels werd geblokkeerd voor de werknemers die nog geen vijf jaar anciënniteit hadden en voor het overige werd verdeeld in de vorm van deelbewijzen onder de vennoten op voet van gelijkheid, waarbij de nieuwe aandelen in de betrokken jaren telkens aan 1.000 frank per aandeel werden ingeschreven, de aldus betaalde bedragen in de reserves van de eiseres bleven als de betrokken werknemers vóór zij vijf jaar dienst hadden verricht, de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij als werknemer verlieten en deels in de individuele aandelenboekjes van de effectieve vennoten werknemers werden ingeschreven, van de continuïteitsbijdragen voor 1988 (16.780.000 BEF), 1989 (23.386.000 BEF), 1990 (37.627.558 BEF) aldus slechts effectief voor verdeling in aandelen de volgende sommen werd toegekend: 7.136.000 BEF in 1988, 7.535.000 BEF in 1989, 13.584.000 frank in 1990, de eiseres door het aankopen van aandelen van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij in belangrijke mate als aandeelhouder participeerde in het maatschappelijk kapitaal van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij en als belangrijke aandeelhouder in 1990 voor het eerst een plaats verwierf in de raad van bestuur van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij, overweegt het arbeidshof enerzijds: “Lastens de [tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] staat enkel vast dat zij in de respectieve jaren de in het overzicht [dat de eiseres bezorgde van de financiële kost per werknemer van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij voor de financiering van de aandelen in de betrokken periode] opgesomde bedragen onrechtstreeks doch exclusief gefinancierd heeft om haar werknemers van de aan deze aandelen verbonden voordelen te laten genieten. Op het moment van de toekenning van de aandelen komt de waarde ervan ten bedrage van de geldende balanswaarde als schuldvordering lastens [de eiseres] in het patrimonium terecht van de individuele werknemer (Van Hoogenbempt H., ‘Alternatieve loonvormen en parafiscaliteit’ in Van Steenberge en Jorens Y (Eds) ‘Het Loonbegrip’. Die Keure, 1995, p. 187, nr. 36) en verlaat het dus het patrimonium van [de eiseres] die, hoewel ze houder blijft van de fondsen, een gelijke som als schuld lastens de aandeelhouder dient te boeken.” (blz. 27, laatste alinea van het arrest). Het arbeidshof overweegt anderzijds eveneens : “Het toekennen van aandelen [door de eiseres aan werknemers van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] is in deze context enkel het declaratief vastleggen van de schuldvordering van de individuele werknemer op het gezamenlijk doch afgescheiden patrimonium. Er gebeurt dus bij de toekenning van aandelen geen onmiddellijke geldstroom naar de individuele werknemer. De uitbetaling door [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] realiseert zich op het moment van de betaling van de continuïteitsbijdrage. In de verdere verdeling is het de eigen besluitvorming van de beheersorganen van [de eiseres] die over de verdere verdeling beslist. Hierbij dient opgemerkt te worden dat, zo bij de ontvangst van de continuïteitsbijdrage niet tot het toekennen van nieuwe aandelen zou beslist worden, het gezamenlijk patrimonium evenzeer en in dezelfde mate verrijkt is en er zich boekhoudkundig een herwaardering van de bestaande aandelen zou opdringen, zodat, behoudens voor nieuwe vennoten, de gelden eveneens naar de individuele aandeelhouders zouden terugvloeien. De beslissing tot het toekennen van nieuwe aandelen is derhalve een beslissing tot herschikking van het eigen vermogen en kan derhalve op zich niet meer aangezien worden als een uitbetaling van loon. Door de beslissing opteert men voor de verdeling van het maatschappelijk kapitaal over meerdere aandelen, in plaats van een opwaardering van de bestaande aandelen. De individuele werknemer heeft vanaf de storting van de continuïteitsbijdrage een aantal virtueel hoger gewaardeerde aandelen en ziet deze waarde, door de beslissing tot toekenning van bijkomende aan¬delen, nadien verspreid over meerdere aandelen, waarvan in de balans voorgehouden wordt dat deze in de betrokken periode steeds hun aanschafwaarde van 1.000 BEF hebben behouden. De impliciete verrijking door het verstrekte voordeel geschiedt dus wel degelijk op het moment van de ontvangst van de continuïteitsbijdrage in het gezamenlijk vermogen en niet zozeer op het moment van de toekenning van de nieuwe aandelen. Deze beslissingen van [eiseres] kunnen derhalve niet vereenzelvigd worden met een tussenkomst in de uitbetaling van het loon. Dit impliceert immers dat pas ná de tussenkomst van de derde de gelden in het patrimonium van de werknemer terecht zouden komen -quod non”. (blz. 43 