← België

V. contra J.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 mei 2003 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030509.4 Rolnummer: C.01.0010.N Zaak: V. contra J. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2005-01-17 Raadplegingen: 254 - laatst gezien 2026-06-16 05:50 Versie(s): Vertaling FR Fiche Een derde kan zich op het bestaan van een overeenkomst en op de gevolgen ervan tussen de contracterende partijen beroepen als verweermiddel tegen een vordering die een van die partijen tegen hem richt

(1); hij kan evenwel geen beroep doen op een overeenkomst waaraan hij vreemd is wanneer die niet meer bestaat en de toestand die ze regelde verdwenen is
(2).
(1)Cass., 17 feb. 1992, AR 7687, nr 318.
(2)Cass., 19 juni 1975, A.C., 1975,
  1. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - T.a.v. derden Vrije woorden: Artikel 1165, Burgerlijk Wetboek - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1165 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. C.01.0010.N V.M.L. eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen J.L. verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 6 januari 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1121, 1134, 1142, 1149, 1150, 1165, 1168, 1176, 1177, 1183, 1184, 1234, 1304, 1319, 1320, 1322, 2044 van het Burgerlijk Wetboek ; - de artikelen 807, 824 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek ; - het algemeen rechtsbeginsel, volgens hetwelk afstand van recht van strikte interpretatie is en enkel kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn ; - het algemeen rechtsbeginsel, genaamd beschikkingsbeginsel, dat de rechter verbiedt ambtshalve door partijen uitgesloten betwistingen op te werpen, die niet van openbare orde zijn. Aangevochten beslissingen Het Hof van Beroep te Gent bij het bestreden arrest, rechtdoende op eisers hoger beroep, verklaart dit hoger beroep ongegrond en bevestigt derhalve het vonnis van de eerste rechter, waarbij deze zowel de hoofdvordering als de tegenvordering ontvankelijk, doch hic et nunc ongegrond verklaarde en eiser veroordeelde tot de kosten van het geding, bevestigt, het weze op grond van andersluidende motieven, na onder meer te hebben overwogen : “(Verweerster) heeft in eerste conclusie (10.9.1991) opgeworpen dat (eiser) de ontbinding van de verkoop van 18.7.1985 niet (meer) kon vorderen daar hij op 3.4.1986 het schilderij verkocht had aan Cl. D., welke op zijn beurt het doek verkocht aan E.R.. In de overeenkomst tussen (eiser) en Cl. D. wordt bedongen dat ‘de koper erkent en bevestigt dat onderhavig schilderij door hem wordt aangekocht zonder dat de verkoper tot enige garantie gehouden is in verband met de signature van R.M.. De koper draagt alle verantwoordelijkheid in dit verband en ontslaat de verkoper van alle aansprakelijkheid en contractuele verantwoordelijkheden’. Daaraan voorafgaand wordt kennis gegeven van hetgeen gebeurde naar aanleiding van de veiling door Sotheby’s New York, meer bepaald van het terugtrekken van de verkoop ‘ingevolge telefonische kennisgeving van mevrouw de wed. R. M. welke verklaarde onbekend te zijn met het geveilde werk, voorwerp van huidige transactie en twijfels te koesteren betreffende de authenticiteit. De koper is tevens bekend met het gegeven dat de door Sotheby’s aangestelde deskundige, de heer D.S., na eerst de authenticiteit van het werk te hebben bevestigd, bij nader onderzoek deed kennen ter zake geen garantie te kunnen verstrekken’. (Verweerster) werpt op dat zij zich op deze overeenkomst mag beroepen tegen de aanspraken van (eiser). Artikel 1165 BW heeft inderdaad niet tot gevolg dat een overeenkomst voor derden onbestaande is. (Verweerster) mag zich bijgevolg beroepen op de overeenkomst tussen (eiser) en Cl. D. om aan de hand daarvan te doen blijken dat de door (eiser) ingestelde vordering ongegrond is. (Eiser) kan niet tegenspreken dat hij op 3.4.1986 het kunstwerk, voorwerp van zijn aankoop bij (verweerster) heeft verkocht aan Cl. D. en dat op zich deze verkoop rechtsgeldig was. De koper werd immers uitdrukkelijk in kennis gesteld van de betwisting inzake de authenticiteit van het werk. De koper ontsloeg (eiser) formeel van iedere aansprakelijkheid en van elke contractuele verantwoordelijkheid met betrekking tot de verkoop. Wanneer nadien kwam vast te staan dat het doek niet van de hand was van R.M. of dat daaromtrent enige twijfel bleef bestaan, was dit zeker geen grond voor de ontbinding van de overeenkomst van 3.4.
