id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23 Rolnummer: S.03.0108.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2005-01-17 Raadplegingen: 715 - laatst gezien 2026-07-04 16:42 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De regel volgens dewelke de arbeidsovereenkomst de overeenkomst is waarbij de werknemer zich verbindt tegen loon arbeid te verrichten onder het gezag van de werkgever, is van dwingend recht, zodat de partijen hiervan niet kunnen afwijken door aan de arbeidsovereenkomst een andere kwalificatie te geven. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEGRIP. BESTAANSVEREISTEN. VORM - Begrip en bestaansvereisten Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEGRIP. BESTAANSVEREISTEN. VORM - Begrip en bestaansvereisten Gezagsverhouding Dwingend recht Kwalificatie door de partijen Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Artt.2en3 Fiche 2 Bij de beoordeling van de aangevoerde gezagsverhouding, dient de rechter aan de hand van de overgelegde feitelijke gegevens van de zaak, te onderzoeken of die gezagsverhouding in werkelijkheid tussen de partijen bestaat
(1).
(1)Zie Cass., 14 nov. 2001, AR P.01.1178.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011114.8, nr 616. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEGRIP. BESTAANSVEREISTEN. VORM - Begrip en bestaansvereisten Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEGRIP. BESTAANSVEREISTEN. VORM - Begrip en bestaansvereisten Gezag Bewijslevering Beoordeling door de rechter Feitelijke gegevens Fiche 3 Wanneer de partijen hun overeenkomst gekwalificeerd hebben als een overeenkomst van zelfstandige samenwerking en bij ontstentenis van een tegen deze kwalificatie ingaand wettelijk vermoeden, is het bewijs van een gezagsrelatie niet geleverd wanneer de door de rechter vastgestelde feiten evenzeer wijzen op de uitvoering van zelfstandige arbeid en daarmee niet onverenigbaar zijn
(1).
(1)Zie Cass., 23 dec. 2002, AR S.01.0169.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15, nr ...; Cass., 28 april 2003, AR S.01.0184.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030428.7, nr ...; Cass., 8 dec. 2003, AR S.01.0176.F, nr ... . Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEGRIP. BESTAANSVEREISTEN. VORM - Begrip en bestaansvereisten Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEGRIP. BESTAANSVEREISTEN. VORM - Begrip en bestaansvereisten Gezag Bewijs Kwalificatie door de partijen Zelfstandige samenwerking Niet-onverenigbare gegevens Tekst van de beslissing Nr. S.03.0108.N.- RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel gevestigd te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen CENTRUM VOOR KINESITHERAPIE W. VERMEULEN, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2100 Deurne, Turnhoutsebaan 163, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 4 april 2003 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2, 3, 17, 20 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 ; - de artikelen 1, ,§ l, eerste lid, 14 en 23 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ; - de artikelen 2, ,§ l, eerste lid, 23, eerste lid van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers ; - artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek ; - de artikelen 1134, 1315, 1349, 1350, 1352 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van verweerster gegrond, vernietigt het vonnis van de eerste rechter en beslist dat de oorspronkelijk door eiser ingestelde vorderingen ontvankelijk doch ongegrond zijn, zulks om de volgende redenen : "Ter beoordeling staat de vraag of de kinesitherapeuten, X Y Zhun prestaties leverden als zelfstandige dan wel of ze werken onder het regime van de arbeidsovereenkomst, die hen verbond met (verweerster). (Eiser) houdt vol dat er sprake is van prestaties in het kader van een arbeidsovereenkomst. Er bestaat geen betwisting over dat (eiser) daarvan het bewijs moet leveren. Met verwijzing naar artikel 3 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten van 3 juli 1978 is er sprake van een arbeidsovereenkomst wanneer iemand zich ertoe verbindt arbeid te verrichten tegen betaling van een loon onder het gezag van een werkgever. Het dwingend karakter van de Arbeidsovereenkomstenwet maakt dat deze definitie moet gehanteerd worden bij de beoordeling van het al dan niet bestaan van een arbeidsovereenkomst. Partijen zijn het trouwens daarover eens. Partijen staan niet stil bij de elementen 'arbeid' en 'loon'. Ze concentreren zich enkel op het derde element : 'gezag van een werkgever'. 