← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.21

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.21 Rolnummer: C.02.0593.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-01-11 Raadplegingen: 178 - laatst gezien 2026-07-03 16:13 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de bepaling dat de financiële en administratieve betrekkingen tussen de rechthebbenden en de verzekeringsinstellingen eensdeels, en de apothekers, de verplegingsinrichtingen, de kinesitherapeuten, de logopedisten, de verstrekkers van prothesen, toestellen en implantaten en de in artikel 34, 11°, 12° en 18° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen bedoelde diensten en inrichtingen anderdeels, normaal bij overeenkomst worden geregeld, blijkt niet dat in een overeenkomst tussen verplegingsinrichtingen en verzekeringsinstellingen geen onderscheid zou mogen worden gemaakt naargelang de belanghebbenden al dan niet effectief in het ziekenhuis zijn opgenomen. Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - ALGEMEEN Vrije woorden: GENEESKUNDE - ALGEMEEN Ziekenhuis Overeenkomst tussen verplegingsinrichtingen en verzekeringsinstellingen Ambulante verzorging Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - Art.42 Tekst van de beslissing Nr. C.02.0593.N A.W. eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen HEILIG HART ZIEKENHUIS, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 2500 Lier, Kolveniersvest 20, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 6 augustus 2002 in laatste aanleg gewezen door de Vrederechter van het kanton Lier. II. Rechtspleging voor het Hof Bij beschikking van de eerste voorzitter van 5 april 2004 werd deze zaak naar de derde kamer verwezen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Feiten Zoals blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan vorderde verweerster in een verplegingsnota met betrekking tot de ambulante verzorging van het kind van eiseres op de spoedgevallendienst van verweerster op 31 augustus 1999 een forfaitair supplement van 12,39 euro (500 BEF) tot dekking van de uitgaven van kleine materialen. IV. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan.

  1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 149 van de Grondwet ; &§9472; de artikelen 1134, 1135, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek ; &§9472; artikel 42 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, bekrachtigd bij de wet van 9 januari 1995 ; &§9472; artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 mei 1991 tot vaststelling van het persoonlijk aandeel van de rechthebbende in de kosten van de in het raam van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering vergoedbare farmaceutische verstrekkingen, vóór de wijziging bij het koninklijk besluit van 21 maart
  2. Aangevochten beslissing Het bestreden vonnis veroordeelt eiseres om aan verweerster de som van 12,39 euro te betalen op volgende gronden : eiseres beroept zich op de artikelen 1 en 7 van de Nationale Overeenkomst tussen de verplegingsinstellingen en verzekeringsinstellingen, gesloten op 24 januari 1996 en gecoördineerd op 1 december
  3. Deze overeenkomst behelst echter alleen vastgestelde bedragen n.a.v. een ziekenhuisopname en niet, zoals i.c., n.a.v. een ambulante behandeling in de spoedgevallendienst. Grieven 1.
  4. Eerste onderdeel Eiseres hield in haar tweede syntheseconclusie (blz. 3, sub nr. 2, en blz. 4, sub nr. 3) uitdrukkelijk staande enerzijds dat de clausules nrs. 1 en 7 van de Nationale Overeenkomst tussen de verplegingsinstellingen en de verzekeringsinstellingen gesloten op 24 januari 1996 en gecoördineerd op 1 december 2000, dienden geïnterpreteerd te worden rekening houdend met de bepalingen van artikel 42 van de ZIV-wet, in toepassing waarvan deze Nationale Overeenkomst tot stand gekomen is, en krachtens welke bepalingen de werking van deze clausules nrs. 1 en 7 van de Nationale Conventie niet beperkt blijft tot de rechthebbenden die opgenomen zijn in een verplegingsinstelling, maar zich eveneens uitstrekt tot de rechthebbenden die ambulant worden verzorgd in een ziekenhuis, zonder erin opgenomen te zijn. En anderzijds hield eiseres staande (sub nr. 3) dat in de Nationale Overeenkomst bepalingen opgenomen waren voor ambulante verzorging, nl. betreffende het verbod enige bijkomende bedragen of supplementen aan te rekenen betreffende de ambulante dagziekenhuisfunctie. De vrederechter heeft in het bestreden vonnis beslist dat de kwestieuze overeenkomst alleen vastgestelde bedragen naar aanleiding van een ziekenhuisopname behelst, en niet van een ambulante behandeling in de spoedgevallendienst, zonder op dit verweer te antwoorden, zodat het vonnis onregelmatig gemotiveerd is (schending van artikel 149 van de Grondwet). 1.