  2. Cl. D. kon principieel dergelijke ontbinding met redelijke kans op welslagen niet vorderen. Ook de rechtsvordering door E. R. tegen hem aanhangig gemaakt op 7.3.1989, waarin Cl. D. de hoedanigheid van mandataris van (eiser) wordt toegemeten, was schijnbaar tot mislukken gedoemd. (Eiser) geeft de beweegreden om desondanks toch met een minnelijke ontbinding in te stemmen niet op. Dit verhindert niet dat (eiser) op het ogenblik van het aanhangig maken van de rechtsvordering tegen (verweerster) bezitter-eigenaar van het schilderij is, niet op grond van de aankoop van (verweerster), maar op grond van zijn vrijwillige instemming met de ontbinding van zijn verkoop van 3.4.1986 aan Cl. D.. (Eiser) kan derhalve de overeenkomst van 18.7.1985 niet langer inroepen als grond voor een vordering gericht tegen (verweerster). Door op 3.4.1986 te beschikken over het voorwerp van zijn aankoop bij (verweerster) op 18.7.1985 zijn de rechten die hij uit de laatstgenoemde overeenkomst eventueel kon puren uitgedoofd. (…) Vermits in de overeenkomst duidelijk wordt gestipuleerd dat (verweerster) zich ertoe verbindt ‘in geval van niet authenticiteit van het hogervernoemd schilderij de verkoopsom terug te betalen’ kan (eiser) niet voorhouden dat de authenticiteit van het kunstwerk werd gegarandeerd. In de mate dat de verbintenis van (verweerster) als een voorwaardelijke verkoop wordt beschouwd, kan (eiser) deze ontbindende voorwaarde niet langer inroepen vermits hij niet langer optreedt als eigenaar-bezitter ingevolge zijn eerste aankoop, maar als eigenaar-bezitter ingevolge de ontbinding van de verkoop aan Cl. D., waarmede hij vrijwillig instemde, hoewel hij daartoe niet kon gedwongen worden. Door de verkoop op 3.4.1986 wordt de band met de overeenkomst van 18.7.1985 verbroken. De ontbinding van de verkoop van 3.4.1986 doet de verkoop van 18.7.1985 niet herleven. (Eiser) geeft bovendien toe dat hij niet bij machte is om ingeval van ontbinding de zaken, voorwerp van de koop-verkoop op 18.7.1985, zoals aangevuld op 29.7.1985 terug te geven, vermits hij niet beschikt over de originele brieven van R.M. aan architect B.. Deze map met een twaalftal originele brieven en schetsen van R.M. werd toegevoegd aan de verkoop en is in de prijs begrepen. Het hoger beroep is ongegrond”. Grieven
  3. Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek brengen overeenkomsten enkel gevolgen teweeg tussen de contracterende partijen. Dergelijke overeenkomsten brengen aan derden geen nadeel toe en strekken hen slechts tot voordeel in het geval voorzien bij artikel 1121, te weten de hypothese van het beding ten behoeve van een derde. Zo de derde zich kan beroepen op het bestaan van de overeenkomst, evenals op de gevolgen van die overeenkomst tussen de contracterende partijen, in het kader van zijn eis of verweer tegen een van hen, kan hij zich hierop evenwel niet meer beroepen, wanneer die overeenkomst niet meer bestaat en de toestand die zij regelt verdwenen is. Te dezen kwamen eiser en zijn medecontractant bij overeenkomst van 21 november 1990 overeen de tussen hen bestaande verkoopovereenkomst aangaande het schilderij “Sans Lendemain” in der minne te ontbinden. Een ontbinding heeft per definitie terugwerkende kracht, tenzij de reeds geleverde prestaties niet voor teruggave vatbaar zouden zijn. Ingevolge deze laatste overeenkomst, waarvan het bestaan aan verweerster tegenstelbaar was, hernam eiser derhalve zijn rechten met betrekking tot het schilderij “Sans Lendemain” alsof de daaropvolgende koopcontracten er nooit waren geweest en moest worden geacht hiervan steeds eigenaar te zijn gebleven. