← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040506.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040506.10 Rolnummer: D.04.0004.N Kamer: AGV - Assemblée gén./Alg.Vergadering Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-01-11 Raadplegingen: 517 - laatst gezien 2026-07-05 03:55 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De omstandigheid dat een plaatsvervangend rechter zijn ontslag heeft aangeboden belet de uitoefening van de tegen hem ingestelde tuchtvordering niet

(1).
(1)Cass., 7 dec. 2000, AR D.00.0010.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001207.10, nr 674; ingevolge art. 25 van de wet van 22 dec. 2003 houdende diverse bepalingen was het nieuwe tuchtrecht nog niet toepasselijk. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE TUCHT Vrije woorden: RECHTERLIJKE TUCHT Tuchtvordering Plaatsvervangend rechter Aanbod van ontslag Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.419 Fiche 2 Het gedrag van de magistraat die anderen moet berechten, moet boven elke verdenking verheven zijn; door een gedrag dat het vertrouwen van de rechtzoekende heeft aangetast doet de magistraat afbreuk aan de waardigheid van zijn ambt en is hij niet meer waardig deel te nemen aan de uitoefening van de rechterlijke macht
(1); om die reden ontzet het Hof uit zijn ambt een plaatsvervangend rechter die veroordeeld werd om (als dader) een aanranding van de eerbaarheid zonder geweld of bedreiging te hebben gepleegd op de persoon of met behulp van de persoon van een kind van het mannelijk of het vrouwelijk geslacht beneden de volle leeftijd van zestien jaar op het ogenblik van de feiten.
(1)Cass., 10 oktober 2002, AR D.02.0013.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021010.11, nr ... . Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE TUCHT Vrije woorden: RECHTERLIJKE TUCHT Magistraat Gedrag Aard Waardigheid van het ambt Sanctie Plaatsvervangend rechter Aanranding van de eerbaarheid Tuchtstraf Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.404,405, Tekst van de beslissing Nr. D.04.0004.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN CASSATIE, verzoeker tot ontzetting van L.V., hierna geïdentificeerd, uit zijn ambt van plaatsvervangend rechter in de Politierechtbank te A., tegen V. L. bij koninklijk besluit van (...) tot plaatsvervangend rechter in de Politierechtbank te A. benoemd. I. Rechtspleging Het Hof is overeenkomstig artikel 426 van het Gerechtelijk Wetboek in algemene vergadering bijeengekomen. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft de ontzetting van L.V. uit zijn ambt van plaatsvervangend rechter in de Politierechtbank te A. gevorderd. L.V. werd overeenkomstig artikel 423 van het Gerechtelijk Wetboek bij gerechtsbrief opgeroepen om in persoon te verschijnen op de terechtzitting van 6 mei 2004 om 14,30 uur. Hij is niet verschenen. II. Voorwerp van de vordering De schriftelijke vordering van 11 maart 2004 van de Procureur-generaal luidt als volgt : "Aan het Hof van Cassatie, De procureur-generaal bij dit Hof heeft de eer kenbaar te maken: dat de heer L. V., (...), bij koninklijk besluit van (...) is benoemd tot plaatsvervangend rechter in de politierechtbank te A. en dat hij op (...) de eed, voorgeschreven bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831, heeft afgelegd op de openbare terechtzitting van de eerste kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement D.; dat hij bij een in kracht van gewijsde gegaan arrest van (...) van de eerste kamer van het hof van beroep te G. is veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van acht maanden met uitstel gedurende drie jaar, wegens: (B) te A. in de nacht van 6 op 7 juli 2000: een aanranding van de eerbaarheid zonder geweld of bedreiging gepleegd te hebben op de persoon of met behulp van de persoon van een kind van het mannelijk of het vrouwelijk geslacht beneden de volle leeftijd van zestien jaar op het ogenblik van de feiten, namelijk op de persoon van D. D., geboren te R. op (...); (C) als dader, om het misdrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering daarvan rechtstreeks medegewerkt te hebben of, om door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat het misdrijf zonder zijn bijstand niet had kunnen gepleegd worden, ofwel door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, het misdrijf rechtstreeks te hebben uitgelokt, te A. in de nacht van 2 op 3 januari 2001: een aanranding van de eerbaarheid zonder geweld of bedreiging gepleegd te hebben op de persoon of met behulp van de persoon van een kind van het mannelijk of het vrouwelijk geslacht beneden de volle leeftijd van zestien jaar op het ogenblik van de feiten, namelijk (op de persoon van) D. D., geboren te R. op (...); dat hij bij dit arrest tevens ontzet werd uit de rechten, voorzien bij artikel 31, 1°, 3°, 4° en 5° van het Strafwetboek voor een periode van vijf jaar; Overwegende dat uit dit arrest en uit het strafonderzoek blijkt: dat de veroordeelde, na ze aanvankelijk te hebben ontkend en later te hebben voorgesteld als uitgelokt door het slachtoffer, de feiten heeft erkend; dat het hof van beroep oordeelt dat die feiten ("ondermeer ontmaagding door penetratie'' en "seksuele handelingen in het kader van hun