  5. Tweede onderdeel Volgens de bepalingen van artikel 42 van de ZIV-wet worden de financiële betrekkingen tussen de rechthebbenden en de verzekerings-instellingen eensdeels, en de verplegingsinstellingen anderdeels, bij overeen-komsten geregeld. Deze bepalingen zijn algemeen en maken geen onderscheid tussen rechthebbenden die opgenomen zijn in een ziekenhuis en die er ambulant verzorgd worden in de spoedgevallendienst, zodat het door het bestreden vonnis (gemaakte onderscheid) tussen deze rechthebbenden niet wettelijk gerechtvaardigd is (schending van artikel 42 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994). 1.
  6. Derde onderdeel Krachtens de clausules van artikel 7 der Nationale Overeenkomst verbindt de verplegingsinstelling zich aan de rechthebbenden geen andere kosten aan te rekenen dan deze voorzien o.m. in artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 mei 1991 tot vaststelling van het persoonlijk aandeel van de rechthebbende in de kosten van de in het raam van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering vergoedbare farmaceutische verstrekkingen. De bepalingen van dit koninklijk besluit van 7 mei 1991 zijn toepasselijk zowel op rechthebbenden die ambulant in een ziekenhuis verzorgd worden als op degenen die erin opgenomen zijn (schending van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 mei 1991). Door de clausule van de Nationale Overeenkomst te interpreteren als zijnde enkel toepasselijk op rechthebbenden die in een ziekenhuis zijn opgenomen, heeft het bestreden vonnis zowel de bewijskracht (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek), als de uitvoerbare kracht van de Nationale Overeenkomst miskend (schending van de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek).
  7. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 149 van de Grondwet ; &§9472; de artikelen 1134, 1135, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek ; &§9472; artikel 42 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, bekrachtigd bij de wet van 9 januari
  8. Aangevochten beslissing Het bestreden vonnis veroordeelt eiseres om aan verweerster de som van 12,39 euro te betalen op volgende gronden : eiseres verwijst naar de omzendbrief dd. 24 maart 1989 van de directeur-generaal van het R.I.Z.I.V. Volgens eiseres heeft deze omzendbrief, voortspruitend uit de ZIV Conventie Ziekenhuizen Ziekenfondsen en in overleg en met akkoord van beide partijen genomen, bindende kracht voor de verplegingsinstellingen tot dewelke hij gericht is en waaronder verweerster ressorteert. Aan deze omzendbrief kan geen verordenende kracht toegeschreven worden m.b.t. vergoedingen die niet door een wet of een conventie verboden worden. Uit geen enkel stuk blijkt overigens dat de omzendbrief in overleg en in akkoord met de verplegingsinrichtingen zou tot stand gekomen zijn. Het schrijven van het Verbond van Verzorgingsinstellingen (VVI) dd. 3 december 2000 (stuk 2 bundel verweerster) toont precies aan dat er terzake geen overeenkomst is getroffen en dat de discussies hieromtrent, in gang gezet met de bewuste omzendbrief, nog steeds gaande is. Grieven 2.
  9. Eerste onderdeel De clausules nrs. 1, 4 en 7 van de Nationale Overeenkomst tussen de verplegingsinstellingen en de verzekeringsinstellingen, gesloten op 24 januari 1995 en gecoördineerd op 1 december 2000, laten niet toe dat een forfaitair bedrag van 500 BEF voor het gebruik van klein materiaal aan een rechthebbende, behandeld in de spoedgevallendienst van het ziekenhuis van verweerster, wordt aangerekend. Deze clausules voorzien inderdaad niet in het aanrekenen van een forfaitair bedrag van 500 BEF voor het gebruik van klein materiaal. Het bestreden vonnis, door te oordelen dat zulke vergoeding niet verboden was door een conventie, heeft derhalve de bewijskracht van deze clausules 1, 4 en 7 van de Nationale Conventie (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek), alsmede de uitvoerende kracht ervan geschonden (schending van de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek). 2.
  10. Tweede onderdeel Nu het aanrekenen van een forfait van 500 BEF voor het gebruik van klein materiaal door de Nationale Conventie verboden is, heeft het bestreden vonnis ten onrechte de bindende kracht aan de Omzendbrief ontkend (schending van de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek, 42 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994). 2.
