id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 mei 2003 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030509.3 Rolnummer: C.00.0656.N-C.00.0392.N Zaak: V. contra VLAAMS GEWEST Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-01-17 Raadplegingen: 611 - laatst gezien 2026-06-19 10:37 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De beslagrechter is bevoegd om te onderzoeken of de schuldvordering die uit de uitvoerbare titel blijkt niet is tenietgegaan na het ontstaan van de titel, in welk geval de tenuitvoerlegging onrechtmatig zou zijn
(1); wanneer hij in het raam van dit onderzoek de tenuitvoerlegging van de uitvoerbare titel geheel of gedeeltelijk schorst in afwachting van de beslissing van de bodemrechter, raakt hij niet aan de materieelrechtelijke verhouding tussen de partijen, maar beslecht hij slechts het gerezen executiegeschil.
(1)Cass., 15 jan. 1999, AR C.96.0478.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990115.5, nr
- Thesaurus CAS: BESLAG - ALGEMEEN Vrije woorden: Beslagrechter - Bevoegdheid - Beslissing over de rechten der partijen - Titel - Schorsing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1395 en 1489 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Volstrekte bevoegdheid (Materiële. Persoonlijke) Vrije woorden: Beslagrechter - Beslissing over de rechten der partijen - Titel - Schorsing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1395 en 1489 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.00.0392.N V.I.L. eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Voorzitter van de Regering, en namens wie optreedt de Vlaamse Minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie, met kabinet te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Philippe Gérard, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 523, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. Nr. C.00.0656.N V.I.L. eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de minister-president, en namens wie optreedt de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie, met kabinet te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, bus 1, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Philippe Gérard, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Louizalaan 523, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest, op 22 februari 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. De zaken dienen te worden gevoegd. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Zaak C.00.0392.N Overwegende dat eiseres, bij akte neergelegd ter griffie van het Hof op 7 december 2000, verklaard heeft afstand te doen van haar cassatieberoep ; IV. Zaak C.00.0656.N Eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1395, 1494 en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep stelt in het bestreden arrest vooraf het volgende vast en oordeelt : “Uit de ons overgelegde procedurestukken betreffende het kort geding, berecht door de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel blijkt dat * luidens de dagvaarding op 03.06.1982 betekend aan de Belgische Staat - de rechtsvoorganger van (eiseres) een voorschot benaarstigde ten belope van 80.000.000 BEF, voorhoudende dat zijn vaststaand tegoed – exclusief aankleven – op de Belgische Staat (rechtsvoorganger van het Vlaams Gewest) circa 96.400.000 BEF bedroeg, - de fractie in dit begroot tegoed voor de werf te Pepingen door de aannemer werd begroot op circa 18.900.000 BEF, * luidens de eindbeschikking, verleend op 15.07.1982, aan R. een globaal voorschot werd toegekend van 50.000.000 BEF. Dit cijfergegeven brengt er het hof van beroep toe te stellen dat mag aangenomen worden dat – in dit voorschot – in het bedrag toegekend door de kortgedingrechter voor de werf Pepingen een (pro rato) fractie was begrepen van 9.500.000 BEF. De kortgedingrechter is uiteraard – in zijn beoordeling – niet voorbij gegaan aan het cijfermateriaal dat hem werd overgelegd ; het feit dat een ‘globaal’ voorschot werd toegekend doet hieraan niet af ; ten andere door de aannemer werd evenzeer - doch op basis van zijn beweerde tegoeden – een ‘globaal’ voorschot gevorderd. De affectatie die de overheid zelf aan haar betaling van het globaal bedrag zou hebben gegeven, is – zoals door (verweerder) gesteld – een administratieve vereiste die aan de eigen stellingname van de rechtsvoorganger van (eiseres) in het kort geding, geen afbreuk doet”. Het hof van beroep oordeelt vervolgens dat eiseres, als rechtsopvolgster van R., het vonnis in het bodemgeschil niet kan tenuitvoerleggen op de volledige som, doch op de in dit vonnis toegekende bedragen een toerekening diende te maken “ingevolge en a rato van de bedragen gevorderd voor en toegekend door de kortgedingrechter”, en voegt eraan toe : “dit alles, onverminderd het feit dat klaarblijkelijk de overheid in gebreke is gebleven de bodemrechter te wijzen op haar betaling van een globaal voorschot, waarvan een fractie bestemd was tot voldoening van de werf ‘Pepingen’”. Grieven De beslagrechter neemt krachtens artikel 1395 van het Gerechtelijk Wetboek kennis van de vorderingen betreffende middelen tot tenuitvoerlegging. De beslagrechter moet daarbij nagaan of het beslag wettig en regelmatig is. Het uitvoerend beslag kan krachtens artikel 1494 van het Gerechtelijk Wetboek slechts gesteld worden krachtens een uitvoerbare titel en wegens vaststaande en zekere zaken. De materieelrechtelijke verhouding tussen de partijen is door de uitvoerbare titel vastgelegd. De beslagrechter die op grond van de artikelen 1395 en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek kennis neemt van zwarigheden bij de tenuitvoerlegging, heeft geen bevoegdheid om deze materieelrechtelijke verhouding te wijzigen, behoudens op grond van later ingetreden omstandigheden. Een uitvoerbare titel kan zijn actualiteit immers slechts verliezen op grond van later ingetreden omstandigheden. De beslagrechter kan aldus geen rekening houden met een betaling door de schuldenaar die dateert van voor het ontstaan van de ten uitvoer gelegde titel. De omstandigheid dat de schuldenaar in gebreke is gebleven de rechter wiens vonnis ten uitvoer wordt gelegd te wijzen op zijn eerder opgetreden betaling, doet volstrekt niet ter zake. Hieruit volgt dat het bestreden arrest eiseres niet kon veroordelen tot het toerekenen van deze betaling op de schuldvordering vervat in de ten uitvoer gelegde titel (schending van al de in aanhef vermelde bepalingen).
