id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 mei 2002 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2002:A
Art. 15
- 31 Link Justel databank 19661219-31 Fiches 4 - 5 De administratieve sanctie wegens het door de kinesitherapeuten en de verpleegkundigen niet-bijhouden van het verstrekkingenregister is geen strafsanctie
(1).
(1)Zie de (strijdige) conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: ADMINISTRATIEVE GELDBOETEN (IN SOCIALE ZAKEN) Vrije woorden: Ziekte- en invaliditeitsverzekering - Ziektekostenverzekering - Zorgverstrekkers - Kinesitherapeuten - Verpleegkundigen - Niet-bijhouden van het verstrekkingenregister - Inbreuk - Administratieve geldboete - Administratieve sanctie - Aard der sanctie Wettelijke bepalingen: KB 25 november 1996 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de zorgverleners bedoeld in artikel 76 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ... - 25-11-1996 - Art. 6 - 33 ELI link Pub nr 1996022676 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
Art. 15
- 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ZIEKTEKOSTENVERZEKERING Vrije woorden: Zorgverstrekkers - Kinesitherapeuten - Verpleegkundigen - Niet-bijhouden van het verstrekkingenregister - Inbreuk - Administratieve geldboete - Administratieve sanctie - Aard der sanctie Wettelijke bepalingen: KB 25 november 1996 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de zorgverleners bedoeld in artikel 76 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ... - 25-11-1996 - Art. 6 - 33 ELI link Pub nr 1996022676 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
Art. 15- 31 Link Justel databank 19661219-31 Fiches 6 - 8 Concl.
adv.-gen. Th. Werquin, Cass., 6 mei 2002, AR nr S.01.0052.N, A.C., 2002, nr. ... . Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 15 - Ziekte- en invaliditeitsverzekering - Ziektekostenverzekering - Zorgverstrekkers - Kinesitherapeuten - Verpleegkundigen - Verplichtingen - Inbreuken - Administratieve geldboete - Strafsanctie - Begrip Thesaurus CAS: ADMINISTRATIEVE GELDBOETEN (IN SOCIALE ZAKEN) Vrije woorden: Ziekte- en invaliditeitsverzekering - Ziektekostenverzekering - Zorgverstrekkers - Kinesitherapeuten - Verpleegkundigen - Niet-bijhouden van het verstrekkingenregister - Inbreuk - Administratieve geldboete - Administratieve sanctie - Aard der sanctie Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ZIEKTEKOSTENVERZEKERING Vrije woorden: Zorgverstrekkers - Kinesitherapeuten - Verpleegkundigen - Niet-bijhouden van het verstrekkingenregister - Inbreuk - Administratieve geldboete - Administratieve sanctie - Aard der sanctie Tekst van de beslissing Nr. S.01.0052.N. D V. J. eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKE-RING, openbare instelling, met zetel te 1150 Brussel, Tervurenlaan 211, verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 5 januari 2001 gewezen door het Arbeidshof te Gent. II. Geding in cassatie Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in een verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 15, eerste lid, van het verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981; - de artikelen 10, 11, 149 en 159 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 2, tweede lid, en 100 van het Strafwetboek; - de artikelen 37ter en 101 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (artikel 37 in de versie zoals het bestond vóór het werd opgenomen als artikel 76 in de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, artikel 101 in de versies zoals het bestond zowel vooraleer en nadat het werd gewijzigd bij wet van 15 februari 1993, als nadat het werd gewijzigd bij wet van 30 maart 1994); - de artikelen 76 en 168 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen; - de artikelen 2, 3, 4, 6, 10 en 11 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de zorgverleners bedoeld in artikel 76 van de Z.I.V.-wet en tot bepaling van de administratieve geldboetes in geval van inbreuk op deze voorschriften. Aangevochten beslissing Het arbeidshof stelt vast dat eiseres met het oog op de vernietiging van verweerders bestreden beslissing aan-voert dat de haar ten laste gelegde gedragingen sinds de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 25 november 1996 niet meer worden gesanctioneerd, dat hetzelfde koninklijk besluit voorts het bedrag van de administratieve geldboeten heeft verminderd en dat eiseres beweert geen enkele overtre-ding op het koninklijk besluit van 25 november 1996 te hebben begaan. Het arbeidshof stelt niettemin vast dat de eerste rechter de bij proces-verbaal van verweerder vastgestelde inbreuken bewezen acht en dat eiseres geen hoger beroep tegen die beslissing heeft ingesteld en het arbeidshof beslist voorts impliciet, maar zeker dat eiseres zich niet kan beroepen op de toepassing van het mildere koninklijk besluit van 25 november 1996, op de grond dat het koninklijk besluit van 25 november 1996 geen beperktere betekenis geeft aan het sanctioneerbaar feit van het niet optekenen in een verstrekkingenregister van alle verstrekkingen die kinesitherapeuten verlenen. Het arbeidshof beslist aldus op volgende gronden : "Het koninklijk besluit van 25 november 1996 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de zorgverleners, bedoeld in artikel 76 van de Z.I.V.