id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040506.7 Rolnummer: C.03.0107.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-01-11 Raadplegingen: 417 - laatst gezien 2026-07-04 14:29 Versie(s): Vertaling FR Fiche Art. 2, K.B. van 29 maart 2002 stelt de inning van het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden in de kosten van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten verplicht, maar verbiedt niet dat, na inning van het persoonlijk aandeel, op een later tijdstip aan de rechthebbende een coöperatief ristorno wordt toegekend in zoverre het jaarresultaat dit toelaat. Thesaurus CAS: APOTHEKER Vrije woorden: APOTHEKER Verkoop van geneesmiddelen Vergoedbare farmaceutische verstrekkingen Prijs Persoonlijk aandeel van de rechthebbende Verplichte inning Tekst van de beslissing Nr. C.03.0107.N
- ALGEMENE PHARMACEUTISCHE BOND ASSOCIATION PHARMACEUTIQUE BELGE, afgekort APB, Koninklijke maatschappij, met zetel te 1000 Brussel, Archimedestraat 11,
- KONINKLIJK OOSTVLAAMS APOTHEKERSGILD, (KOVAG), wettelijk erkende beroepsvereniging, met zetel te 9000 Gent, Nieuwebosstraat 5,
- B.G.,
- H.P.,
- S.S.,
- V.G., eisers, vertegenwoordigd door Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 81, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen VOORUIT NR. 1, coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met vennootschapszetel te 9000 Gent, Nieuwevaart 151, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 december 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middel De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 37, ,§17, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, bekrachtigd bij wet van 9 januari 1995 ; &§9472; artikel 2 van het K.B. van 29 maart 2002 tot toepassing van artikel 37, ,§17, en artikel 165, laatste lid, van de wet gecoördineerd op 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ; &§9472; artikel 23, 1° (zoals gewijzigd bij wet van 25 mei 1999), 3° en 4°, van de wet van 14 juli 1999 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart de stakingsvordering van de eisers, welke onder meer gesteund is op een schending door verweerster van artikel 2 van het K.B. van 29 maart 2002 tot toepassing van artikel 37, ,§17, en artikel 165, laatste lid, van de wet gecoördineerd op 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, ongegrond op volgende gronden : "(II) B Het hof is van oordeel dat uit voormeld artikel 2 niet volgt dat het aan (verweerster) verboden is een coöperatief ristorno toe te kennen aan haar coöperateurs op de remgelden voor de aankoop van de geneesmiddelen waarvoor er tegemoetkoming is van de ziekteverzekering (zgn. 'vergoedbare farmaceutische verstrekkingen') op voorwaarde dat het persoonlijk aandeel bij de aankoop ervan ook effectief geïnd wordt, zodat de vraag naar wettigheidstoetsing niet aan de orde is. a. Art. 2 van het K.B. van 30 maart 2002 legt aan de apotheker op om het remgeld effectief te innen. Enig verbod tot het verlenen van ristorno's wordt niet opgelegd. Waar er geen verbod wordt opgelegd, ligt het beginsel van de vrijheid voor. b. Het 'Verzekeringscomité' van de 'Dienst voor geneeskundige verzorging' opgericht binnen het RIZIV heeft op 27 november 2001 en op 5 februari 2002 minstens kennis genomen van het voorstel (27 november 2001) respectievelijk het ontwerp van K.B. (5 februari 2002) (zie desbetreffend ongenummerde stukken, dossier 'aanvullende stukken beroepsprocedure' van (verweerster)). Bij beide