  11. Derde onderdeel Eiseres hield in haar tweede syntheseconclusie (blz. 11, leden 3 en 4) uitdrukkelijk staande dat verweerster ten onrechte voorbijgaat aan het feit dat de omzendbrief een beslissing is van de Bestendige Overeenkomstencommissie waarin beide partijen zetelen en dat de omzendbrief, ondanks het tevergeefs aandringen van de VZW Verbond der Verzorgingsinstellingen, niet gewijzigd is geworden. Het bestreden vonnis oordeelt dat er geen bindende kracht aan de omzendbrief kan toegepast worden omdat hij niet zou tot stand gekomen zijn in overleg met de verplegingsinstellingen, zonder op het verweer van eiseres, gesteund op het feit dat de omzendbrief het werk is van de Bestendige Overeenkomsten-commissie, waarin beide partijen zetelen, te antwoorden. Het vonnis is derhalve onregelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de Grondwet). 2.
  12. Vierde onderdeel De beslissing genomen door de Bestendige Overeenkomstencommissie heeft bindende kracht ten aanzien van verweerder, en het feit dat het Verbond van verzorgingsinstellingen daartegen zou geprotesteerd hebben doet geen afbreuk aan deze bindende kracht (schending van de artikelen 42 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek).
  13. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 35, ,§1, derde lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, bekrachtigd bij de wet van 9 januari 1995 ; &§9472; de artikelen 87, 88, 93, 94, 97 van de bij koninklijk besluit van 7 augustus 1987 gecoördineerde wet op de ziekenhuizen ; &§9472; artikel 9, ,§1, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunde, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies ; &§9472; artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1987 houdende coördinatie van de wet op de ziekenhuizen ; &§9472; artikel 2, ,§1, 4°, van het koninklijk besluit van 30 januari 1989 houdende vaststelling van de aanvullende normen voor erkenning van ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten alsmede tot nadere omschrijving van de ziekenhuisgroeperingen en van de bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen ; &§9472; de artikelen 1, 7, tot 4ter, van het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 houdende bepaling van de voorwaarden en regelen voor de vaststelling van de verpleegdagprijs, van het budget en de onderscheiden bestanddelen, alsmede van de regelen voor de vergelijking van de kosten en voor de vaststelling van het quotum van verpleegdagen voor de ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten. Aangevochten beslissing Het bestreden vonnis veroordeelt eiseres om aan verweerster de som van 12,39 euro te betalen op volgende gronden : een wettelijke regeling voor de forfaitaire kostendekking is enkel voorzien in artikel 94 van de ziekenhuiswet en heeft uitsluitend betrekking op de kosten n.a.v. een verblijf in een verplegingsinrichting. Het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 kan artikel 94 niet wijzigen. Men kan zich overigens afvragen waarom, indien de stelling van eiseres dat het door verweerster in rekening gebracht forfait onwettig is, er zonodig een wetsontwerp moet neergelegd worden waarvan artikel 43 een artikel 107quater in de wet op de ziekenhuizen invoegt dat bepaalt : "Het vorderen van een forfaitaire bijdrage van patiënten die zich aanbieden in een eenheid voor spoedgevallenzorg kan slechts gebeuren overeenkomstig de voorwaarden vastgelegd door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit". Dat de handelwijze van verweerster niet onwettig is kan bovendien afgeleid worden uit de brief van de minister van Sociale Zaken en Pensioenen dd. 22 mei 2002 aan de Algemeen Directeur VVI waar hij schrijft : "Gelukkig kan ik U melden dat het advies dat U aan Uw ziekenhuis geeft, een onwettelijke actie uitlokt, als het wetsontwerp door de Kamer goedgekeurd wordt", wat bevestigt dat op het ogenblik de actie van verweerster geen wettelijk verbod overtreedt. De rechtbank kan derhalve enkel nagaan of de gevraagde vergoeding evenredig is met de geleverde prestatie. De omvang, noch het forfaitair karakter van de gevorderde vergoeding wordt als dusdanig betwist en kan als een billijke vergoeding beschouwd worden. Grieven 3.