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, dat oordeelt dat verweerster zich kon beroepen op de verdwenen overeenkomst van 3 april 1986 als bevrijdingsgrond voor haar eigen verbintenissen, ongeacht de later tussengekomen ontbinding in der minne van diezelfde overeenkomst, niet naar recht is verantwoord, nu het aldus enerzijds de relatieve kracht van de overeenkomst van 3 april 1986, waaraan verweerster vreemd was en waaruit zij derhalve geen rechten kon putten, miskent (schending van de artikelen 1121 en 1165 van het Burgerlijk Wetboek), anderzijds uitspraak doet in miskenning van de tegenstelbaarheid aan verweerster van de overeenkomst van 21 november 1990 met haar externe rechtsgevolgen (schending van de artikelen 1121 en 1165 van het Burgerlijk Wetboek), bovendien de uitwerking in rechte van de ontbinding in der minne van de overeenkomst van 21 november 1990 miskent door haar iedere terugwerkende kracht te ontzeggen (schending van artikel 1134, tweede lid, 1184 en, voor zoveel als nodig, 2044 van het Burgerlijk Wetboek) en aldus tevens haar verbindende kracht schendt (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek).
  4. Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 1168 van het Burgerlijk Wetboek een verbintenis voorwaardelijk is wanneer men deze doet afhangen van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, hetzij door de verbintenis op te schorten totdat de gebeurtenis zal plaatshebben, hetzij door ze teniet te doen, naargelang de gebeurtenis plaatsheeft of niet plaatsheeft. Blijkens artikel 1183 van het Burgerlijk Wetboek is de ontbindende voorwaarde die welke, bij haar vervulling, de verbintenis tenietdoet en de zaken herstelt alsof er geen verbintenis had bestaan. Zij verplicht de schuldeiser om, ingeval de door de voorwaarde bedoelde gebeurtenis plaatsheeft, terug te geven hetgeen hij ontvangen heeft. De verwezenlijking van deze gebeurtenis heeft bovendien tot gevolg dat alle daaropvolgende handelingen, gesteld door de schuldenaar met betrekking tot het voorwerp van die overeenkomst teniet worden gedaan, behoudens afwijkende overeenkomst tussen partijen of verzaking door beide partijen aan de gevolgen van de verwezenlijking van de ontbindende voorwaarde, hetgeen evenwel slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn, nu afstand van recht van strikte interpretatie is. Te dezen stelt het hof van beroep in het bestreden arrest uitdrukkelijk vast dat verweerster op 18 juli 1985 in de overeenkomst van verkoop de verbintenis opnam om “in geval van niet-authenticiteit van het hoger vernoemde schilderij de verkoopsom terug te betalen”. Het hof van beroep stelt voorts zelf vast dat de kwitantie, gegeven op 29 juli 1985 voor het betalen van 1.200.000 BEF vermeldt “Bij vaststelling van niet-authenticiteit, ttz wanneer bij deskundige expertise blijkt dat het voormelde schilderij niet van de hand van R.M. is verklaart mevrouw J. weduwe B. zich akkoord onmiddellijk de totale aankoopsom van 1.500.000 BEF terug te betalen aan de heer L.V.M.”