-wet 1994 en tot bepaling van de administratieve geldboetes in geval van inbreuk op deze voorschriften (B.S. 13 december 1996), heeft het koninklijk besluit van 4 juni 1987 met ingang van 13 december 1996 opgeheven en vervangen. Artikel 6 van dit besluit legt lagere administratieve geldboetes op dan het koninklijk besluit van 4 juni 1987, namelijk enerzijds van 25 pct. waar vroeger een vork tussen 33 en 50 pct. gold, anderzijds van 5 pct. waar vroeger een vork tussen 5 en 20 pct. gold. Een overgangsbepaling (artikel 11) maakt het evenwel mogelijk de nieuwe percentages die zijn vastgesteld voor de overtredingen inzake het bijhouden van het register toe te passen op de beslissingen die nog niet definitief zijn maar reeds zijn uitgesproken vóór de inwerkingtre-ding van het genoemde besluit. Dit laatste is het geval met de administratieve geldboete die aan (eiseres) werd opgelegd, aangezien die op 13 december 1996 nog in rechte werd bestreden ten gevolge van huidige beroepsprocedure. Het koninklijk besluit van 25 november 1996 heeft tevens de administratieve verplichtingen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister versoepeld, door het aanvaarden van geïnformatiseerde lijsten, door bepaalde zorgverleners die thuisverzorging of verzorging in de spreekkamer combineren met activiteiten in één of meer behandelingscentra toestemming te geven om een uniek verstrekkingenregister bij te houden en door het vereenvoudigen van de vermeldingen die op het genoemd register moeten voorkomen. (Eiseres) voert aan dat het koninklijk besluit van 25 november 1996 een mildere strafwet is die niet alleen milder is in de zin dat de administratieve geldboeten zelf werden verminderd, maar dat ook bepaalde strafbare gedragingen thans niet meer strafbaar zijn. (Eiseres) argumenteert dat zij geen enkele inbreuk pleegde op het van toepassing zijnde koninklijk besluit van 25 november 1996, terwijl krachtens artikel 2, lid 2, Strafwetboek en artikel 15.1 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten van 19 december 1966, enkel het koninklijk besluit van 25 november 1996 toepasselijk is. De vraag stelt zich of de administratieve geldboeten, bepaald in de artikelen 6 en 7 van het koninklijk besluit van 4 juni 1987, al dan niet het karakter van een straf hebben (...). De inschrijving in een register was voorheen een voorwaarde opdat de tegemoetkomingen konden toegekend worden. Omdat dit tot gevolg had dat, bij gebrek aan inschrijving, de tegemoetkomingen integraal teruggevorderd werden van de zorgenverstrekkers, en omdat deze sanctie te zwaar werd bevonden, werd het bijhouden van een register als administratieve verplichting opgelegd aan de zorgverstrekker (...). Het niet nakomen van deze administratieve verplichtingen, werd bij koninklijk besluit van 4 juni 1987 gesanctioneerd met administratieve geldboetes. De boetes zijn geen alternatieven voor strafrechterlijke sancties, zoals de administratieve geldboetes ingesteld bij de wet van 30 juni 1991 (...). Het Hof van Cassatie heeft inderdaad recent aangenomen dat administratieve sancties een strafrechtelijke aard kunnen hebben in de zin van artikel 6 E.V.R.M. (...). De twee voornaamste mensenrechtenverdragen, het E.V.R.M. en het B.U.P.O. houden in strafzaken een aantal waarborgen voor een meer behoorlijke rechtsbedeling in (artikel 6 E.V.R.M. en artikel 14 B.U.P.0.) evenals het principiële verbod van terugwerkende kracht (art. 7 E.V.R.M. en artikel 15 B.U.P.0.). 0m uit te maken of de tenlastelegging betrekking heeft op een strafbaar feit, mag evenwel niet enkel worden gelet op de interne kwalificatie. Aan de term 'strafzaak' heeft het Europees Hof een autonome betekenis toegekend. Staten kunnen bijgevolg de waarborgen van artikel 6 niet omzeilen door strafrechtelijke inbreuken als "administratief" of "disciplinair" te bestempelen. In de zaak Engel t. Nederland (A,22) heeft het Europees Hof op 8 juni 1976 drie criteria voorop gesteld :
(1)de interne kwalificatie van de inbreuk : is de overtreden norm opgenomen in het strafrecht van de betrokken staat ?