  14. Eerste onderdeel De minister van Sociale Zaken, die de gezondheidszorg onder zijn bevoegdheid heeft en die belast is met de uitvoering van de wet op de ziekenhuizen (schending van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1987), is op deze basis gerechtigd om de voorwaarden en de regels van de begroting en van de samenstellende elementen inzake ziekenhuizen vast te stellen, en de opsomming ervan is niet limitatief en betreft niet alleen de in een ziekenhuis opgenomen patiënten, maar eveneens de rechthebbenden die er ambulant in een spoedgevallendienst verzorgd worden (schending van de artikelen 87, 88, 93, 94 en 97 van de bij koninklijk besluit van 7 augustus 1987 gecoördineerde wet op de ziekenhuizen, 2, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1987). De minister kon derhalve wettig, op basis van deze bepalingen, de kosten van deze verschillende bestanddelen, ook die betrekking hebben op de spoedgevallendienst, regelen (schending van de artikelen 87, 88, 93, 94 en 97 van de bij koninklijk besluit van 7 augustus 1987, gecoördineerde wet op de ziekenhuizen, 1, 7, van het ministerieel besluit van 2 augustus 1986, 2 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1987). De bepalingen van artikel 94 van de wet van 23 december 1963, die enkel de regeling betreffen van de kosten gemaakt voor rechthebbenden die in het ziekenhuis opgenomen zijn, doen geen afbreuk aan deze bij artikel 5 dezer wet aan de minister toegekende bevoegdheden (schending van de artikelen 87, 88, 93, 94 en 97 van de bij koninklijk besluit van 7 augustus 1987 gecoördineerde wet op de ziekenhuizen, 2, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1987). 3.
  15. Tweede onderdeel De bij artikel 7 van het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 uitgevaardigde regelen voor de vaststelling van de verpleegdagprijs, van het budget en de onderscheiden bestanddelen ervan, alsmede van de regelen voor de vergelijking van de kosten en voor de vaststelling van het quotum der verpleegdagen voor de ziekenhuizen en de ziekenhuisdiensten, ook toepasselijk op de spoedgevallen, bevat geen bepaling die het aanrekenen van een forfait voor het gebruik van bepaalde kleinere materialen voorziet, zodat het forfaitair bedrag van 500 BEF voor gebruik van klein materiaal ten onrechte door verweerster werd aangerekend. Het bestaan van een wetsontwerp desaangaande of de brief van de minister doen daaraan geen afbreuk daar deze kwestie uitdrukkelijk bij besluit werd geregeld (schending van de artikelen 1, 7, tot 14ter, van het ministerieel besluit van 2 augustus 1986). 3.
  16. Derde onderdeel De permanente aanwezigheid van een geneesheer in het ziekenhuis, zoals vereist bij artikel 2, ,§1, 4°, van het koninklijk besluit van 30 januari 1989, kan beschouwd worden als een wachtdienst opgericht in een ziekenhuis (schending van artikel 9, ,§1, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967). De nomenclatuur en de voorgeschreven reglementering inzake kosten en erelonen zijn op een georganiseerde wachtdienst toepasselijk, zodat alzo ten onrechte een bedrag van 500 BEF voor gebruik van klein materiaal, dat niet voorzien is in de reglementering, werd gevorderd (schending van de artikelen 2, ,§1, 4°, van het koninklijk besluit van 30 januari 1989, 9, ,§1, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967, 35, ,§1, derde lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994). V. Beslissing van het Hof
  17. Eerste middel 1.
  18. Eerste onderdeel Overwegende dat het bestreden vonnis het in het onderdeel bedoelde verweer verwerpt en beantwoordt met de in het middel weergegeven redenen ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; 1.
  19. Tweede onderdeel Overwegende dat, krachtens het te dezen toepasselijke artikel 42 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 14 juli 1994, zoals gewijzigd door artikel 17 van de wet van 20 december 1995 houdende sociale bepalingen en door artikel 85 van de wet van 22 februari 1998, de financiële en administratieve betrekkingen tussen de rechthebbenden en de verzekeringsinstellingen eensdeels, en de apothekers, de verplegings-inrichtingen, de vroedvrouwen, de verpleegkundigen en de diensten thuisverpleging, de kinesitherapeuten, de logopedisten, de verstrekkers van prothesen, toestellen en implantaten en de in artikel 34, 11°, 12° en 18° van deze wet bedoelde diensten en inrichtingen anderdeels, normaal bij overeenkomst worden geregeld ; Overwegende dat, anders dan het onderdeel aanvoert, uit deze bepaling niet blijkt dat in een overeenkomst tussen verplegingsinrichtingen en verzekeringsinstellingen geen onderscheid zou mogen worden gemaakt naargelang de belanghebbenden al dan niet effectief in het ziekenhuis zijn opgenomen ; Dat het onderdeel faalt naar recht ; 1.
