id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.22 Rolnummer: C.03.0442.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-01-17 Raadplegingen: 196 - laatst gezien 2026-07-03 16:12 Versie(s): Vertaling FR Fiche Niet alleen dient de beslissing door de bevoegde ambtenaar tot het opleggen van een administratieve geldboete genomen te worden binnen een termijn van zes maanden, te rekenen van de dag waarop het feit werd gepleegd, maar ook de kennisgeving ervan aan de overtreder dient te gebeuren binnen die termijn
(1)Cass., 16 april 2004, AR C.03.0477.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040416.4, nr ... . Thesaurus CAS: SPORT Vrije woorden: SPORT Voetbal Veiligheid bij voetbalwedstrijden Administratieve sanctie Oplegging Kennisgeving Wettelijke bepalingen: Wet - 21-12-1998 - Artt.30en32 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0442.N.- BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Algemene Directie Veiligheidsen Preventiebeleid, gevestigd te 1000 Brussel, Koningsstraat 56, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen KONINKLIJKE PATRO MAASMECHELEN, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel gevestigd te 3630 Maasmechelen, Kastanjelaan 42, verweerster. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 3 februari 2003 in laatste aanleg gewezen door de Politierechtbank te Tongeren, afdeling Maaseik. II. Rechtspleging voor het Hof Bij beschikking van de eerste voorzitter van 29 maart 2004 werd deze zaak naar de derde kamer verwezen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 26, 27, 28, 30 en 32 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden. Aangevochten beslissing De politierechtbank verklaart in het vonnis van 3 februari 2003 het hoger beroep van verweerster ontvankelijk en gegrond, zegt dat op grond van artikel 32 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden de oplegging van een administratie sanctie verjaard is, en vernietigt de administratieve beslissing van 19 oktober 2001 (het vonnis vermeldt ten onrechte op pagina 1 "19.1.2001" en in het dispositief "21 oktober 2001"). De rechtbank grondt haar beslissing op volgende motieven : "In rechte 1. Verjaring administratieve vordering (Verweerster) stelt dat de administratieve vordering is verjaard. Artikel 32 van de wet van 21 december 1998 bepaalt : "dat de ambtenaar geen administratieve sanctie kan opleggen na het verstrijken van een termijn van zes maanden, te rekenen van de dag waarop het feit werd gepleegd, de mogelijke beroepsprocedure niet inbegrepen. De beslissing zelf werd genomen binnen de termijn van zes maanden, namelijk op 19 oktober 2001, daar waar de feiten werden vastgesteld op 21 april 2001. In casu stelt zich de vraag of de betekening van de beslissing ook dient te gebeuren binnen de door de wet bepaalde termijn van zes maanden. In de wet maakt de wetgever blijkbaar een onderscheid tussen " de beslissing" en "het opleggen van een administratieve sanctie". In de beslissing worden de feiten onderzocht en wordt de gegrondheid ervan gemotiveerd en wordt de (omvang van
- de)sanctie bepaald. Met het opleggen van de administratieve sanctie wordt de uitvoering van de beslissing bedoeld. Men kan maar iets opleggen aan iemand die dan ook kennis dient te hebben van de sanctie. Zolang de gesanctioneerde geen kennis heeft van de beslissing is er geen uitvoering van de beslissing. Artikel 32 spreekt enkel over het opleggen van een sanctie en niet over een beslissing. De wet dient beperkend geïnterpreteerd zodat dient gesteld dat de gesan(c)tioneerde ook kennis dient te krijgen van de beslissing binnen de zes maanden. De wetgever zegt in artikel 32 expliciet dat de mogelijke beroepsprocedure niet is inbegrepen, zodat de overige procedure, waarin ook de betekening van de beslissing is begrepen dient te gebeuren binnen zes maanden na de feiten. Pas bij aangetekend schrijven van 25 oktober 2001 kreeg (verweerster) kennis van de beslissing. De administratieve sanctie is verjaard. Grieven De wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden omschrijft in titel IV de procedure betreffende de administratieve rechtsvordering. Deze omvat verschillende hoofdstukken, met name (I) vaststelling van de feiten (artikel 25), (II) opleggen van sancties (de artikelen 26 tot 29), (III) kennisgeving van de beslissing (artikel 30), (IV) hoger beroep (artikel 31), (V) verjaring van de administratieve vordering (artikel 32), (VI) uitzonderingsbepalingen (de