id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.20 Rolnummer: C.02.0223.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2005-01-17 Raadplegingen: 309 - laatst gezien 2026-07-03 16:13 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het koninklijk besluit nr 19 van 4 dec. 1978 was geen interpretatieve wettelijke bepaling waaraan terugwerkende kracht werd verleend. Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN Vrije woorden: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN Verzekeringsinstelling Indeplaatsstelling Artikel 70, ,§ 2, Wet 9 aug. 1963 Vervanging KB nr 19 van 4 dec. 1978 Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 04-12-1978 Fiche 2 Uit de bepaling dat de in de plaats gestelde verzekeringsinstelling slechts de rechten van de sociaal verzekerde kan uitoefenen, volgt niet dat het terugvorderingsrecht van de verzekeringsinstelling, gesubrogeerd in de rechten van zijn sociaal verzekerde, beperkt was tot het gedeelte van de uitkering dat evenredig is met het deel van de aansprakelijkheid van de derde-aansprakelijke
(1).
(1)Zie Cass., 11 juni 1974, (A.C., 1974, p. 1119) met concl. advocaat-generaal Lenaerts, en de kritische noot van V. Lumay (R.W. 1974-75, 1312). Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN Vrije woorden: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN Verzekeringsinstelling Indeplaatsstelling Omvang Aansprakelijke derde Gedeeltelijke aansprakelijkheid Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 04-12-1978 - vóórdewijzigin Fiche 3 Wanneer de vordering in gemeen recht van de sociaal gerechtigde tegen de derde-aansprakelijke beperkt is tot de helft van de schade, dient de vordering van de gesubrogeerde verzekeringsinstelling, die de gehele vordering van de sociaal verzekerde overneemt, niet te worden verminderd tot de helft van het bedrag van de uitkeringen. Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN Vrije woorden: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN Verzekeringsinstelling Indeplaatsstelling Omvang Aansprakelijke derde Gedeeltelijke aansprakelijkheid Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 04-12-1978 - vóórdewijzigin Tekst van de beslissing Nr. C.02.0223.N AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25, ingeschreven in het handelsregister te Brussel, nummer 356.389, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen LANDSBOND VAN LIBERALE MUTUALITEITEN, met zetel te 1050 Brussel, Livornostraat 25, verweerder. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 8 februari 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Bij beschikking van de eerste voorzitter van 5 april 2004 werd deze zaak naar de derde kamer verwezen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 70, ,§2, van de wet van 27 juni 1969 tot wijziging van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van de regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, inzonderheid het eerste en het vierde lid, zoals dit artikel van kracht was v&§972;&§972;r de vervanging ervan door artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 19 van 4 december 1978 tot wijziging en aanvulling van artikel 70 van de wet van 9 augustus 1963 ; &§9472; artikel 1 van voornoemd koninklijk besluit nr. 19 ; &§9472; artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek ; &§9472; algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de wet geen terugwerkende kracht heeft. Aangevochten beslissingen Na te hebben vastgesteld
(1)dat verweerder van eiseres het bedrag vordert dat hij voor loonverlies heeft "uitgekeerd aan (zijn) sociale verzekerde X slachtoffer van een verkeersongeval op 27 april 1976 te Knokke-Heist, waarvoor hijzelf en X , verzekerden van (eiseres), ieder voor de helft aansprakelijk werden gesteld" ;
(2)dat verweerder "aan (zijn) verzekerde voorlopige prestaties heeft toegekend, in afwachting dat hij krachtens een andere wetgeving of het gemene recht schadevergoeding zou ontvangen" ;