  20. Derde onderdeel Overwegende dat het onderdeel niet aangeeft hoe en waardoor het bestreden vonnis artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 mei 1991 schendt ; Dat het onderdeel in zoverre wegens onnauwkeurigheid niet ontvankelijk is ; Overwegende verder dat het bestreden vonnis de tekst van artikel 7 van de Nationale Overeenkomst tussen de verplegingsinrichtingen en de verplegingsinstellingen niet weergeeft ; dat het door eiser bij het verzoekschrift tot cassatie bijgevoegde afschrift van deze overeenkomst niet voor eensluidend ondertekend is door de advocaten die de partijen voor de feitenrechter hebben vertegenwoordigd ; Dat het Hof geen acht mag slaan op dergelijk afschrift ; Dat het onderdeel, in zoverre het de miskenning van de bewijskracht van artikel 7 van deze overeenkomst aanvoert en de schending van de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek niet ontvankelijk is ;
  21. Tweede middel 2.
  22. Eerste en tweede onderdeel Overwegende dat uit het antwoord op het derde onderdeel van het eerste middel volgt dat de onderdelen niet ontvankelijk zijn ; 2.
  23. Derde onderdeel Overwegende dat het bestreden vonnis oordeelt dat "uit geen enkel stuk overigens (blijkt) dat de omzendbrief in overleg en met het akkoord van de verplegingsinrichtingen tot stand zou gekomen zijn" en "dat het schrijven van het Verbond van Verzorgingsinstellingen (VVI) dd. 3 december 2001 precies aantoont dat er terzake geen overeenkomst is getroffen" ; Overwegende dat het bestreden vonnis aldus het in het onderdeel bedoelde verweer verwerpt en beantwoordt ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; 2.
  24. Vierde onderdeel Overwegende dat het onderdeel niet aangeeft hoe en waardoor het bestreden vonnis de in het onderdeel aangewezen wettelijke bepalingen schendt ; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is ;
  25. Derde middel 3.
  26. Eerste onderdeel Overwegende dat eiseres zich ertoe beperkt aan te voeren dat de minister van Sociale Zaken, die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, wettig de kosten van de verschillende bestanddelen die betrekking hebben op de spoedgevallendienst kon regelen, zonder aan te geven hoe en waardoor het bestreden vonnis de aangewezen wettelijke bepalingen schendt en niet aangeeft welke wetsbepaling zich ertegen verzet dat voor het gebruik van klein materiaal in een spoedgevallendienst een bedrag van 500 BEF (12,39 euro) wordt aangerekend ; Dat het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk is ; 3.
  27. Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel zich ertoe beperkt aan te voeren dat in de artikelen 1 en 7 tot 14ter van het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 houdende bepaling van de voorwaarden en regelen voor de vaststelling van de verpleegdagprijs, van het budget en de onderscheidene bestanddelen ervan, alsmede van de regelen voor de vergelijking van de kosten en voor de vaststelling van het quotum van verpleegdagen voor de ziekenhuizen en de ziekenhuisdiensten, geen bepaling is opgenomen die toelaat de forfaitaire vergoeding voor de spoedgevallendienst aan te rekenen ; Dat het onderdeel niet aangeeft hoe en waardoor daaruit zou volgen dat geen vergoeding zou kunnen worden aangerekend voor het gebruik van kleine materialen bij de ambulante verzorging in een spoedgevallendienst ; Dat het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk is ; 3.
  28. Derde onderdeel Overwegende dat, krachtens het te dezen toepasselijk artikel 9, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 78 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, de representatieve beroepsverenigingen van de beoefenaars, bedoeld bij de artikelen 2, 3 en 4 van dit besluit, of de te dien einde opgerichte groeperingen wachtdiensten mogen instellen, die de bevolking een regelmatige en normale toediening van de gezondheidszorgen, zowel in het ziekenhuis als ten huize, waarborgen ; Overwegende dat, krachtens het te dezen toepasselijke artikel 2, ,§1, 4°, van het koninklijk besluit van 30 januari 1989 houdende vaststelling van aanvullende normen voor de erkenning van ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten alsmede tot nadere omschrijving van de ziekenhuisgroeperingen en van de bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen, ieder ziekenhuis moet beschikken over de permanente aanwezigheid van een geneesheer ; Overwegende dat het onderdeel ervan uitgaat dat een spoedgevallendienst moet beschouwd worden als een in het ziekenhuis georganiseerde wachtdienst ; dat het bestreden vonnis dit niet vaststelt ; Dat het onderdeel het Hof noopt tot een onderzoek van feiten, waarvoor het niet bevoegd is ; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van vierhonderd eenentachtig euro twintig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd tweeënvijftig euro eenenveertig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van drie mei tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Lisette De Prins. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.