id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 mei 2003 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030509.2 Rolnummer: C.00.0203.N Zaak: L. contra D. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-01-17 Raadplegingen: 558 - laatst gezien 2026-06-19 05:31 Versie(s): Vertaling FR Fiche De rechter moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten onderzoeken en mag, ongeacht de beschrijving die zij daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op feiten die hem regelmatig ter beoordeling zijn overgelegd, dat hij noch het voorwerp noch de oorzaak van de vordering wijzigt en dat hij daarbij de rechten van de partijen eerbiedigt
(1); hij vermag aldus niet de middelen en de feitelijke gegevens waarop de vordering steunt ambtshalve aan te vullen.
(1)Cass., 21 dec. 2001, A.R. C.99.0239.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011221.7, nr ... . Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Door partijen aangevoerde feiten en redenen - Bevoegdheid van de rechter om ze ambtshalve aan te vullen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1138, 2° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.00.0203.N L.S. eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- D.L.W., en zijn echtgenote,
- A.M. verweerders, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te Vilain XIIII-straat 17, 1050 Brussel, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 15 december 1999 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. IV. Beslissing van het Hof
- Eerste middel 1.
- Eerste onderdeel Overwegende dat de rechter de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten moet onderzoeken, en ongeacht de benaming die de partijen hieraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve mag aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn overgelegd, dat hij noch het voorwerp noch de oorzaak van de vordering wijzigt en dat hij daarbij de rechten van de partijen eerbiedigt ; Dat de rechter aldus niet vermag de middelen en de feitelijke gegevens waarop de vordering steunt, ambtshalve aan te vullen ; Dat het de rechter niet toekomt, wanneer een partij de uitvoering in natura vraagt van een overeenkomst en de wederpartij niet aanvoert dat een uitvoering in natura een misbruik van recht zou uitmaken, de ontbinding ervan te bevelen met schadevergoeding op grond dat een uitvoering in natura een misbruik van recht zou uitmaken ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat de verweerders de uitvoering in natura vorderden van de huurovereenkomst en dat eiser hiertegenover geen rechtsmisbruik als verweer aanvoerden ; Dat door de uitvoering in natura te bevelen op grond onder meer dat de wederpartij hiertegen geen misbruik van recht aanvoert, de appèlrechters hun beslissing naar recht verantwoorden ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; 1.
- Tweede onderdeel Overwegende dat eiser in zijn verzoekschrift tot hoger beroep het volgende heeft aangevoerd :
- “Dat, tenslotte, de overwegingen van de eerste rechter ook hier een contradictie bevatten, nu hij in de betrokken passage (…) stelt dat de (verweerders) geen fout begaan door ‘ervoor te opteren de huurovereenkomst met (eiser) verder te zetten’, terwijl de eerste rechter eerder in zijn vonnis (…) heeft beslist dat de eis van (verweerders) tot verdere uitvoering van de overeenkomst als rechtsmisbruik diende te worden afgewezen” ;
- “Dat (eiser) op dit punt trouwens wenst te verwijzen naar de rechtspraak inzake huur waar gesteld wordt dat de verhuurder uit hoofde van zijn schadebeperkingsplicht eerder dient te kiezen voor de ontbinding dan voor de gedwongen uitvoering van het huurcontract en dat deze rechtspraak, wanneer het misbruik vaststelt van het recht op uitvoering door de verhuurder (de verhuurder verwijtend dat hij het goed sneller had moeten terugnemen en wederverhuren), de gerechtelijke ontbinding uitspreekt en laat ingaan vanaf het ogenblik dat de huurder zonder kans op terugkeer het goed heeft verlaten (…)” ; 3.”Dat het dan ook voorkomt om, voor zover de rechtbank het (beroepen vonnis) voor wat betreft het principe van de ontbinding lastens (eiser) zou bevestigen, quod non, het (beroepen vonnis) te hervormen voor wat betreft het tijdstip waarop de ontbinding terugwerkt en dit tijdstip (te bepalen) op datum van de gedinginleidende akte, hetzij 25 mei 1998” ; Dat eiser in de inventaris van de stukken, gevoegd bij zijn appèlconclusie, verwijst naar rechtspraak door vermelding van de rechtsmacht en de datum van de uitspraak en van de vindplaats in tijdschriften en door vermelding van auteurs en van de titel van hun werk en de vindplaats ervan ; Overwegende dat het bestreden vonnis, door te oordelen dat eiser geen rechtsmisbruik aanvoert wat betreft de keuze van de verweerders voor de uitvoering van het huurcontract eerder dan voor de ontbinding ervan, van het verzoekschrift tot hoger beroep en van de voormelde inventaris een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is ; Overwegende dat het onderdeel voor het overige het Hof verplicht tot een onderzoek van het feit of in de gegeven omstandigheden de verweerders, door de verdere uitvoering van de overeenkomst te eisen, de grenzen van het redelijke te buiten gingen ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
- Tweede middel Overwegende dat het bestreden vonnis, zonder vast te stellen dat werken ter vermijding van minder genot werden uitgevoerd, beslist dat er een minder genot van 13.000 BEF moet aangerekend worden voor de maanden mei en juni 1998 om de enkele reden dat de deskundige geoordeeld heeft dat er een vermindering van het huurgenot was tot beloop van 10 percent van de huurprijs, zolang de werken niet uitgevoerd waren ; Dat het bestreden vonnis met die reden, het bedoelde verweer met opgave van redenen verwerpt en beantwoordt ; Dat het middel, in zoverre het schending van artikel 149 van de Grondwet aanvoert, feitelijke grondslag mist ; Overwegende verder dat de grief dat de appèlrechters steunen op eigen kennis en dat het recht van verdediging van eiser werd geschonden, uitgaat van de onderstelling dat het bestreden vonnis vaststelt dat de werken tot vermijding van verminderd genot werden uitgevoerd ; Dat het bestreden vonnis die vaststelling niet bevat ; Dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist ; Overwegende tenslotte dat het middel niet aangeeft hoe en waardoor het bestreden vonnis de artikelen 2 van de wet van 20 februari 1991 houdende wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek in zake huishuur, zoals gewijzigd bij de wet van 13 april 1997, en 1146, 1147, 1149, 1719, 2° en 3°, en 1721 van het Burgerlijk Wetboek schendt ; Dat het middel in zoverre bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van vijfhonderd tweeënveertig euro eenenzestig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd tweeëndertig euro tweeënnegentig cent jegens de verwerende partijen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Bourgeois, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van negen mei tweeduizend en drie uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030509.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011221.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080215.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div