brieven van voormeld Verzekeringscomité is het K.B. in voorstel/ontwerp bijgevoegd en staat onder art. 2 : 'Het persoonlijk aandeel van de niet in het ziekenhuis opgenomen rechthebbenden in de kosten van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten en van de magistrale bereidingen wordt verplicht geïnd, in toepassing van artikel 37, ,§17, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Deze inning dient integraal te gebeuren op het ogenblik van de aflevering. De tussenkomst van de rechthebbende mag, rechtstreeks of onrechtstreeks, geenszins het voorwerp uitmaken van eender welke vermindering door middel van, onder andere, ristorno's, onmiddellijk of uitgestelde verminderingen, participaties, premies, stortingen of terugbetalingen van geraamde overschotten, krediet- of kassabonnen, giften, geschenken, en dit ongeacht het juridisch statuut van de apotheek betrokken bij de aflevering, en ongeacht het in het verleden toegekende bedrag of daadwerkelijk percentage van dergelijke eventuele verminderingen van de bedragen ten laste van de rechthebbenden'. De eerste twee alinea's van het voormeld voorstel zijn, mits enkele aanpassingen, overgenomen in de definitieve versie van het K.B. De derde alinea is in genen dele opgenomen in de definitieve versie. Precies in die alinea is er sprake van ristorno's die uitdrukkelijk verboden worden. Waar dit concrete verbod van ristorno's - zoals (verweerster) voorneemt te zullen uitvoeren, nadat de patiënten het remgeld hebben betaald - niet is opgenomen in de definitieve versie van het K.B. versterkt dit de stelling dat zij wel degelijk toegelaten blijven, ook op de vergoedbare farmaceutische verstrekkingen. c. De minister van Sociale Zaken en Pensioenen heeft in de Kamer geantwoord op vragen van Volksvertegenwoordigers in verband met de problematiek in het algemeen en zelfs m.b.t. de concrete situatie van (verweerster). Op 28 maart 2002 antwoordt de minister als volgt (zie stuk nr. 8, dossier eisers) : 'Wij kunnen en mogen niet verbieden dat men in België ristorno's geeft op producten die in de handel zijn, want dat zou in strijd zijn met de Europese wetgeving. De ziekteverzekering is wel gerechtigd om te eisen dat het remgeld op een aantal terugbetaalbare geneesmiddelen wordt geïnd. Dat geldt, om te beginnen, voor de vergoedbare farmaceutische specialiteiten die zich bevinden op de lijst die is toegevoegd aan het K.B. van 21 december 2001 over de termijnen, procedures en voorwaarden waaronder farmaceutische specialiteiten worden vergoed en dat geldt ook indien ik mij niet vergis op basis van een K.B. van het jaar 1997, voor de magistrale bereidingen en daarmee gelijkgestelde producten. De inning van het remgeld wordt verplicht gemaakt voor magistrale bereidingen, gelijkgestelde producten en vergoedbare farmaceutische specialiteiten die worden terugbetaald door de ziekteverzekering. De toepassing van deze regel wordt gecontroleerd door de Dienst voor administratieve controle van het RIZIV en de inbreuken zijn strafbaar op basis van artikel 156 van de wet. Men pleegt duidelijk een inbreuk op de wet als men aan de klanten een bedrag terugbetaalt dat in verhouding staat tot de remgelden die deze klanten betalen, want in dat geval wordt de volledige inning niet toegepast. Het K.B. zegt dus dat men het remgeld moet innen. Indien het RIZIV zou vaststellen dat aan de klanten een bedrag wordt terugbetaald dat in een bepaalde verhouding staat tot de remgelden die zij hebben betaald, dan