onder b en blz. 43 i.c. van het arrest). Het arbeidshof ten slotte, wat betreft de bepaling van de grondslag waarop de sociale-zekerheidsbijdragen moeten worden berekend die volgens hem door de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij verschuldigd zijn op basis van de door het arbeidshof onder IV. A. 1 (“De feitelijke grondslag van de vorderingen van de [verweerder]”) van zijn arrest geschetste participatiesysteem, oordeelt : De concrete voordelen zijn vooraf moeilijk in te schatten maar het is onbetwistbaar dat de reële kost om de werknemer toe te laten tot de voordelen, voortvloeiend uit het aandelenbezit te laten genieten, neerkomt op de aankoopprijs van een aandeel, te weten 1.000 BEF per aandeel, zoals blijkt uit de lijsten die [eiseres] en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] neerleggen. “In het verband tussen de voordelen toegekend door de [eiseres] en het bestaan van de arbeidsovereenkomst is een drievoudig onderscheid te maken : - door zijn arbeidsovereenkomst kan de werknemer na vijf jaar anciënniteit vennoot worden om aldus in aanmerking te komen tot het bekomen van jaarlijkse aandelen en dividenden; - door het voortduren van de arbeidsovereenkomst kan de werknemer zijn voordeel behouden en er het jaarlijks genot van ontvangen; - door het beëindigen van de arbeidsovereenkomst kan de werknemer zijn aandelen in geld verzilveren. In de eerste fase (
  4. a)volgt de toekenning van aandelen aan de betrokken werknemer niet uit de statuten van de [eiseres], die enkel betrekking hebben op de daadwerkelijke vennoten. Het is pas door de verwerving van de eerste aandelen dat de betrokken werknemer vennoot wordt. Dit is dan ook enkel het gevolg van de financiering van zijn aandelen door de [tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] als onderdeel van de door haar gestorte continuïteitsbijdrage. Dit eerste pakket aandelen is dan ook de betaling van een ‘kans’ op een ‘jaarlijkse premie’ onder de vorm van dividenden en op een ‘uittredingsvergoeding’ onder vorm van de inkoop of overdracht van zijn aandelen die hij bij het verlaten van zijn dienstbetrekking kan verwerven. Nu deze premie en uitdiensttreding dermate georganiseerd is dat de werknemer er geen absoluut recht op heeft en de beslissing tot uiteindelijke uitbetaling en de omvang ervan geïnterfereerd wordt door tal van externe factoren, kan verweerder] worden bijgetreden dat het voordeel, voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst in deze fase geraamd moet worden op de waarde vereist om van deze voordelen te kunnen genieten, te weten de boekwaarde van de toegekende aandelen en dus niet op de uiteindelijk reëel te bekomen voordelen. [...] De ware ‘activiteiten’ van [eiseres] bestaan [...] in de door haar o.a. in het jaarverslag uitgewerkte aanmoedigingen van de werknemers van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] tot hogere productiviteit alsmede in de inbreng van deze vennoten zelf, waarbij deze daadwerkelijk in het bedrijf van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] deze verhoogde productieve arbeid verrichten. In deze optiek is de jaarlijkse toekenning van de aandelen aan deze werknemers dan ook niets anders dan de waardering van hun arbeid. Nu het inboeken van deze inbreng en de waardering ervan geschiedt door de financiering mits een bijdrage door [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij], betekent dit, wat betreft de rechtstreekse arbeidsrechtelijke verhouding tussen [de tot bindend verklaring van het arrest opgeroepen partij] en de betrokken werknemer niets anders dan het toekennen van een bijkomende premie onder de vorm van een bijkomende kans op de voordelen voortvloeiend uit de jaarlijks toebedeelde aandelen. De waarde hiervan is gelijk aan de aanschafprijs van deze bijkomende kans, te weten 1.000 BEF per aandeel. [De verweerder] neemt dan ook over de betrokken periode terecht de bedragen van de verworven aandelen in aanmerking waarvan [eiseres en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] voorhielden dat deze 1.000 BEF per aandeel hadden gekost en derhalve een waarde in geld uitmaakten. [...] De aanschaf van de aandelen kostte in de betrokken periode steeds 1.000 BEF per aandeel, zodat door de vermenigvuldiging van deze aanschafwaarde met het aantal toegekende aandelen de omvang van het voordeel uitsluitend in geld dient gewaardeerd te worden. (blz. 25 28 van het arrest). Het is enkel op de waarde van dit aandeel dat [verweerder] RSZ-bijdragen aanrekent en het heeft dan ook geen enkel belang of een deel van de door [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] betaalde continuïteitsbijdragen volgens artikel 2 van de overeenkomst tussen [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] en [eiseres], geherinvesteerd worden in HBK aandelen of op een andere wijze gereserveerd wordt (bv. ten voordele van werknemers die nog geen aandeelhouders zijn omdat zij niet de nodige anciënniteit hebben). Hierop wordt immers geen bijdrage gevorderd en de bijdrage beperkt zich tot de waarde van de aandelen die aan de personeelsleden van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] worden toegekend [...] (blz. 31, tweede alinea van het arrest), Grieven B. 1.1. Eerste onderdeel Het is tegenstrijdig, na te hebben vastgesteld dat de continuïteitsbijdrage niet volledig in aandelen ten voordele van de werknemers van de tot bindend verklaring van het arrest opgeroepen partij wordt omgezet, min¬stens dubbelzinnig, enerzijds te beslissen dat de waarde van de door eiseres aan werknemers van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij toegekende aandelen, die door het arbeidshof als loon worden beschouwd ten bedrage van de geldende balanswaarde van 1.000 BEF per aandeel, op het moment van de toekenning van de aandelen door eiseres als schuldvordering lastens deze laatste in het patrimonium terechtkomt van de individuele werknemer en dus het patrimonium verlaat van eiseres en dat op die waarde door de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij sociale-zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn, anderzijds dat de uitbetaling van het als loon beschouwde voordeel aan de werknemers van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij zich realiseert op het moment van de betaling, door de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij, van de continuïteitsbijdrage, zodat de werknemers van deze laatste zich op dat ogenblik al verrijken in de mate dat zich voor de aandelen die zij bezitten in de eiseres, in dezelfde mate een herwaardering opdringt en niet zozeer op het moment van de latere beslissing van eiseres tot het toekennen van nieuwe aandelen, die een beslissing is tot het toekennen van nieuwe aandelen en derhalve op zich niet meer kan aangezien worden als een uitbetaling van loon. Het arbeidshof beslist aldus terzelfder tijd dat de betaling van het voordeel dat het als loon beschouwt, gebeurt op het ogenblik van de toekenning van aandelen, door eiseres, aan werknemers van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij en op het ogenblik van de betaling van de continuïteitsbijdrage, door de tot bindendverklaring opgeroepen partij, wat tegenstrijdig is. Voor zover het Hof zou oordelen dat de beslissing van het arbeidshof niet op tegenstrijdige motieven berust, laten de motieven waarop het arbeidshof zijn beslissing steunt, in ieder geval niet toe uit te maken of het arbeidshof beslist dat het voordeel dat het als loon beschouwt, werd betaald op het ogenblik van de toekenning van de aandelen door eiseres aan werknemers van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij, dan wel op het ogenblik van de storting van de continuïteitsbijdrage, door de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij aan eiseres. De beslissing van het arbeidshof is volgens de eerste uitlegging naar recht verantwoord, aangezien het arbeidshof het voordeel dat het als loon beschouwt, - in het midden gelaten of die waardering correct is waardeert op het ogenblik van de betaling van het loon, zijnde de toekenning door eiseres van de aandelen, terwijl de beslissing van het arbeidshof volgens de tweede uitlegging niet naar recht verantwoord is, omdat de waardering van de continuïteitsbijdrage op het ogenblik van haar storting ten aanzien van de in aanmerking komende werknemers van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij, niet wettig kan gebeuren op basis van de latere toekenning, door eiseres, op basis van een door haar organen ge¬nomen beslissing, van aandelen met een nominale waarde van 1.000 BEF per aandeel aan werknemers van de tot bindendverklaring opgeroepen partij, waarvan het totaal niet overeenstemt met het bedrag van de continuïteitsbijdrage. De beslissing van het arbeidshof volgens de hierboven vermelde tweede uitlegging dat het voordeel dat het als loon beschouwt werd betaald op het ogenblik van de storting van de continuïteitsbijdrage, door de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij aan de eiseres, is eveneens niet naar recht verantwoord omdat het arbeidshof aldus de collectieve toekenning van een voordeel dat pas op een later tijdstip wordt en kan worden geïndividualiseerd, als de betaling van loon aanmerkt, terwijl de betaling van loon slechts kan plaatsvinden op het ogenblik dat een voordeel geïndividualiseerd kan worden. De beslissing van het arbeidshof tegenstrijdig, minstens dubbelzinnig en dus niet wettig is gemotiveerd (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). B. 1.2. Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 14 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en de artikelen 23, eerste en tweede lid, en 38, §1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, is de werkgever sociale-zekerheidsbijdragen verschuldigd op grond van het loon van de werknemer zoals dat wordt omschreven in artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, verruimd of beperkt door de Koning. Overeenkomstig artikel 23,§1 en 2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt de bijdrage van de werknemer door de werkgever bij iedere betaling van het loon ingehouden en, samen met zijn bijdrage, om de drie maanden aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid overgemaakt op de tijdstippen en binnen de termijnen bepaald in artikel 34 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Volgens die bepalingen is in beginsel het tijdstip van de betaling van het loon door de werkgever bepalend voor het verschuldigd zijn van de sociale- zekerheidsbijdragen, tenzij in de hier niet van toepassing zijnde bijzondere gevallen bedoeld in artikel 35bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, waarvoor andere tijdstippen van verschuldigd zijn van de bijdragen zijn vastgesteld. Om te beslissen dat een werkgever gehouden is tot betaling van sociale-zekerheidsbijdragen op een voordeel dat als loon moet worden beschouwd, dient derhalve vast te staan op welk ogenblik dat voordeel aan de werknemer werd betaald, terwijl ook de waardering van dat voordeel voor de berekening van de verschuldigde bijdragen op het ogenblik van de betaling dient te gebeuren. Het arbeidshof maakt niet duidelijk op welk ogenblik het voordeel, dat de werknemers van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij die aandeelhouders zijn van de eiseres, volgens hem hebben gekregen door hun deelname aan het systeem van participatie van de eiseres in de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij dat het arbeidshof in zijn arrest beschrijft, volgens hem werd betaald en kan dan ook niet wettig de waardering van dat voordeel voor de heffing van sociale-zekerheidsbijdragen doen op het tijdstip van de toekenning door de eiseres van aandelen, met name door inaanmerkingneming van de nominale waarde van 1.000 BEF per aandeel, zonder duidelijk te stellen dat het tijdstip van de toekenning van aandelen het tijdstip van de betaling van het voordeel is. Het arbeidshof overweegt zowel dat de aandelen die de voornoemde werknemers ontvangen op het moment van hun toekenning door de eiseres in hun individuele patrimonium terechtkomen, als dat de betaling van het als loon beschouwde voordeel zich realiseert op het moment van de betaling aan de eiseres, door de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij, van de continuïteitsbijdrage. Sociale-zekerheidsbijdragen kunnen maar verschuldigd zijn op geld of in geld waardeerbare voordelen die bij hun toekenning door de werkgever geïndividualiseerd zijn of geïndividualiseerd kunnen worden, zoals onder meer blijkt uit artikel 23 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, volgens hetwelk de bijdrage van de werknemer bij iedere betaling van het loon wordt ingehouden. De continuïteitsbijdrage die de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij aan de eiseres betaalt, op zich niet geïndividualiseerd is noch geïndividualiseerd kan worden ten aanzien van de werknemers van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij die aandeelhouder zijn van de eiseres en de storting daarvan kan dan ook als zodanig niet beschouwd worden als de betaling van loon aan die werknemers waarop sociale-zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn. Het arbeidshof kon niet wettig beslissen, enerzijds dat de betaling door de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij van de continuïteitsbijdrage aan de eiseres de betaling is van het voordeel dat de werknemers van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij genieten en dat als loon moet worden beschouwd voor de heffing van sociale-zekerheidsbijdragen, omdat de werknemers zich vanaf de betaling van die continuïteitsbijdrage al verrijken ten belope van de verhoogde waarde van hun aandelen, anderzijds dat het voordeel van de betrokken werknemers dat het arbeidshof als loon beschouwt, niet bestaat in noch moet worden geraamd op basis van de continuïteitsbijdrage die de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij aan de eiseres betaalt, maar in de aandelen bestaat die de eiseres op een later tijdstip toekent aan de vennoten van de eiseres die werknemers van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij zijn, omdat vanaf dat ogenblik een schuldvordering