triosex") gepleegd op de persoon van de nauwelijks veertien jaar oude minderjarige, onmiskenbaar een ernstige aantasting van haar seksuele integriteit vormen, dat het wettelijk vermoeden dat dit kind niet vrijwillig kan toestemmen in de onzedelijke handelingen die het ondergaat of van hem worden gevergd een vermoeden is van morele dwang dat onweerlegbaar is en gebaseerd op de bescherming van de seksuele ongereptheid en onaantastbaarheid van deze minderjarigen en op de beïnvloedbaarheid van kinderen en dat daaruit volgt dat de dader zich niet op het gedrag van zijn slachtoffer mag beroepen om zijn oneerbare daden te verschonen, noch op diens toestemming; dat het hof van beroep verder oordeelt dat de beklaagde de gunst van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling niet kan worden verleend, om de redenen, onder meer, dat hij, als advocaat en plaatsvervangend magistraat, ten volle moet beseffen dat hij bij het invullen van zijn levenswandel, waarover hij de vrije keuze heeft, de grenzen van de wet dient te respecteren, dat hij zeer goed op de hoogte was van de nog jonge leeftijd van de minderjarige, dat hij, misbruik makend van zijn moreel gezag als veel oudere man, geen oog heeft gehad voor haar (nog kinderlijke) gevoelens en voor de door de deskundige vastgestelde traumatische gevolgen van zijn handelen bij dit slachtoffer; Overwegende dat het hof van beroep, met betrekking tot de strafmaat, oordeelt dat de feiten wijzen op een perverse ingesteldheid en een totaal gebrek aan normbesef, doch rekening heeft gehouden met het blanco strafregister van de veroordeelde; dat het hof van beroep aldus vaststelt dat de veroordeelde in de feiten van de telastleggingen het aan hem toevertrouwde ambt - dat de burgers precies tot normbesef dient aan te zetten - heeft miskend; Overwegende derhalve dat uit de aard van de bewezen verklaarde feiten, uit de beslissing die de opschorting van de uitspraak van de veroordeling afwijst en het oordeel dat die feiten wijzen op een totaal gebrek aan normbesef, blijkt dat de heer L. V. afbreuk heeft gedaan aan de waardigheid van zijn ambt en het vertrouwen van de burgers in de rechterlijke macht heeft geschokt; dat hij niet meer waardig is deel te nemen aan de uitoefening van de rechterlijke macht. Gelet op de artikelen 152, tweede lid, van de Grondwet, 404, 405, 409, 417 tot en met 420 en 422 tot en met 426 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing, en 6.1 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, vordert dat het Hof, in algemene vergadering, na onderzoek, en uitspraak doende in openbare terechtzitting, de heer L. V. uit zijn ambt van plaatsvervangend rechter in politierechtbank te A. ontzet en hem in de kosten veroordeelt. Brussel, 11 maart 2004. Voor de Procureur-generaal, de Advocaat-generaal, get. G. DUBRULLE" III. Beslissing van het Hof Overwegende dat L.V. bij koninklijk besluit van (...) is benoemd tot plaatsvervangend rechter in de Politierechtbank te A. en dat hij op (...) de eed, voorgeschreven bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831, heeft afgelegd op de openbare terechtzitting van de eerste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te D. ; Overwegende dat de omstandigheid dat L.V. zijn ontslag heeft ingediend, de uitoefening van de tuchtvordering niet belet ; Overwegende dat de in de vordering van de Procureur-generaal aangehaalde feiten door het arrest van het Hof van Beroep te G. van (...) dat in kracht van gewijsde is getreden, bewezen zijn ; Overwegende dat het gedrag van de magistraat die anderen moet berechten, boven elke verdenking verheven moet zijn ; Overwegende dat uit de bewezen feiten blijkt dat L.V. door zijn gedrag het vertrouwen van de rechtszoekende heeft aangetast ; Dat hij hierdoor afbreuk heeft gedaan aan de waardigheid van zijn ambt van plaatsvervangend rechter en niet meer waardig is deel te nemen aan de uitoefening van de rechterlijke macht ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Rechtdoende bij verstek, in openbare terechtzitting ; Gelet op de artikelen 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, 152, tweede lid, van de Grondwet, en 404, 405, 409, 417 tot 420, 422 tot 426 van het Gerechtelijk Wetboek ; Ontzet L.V. uit zijn ambt van plaatsvervangend rechter in de Politierechtbank te A. ; Veroordeelt hem in de kosten, tot heden begroot op nul euro. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, in algemene vergadering te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de afdelingsvoorzitters Francis Fischer en Claude Parmentier, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Suetens-Bourgeois, Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Philippe Echement, Christian Storck en Jean de Codt, en uitgesproken in openbare terecht zitting van zes mei tweeduizend en vier door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van hoofdgriffier Sluys. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040506.10 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040506.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001207.10 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021010.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041022.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.