pleegt men inbreuk op het besluit dat van kracht zal worden op 1 april'. Op 7 mei 2002 antwoordt de minister als volgt (zie stuk nr. 9, dossier eisers), op vragen waarbij zeer concreet was gewezen op de brief (van eisers) van maart 2002 : '(...) Ik heb gezegd dat de inning van het remgeld verplicht is. Ik heb herhaald dat we geen ristorno's kunnen verbieden maar wel de inning van het remgeld kunnen verplicht maken. De inhoud van de brief waarnaar verwezen werd is strijdig met de verplichte inning van het remgeld. De betrokken organisatie weet dat. Deze zaak is duidelijk. Als iemand van oordeel is dat er ergens praktijken gebeuren die strijdig zijn met bepalingen die in wetten of koninklijke besluiten zijn vastgelegd moet dit gemeld worden aan de dienst voor administratieve controle van het RIZIV die een onderzoek zal instellen en, in voorkomend geval, zal optreden op basis van artikel 156 van de wet (...)'. De minister is duidelijk waar het gaat over de ristorno's ; hij poneert expliciet dat er geen verbod kan zijn op ristorno's. Uit zijn uitleg die van de premissen uit naar de conclusie toe niet sluitend, minstens niet zeer duidelijk, voorkomt, zou kunnen verondersteld worden dat de minister zich verzet tegen ristorno's die in een bepaalde verhouding staan tot de remgelden die de coöperanten hebben betaald. In het K.B. van 29 maart 2002 is er evenwel geen sprake van ristorno's, laat staan van ristorno's die op enige wijze in verhouding zouden staan tot de door de coöperanten betaalde remgelden. Integendeel, de minister bevestigt op algemene wijze precies dat hij ristorno's niet kan verbieden. Ook dit sluit aan bij wat hierboven is geconcludeerd dat ristorno's zoals (verweerster) voorneemt te zullen uitvoeren wel degelijk niet verboden zijn, ook op de vergoedbare farmaceutische verstrekkingen. Of de ristorno's geheel dan wel gedeeltelijk verbonden zijn aan de hoogte van de betaalde remgelden, is irrelevant. Ristorno's zijn immers nog steeds mogelijk, op welke wijze dan ook zij berekend worden. d. Aldus kan ook goed begrepen worden wat de heer E. L., Eerste Auditeur bij de Raad van State, in zijn Verslag dd. 5 augustus 2002 n.a.v. het schorsingsverzoek van (verweerster) op blz. 12 (eerste alinea) neerschrijft ; 'Prima facie lijkt men te mogen aannemen dat het ingevolge de bestreden bepaling niet volledig uitgesloten is dat nog ristorno's aan de leden van de coöperatieve worden toegekend. Zo bezien valt de basispremisse waarop het nadeel is gesteund dan weg' (zie desbetreffend ongenummerd stuk, dossier 'aanvullende stukken beroepsprocedure' van verweerster). Hierbij laat de Eerste Auditeur kennen dat 'prima facie' art. 2 van het K.B. van 29 maart 2002 niet die strekking heeft zoals het door (verweerster) voor de Raad van State wordt aangevochten en zoals (de eisers) te dezen voorhouden. III. A. In het door (eisers) gelaakte schrijven van maart 2002 dat (verweerster) richt aan het 'geacht medelid' geeft (verweerster) aan dat een uitbetaling van 10 pct. ristorno op de remgelden niet langer houdbaar is en dit door de besparingsmaatregelen van de minister van Sociale Zaken. Verder : 'Vandaar dat de raad van bestuur zich verplicht heeft gezien het coöperatief ristorno voor het jaar 2002 als volgt te bepalen :
- Over het door U betaalde remgeld (persoonlijke tussenkomst op geneesmiddelen op voorschrift waarvoor de ziekteverzekering een belangrijk deel ten laste neemt) zal voortaan een ristorno van 5 pct. worden toegekend.