(2)de aard van de inbreuk : heeft de strafbaarstelling een algemene of beperkte draagwijdte ? Wordt met de sanctie een repressief of enkel een preventief doel nagestreefd ?
(3)De ernst van de sanctie : is de sanctie dermate zwaar dat de inbreuk normaal als strafrechtelijk moet worden beschouwd ? (...) Volgens het Europees Hof heeft een inbreuk een straf-rechtelijk karakter wanneer deze niet gericht is op een beperkte groep personen zoals apothekers, notarissen, enz. Het betwiste koninklijk besluit van 4 juni 1987 richt zich uitdrukkelijk tot de kinesitherapeuten en de verpleegkundigen (zie aanhef), terwijl artikel 3 een aparte strafrechtelijke vervolging niet uitsluit. In de verplichting die uitsluitend wordt opgelegd aan bepaalde zorgverstrekkers ziet het Arbitragehof trouwens geen discriminatie of schending van het gelijkheidsbeginsel (...) Met andere woorden, aangezien deze administratieve geldboetes kennelijk niet het karakter van een straf hebben is noch artikel 2, lid 2, Strafwetboek, noch artikel 15.1 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten van 19 december 1966 toepasselijk (...). En zelfs indien zou worden aangenomen dat de bewuste administratieve geldboete een strafrechtelijk karakter heeft, is met uitzondering van de begroting van de boete, het nieuw koninklijk besluit niet toepasselijk, omdat enkel de uitvoeringsreglementering van de principiële strafbaarstelling van de artikelen 37ter en 101 Z.I.V.-Wet 1963, (thans de artikelen 76 en 168 Z.I.V.-wet 1994) werd gewijzigd. Artikel 2, tweede lid, Strafwetboek (en dus ook artikel 15.1, B.U.P.O.) vindt geen toepassing wanneer een vroeger koninklijk besluit werd vervangen door een later besluit dat genomen werd ter uitvoering van dezelfde wet als het konink-lijk besluit, zonder dat de wet zelf gewijzigd werd; in zodanig geval blijven feiten, die ingevolge het vroegere koninklijk besluit strafbaar waren ten tijde waarop ze werden gepleegd, strafbaar, zelfs indien ze ingevolge het latere besluit, genomen ter uitvoering van dezelfde wet, die niet gewijzigd werd ten tijde van het te vellen arrest, geen strafbaar feit meer opleveren (...). Het feit dat de modaliteiten werden versoepeld met het koninklijk besluit van 25 november 1996 impliceert niet, dat het koninklijk besluit van 25 november 1996 een beperktere betekenis geeft aan het sanctioneerbaar feit van het niet optekenen in een verstrekkingenregister van alle verstrekkingen die kinesitherapeuten verlenen, overeenkomstig de door de Koning nader te bepalen regelen zoals ze van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 25 november 1996 op 13 december
- De artikelen 1, 2, 3 en 4 van het koninklijk besluit van 4 juni 1987 bepalen de modaliteiten waaronder het verstrekkingenregister moest worden bij-gehouden vóór de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 25 november 1996 (...) De inbreuk waarvoor de geldboete werd opgelegd is het niet bijhouden van een verstrekkingenregister en het niet op tekenen van de verstrekkingen die zij heeft verleend in dat verstrekkingenregister, volgens de modaliteiten die kunnen verschillen van periode tot periode. Samen met het openbaar ministerie komt het arbeidshof tot het besluit dat, behoudens de artikelen 6 en 11, het koninklijk besluit van 25 november 1996 bijgevolg niet toepasselijk is op de vastgestelde feiten tijdens de betrokken periode, maar wel het koninklijk besluit van 4 juni
- De herberekening van de geldboete die moet worden gemaakt overeenkomstig de artikelen 6 en 11 van het nieuwe koninklijk besluit impliceert geen nieuwe beslissing die in de plaats zou komen van de oorspronkelijke beslissing (...). Het arbeidshof kan en moet, krachtens de artikelen 6 en 11 van het koninklijk besluit van 25 november 1996, het bedrag van de opgelegde geldboete ambtshalve wijzigen. Immers, indien het arbeidshof zich zou beperken tot loutere bevestiging van de administratieve beslissing, in de veronderstelling dat enkel de administratie die bevoegdheid zou hebben overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 25 november 1996, zou deze laatste bepaling worden miskend". Grieven