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1253, 1255 en 1256 van het Burgerlijk Wetboek ; - artikel 149 van de Grondwet. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest, stelt vooraf vast en oordeelt : “1.
- Uit de ons overgelegde procedurestukken betrekkelijk het kort geding, berecht door de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel blijkt dat * luidens de dagvaarding op 03.06.1982 betekend aan de Belgische Staat - de rechtsvoorganger van (eiseres) een voorschot benaarstigde ten belope van 80.000.000 BEF, voorhoudende dat zijn vaststaand tegoed – exclusief aankleven – op de Belgische Staat (rechtsvoorganger van verweerder) circa 96.400.000 BEF bedroeg, - de fractie in dit begroot tegoed voor de werf te Pepingen door de aannemer werd begroot op circa 18.900.000 BEF, * luidens de eindbeschikking, verleend op 15.07.1982, aan R. een globaal voorschot werd toegekend van 50.000.000 BEF. Dit cijfergegeven brengt er het hof van beroep toe te stellen dat mag aangenomen worden dat – in dit voorschot – in het bedrag toegekend door de kortgedingrechter voor de werf Pepingen een (pro rato) fractie was begrepen van 9.500.000 BEF. De kortgedingrechter is uiteraard – in zijn beoordeling – niet voorbij gegaan aan het cijfermateriaal dat hem werd overgelegd ; het feit dat een ‘globaal’ voorschot werd toegekend doet hieraan niet af ; ten andere door de aannemer werd evenzeer – doch op basis van zijn beweerde tegoeden – een ‘globaal’ voorschot gevorderd. De affectatie die de overheid zelf aan haar betaling van het globaal bedrag zou hebben gegeven, is – zoals door (verweerder) gesteld – een administratieve vereiste die aan de eigen stellingname van de rechtsvoorganger van (eiseres) in het kort geding, geen afbreuk doet. 1.
- Het voren gestelde impliceert dat (eiseres) het vonnis in het bodemgeschil niet kon ten uitvoer leggen voor de volledige veroordeling aldaar uitgesproken lastens de Belgische Staat, doch op de haar toekomende bedragen een toerekening diende te doen (ingevolge en a rato van de bedragen gevorderd voor en toegekend door de kortgedingrechter), in onderlinge overeenstemming met de schuldenaar of anders in rechte bekrachtigd. Dit alles, onverminderd het feit dat klaarblijkelijk de overheid in gebreke is gebleven de bodemrechter te wijzen op haar betaling van een globaal voorschot, waarvan een fractie bestemd was tot voldoening van de schuldvordering voor de werf ‘Pepingen’. 1.
- Gelet op het gegeven dat in het vonnis verleend in eerste aanleg door de bodemrechter, in het totaal uitstaand bedrag (toekomend aan de rechtsvoorganger van eiseres) reeds een ‘vergoeding voor intresten’ en ‘out-of-pocketkosten’ waren begrepen voor een bedrag van meer dan 7.500.000 BEF, beide berekend tot 31.12.1982, heeft de bodemrechter veroordeeld tot beloop van een bedrag van circa 5.500.000 BEF. In deze instantie is niet bewezen wanneer het voorschot van 50.000.000 BEF door het opdrachtgevend bestuur werd voldaan. Rekening houdend met de datum waarop de beschikking werd verleend en met de traagheid waarmede administratieve verrichtingen – gewoonlijk – worden gesteld, kan aangenomen worden dat tussen de effectieve betaling van het voorschot toegekend in kort geding en de einddatum voor de intrest en out-of-pocketvergoeding (31.12.1982) geen (té) grote decalage zal bestaan”. Het bestreden arrest beslist vervolgens in hetzelfde punt 1.