'Voor de goede orde dient te worden bevestigd dat de drie elementen : arbeid, loon en gezag cumulatief dienen vast te staan vooraleer het bestaan van een arbeidsovereenkomst kan worden weerhouden. Wat het element arbeid betreft, betwisten partijen niet dat door de betrokken kinesitherapeuten arbeid ter beschikking werd gesteld. Het (arbeidshof) neemt dan ook voor vaststaand aan dat het element arbeid aanwezig was in de relatie tussen deze kinesitherapeuten en (verweerster). Anderzijds blijkt uit de ondervraging van deze personen in het kader van het onderzoek van de Sociale Inspectie (stukken 1 en 2 van (eiser)) genoegzaam dat zij per uur werden betaald zodat het voorhanden zijn van het element 'loon' bewezen is in de voornoemde relatie. Blijft het element 'gezag van de werkgever'. (Eiser) is van oordeel dat in casu het element 'gezag' aanwezig en bewezen is. Hij meent dat er moet worden uitgegaan enkel van de feitelijke situatie, waarin de volgende elementen kunnen aangetroffen worden die 'wijzen op een gezagsverhouding : - Het feit dat de medewerkers het zelfstandig statuut hebben aangenomen op aandringen van X , zaakvoerder van (verweerster). - Het feit dat er geen rechtstreekse contacten waren tussen de medewerkers en de artsen, welke de kinebehandelingen voorschreven. - Het feit dat nieuwe patiënten eerst bij X langs gingen en dat hij de behandelingswijze bepaalde. - Het feit dat er werd gewerkt met het ziekenboekje van X. - Het feit dat het uurloon werd vastgesteld door X eulen (hij bepaalde trouwens autonoom wanneer er opslag kwam en hoeveel deze bedroeg). De ereloonnota's werden door de administratie van (verweerster) opgemaakt. - Het feit dat X het aanvangsuur van de raadplegingen bepaalde en dat een bepaald uurrooster werd gehanteerd. - Het feit dat men het tijdstip van zijn vakanties moest afspreken en dat men rekening moest houden met de vakantieperiodes van de anderen. - Het feit dat men economisch afhankelijk was omdat men geen eigen patiënten behandelde. - Het feit dat X moest akkoord gaan met de persoon van de vervanger, zo deze nodig was. - Het feit dat er geen enkele inbreng in het kapitaal gevraagd werd van de medewerkers. - Het feit dat de medewerkers geen inbreng hadden in de infrastructuur en de uitrusting van de praktijkruimten en er van hen desbetreffend geen investering werd gevraagd. - Het feit dat zij buiten het beheer van (verweerster) werden gehouden. (Eiser) haalt deze gegevens uit de verklaringen die de verschillende kinesitherapeuten hebben afgelegd aan de diensten van de Sociale Inspectie (stukken 1 en 2 van (eiser)). De eerste rechter volgde de zienswijze van (eiser) grotendeels op basis van dezelfde feitelijke elementen. (Verweerster) daarentegen blijft er bij dat de samenwerking gebeurde op zelfstandige basis. Zij gaat er samengevat van uit : - dat de aard van het samenwerkingsverband, waarvoor partijen vrijwillig kozen wé1 doorslaggevend is, minstens dat dit een belangrijk beoordelingselement is, - dat het zelfstandig statuut niet aan de medewerkers werd opgedrongen, - dat ook in de feitelijke uitvoering de medewerkers autonoom konden werken, - dat zij zichzelf verzekerden voor hun beroepsaansprakelijkheid, - dat er geen mogelijkheid was om feitelijk of juridisch gezag uit te oefenen: iedereen stond op gelijke voet, er was zeggenschap in de praktische organisatie, er werden geen instructies gegeven in de zin van artikel 17 WAO, - dat er geen minimumloon was afgesproken evenmin als een minimumactiviteit, - dat zij geen exclusiviteitplicht hadden. Bij de beoordeling houdt het (arbeidshof) in eerste instantie rekening met het gegeven of het beroep van kinesitherapeut zich leent voor een uitoefening ervan onder een zelfstandig statuut. Dat is het geval. Grosso modo wordt het beroep van kinesitherapeut uitgeoefend hetzij in een zelfstandige praktijk, hetzij in dienstverband in ziekenhuizen of in andere zorgverstrekkende instellingen. Feit is dat de prestaties in casu niet worden geleverd binnen een ziekenhuis of binnen een andere instelling zodat niet evident sprake is van een tewerkstelling onder het regime van een arbeidsovereenkomst. Vanuit dit vertrekpunt is een volgende stap te kijken naar hoe partijen zelf hun samenwerking hebben georganiseerd. Partijen betwisten niet en het (arbeidshof) leidt uit de ondervraging van betrokkenen door de Sociale Inspectie af dat de samenwerking tussen de kinesitherapeuten en (verweerster) het karakter had van een samenwerking op zelfstandige basis. Wanneer uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt, zoals in casu, dat partijen hun samenwerking op een zelfstandige basis hebben georganiseerd dan kan de rechter daar geen andere kwalificatie voor in de plaats stellen, wanneer de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de door partijen aangenomen kwalificatie niet uitsluiten (Cass, 23 december 2002 - rolnummer S.01.0169.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 (onuitgegeven) - raadpleging via internet (...) . Bijgevolg onderzoekt het (arbeidshof) thans of de elementen die ter beoordeling worden voorgelegd de kwalificatie van zelfstandige uitsluiten. A. Er is de argumentatie dat de medewerkers geen inbreng deden van kapitaal, dat zij zich geen zorgen hoefden te maken over de inrichting van de praktijkruimten, dat zij niet moesten zorgen voor materialen en dat zij geen deelname hadden aan het beheer van (verweerster). Het feit dat de materiële infrastructuur door één enkele persoon ter beschikking wordt gesteld en het feit dat diezelfde persoon ook alleen instaat voor de administratie van het geheel hoeft niet onverenigbaar te zijn met een zelfstandig statuut in hoofde van de medewerkers. Deze medewerkers kunnen daar immers belang bij hebben. Zeker wanneer het jonge medewerkers betreft, zoals in casu het geval is : XXX. Als jonge zelfstandigen is het investeren in een eigen praktijk vaak een dure aangelegenheid. Het kunnen instappen in een praktijk waar alles voorhanden is, is dan vaak een welgekomen oplossing. Enkele jaren werken in een groepspraktijk heeft onmiskenbare voordelen voor jonge zelfstandigen : het leren van een beroep door de praktijk, het maken van klanten of patiënten, het verwerven van financiële middelen voor de uitbouw van een eigen praktijk. Het kan in den beginne een springplank zijn naar een eigen praktijk. Zo heeft X nog een zelfstandige eigen praktijk op haar thuisadres. (Verweerster) geeft hierbij verder aan dat er wel degelijk overleg was tussen de medewerkers over de materiële kant van de zaak zoals aan te wenden producten of te gebruiken instrumenten en materialen. De verklaringen van de medewerkers worden door niemand bekritiseerd als ondeugdelijk bewijs, zodat de met elkaar overeenstemmende elementen eruit als voldoende bewijs worden aanvaard. Als rode draad doorheen deze verklaringen mag worden aangenomen dat er geen overleg is maar dat X finaal beslist. Dit wijst erop dat X zijn praktijk ziet als een groepspraktijk waarin zijn medewerkers in het geheel een inbreng kunnen hebben. Een ander element is dat ter compensatie van het gebruik van infrastructuur, van de materialen en instrumenten en van de gevoerde administratie, er door de medewerkers een bijdrage werd betaald van 45 pct. van hun verdiensten. Dergelijke compensatie maakt dat de medewerkers op deze materiële werkomgeving een gebruiksrecht verwierven dat ze naar eigen goeddunken konden aanwenden. Anders is het gesteld met een werkgever in een werknemersstatuut : hij zal de materiële werkomgeving zonder enige compensatie vanwege de werknemer ter beschikking stellen omdat hij de arbeid van die werknemer ook puur voor de