- Eerste onderdeel Kinesitherapeuten zijn op grond van artikel 37ter van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en op grond van artikel 76 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ertoe gehouden, overeenkomstig de door de Koning te bepalen regels, alle verstrekkingen die zij verlenen in een verstrek-kingenregister op te tekenen. Het koninklijk besluit van 25 november 1996 stelt thans de regels vast volgens welke kinesitherapeuten de verstrekkingen in een verstrekkingen-register dienen op te tekenen. Op grond van artikel 101 van de wet van 9 augustus 1963 en van artikel 168 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 stelt de Koning, op voorstel of na advies van verweerders dienst voor administratieve controle, de administratieve sancties vast die toepasselijk zijn in geval van overtreding van artikel 37ter, respectievelijk artikel 76 of van de uitvoeringsbesluiten van die wetsbepalingen. De sanctioneerbare feiten zijn bijgevolg niet alleen bij wet vastgesteld, maar tevens bij koninklijk besluit van 25 november 1996 dat de concrete verplichtingen tot inschrijving in het verstrekkingenregister vastlegt. De bepalingen van het koninklijk besluit die deze verplichtingen bevatten, maken derhalve een integrerend gedeelte van de globale omschrijving van de sanctioneerbare feiten uit en construeren mede de toe te passen sanctioneerbaarheid. Artikel 15, eerste lid, van het verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt uitdrukkelijk dat, indien na het begaan van het strafbare feit, de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te profiteren. Overeenkomstig artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek wordt eveneens de minst zware straf toegepast, indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald. Artikel 100 van het Strafwetboek bepaalt dat, bij ontstentenis van andersluidende bepalingen, artikel 2 van het Strafwetboek wordt toegepast op de misdrijven die bij bijzondere wetten en verordeningen strafbaar zijn gesteld. Het in die wetsbepalingen vastgelegde fundamentele beginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet geldt niet alleen voor strafwetten die enkel de straffen milderen, maar evenzeer voor strafwetten die de constitutieve bestanddelen van het misdrijf zodanig herformuleren dat de strafbaarstelling wordt ingeperkt. Uit die wetsbepalingen vloeit bijgevolg voort dat de rechter die een strafbaar feit bewezen verklaart, slechts een straf mag uitspreken met toepassing van de nieuwe wet die minder zware straffen bepaalt, na te hebben vastgesteld dat het ten laste gelegde feit dat strafbaar was op het tijdstip waarop het werd gepleegd, op het ogenblik van zijn uitspraak nog strafbaar is volgens de nieuwe wet. De appèlrechters stellen vast dat de administratieve geldboete die aan eiseres is opgelegd, nog niet definitief is geworden en dat eiseres aanvoert dat zij geen enkele inbreuk op het koninklijk besluit van 25 november 1996 heeft begaan. De appèlrechters mogen slechts de bij artikel 37ter van de wet van 9 augustus 1963 of artikel 168 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 bedoelde sanctie opleggen, na te hebben vastgesteld dat de aan eiseres ten laste gelegde feiten die zij sanctioneerbaar achten op het tijdstip waarop zij zijn begaan, op het ogenblik van hun uitspraak nog steeds sanctio-neerbaar zijn volgens het koninklijk besluit van 25 november
- De appèlrechters achten evenwel de aan eiseres ten laste gelegde feiten bewezen zonder tevens vast te stellen dat de aan eiseres ten laste gelegde feiten ook een overtreding van het koninklijk besluit van 25 november 1996 zouden uitmaken. Daarenboven is de vaststelling van de appèlrechters dat het koninklijk besluit van 25 november 1996 de administratieve verplichtingen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister heeft versoepeld, tegenstrijdig met de beslissing van de appèlrechters dat de versoepeling van de verplichtingen tot inschrijving in het verstrekkingenregister het sanctioneerbare feit van het niet optekenen in een verstrekkingenregister geen beperktere betekenis geeft. De appèlrechters gronden derhalve, ten eerste, het beschikkend gedeelte van het arrest op tegenstrijdige redenen en omkleden aldus hun beslissing niet regelmatig met redenen (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet), en beslissen ten tweede niet naar recht dat het koninklijk besluit van 25 november 1996 het sanctioneerbare feit geen beperktere betekenis geeft (schending van de artikelen 37ter en 101 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekteen invaliditeitsverzekering; 76 en 168 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, 2, 3 en 4 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de zorgverleners bedoeld in artikel 76 van de Z.I.V.-wet en tot bepaling van de administratieve geldboetes in geval van inbreuk op deze voorschriften, zoals in het middel gepreciseerd) en, ten derde, ontzeggen eiseres niet naar recht het voordeel van de toepassing van het koninklijk besluit van 25 november 1996, hoewel zij vaststellen dat het koninklijk besluit van 25 november 1996 de toestand van eiseres verbetert (schending van de artikelen 15, eerste lid, van het verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, 2, tweede lid, en 100 van het Strafwetboek).