. Door partijen werd niet betwist dat deze vaststelling van gebrek aan authenticiteit een ontbindende voorwaarde uitmaakte. Blijkens voornoemde bepalingen kon eiser derhalve de terugbetaling van de door hem betaalde aankoopsom vorderen, voor zover het gebrek aan authenticiteit bij expertise kwam vast te staan na overdracht van de eigendom, zonder dat uit voornoemde overeenkomst bleek dat dit recht zou uitdoven zodra het schilderij door eiser aan derden werd overgedragen, en dit ongeacht de inhoud van die overeenkomst van doorverkoop. Hieruit volgt dat het bestreden arrest ambtshalve een door partijen uitgesloten betwisting opwerpt in zoverre het aldus zou moeten worden gelezen door het hof van beroep oordeelt dat er een twijfel bestaat over de kwalificatie van hoger vernoemde voorwaarde als een ontbindende voorwaarde, daar waar en daaromtrent tussen beide partijen geen betwisting bestond (schending van de artikelen 807 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, evenals van het algemeen rechtsbeginsel, genaamd beschikkingsbeginsel, dat de rechter verbiedt ambtshalve door partijen uitgesloten betwistingen op te werpen die niet van openbare orde zijn), het bovendien de werking van de ontbindende voorwaarde miskent door te oordelen dat de daaropvolgende verkoop en de ontbinding in der minne van die verkoop, op grond waarvan eiser opnieuw eigenaar van het doek werd, de werking van de ontbindende voorwaarde zou verhinderen of uitdoven (schending van de artikelen 1168 en 1183 van het Burgerlijk Wetboek), het zulks in ieder geval niet wettig kon beslissen zonder vooreerst vast te stellen dat tussen partijen overeengekomen werd dat de voorwaarde zich binnen een welbepaalde periode, meer bepaald voor de doorverkoop van het doek, diende te verwezenlijken (schending van de artikelen 1168, 1176, in fine, 1177 en 1183 van het Burgerlijk Wetboek), het aldus tevens de verbindende kracht van de overeenkomst van 18 juli 1985 evenals van de kwitantie van 29 juli 1985 schendt door eiser voornoemd recht te ontzeggen omwille van de later totstandgekomen verkopen (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek) en tenslotte op grond van de gedane vaststellingen evenmin wettig kon besluiten dat eiser zou hebben verzaakt aan het recht de uitvoering te eisen van de door verweerster aangegane verbintenis om de prijs terug te betalen in geval van vaststelling van het gebrek aan authenticiteit van het schilderij “Sans Lendemain” (schending van artikel 824 van het Gerechtelijk Wetboek, evenals van het algemeen rechtsbeginsel, volgens hetwelk afstand van recht van strikte interpretatie is en enkel kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn).
  5. Derde onderdeel De vernietiging van een overeenkomst met terugwerkende kracht, het weze ingevolge een ontbinding, een nietigverklaring of de uitwerking van een ontbindende voorwaarde, heeft tot gevolg dat alles wat in uitvoering van die overeenkomst werd ontvangen zal moeten worden teruggegeven. Indien dergelijke teruggave in natura onmogelijk is bestaat er aanleiding tot teruggave bij equivalent. De enkele omstandigheid dat een deel van hetgeen werd ontvangen niet meer in natura kan worden teruggegeven kan derhalve geenszins een beletsel vormen voor het verlenen van uitwerking aan de in de overeenkomst opgenomen ontbindende voorwaarde. Hieruit volgt dat het bestreden arrest dat weigert verweerster te veroordelen tot terugbetaling van de koopprijs omdat eiser niet meer in de mogelijkheid zou verkeren om de brieven, die in de prijs begrepen waren, terug te bezorgen niet naar recht is verantwoord (schending van de artikelen 1142, 1149, 1150, 1183, 1234 en 1304 van het Burgerlijk Wetboek).