eigen doeleinden aanwendt. Het (arbeidshof) is van oordeel dat het feit dat de medewerkers geen inbreng in kapitaal hoefden te doen, niet moesten zorgen voor infrastructuur en materialen en dat ze geen inbreng hadden in de vennootschap die (verweerster) is, niet onverenigbaar is met het statuut van zelfstandige. B. Er is de argumentatie rond het autonoom werken. De volgende elementen worden hierbij aangebracht : er was geen contact tussen de medewerkers en de voorschrijvende artsen, de nieuwe patiënten passeerden eerst via X , de behandeling werd door hem voorgesteld. In het rijtje staat X geïsoleerd met haar verklaring. Uit de andere verklaringen blijkt dat er een aanvaardbare onafhankelijkheid was om de behandelingen naar eigen inzicht in te stellen en toe te passen en dat er wel degelijk, overleg was tussen de medewerkers in geval van vragen. Een strikte gezagsuitoefening vanwege (verweerster) met artikel 17 van de Arbeidsovereenkomstenwet voor ogen is hier dan ook niet aan de orde. Een element dat ook niet thuishoort in de relatie werkgever-werknemer, is het feit dat de medewerkers een eigen verzekering beroepsaansprakelijkheid hadden afgesloten. De feitelijke uitvoering van de job in concreto, zoals deze in casu gebeurde is niet onverzoenbaar met het statuut van zelfstandige. C. Een derde groep van argumenten heeft het over de wijze van beloning en de uurregeling (organisatie van de arbeidstijd) (Eiser) wijst als elementen die duiden op een werknemersstatuut aan : het feit dat per uur werd betaald, het feit dat de ereloonnota's werden opgesteld door (verweerster), het feit dat de hoogte van het uurloon door (verweerster) werd bepaald, het feit dat een beginuur werd opgelegd en het feit dat men niet zomaar vrijaf kon nemen. Uit de verklaringen van de medewerkers blijkt genoegzaam dat deze elementen bewezen zijn. Men moet ermee rekening houden dat in de regel elke vorm van samenwerking tussen meerdere personen, ook de samenwerking tussen juridische gelijkwaardige partners, noopt tot het maken van bepaalde bindende afspraken en het vastleggen van bepaalde regels teneinde de activiteiten op elkaar af te stemmen en het werk op een zo efficiënt mogelijke manier te verdelen en te organiseren (Arbh. Antwerpen, 6 november 2002, inzake A.R. nr 2010042 CVBA Eld Partnership/ X - onuitgegeven) . De wijze van betaling van de medewerkers is een vrij storend element binnen het zelfstandigenstatuut. De normale zelfstandige kinesitherapeut zal de behandelingen aan zijn patiënten aanrekenen volgens het geëigende nummer van de nomenclatuur op een blad van een eigen kwijtschriftenboekje en onder zijn eigen erkenningsnummer bij het RIZIV. In casu is van deze 'normale' procedure afgeweken : de afrekening met de patiënten gebeurde via (verweerster) en via het kwijtschriftenboekje van X. Blijkbaar behielden de medewerkers wél hun eigen RIZIV nummer (cf. verklaring van X ). De medewerksters werden dan betaald met een vaste vergoeding per uur. (Verweerster) legt hierbij uit dat dit uurloon werd bepaald rekening houdend met het tarief van de verschillende behandelingen, dat dan gemakheidshalve tot een gemiddelde werd herleid. Van elke behandeling is geweten hoeveel tijd ze in beslag neemt, zodat ook daarvan een gemiddelde kan gemaakt worden. Zo kan men komen tot een vaste prijs per uur. Regelmatig, zo bevestigde (verweerster), werd deze prijs aangepast. Deze aanpassing blijkt inderdaad uit verschillende verklaringen. Het (arbeidshof) is van oordeel dat deze wijze van betalen niet echt gebruikelijk is, dat het generaliseren nogal grof gebeurt en dat er weinig transparantie is om te controleren of dit hele verhaal wel klopt. Nochtans stelt het (arbeidshof) eveneens vast dat de medewerkers zelf weinig kritiek hebben bij deze wijze van betalen. Zij stellen deze wel vast maar zij geven niet aan in welke mate deze betalingswijze hun onafhankelijkheidspositie zou aantasten of in welke mate deze betalingswijze zou afwijken van het aanrekenen van hun prestaties volgens de 'normale' procedure. Uit het gebrek aan kritiek leidt het (arbeidshof) af dat het verhaal van (verweerster) blijkbaar klopt met de realiteit. Op zich is het betalen per uur niet onverzoenbaar met het statuut van zelfstandige. Voor het overige wijzen de andere elementen die verband houden met de vergoeding van de prestaties wél op het statuut van zelfstandigen het blijft bij deze vergoeding : geen verplaatsingskosten, geen minimumloon, geen gewaarborgd loon, fiscaal aangegeven als zelfstandige inkomsten, eigen aansluiting bij een Sociale Verzekeringskas. Ook het feit dat slechts van op één plaats naar de patiënten toe werd gefactureerd en het feit dat omwille van administratief comfort de ereloonnota's centraal werden opgemaakt, doet geen afbreuk aan het zelfstandig karakter van de samenwerking (de opmaak van de ereloonnota's gebeurde trouwens op basis van de gegevens die door de medewerkers zelf ter beschikking werden gesteld). Niettegenstaande de kritiek die het (arbeidshof) heeft op de wijze van betaling, is dit element niet onverzoenbaar met het statuut van zelfstandige. Wat de arbeidstijd en de vakantieregeling betreft, hier ontwaart het (arbeidshof) geen kenmerken die exclusief eigen zijn aan het werkgeversgezag binnen een werknemersstatuut. De afspraken die desbetreffend gemaakt werden, zijn verzoenbaar met een praktische werkverdeling die ook tussen zelfstandigen noodzakelijk is (cf. ook hoger geciteerd arrest van 6 november 2002). Hetzelfde geldt voor de goedkeuring over de persoon van de vervanger. Ook binnen het samenwerkingsverband tussen zelfstandigen mag nagekeken worden wie er juist komt werken. Conclusie : bij het overlopen van alle elementen die worden aangereikt om in casu het werknemersstatuut te weerhouden, komt het (arbeidshof) tot de bevinding dat zij noch in se, noch in samenhang onverzoenbaar zijn met het statuut van zelfstandige, statuut dat (verweerster) en haar medewerkers in de praktijk toepasten". Ten overvloede wijst (verweerster) er trouwens op dat deze medewerkers niet exclusief voor haar moesten werken maar dat zij minstens de mogelijkheid houden ook nog voor eigen patiënten te werken. Het klopt dat één van de medewerkers dit deed en dat de anderen die mogelijkheid hadden". Grieven Een gezagsverhouding, essentieel bestanddeel van de arbeids-overeenkomst, bestaat van zodra iemand in feite gezag kan hebben over andermans handelen. Bij de beoordeling van het bestaan van dergelijke verhouding van ondergeschiktheid, dient de rechter de feitelijke situatie te onderzoeken aan de hand van alle feitelijke gegevens. De rechter is hierbij niet gebonden door de kwalificatie die de partijen aan de tussen hen gesloten overeenkomst hebben gegeven. De overeenkomsten strekken de partijen die dezen hebben aangegaan enkel tot wet voor zover ze wettig zijn aangegaan, wat niet het geval is wanneer ze strijdig zijn met regels van openbare orde. De regels inzake de sociale zekerheid raken de openbare orde en kunnen bijgevolg niet worden opzijgezet of omzeild door de wil van de partijen om aan hun overeenkomst een bepaalde kwalificatie te geven. De kwalificatie die partijen aan hun overeenkomst hebben gegeven, heeft bovendien niet de bewijswaarde van een vermoeden nu een vermoeden enkel bij wet kan worden ingesteld of aan het oordeel en het beleid van de rechter wordt overgelaten (de artikelen 1349, 1350 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek). Ook eiser, die als openbare instelling door de wet belast is met de inning van de bijdragen voor sociale zekerheid (artikelen 5 en 9 R.S.Z.