- Tweede onderdeel Artikel 15, eerste lid, van het verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt uitdrukkelijk dat, indien na het begaan van het strafbare feit, de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te profiteren. Deze internationaal-rechtelijke wetsbepaling geldt zowel voor de oplegging van een lichtere straf als voor de inperking van de omschrijving van het strafbaar feit en voorziet in geen enkele uitzondering op het erin vermelde beginsel. Deze wetsbepaling geniet rechtstreekse werking en heeft bijgevolg voorrang op de Belgische wetsbepalingen die ermee in strijd zouden zijn. De rechter mag bijgevolg artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek niet toepassen, voor zover die wetsbepaling aldus zou moeten worden uitgelegd dat zij de rechter ertoe verplicht om de overtreder het voordeel van de mildere strafwet te ontzeggen, op grond dat zulks overeenstemt met de wil van de wetgever. Artikel 15, eerste lid, van het verdrag van 19 december 1966 verplicht de rechter immers om, zolang nog geen definitieve sanctie is opgelegd, het wijzigende uitvoeringsbesluit dat in een lichtere straf of een beperktere strafbaarstelling voorziet, toe te passen, zelfs wanneer de uitsluitende wijziging van een uitvoeringsbesluit van een voor het overige onveranderd gebleven strafwet zou wijzen op de wil van de wetgever om de overtreder niet te laten profiteren van de lichtere straf die bij het wijzigende uitvoeringsbesluit wordt vastgelegd. Het koninklijk besluit van 4 juni 1987 is opgeheven bij koninklijk besluit van 25 november 1996 dat in werking is getreden op de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. Overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 is artikel 6 van het nieuwe besluit van toepassing op de administratieve geldboetes opgelegd krachtens het koninklijk besluit van 4 juni 1987 die bij de inwerkingtreding van het nieuwe besluit nog niet definitief zijn geworden. Artikel 11 mag niet a contrario worden uitgelegd, in die zin dat voor het overige het koninklijk besluit van 4 juni 1987 en niet de mildere bepalingen van het koninklijk besluit van 25 november 1996 van toepassing zouden zijn op nog niet definitief geworden administratieve geldboeten, vermits artikel 11 onverenigbaar zou zijn met artikel 15, eerste lid, van het verdrag van 19 december 1966, ingeval het aldus zou moeten worden uitgelegd. De appèlrechters stellen vast dat de administratieve geldboete die aan eiseres is opgelegd, nog niet definitief is geworden. De appèlrechters overwegen dat het feit dat de modaliteiten van inschrijving in het verstrekkingenregister werden versoepeld bij koninklijk besluit van 25 november 1996 niet impliceert dat het koninklijk besluit een beperktere betekenis geeft aan het sanctioneerbaar feit van het niet optekenen in een verstrekkingenregister van alle verstrekkingen die kinesitherapeuten verlenen, overeenkomstig de door de Koning nader te bepalen regelen zoals ze van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 25 november
- Voor zover de appèlrechters met die overweging beslissen dat uit de handhaving van de bepalingen van de artikelen 37ter en 101 van de wet van 9 augustus 1963, respectievelijk 76 en 168 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, kan worden afgeleid dat de wetgever niet de bedoeling had de overtreders het voordeel van de mildere bepalingen van het koninklijk besluit van 25 november 1996 te laten genieten, verliest het arbeidshof ten onrechte uit het oog dat artikel 15 het verdrag van 19 december 1966 de rechter verbiedt om met een dergelijke wil of bedoeling van de formele wetgever rekening te houden. Voor zover de appèlrechters met die overweging beslissen dat de artikelen 11 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 de toepassing van de mildere strafwet beperkt tot de toepassing van artikel 6 van het koninklijk besluit, verliest het arbeidshof ten onrechte uit het oog dat de bepalingen van artikel 11 in dat geval in strijd zijn met artikel 15 van het verdrag van 19 december 1966 en bijgevolg niet mogen worden toegepast. Voor zover zij artikel 11 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 aldus uitleggen dat het enkel de toepassing van artikel 6 van hetzelfde besluit op nog niet definitief geworden administratieve geldboeten toestaat, geven de appèlrechters derhalve aan de bepalingen van artikel 11 van het koninklijk besluit een al te beperkte uitlegging (schending van artikel 11 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de zorgverleners bedoeld in artikel 76 van de Z.I.V.