- Voor de geneesmiddelen (al dan niet op medisch voorschrift) waarvoor de ziekteverzekering niet tussenkomt en voor alle andere in de Coopapotheken verkochte producten, blijft het ristorno van 10 pct. behouden' (zie stuk nr. 5, dossier (verweerster)). Uit wat voorafgaat (hoofdstuk II, supra) volgt dat deze brief als wettelijk dient te worden aangezien. B.a. Het voormelde rondschrijven is niet misleidend en bijgevolg niet strijdig met art. 23, 1°, 30 (lees : 3°) en 4° van de W.H.P.C. Immers (verweerster) is gerechtigd aan haar leden op het einde van het jaar een ristorno te verschaffen op de remgelden zoals hierboven omschreven. Er is dan ook geen 'gebruik' van 'onwettige praktijken, met name het niet respecteren van de verplichte inning van het remgeld om zichzelf en haar apothekers een concurrentieel voordeel te verschaffen'". Grieven Artikel 2 van het K.B. van 29 maart 2002 tot toepassing van artikel 37, ,§17 en artikel 165, laatste lid, van de wet gecoördineerd op 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen luidt als volgt : "Het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden in de kosten van de vergoedbare farmaceutische verstrekkingen die worden afgeleverd in een voor het publiek toegankelijk officina, in een ziekenhuisapotheek aan ambulante rechthebbenden of door geneesheren die een vergunning hebben om een geneesmiddelendepot te houden, worden in alle gevallen verplicht geïnd". Aan de vereiste van de verplichte inning vereiste die tevens geformuleerd wordt in artikel 37, ,§17, van de hierboven vermelde gecoördineerde wet van 14 juli 1994 is niet voldaan wanneer na de inning van het persoonlijk aandeel een ristorno aan de rechthebbende wordt toegekend berekend op het bedrag van dit persoonlijk aandeel. Dergelijke ristorno, berekend op het bedrag van het persoonlijk aandeel, is derhalve onwettig. In strijd met wat het bestreden arrest beslist, is verweerster derhalve niet gerechtigd om aan haar leden op het einde van het jaar een ristorno voor het jaar 2002 toe te kennen van 5 pct. op het door haar leden betaalde remgeld. Het schrijven van verweerster van maart 2002 aan haar leden "apothekers" waarin gemeld wordt dat het ristorno voor het jaar 2002 bepaald wordt op 5 % van het door de leden (= rechthebbenden) betaalde remgeld is derhalve een misleidende reclame m.b.t. de voorwaarden waaronder vergoedbare farmaceutische verstrekkingen kunnen worden verkregen en dit schrijven is derhalve, in strijd met wat het bestreden arrest met schending van het vermelde artikel 2 van het K.B. van 29 maart 2002 beslist, wel misleidend en in strijd met artikel 23, 1°, 3° en 4°, van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de concurrent (art. 23, 1°, zoals gewijzigd bij wet van 25 mei 1999) en maakte een onwettige praktijk uit om zichzelf en haar leden apothekers een concurrentieel voordeel te verschaffen. Het bestreden arrest houdt derhalve een schending in van de wettelijke bepalingen aangehaald in het middel. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 maart 2002 tot toepassing van artikel 37, ,§17, en artikel 165, laatste lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, bepaalt dat het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden in de kosten van vergoedbare farmaceutische verstrekkingen die worden afgeleverd in een voor het publiek toegankelijke officina, in een ziekenhuisapotheek aan ambulante rechthebbenden of door geneesheren die een vergunning hebben om een geneesmiddelendepot te houden, in alle gevallen verplicht wordt geïnd ; Overwegende dat deze bepaling de inning van het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden in de kosten van de bedoelde farmaceutische verstrekkingen verplicht stelt ; dat zij tot doel heeft de patiënt bewust te maken van de prijs van geneesmiddelen maar strekt er niet toe de mededinging tussen apothekers te verhinderen ; Dat deze bepaling niet verbiedt dat, na de inning van het persoonlijk aandeel, een coöperatief ristorno, berekend op het persoonlijk aandeel, aan de rechthebbende op een later tijdstip wordt toegekend in zoverre het jaarresultaat dit toelaat ; Dat het middel, in zoverre het uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht ; Overwegende dat het middel, in zoverre het schending aanvoert van de wet van 14 juli 1991, afgeleid is uit de vergeefs aangevoerde schending van het koninklijk besluit van 29 maart 2002 en in zoverre niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van zeshonderd zesenveertig euro negenenveertig cent jegens de eisende partijen en op de som van tweehonderd vierentachtig euro negenentachtig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van zes mei tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040506.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.825 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div