tegen de eiseres in hun patrimonium terechtkomt, en moet worden geraamd op basis van de nominale waarde van die aandelen van 1.000 BEF per aandeel, zoals die voorkomt in de balans (schending van de artikelen 14, 21 - in de versie zoals het bestond voor de vervanging van die bepaling door de artikelen 14 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen - en 23,§ 1 en 2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers en de artikelen 23, 34, eerste en derde lid, vóór de invoeging van een nieuw derde en een vierde lid, wat het derde lid betreft door artikel 1 van het koninklijk besluit van 24 september 1992 tot wijziging van artikel 34 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wat het vierde lid betreft door artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 april 1995 tot wijziging van artikel 34 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - en 38,§1, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. B. 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 21 (in de versie zoals dat artikel bestond vóór de vervanging van die bepaling door artikel 14 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen), 22, 23 (met §2 zowel in de versie van vóór als na de wijziging ervan door artikel 20 van de Programmawet van 6 juli 1989) en 43 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - de artikelen 34, eerste en derde lid, (vóór de invoeging van een nieuw derde en een vierde lid, wat het derde lid betreft door artikel 1 van het koninklijk besluit van 24 september 1992 tot wijziging van artikel 34 het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wat het vierde lid betreft door artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 april 1995 tot wijziging van artikel 34 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders) en 36, eerste en derde lid, eerste zin, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - de artikelen 1, (vóór de vervanging ervan door artikel 1 van de wet van 13 april 1995 tot wijziging van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935), 2 (vóór de wijziging ervan door artikel 1 van de wet van 13 april 1995 tot wijziging van de wetten op de handelsvennoot¬schappen, gecoördineerd op 30 november 1935), 26, eerste lid, en 141, §1, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, zoals vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 november 1935. Aangevochten beslissing Het arbeidshof verklaart in de bestreden beslissing, recht sprekend over de hoofdvordering van verweerder, het hoger beroep van eiseres en de (tegenvordering van
  5. de)tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis dat de vordering van verweerder tot het verkrijgen van sociale-zekerheidsbijdragen op de nominale waarde van 1.000 BEF per aandeel van de door eiseres aan werknemers van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij toegekende aandelen in al zijn onderdelen, daarbij het middel van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij dat de betaling van de aandelen die het arbeidshof als loon aanmerkt, gebeurde door een derde, met name eiseres, zodat de bijdragen van eiseres hadden moeten worden gevorderd, van de hand wijst en dat op grond van de volgende motieven: “2.3.4.5. de schuldenaar van de verschuldigde uitkeringen Terzake zijn artikel 43 van de Sociale Zekerheidswet en artikel 36 van het Sociaal Zekerheidsbesluit gezamenlijk van toepassing: [...]
  6. a)de toepasselijkheid van de artikelen 43 en 36 op [ eiseres] De precieze betekenis van het begrip derde is afhankelijk van de identificatie van de eerste en de tweede, waarnaar het begrip impliciet verwijst. Het gaat immers over deze personen die vreemd zijn aan de juridische verhouding die bestaat tussen deze eersten en tweeden. In de context van bedoelde artikelen wordt voor de aanwijzing van deze eersten en tweeden impliciet verwezen naar de juridische verhouding die het recht op het loon of het voordeel doet ontstaan. Nu maakt [eiseres] de vennootschap uit waarin de globaliteit van de werknemers, die aanspraak kunnen maken op het litigieuze voordeel, vertegenwoordigd is. De betaling door [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] aan [eiseres] komt dus in het door hen samengebracht patrimonium terecht. Het is vervolgens in onderlinge samenspraak dat de al¬dus ontvangen gelden over de werknemers verdeeld worden onder de vorm van de toekenning van aandelen en dividenden. Het toekennen van aandelen betekent niets minder dan het begroten van de individuele schuldvordering van de aandeelhouder op dit gezamenlijk patrimonium. Door het toekennen van aandelen in plaats van de daadwerkelijke en rechtstreekse uitkering van het voordeel in g

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.