- dat eiseres “ – in de stand van de zaak – slechts vermag uit te voeren voor een bedrag voorlopig bepaald op 3.500.000 BEF in hoofdsom, met dien verstande dat de bedragen toegekend in het (bestreden) vonnis, uit hoofde van intrest en out-of-pocketvergoeding dienen herleid tot zestig procent van de uit dien hoofde – per dag – uitgesproken bedragen ; dit alles onverminderd de gedingkosten waarop - krachtens het ten uitvoer gelegde vonnis – (eiseres) aanspraak kan maken en onverminderd de betekeningskost. De verdere uitvoeringskosten zullen het lot ondergaan van de gedingskosten, uitgezet in het executiegeschil. De vordering van de Belgische Staat (sic : bedoeld wordt het Vlaams Gewest) moet derhalve gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de opschorting van de uitvoering bevolen voor alle bedragen, het hier boven bepaalde overtreffend”. Het arrest verklaart in het beschikkend gedeelte het verzet van verweerder toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond en schort de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis gewezen door de 12e kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel op 29 juni 1983 op verzoek van eiseres benaarstigd lastens verweerder op “voor alle bedragen die deze – supra 1.
- bepaald – overtreffen”. Grieven De artikelen 1253, 1255 en 1256 van het Burgerlijk Wetboek bepalen op welke wijze de schuldenaar van verscheidene schulden de betaling kan toerekenen. Het hof van beroep diende deze bepalingen toe te passen wanneer het zich diende uit te spreken over de vraag in welke mate de betaling door verweerder van het bedrag van 50.000.000 BEF kon worden toegerekend op de schuldvordering ten belope van 13.181.059 BEF met aankleven, geput uit het ten uitvoer gelegde vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 29 juni
- Het bestreden arrest verduidelijkt evenwel niet hoe deze toerekening is geschied. Het bestreden arrest geeft meer in het bijzonder geen enkele logische of verstaanbare aanduiding van de wijze waarop het bedrag van 3.500.000 BEF in hoofdsom is berekend, noch waarom het bedrag van de intresten en de out-of-pocketvergoeding wordt verminderd tot 60 pct. De motieven van het arrest stellen het Hof niet in staat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet op wettige wijze de betaling heeft toegerekend (schending van de artikelen 1253, 1255 en 1256 van het Burgerlijk Wetboek), minstens de grondwettelijke motiveringsplicht schendt (artikel 149 van de Grondwet). V. Beslissing van het Hof
- Eerste middel Overwegende dat, krachtens artikel 1494 van het Gerechtelijk Wetboek, geen uitvoerend beslag mag worden gelegd dan krachtens een uitvoerbare titel en wegens vaststaande en zekere zaken ; Overwegende dat de beslagrechter die krachtens artikel 1395 van het Gerechtelijk Wetboek kennisneemt van de vorderingen betreffende middelen tot tenuitvoerlegging, overeenkomstig artikel 1489 van dat wetboek oordeelt of het beslag rechtmatig en regelmatig is ; Dat de beslagrechter aldus bevoegd is om te onderzoeken of de schuldvordering die uit de uitvoerbare titel blijkt, niet is tenietgegaan na het ontstaan van de titel, in welk geval de tenuitvoerlegging onrechtmatig zou zijn ; Dat de beslagrechter die in het raam van dit onderzoek de tenuitvoerlegging van de uitvoerbare titel, geheel of gedeeltelijk schorst in afwachting van de beslissing van de bodemrechter, niet raakt aan de materieelrechtelijke verhouding tussen de partijen, maar slechts het gerezen executiegeschil beslecht ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ;
- Tweede middel Overwegende dat gelet op het antwoord op het eerste middel, het middel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Voegt de zaken C.00.0392.N en C.00.0656.N ; Verleent akte van de afstand in de zaak C.00.0392.N ; Verwerpt het cassatieberoep in de zaak C.00.0656.N ; Veroordeelt eiseres in de kosten van beide cassatieberoepen. De kosten in de zaak C.00.0392.N begroot op de som van zeshonderd tweeënveertig euro vier cent jegens de eisende partij en op de som van honderd drieënvijftig euro negenenzestig cent jegens de verwerende partij. De kosten in de zaak C.00.0656.N begroot op de som van vierhonderd achtentachtig euro vijfendertig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd zevenenvijftig euro elf cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Bourgeois, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van negen mei tweeduizend en drie uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030509.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190628.3 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240607.1F.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990115.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040527.9 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100917.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div