-wet), wordt in zijn bewijslevering niet beperkt door de omschrijving die de partijen aan hun overeenkomst hebben gegeven nu deze niet zelf over hun sociaal statuut kunnen beslissen. Het volstaat dat eiser aan de rechter elementen voorlegt die wijzen op, of die kenmerkend zijn voor het bestaan van een gezagsverhouding, zonder dat bewezen moet worden dat er in de overeenkomst van partijen elementen zijn die het bestaan van de door partijen aangenomen kwalificatie uitdrukkelijk uitsluiten. Het bestaan van een gezagsverhouding dient m.a.w. niet noodzakelijk te worden bewezen met elementen die onverzoenbaar zijn met het statuut van zelfstandige, zoals ook de afwezigheid van een arbeidsovereenkomst niet noodzakelijk moet blijken uit feiten die het bestaan van een dergelijke overeenkomst uitsluiten. Heel wat elementen die kenmerkend zijn voor een arbeidsovereenkomst zijn trouwens ook terug te vinden in een overeenkomst met een zelfstandige terwijl andere elementen niet doorslaggevend zijn om te beslissen tot deze of gene overeenkomst, waardoor het aanvoeren van elementen die effectief onverzoenbaar zijn met de door partijen aangenomen kwalificatie een schier onmogelijke opdracht is. De rechter kan bijgevolg, nadat hij de feitelijke situatie heeft onderzocht aan de hand van alle feitelijke gegevens die hem door eiser worden voorgelegd, de kwalificatie die partijen aan hun overeenkomst hebben gegeven door een andere kwalificatie vervangen wanneer hij oordeelt dat deze elementen, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere, duiden op het bestaan van een band van ondergeschiktheid tussen partijen. Het arrest oordeelde evenwel dat de rechter geen andere kwalificatie in de plaats mag stellen wanneer de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de door partijen aangenomen kwalificatie niet uitsluiten. De elementen die eiser tot staving van het bestaan van een arbeidsovereenkomst had aangevoerd, werden door het bestreden arrest dienvolgens verworpen omdat deze elementen, noch in se, noch in samenhang, onverzoenbaar zijn met het statuut van zelfstandige en deze kwalificatie niet uitsluiten. Zo oordeelde het arrest dat "het feit dat de medewerkers geen inbreng in kapitaal hoefden te doen, niet moesten zorgen voor infrastructuur en materialen en dat ze geen inbreng hadden in de vennootschap die (verweerster) is, niet onverenigbaar is met het statuut van zelfstandige", dat "de feitelijke uitvoering van de job in concreto, zoals deze in casu gebeurde (...) niet onverzoenbaar (is) met het statuut van zelfstandige", en dat "het betalen per uur" en "de wijze van betaling" evenmin onverzoenbaar is met dat statuut. Hieruit volgt dat het bestreden arrest de vordering van eiser niet heeft kunnen verwerpen op grond dat de door eiser aangevoerde elementen de kwalificatie van zelfstandige niet uitsluiten, en noch in se, noch in samenhang onverzoenbaar zijn met deze kwalificatie, zonder na te gaan of al deze elementen niet toelaten om tot het bestaan van een gezagsverhouding te besluiten. In een context die de openbare orde raakt en waarin de aard van de overeenkomst het toepasselijk sociaal statuut bepaalt, heeft het bestreden arrest bijgevolg niet wettig kunnen oordelen dat de rechter de kwalificatie van partijen slechts kan wijzigen wanneer elementen worden voorgelegd die deze kwalificatie uitsluiten, (schending van de artikelen 2, 3, 17, 20 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, 1, ,§ l, eerste lid, 14 en 23 van de R.S.Z-Wet, 2, ,§ l, eerste lid, 23, eerste lid van de wet van 29 juni 1981, 1134 van het Burgerlijk Wetboek), zodoende heeft het arrest ten onrechte aan de kwalificatie van partijen de bewijswaarde toegekend van een wettelijk vermoeden (schending van de artikelen 870 van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 1134, 1315, 1349, 1350, 1352 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat de arbeidsovereenkomst de overeenkomst is waarbij de werknemer zich verbindt tegen loon arbeid te verrichten onder het gezag van de werkgever ; Dat deze regel, waarop het sociaalzekerheidsrecht van de werknemer is gestoeld, van dwingend recht is, zodat de partijen hiervan niet kunnen afwijken door aan de arbeidsovereenkomst een andere kwalificatie te geven ; Overwegende dat de partij die zich beroept op de gezagsverhouding, essentieel kenmerk van een arbeidsovereenkomst, daarvan het bewijs moet leveren ; Dat de rechter bij de beoordeling van de aangevoerde gezagsverhouding aan de hand van de overgelegde feitelijke gegevens van de zaak dient te onderzoeken of die gezagsverhouding in werkelijkheid tussen de partijen bestaat ; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat, wanneer de partijen hun overeenkomst gekwalificeerd hebben als een overeenkomst van zelfstandige samenwerking en bij ontstentenis van een tegen deze kwalificatie ingaand wettelijke vermoeden, het bewijs van een gezagsrelatie niet is geleverd wanneer de door de rechter vastgestelde feiten evenzeer wijzen op de uitvoering van zelfstandige arbeid en daarmee niet onverenigbaar zijn ; Overwegende dat het arrest vaststelt dat te dezen niet wordt betwist dat eiser het bewijs moet leveren van de gezagsrelatie die hij aanvoert ; Dat het arrest oordeelt dat : 1. buiten het geval van prestaties geleverd in een ziekenhuis of in een verzorgingsinstelling, het beroep van kinesist "grosso modo" in een zelfstandige praktijk wordt uitgeoefend en de prestaties te dezen niet werden geleverd in een ziekenhuis of dergelijke instelling, zodat niet evident sprake is van een tewerkstelling onder het regime van een arbeidsovereenkomst ; 2. als rode draad doorheen de verklaringen van de medewerkers-kinesisten mag worden aangenomen dat er een overleg was, maar dat X finaal besliste, en dit erop wijst dat deze zijn praktijk als een groepspraktijk ziet, waarin zijn medewerkers in het geheel een inbreng kunnen hebben ; 3. na het overlopen van alle elementen die werden aangevoerd om te dezen het werknemersstatuut aan te tonen, deze elementen "noch in se, noch in samenhang" onverzoenbaar zijn met het statuut van zelfstandige ; 4. verweerster en haar medewerkers het statuut van zelfstandige toepasten in de kinesistenpraktijk ; Overwegende dat het arrest, door te oordelen dat de elementen die eiser aanvoert niet van aard zijn de kwalificatie die de betrokkenen aan hun samenwerkingsverband hebben gegeven, te ontzenuwen, aan deze kwalificatie niet de bewijswaarde van een wettelijk vermoeden toekent, maar te kennen geeft dat eiser het bewijs van een gezagsrelatie niet levert ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van tweehonderd en acht euro negentien cent jegens de eisende partij en op de som van tweehonderd negenenveertig euro negenentachtig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van drie mei tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Lisette De Prins. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041126.3 ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041203.3 ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041216.15 ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041216.5 ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041216.6 ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041216.9 ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041224.4 ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050204.20 ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050211.1 ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050211.3 ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050308.3 ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050415.2 ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050513.1 ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051104.9 ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060322.4 ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060420.5 ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060420.6 ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060907.1 ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20061004.8 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120309.6 ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050407.2 ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080407.8 ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080410.12 ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080508.12 ECLI:BE:CTBRL:2008:ARR.20080917.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011114.8 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030428.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041206.4 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060320.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div