-wet en tot bepaling van de administratieve geldboetes in geval van inbreuk op deze voorschriften) en laten zij tevens ten onrechte de bepalingen van artikel 11 van het koninklijk besluit, hoewel deze in strijd zijn met hogere wetsbepalingen, niet buiten toepassing (schending van de artikelen 159 van de gecoördineerde Grondwet, 2, tweede lid, van het Strafwetboek), en beslissen zij voorts niet naar recht dat de versoepeling van de inschrijvingsmodaliteiten bij koninklijk besluit niet volstaat om aan het sanctioneerbaar feit van het niet optekenen in een verstrekkingenregister een beperktere betekenis te geven (schending van de artikelen 2, tweede lid, en 100 van het Strafwetboek, 37ter en 101 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, 76 en 168 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, 2, 3, 4, 10 en 11 van bet koninklijk besluit van 25 november 1996 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de zorgverleners bedoeld in artikel 76 van de Z.I.V.-wet en tot bepaling van de administratieve geldboetes in geval van inbreuk op deze voorschriften), en schenden zij ten slotte de bepalingen van artikel 15, eerste lid, van het verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, door op de hoger uiteengezette gronden de aan eiseres ten laste gelegde feiten bewezen te achten, zonder vast te stellen dat de aan eiseres ten laste gelegde feiten ook een overtreding van het koninklijk besluit van 25 november 1996 zouden uitmaken.
- Derde onderdeel Op grond van artikel 168 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen stelt de Koning, op voorstel of na advies van verweerders dienst voor administratieve controle, de administratieve sancties vast die toepasselijk zijn in geval van overtreding van artikel 76 van dezelfde wet of van de uitvoeringsbesluiten ervan. De bepalingen van het koninklijk besluit van 25 november 1996 leggen enerzijds de door kinesitherapeuten in acht te nemen verplichtingen bij de inschrijving in een verstrekkingenregister vast en bepalen anderzijds de administratieve sanctie wegens miskenning van die verplichtingen. De bepalingen van het koninklijk besluit van 25 november 1996 maken bijgevolg een integrerend en onlosmakelijk deel van de omschrijving van de sanctioneerbare feiten uit en construeren mede de toe te passen sanctioneerbaarheid. Artikel 15, eerste lid, van het verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt uitdrukkelijk dat, indien na het begaan van het strafbare feit, de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te profiteren. Overeenkomstig artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek wordt de minst zware straf toegepast, indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald. Artikel 100 van het Strafwetboek bepaalt dat, bij ontstentenis van andersluidende bepalingen, artikel 2 van het Strafwetboek wordt toegepast op de misdrijven die bij bijzondere wetten en verordeningen strafbaar zijn gesteld. Uit die wetsbepalingen vloeit voort dat in ieder geval de minst strenge strafwet dient te worden toegepast, indien de straf ten tijde van het vonnis bij formele wet is vastgesteld op een lichtere straf dan ten tijde van het misdrijf. Overeenkomstig de artikelen 10 en 11 van de Belgische Grondwet zijn alle Belgen gelijk voor de wet en moet het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen zonder discriminatie worden verzekerd. De hoger in herinnering gebrachte wetsbepalingen zouden in strijd zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, voor zover zij aan sommige Belgen het aan andere Belgen toegekende recht op de toepassing van de mildere strafwet ontzeggen, louter op grond van het formalistische onderscheid dat de concrete omschrijving van de sanctioneerbare feiten niet alleen bij wet maar tezelfdertijd bij wet en bij koninklijk besluit is geschied. Die wetsbepalingen en, inzonderheid, artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek, moeten bijgevolg aldus worden geïnterpreteerd dat zij niet tot gevolg hebben dat feiten