(3)dat verweerder " derhalve in de rechten is getreden van de rechthebbende ten aanzien van de derde die aansprakelijk is voor de schade of die de schade dient te vergoeden op grond van een andere wetgeving", veroordeelt het bestreden arrest eiseres aan verweerder 586.003 BEF te betalen, te vermeerderen met vergoedende intresten aan de wettelijke interestvoet vanaf de gemiddelde datum van betaling aan zijn verzekerde, d.i. 31 december 1977 alsmede in de kosten van 24.700 BEF. Het arrest baseert zich op de redenen : "dat deze vordering (van verweerder) stoelt op artikel 70, ,§2, van de wet van 9 augustus 1963 betreffende Z.I.V., nu artikel 136 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, dat ten tijde van het ongeval bepaalde dat de prestaties van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering niet toegekend worden wanneer de schade, waarvoor om prestaties verzocht wordt, gedekt is door het gemene recht of een andere wetgeving, d.i. dat de verzekeringsprestaties niet samen met de schadeloosstelling kunnen genoten worden ; dat deze bepalingen evenwel in de rechtspraak tot tweeërlei, met elkaar strijdige interpretaties aanleiding gaven ; dat, enerzijds, het 'voorkeurrrecht' werd toegepast waardoor het ziekenfonds al haar uitgaven van de derde aansprakelijke kon terugvorderen, zelfs indien dit betekende dat niets meer toekwam aan de verzekerde en anderzijds werd het 'evenredigheidsbeginsel' toegepast waardoor de omvang van het subrogatierecht van het ziekenfonds werd beperkt tot het resultaat van de vermenigvuldiging van het bedrag der verleende prestaties met het percentage van de aansprakelijkheid van de derde ; dat deze laatste interpretatie door het Hof van Cassatie bevestigd werd bij arresten dd. 11 juni 1974 (...) en dd. 1 juni 1976 (...) ; dat ingevolge deze problemen, artikel 27, ,§7, van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen aan de Koning de bevoegdheid gaf om genoemd artikel 70, ,§2, te wijzigen en aan te vullen, wat gebeurde bij koninklijk besluit nr. 19 van 4 december 1978 ; dat de desbetreffende tekst thans luidt : 'De verzekeringsinstelling treedt rechtens in de plaats van de rechthebbende : deze indeplaatsstelling geldt tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties voor het geheel van de sommen die krachtens de Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemene recht verschuldigd zijn en die de schade (voortvloeiende uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden) geheel of gedeeltelijk vergoeden' ; dat door dit koninklijk besluit het voorkeurrecht van het ziekenfonds inzake de terugvordering bevestigd werd waardoor het cumulverbod in hoofde van de verzekerde opnieuw van kracht werd en de interpretatie van evenredigheid niet meer mogelijk was ; dat het Hof van Cassatie zijn rechtspraak in overeenstemming met dit koninklijk besluit nr. 19 bracht in het arrest van 20 april 1982 (...) ; dat derhalve in casu, waar de aansprakelijkheid voor de in artikel 70, ,§2, van de Z.I.V.-wet bedoelde schade slechts ten dele door de fout van een derde is ontstaan, de subrogatoire vordering van de verzekeringsinstelling zich principieel uitstrekt tot het geheel van de sommen die de aansprakelijke derde ter vergoeding van de door de wet bedoelde schade is verschuldigd, zonder dat ze het bedrag van de door de verzekeringsinstelling aan de rechthebbende verleende prestaties mag overschrijden. dat (eiseres) tevergeefs een beroep doet op de niet terugwerkende kracht van het koninklijk besluit nr. 19 van 4 december 1978, stellende dat het ongeval plaatsgreep in 1976 ; dat zij ten onrechte de berekening van het door (verweerder) terug te vorderen bedrag doet in evenredigheid met het deel van de aansprakelijkheid dat op de derde aansprakelijke rust i.p.v. op grond van het door de wet voorgeschreven voorkeurrecht, d.i. terugvordering voor het geheel van de sommen met slechts de beperking tot het bedrag van de eigen uitgaven en tot hetgeen door het gemeen recht of een andere wetgeving verschuldigd is ; dat immers juist omwille van de onduidelijkheid in de oude tekst van het bedoelde artikel 70, ,§2, die aanleiding gaf tot rechtspraak die aan de tekst een andere interpretatie gaf dan de bedoeling van de wetgever, bij wet van 5 augustus 1978 aan de Koning de bevoegdheid werd verleend om het artikel te wijzigen en aan te vullen, zoals blijkt uit de memorie van toelichting bij deze wet ; dat het artikel aldus verduidelijkt werd in de zin van de bedoeling van de wetgever, welke bedoeling reeds voordien zij het op dubbelzinnige wijze in de wet uitgedrukt was ; dat de genoemde wijziging van het artikel een louter uitleggend karkater heeft en derhalve in die zin wel degelijk retroactieve werking (zie ook Hof Antwerpen, 10 juni 1986, R.I.Z.W. Bulletin 8.1 nr.30). dat (verweerder) derhalve terecht het terug te vorderen bedrag berekent op grond van het voorkeurrecht." Grieven Ingevolge artikel 70, ,§2, van de aangehaalde wet van 9 augustus 1963, kan de verzekeringsinstelling ten overstaan van de aansprakelijke derde slechts de vordering van de gerechtigde uitoefenen en blijven de verzekeringsprestaties ten laste van de verzekering in zoverre voor de door het gemene recht of door een andere wetgeving gedekte schade niet werkelijk