artikelen 33 en 34), (VII) Bijzondere bepalingen (de artikelen 35 en 36) en (VIII) Verzachtende omstandigheden (artikel 37). Overeenkomstig artikel 25 van de genoemde wet van 21 december 1998 kunnen de bij de artikelen 18 en 24 gesanctioneerde feiten worden vastgesteld door de daartoe bevoegde politieambtenaar of ambtenaar, die zijn proces-verbaal moet overmaken aan de bij artikel 26 bedoelde, door de Koning aangewezen ambtenaar. Deze laatste kan, overeenkomstig artikel 26 van de wet, beslissen een administratieve procedure aan te vatten, in welk geval hij aan de betrokkene een aantal feiten of documenten moet meedelen, waaronder het feit dat de betrokkene de gelegenheid heeft om binnen dertig dagen te rekenen van de datum van kennisgeving van de aangetekende brief, zijn verweermiddelen uiteen te zetten bij een ter post aangetekende brief en dat hij het recht heeft om bij die gelegenheid de bedoelde ambtenaar om een mondelinge verdediging van zijn zaak te verzoeken. Na afloop van genoemde termijn en in voorkomend geval na de schriftelijke of mondelinge verdediging van de zaak door de overtreder of zijn raadsman, kan de bedoelde ambtenaar overeenkomstig artikel 27 van de genoemde wet "de overtreder een sanctie opleggen op basis van de artikelen 18 of 24". Luidens artikel 32 van de genoemde wet kan de bedoelde ambtenaar geen administratieve sanctie opleggen na het verstrijken van een termijn van zes maanden, te rekenen van de dag waarop het feit werd verpleegd, de mogelijke beroepsprocedures niet inbegrepen. Overeenkomstig artikel 28, eerste lid, van de genoemde wet heeft "de beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie" een uitvoerbare kracht na het verstrijken van een termijn van een maand, te rekenen vanaf de dag van de kennisgeving bedoeld in artikel 30 van de wet. Van de beslissing tot het opleggen van een straf die overeenkomstig artikel 29 van de genoemde wet, moet worden gemotiveerd, moet, overeenkomstig artikel 30 van de genoemde wet, bij aangetekend schrijven kennis worden gegeven aan de overtreder. Deze wetsbepaling stelt geen termijn binnen dewelke de kennisgeving, nadat de administratieve beslissing is getroffen, moet plaatsvinden. Aldus blijkt dat de wetgever, wanneer hij in artikel 32 stelt dat de bevoegde ambtenaar geen administratieve sanctie kan "opleggen" na een welbepaalde termijn, bedoelt het treffen van de schriftelijke beslissing, ongeacht de datum waarop deze ter kennis wordt gebracht bij ter post aangetekende brief. De politierechter kon dienvolgens niet wettig oordelen dat ook de "betekening" (bedoeld wordt de kennisgeving bij aangetekende brief) van de beslissing dient te gebeuren binnen de zes maanden na de feiten. Hieraan doet geen afbreuk het feit dat zolang de gesanctioneerde geen kennis heeft van de beslissing er geen uitvoering is van de beslissing. Nu de politierechtbank vaststelde dat de beslissing werd genomen binnen de termijn van zes maanden bedoeld in artikel 32, aangezien zij dateert van 19 oktober 2001 daar waar de feiten werden vastgesteld op 21 april 2001, kon zij niet wettig oordelen dat "de administratieve sanctie verjaard (is)" en dienvolgens niet wettig de administratieve beslissing van "21 oktober 2001" (lees : 19 oktober 2001) vernietigen. De politierechtbank schendt derhalve alle in de aanhef van het middel vermelde wetsbepalingen. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 32 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, de ambtenaar, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van deze wet, geen administratieve geldboete kan opleggen na het verstrijken van een termijn van zes maanden, te rekenen van de dag waarop het feit werd gepleegd, de mogelijke beroepsprocedures niet inbegrepen ; Overwegende dat met de bewoordingen in deze wetsbepaling "opleggen van een administratieve geldboete" niet alleen het nemen van de beslissing door de bevoegde ambtenaar is bedoeld, maar tevens de kennisgeving ervan aan de overtreder overeenkomstig artikel 30 van de voormelde wet ; Dat het middel faalt naar recht ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van vierhonderd vierennegentig euro eenennegentig cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van drie mei tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Lisette De Prins. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.22 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040416.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div