die ingevolge een opgeheven koninklijk besluit strafbaar waren, strafbaar blijven, wanneer het vroegere uitvoeringsbesluit wordt vervangen door een nieuw uitvoeringsbesluit dat deze feiten niet meer strafbaar stelt, zonder dat de wet ter uitvoering waarvan beide besluiten zijn genomen, is gewijzigd. De appèlrechters sluiten derhalve, door te beslissen dat eiseres zich niet op de bepalingen van het koninklijk besluit van 25 november 1996 kan beroepen, eiseres ten onrechte uit van het voordeel van de toepassing van de mildere strafwet en van de artikelen 2, 3, 4, 10 en 11 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 en schenden aldus het grondwettelijk gelijk-heidsbeginsel (schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet).
- Vierde onderdeel De bij de artikelen 101 van de wet van 9 augustus 1963 en 168 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 bedoelde boeten zijn administratieve sancties. Een administratieve sanctie is niettemin een strafsanctie in de zin van het verdrag van 19 december 1966 inzake de burgerlijke en politieke rechten, wanneer de administratieve sanctie zonder onderscheid elke kinesitherapeut betreft, een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt, die niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen, en op een norm stoelt met een algemeen karakter waarvan het oogmerk tezelfdertijd preventief en repressief is, en zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan. De rechter mag de wettelijkheid van een administratieve sanctie, die tevens een strafsanctie is in de zin van het verdrag van 19 december 1966 inzake burgerlijke en politieke rechten, toetsen en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen. Het koninklijk besluit van 25 november 1996 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de zorgverleners, bedoeld in artikel 76 van de Z.I.V.-wet, en tot bepaling van de administratieve geldboetes in geval van inbreuk op deze voorschriften, sanctioneert alle kinesitherapeuten zonder onderscheid die de verplichting tot inschrijving in het verstrekkingenregister niet nakomen met een geldboete van 25 pct. van de verzekeringstegemoetkoming voor de verstrekkingen die niet werden ingeschreven in een verstrekkingenregister of waarvoor het verstrekkingenregister niet op correcte wijze werd bijgehouden of bewaard overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, 2 of 4 van het koninklijk besluit en van 5 pct. van de verzekeringstegemoetkoming voor de verstrekkingen die niet overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van het besluit werden ingeschreven. De appèlrechters stellen vast dat de administratieve geldboete die verweerder aan eiseres heeft opgelegd een bedrag van 1.144.736 BEF bedraagt en dat de eerste rechter dat bedrag materialiter heeft verbeterd en heeft vastgesteld op 1.144.619 BEF. De appèlrechters overwegen dienaangaande dat de opgelegde administratieve geldboetes geen alternatief zijn voor strafrechtelijke sancties, en niet als een straf in de zin van het E.V.R.M. en het B.U.P.O.-Verdrag kunnen worden beschouwd, op de grond dat het betwiste koninklijk besluit van 4 juni 1987 zich uitdrukkelijk richt tot kinesitherapeuten en verpleegkundigen. De appèlrechters beslissen op die gronden dat de opge-legde administratieve geldboetes kennelijk niet het karakter van een straf hebben en dat bijgevolg noch artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek, noch artikel 15.1, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten van toepassing is. De appèlrechters beslissen derhalve niet naar recht dat eiseres de haar ten laste gelegde feiten niet weerlegt zonder na te gaan of die feiten nog sanctioneerbaar zijn overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 25 november 1996 op de grond dat de bij artikel 76 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 bedoelde sancties geen strafsancties zijn en miskennen aldus de aard van een straf in de zin van artikel 15, tweede lid van het verdrag van 19 december 1966, van de bij artikel 76 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 bedoelde administratieve geldboete (schending van de artikelen 15, eerste lid, van het verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, 2, tweede lid, en 100 van het Strafwetboek, 37ter en 101 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, 76 en 168 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, 6 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de zorgverleners bedoeld in artikel 76 van de Z.I.V.-wet en tot bepaling van de administratieve geldboetes in geval van inbreuk op deze voorschriften). IV. Beslissing van het Hof