  6. Vierde onderdeel De overeenkomst bepaalde uitdrukkelijk dat verweerster de verbintenis opnam om “in geval van niet-authenticiteit van het hoger vernoemde schilderij de verkoopsom terug te betalen”. De kwitantie, gegeven op 29 juli 1985 voor het betalen van 1.200.000 BEF, vermeldde voorts “Bij vaststelling van niet-authenticiteit, ttz. wanneer bij deskundige expertise blijkt dat het voormelde schilderij niet van de hand van R.M. is verklaart mevrouw J. weduwe B. zich akkoord onmiddellijk de totale aankoopsom van 1.500.000 BEF terug te betalen aan de heer L.V.M.”. Uit deze omschrijving blijkt duidelijk dat de authenticiteit van het schilderij in de overeenkomst centraal stond, nu verweerster zich ertoe verbond de prijs ervan terug te betalen indien het niet authentiek bleek te zijn. Hieruit volgt dat, in zoverre het bestreden arrest oordeelt dat de authenticiteit niet werd gewaarborgd, het de bewijskracht, gehecht aan de overeenkomst van 18 juli 1985, waar expliciet werd vermeld dat de prijs zou worden terugbetaald bij gebreke van authenticiteit, evenals aan de kwitantie, waarin eenzelfde verbintenis werd opgenomen, miskent door hieraan een uitlegging te geven die onverenigbaar is met de zin, draagwijdte en bewoordingen van deze stukken (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek), evenals de verbindende kracht van de overeenkomst door haar een gevolg te ontzeggen dat hierin was begrepen blijkens de eigen vaststellingen van het bestreden arrest (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof
  7. Ontvankelijkheid van het middel Over de door verweerster tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid : het middel vertoont geen belang nu de beslissing verantwoord blijft door de niet bestreden toepassing van de theorie van de rechtsverwerking : Overwegende dat de appèlrechters hun oordeel dat de rechten van eiser uit de overeenkomst “zijn uitgedoofd” ten gevolge van de verkoop van het kunstwerk op 3 april 1986, niet steunen op de theorie van de rechtsverwerking ; Dat de grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen ;
  8. Eerste onderdeel Overwegende dat artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek een derde niet verhindert zich te beroepen op het bestaan van een overeenkomst en op de gevolgen ervan tussen de contracterende partijen, als verweermiddel tegen een vordering die een van de partijen tegen hem richt ; dat een derde evenwel geen beroep kan doen op een overeenkomst waaraan hij vreemd is, wanneer die overeenkomst niet meer bestaat en de toestand die zij regelde verdwenen is ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat :
  9. verweerster op 18 juli 1985 een schilderij gesigneerd M. verkocht heeft aan eiser ;
  10. eiser op 3 april 1986 dit schilderij op zijn beurt verkocht heeft aan D. ;
  11. de overeenkomst tussen eiser en D. “in der minne” werd ontbonden op 21 november 1990 ;
  12. eiser voor de appèlrechters de ontbinding vordert van de met verweerster gesloten overeenkomst ; Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat verweerster “zich (mag) beroepen op de overeenkomst tussen (eiser) en D. om aan de hand daarvan te doen blijken dat de door (eiser) ingestelde vordering ongegrond is” ; dat zij beslissen dat gelet op de rechtsgeldige verkoop aan D., eiser “de overeenkomst van 18 juli 1985 niet langer (kan) inroepen als grond voor een vordering gericht tegen (verweerster)” ; Dat de appèlrechters door aldus het verweer geput uit het bestaan van een overeenkomst tussen eiser en een derde gegrond te verklaren hoewel de overeenkomst niet meer bestond, artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek schenden ; Dat het onderdeel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Bourgeois, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van negen mei tweeduizend en drie uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030509.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.