schadeloosstelling is verleend. Hieruit volgt dat de verzekeringsinstelling gehouden blijft tot de uitbetaling van het gedeelte dat evenredig is met het deel aansprakelijkheid dat niet op de derde berust. Bovengemeld artikel 70, ,§2, van de wet van 9 augustus 1963 werd na het ongeval van 27 april 1976 weliswaar gewijzigd, maar een nieuwe wet is niet van toepassing op toestanden die v&§972;&§972;r haar inwerkingtreding zijn ontstaan of op de rechten die voordien onherroepelijk werden vastgesteld. Derhalve schendt het bestreden arrest de aangehaalde wetsbepalingen en het ingeroepen rechtsbeginsel door eiseres te veroordelen tot betaling aan verweerder van het volledige bedrag dat laatstgenoemde aan haar verzekerde wegens loonverlies heeft uitbetaald. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat artikel 70, ,§2, eerste en tweede lid, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling v&§972;&§972;r verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, voor de wijziging ervan bij koninklijk besluit nr. 19 van 4 december 1978 op grond van artikel 27, ,§7, van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, luidde als volgt : "De in deze wet bedoelde prestaties worden slechts toegekend onder de door de Koning bepaalde voorwaarden als de schade waarvoor om die prestaties wordt verzocht door het gemeen recht of door een andere wetgeving is gedekt. In die gevallen worden de verzekeringsprestaties niet samen genoten met de schadeloosstelling voortvloeiende uit de andere wetgeving ; ze zijn ten laste van de verzekering in zoverre voor de door die wetgeving gedekte schade niet werkelijk schadeloosstelling is verleend ; In al de gevallen moet de rechthebbende sommen ontvangen welke ten minste gelijk zijn aan het bedrag van de verzekeringsprestaties. Voor de toepassing van deze paragraaf is het bedrag van de door de andere wetgeving verleende prestaties gelijk aan het brutobedrag verminderd met het bedrag van de sociale zekerheidsbijdragen welke op die prestaties worden ingehouden ; De verzekeringsinstelling treedt rechtens in de plaats van de rechthebbende. De overeenkomst tot stand gekomen tussen degene die schadeloosstelling verschuldigd is en de rechthebbende kan niet tegen de verzekeringsinstelling worden aangevoerd zonder haar instemming" ; Overwegende dat artikel 70, ,§2, vierde lid, na het koninklijk besluit nr. 19 van 4 december 1978 luidde als volgt : "De verzekeringsinstelling treedt rechtens in de plaats van de rechthebbende ; deze indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in lid 1 bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden" ; Dat, omwille van de verschillende rechtspraak daaromtrent, zoals blijkt uit het verslag van de Koning bij het koninklijk besluit nr. 19 van 4 december 1978 tot wijziging en aanvulling van voormeld artikel 70, met dit koninklijk besluit nr. 19 voorgesteld werd de redactie van het vroeger artikel 70, ,§,§2 en 3, "te verduidelijken en te vereenvoudigen, zonder evenwel de inhoud ervan te wijzigen" ; Dat het koninklijk besluit nr. 19 geen interpretatieve wettelijke bepaling was waaraan terugwerkende kracht werd verleend ; Overwegende evenwel dat artikel 70 van de wet van 9 augustus 1963, v&§972;&§972;r de wijziging ervan bij het voormeld koninklijk besluit nr. 19, niet inhield dat het terugvorderingsrecht van de verzekeringsinstelling, gesubrogeerd in de rechten van zijn sociaal verzekerde, beperkt was tot het gedeelte van de uitkering dat evenredig is met het deel van de aansprakelijkheid van de derde-aansprakelijke ; dat zulks niet volgt uit de bepaling dat de in de plaats gestelde verzekeringsinstelling slechts de rechten van de sociaal verzekerde kan uitoefenen ; dat de gesubrogeerde de gehele vordering van de sociaal verzekerde overneemt en het niet is omdat de vordering in gemeen recht van de sociaal gerechtigde tegen de derde-aansprakelijke beperkt is tot de helft van de schade, dat de vordering van de gesubrogeerde verzekeringsinstelling tot de helft van het bedrag van de uitkeringen zou dienen te worden verminderd ; Overwegende dat het arrest dienvolgens vermocht te beslissen dat verweerder gerechtigd was het gehele bedrag van de uitkeringen terug te vorderen, evenwel beperkt tot het bedrag dat de sociaal verzekerde van de derde-medeaansprakelijke kon vorderen ; Dat het middel niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van vierhonderd zesenzeventig euro twaalf cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van drie mei tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Lisette De Prins. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div