- Vierde onderdeel Overwegende dat de administratieve geldboeten, bepaald bij de artikelen 6 en 7 van het koninklijk besluit van 4 juni 1987 en 25 november 1996 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de zorgverleners bedoeld in artikel 37ter van de wet van 9 augustus 1963 en in artikel 76 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, en tot bepaling van de administratieve geldboetes in geval van inbreuk op deze voorschriften, administratieve sancties zijn in de zin van respectievelijk artikel 101 van de Z.I.V.-wet van 9 augustus 1963 en 168 van de voormelde gecoördineerde wet van 14 juli 1994; Overwegende dat een administratieve sanctie een strafsanctie kan zijn in de zin van artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten van 19 december 1966; dat, om uit te maken of een administratieve sanctie een dergelijk karakter heeft, moet nagegaan worden of ze,
- niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft;
- een bepaald gedrag voorschrijft en op de niet-naleving ervan een sanctie stelt;
- niet alleen maar een vergoeding van schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen;
- stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk tezelfdertijd preventief en repressief is;
- zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan; Dat, indien na afweging van deze elementen blijkt dat de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven, de administratieve sanctie als een strafsanctie in de zin van de aangewezen verdragsbepaling moet worden beschouwd; Overwegende dat het arrest vaststelt dat de inschrijving in het verstrekkingenregister voorheen een voorwaarde was opdat de tegemoetkomingen konden toegekend worden en dat, omdat dit tot gevolg had dat, bij gebrek aan inschrijving, de tegemoetkomingen integraal teruggevorderd werden van de zorgverstrekkers en deze sanctie te zwaar werd bevonden, het bijhouden van een register als administratieve verplichting werd opgelegd aan de zorgverstrekker-kinesitherapeut; dat het arrest tevens vaststelt dat de bij koninklijk besluit bepaalde administratieve geldboeten, opgelegd voor het niet-nakomen van deze administratieve verplichting, geen alternatieven zijn voor strafsancties, zoals de administratieve geldboete opgelegd bij de wet van 30 juni 1971; Overwegende dat het arrest op grond hiervan en op grond dat de bedoelde administratieve sanctie uitdrukkelijk slechts gericht is op een bepaalde groep personen, met name de kinesitherapeuten en verpleegkundigen, en artikel 3 van het koninklijk besluit van 4 juni 1987 "een aparte strafrechtelijke vervolging niet uitsluit", zonder schending van de aangewezen wettelijke bepalingen vermocht te beslissen dat de administratieve sanctie wegens het niet-bijhouden van het verstrekkingsregister geen strafsanctie is, zodat "noch artikel 2, lid 2, van het Strafwetboek, noch artikel 15.1, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten van 19 december 1966 toepasselijk (is)"; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
- Eerste, tweede en derde onderdeel Overwegende dat de onderdelen ervan uitgaan dat de bedoelde administratieve sancties strafsancties zijn; Dat het arrest met de in het vierde onderdeel tevergeefs bekritiseerde reden de strafrechtelijke aard van de bedoelde sancties verwerpt; Dat de onderdelen niet tot cassatie kunnen leiden, mitsdien niet ontvankelijk zijn; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de voorziening; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van eenentachtig euro drieënvijftig cent jegens de eisende partij en op de som van negenenzestig euro veertien cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van zes mei tweeduizend en twee uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Lisette De Prins. PDF document ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020506.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2002:CONC.20020506.9 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100426.6 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110519.5 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130114.6 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220923.1N.7 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250124.1N.7 ECLI:BE:CTMON:2002:ARR.20021011.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041119.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div