← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040506.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040506.8 Rolnummer: D.03.0020.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2004-12-07 Raadplegingen: 169 - laatst gezien 2026-07-03 16:10 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artt. 17, ,§ 1, vierde lid, en 31, eerste lid, Architectenwet worden geschonden door de raad van beroep die de aanvraag tot inschrijving op de lijst van stagiairs afwijst, zonder dat uit de beslissing of enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de beslissing met twee derde meerderheid is genomen

(1).
(1)Het kan niet de bedoeling geweest zijn dat de definitieve afwijzing van de aanvraag tot inschrijving gemakkelijker zou kunnen beslist worden dan de afwijzing door de provinciale raad. Zie ook art. 32, tweede lid, K.B. van 6 febr. 1970, en 35, tweede lid, K.B. van 29 mei 1970 tot regeling van de organisatie en de werking van de raden van de Orde der geneesheren, resp. apothekers, die in dezelfde tijdsgeest tot stand zijn gekomen. Thesaurus CAS: ARCHITECT (TUCHT EN BESCHERMING VAN DE TITEL) Vrije woorden: ARCHITECT (TUCHT EN BESCHERMING VAN DE TITEL) Orde van architecten Lijst van stagiairs Inschrijving Procedure Raad van beroep Beslissing Weigering Vereiste meerderheid Tekst van de beslissing Nr. D.03.0020.N C.H., eiser, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ORDE VAN ARCHITECTEN, publiekrechtelijke rechtspersoon, optredend door haar Nationale Raad, die wordt vertegenwoordigd door zijn voorzitter, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Livornostraat 160, bus 2, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing, op 17 september 2003 gewezen door de raad van beroep van de Orde van architecten, met het Nederlands als voertaal. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. 1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 8, eerste lid, 17, ,§1, vierde lid, 31, eerste lid, en 46, eerste lid, van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten. Aangevochten beslissingen De raad van beroep van de Orde van architecten verklaart bij beslissing van 17 september 2003, recht sprekend over de beslissing van de raad van de Orde van architecten van de provincie West-Vlaanderen van 6 februari 2003, de hogere beroepen van eiser en van de nationale raad van de Orde van architecten ontvankelijk, dat van eiser ongegrond, dat van de nationale raad van de Orde van architecten gegrond, zonder vast te stellen dat die beslissing met twee derde meerderheid is genomen. Grieven Krachtens artikel 8, eerste lid, van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten, moet wie wenst het beroep van architect uit te oefenen, vooraf de inschrijving op de tabel van de Orde of op de lijst van de stagiairs vragen aan de bevoegde raad van de Orde wanneer hij het beroep van architect wenst uit te oefenen en de zetel van de activiteit in België wenst te vestigen. Artikel 46, eerste lid, van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten bepaalt dat, behoudens andersluidende bepaling van deze wet, de beslissingen van de organen van de Orde worden genomen bij meerderheid van stemmen van de aanwezige leden. De aanvragen tot inschrijving op de tabel en op de lijst van de stagiairs worden aan de bevoegde raad gezonden, die daarover uitspraak doet binnen dertig dagen, zo bepaalt artikel 17, ,§1, tweede lid, van dezelfde wet. Krachtens artikel 17, ,§1, vierde lid, van die wet kan een definitieve beslissing dienaangaande slechts genomen worden met een twee derde meerderheid. De raad van beroep doet overeenkomstig artikel 31 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten uitspraak over de beroepen ingesteld tegen de beslissingen die de raden van de Orde van architecten op grond van artikel 17 van diezelfde wet hebben uitgesproken. Aangezien krachtens artikel 17, ,§1, vierde lid, van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten een definitieve beslissing met betrekking tot de aanvraag tot inschrijving bedoeld in artikel 8, eerste lid, van die wet slechts kan genomen worden met een twee derde meerderheid en artikel 17 ook geldt voor de raad van beroep wanneer die uitspraak doet over een beslissing van de raad op grond van artikel 17, dit krachtens artikel 31, eerste lid, van die wet, kan de raad van beroep van de Orde van architecten die beslissing enkel wettig nemen met een twee derde meerderheid. Dat die beslissing genomen wordt met een twee derde meerderheid is een substantiële vormvereiste, waarvan melding moet worden gemaakt in de beslissing zelf, aangezien de naleving ervan op geen enkele andere manier blijkt uit de beslissing, noch uit een ander stuk. Hieruit volgt dat de raad van beroep van de Orde van architecten niet wettig het beroep van eiser ongegrond, dat van de nationale raad van de Orde van architecten gegrond kan verklaren en de bestreden beslissing bevestigen eiser niet op te nemen op de lijst van de stagiairs van de provincie West-Vlaanderen zonder dat wordt vastgesteld dat zijn beslissing werd genomen met een meerderheid van twee derde van de stemmen (schending van de artikelen 8, eerste lid, 17, ,§1, vierde lid, 31, eerste lid, en 46, eerste lid, van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten). 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet ; &§9472; de artikelen 1, ,§1, en 12,
  1. a)en b), van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect ; &§9472; artikel 1 van de wet van 21 mei 1929 op het toekennen der academische graden en het programma der universitaire examens ; &§9472; artikel 1 van de wet van 31 december 1949 betreffende de wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, gecoördineerd bij het besluit van de regent van 31 december 1949 ; &§9472; de artikelen 4, 5 en 46, vijfde lid, van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten ; &§9472; artikel 2 van het Stagereglement, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 13 mei 1965 tot goedkeuring van het door de nationale raad van de Orde der architecten vastgesteld stagereglement, waaraan aldus bindende kracht is verleend met toepassing van artikel 39, eerste lid, van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten. Aangevochten beslissingen In de besteden beslissing van 17 september 2003 van de raad van beroep van de Orde van architecten, recht sprekend in beroep over de beslissing van de raad van de Orde van architecten van de provincie West-Vlaanderen van 6 februari 2003, wordt het beroep van eiser tegen de weigering van zijn inschrijving op de lijst van de stagiairs ongegrond verklaard, het beroep van de nationale raad van de Orde van architecten gegrond op grond van de volgende motieven : "Het feit ingenieur te zijn volstaat niet om overeenkomstig art. 12, a en b, van de Wet van 20 feb. 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect de hoedanigheid van architect te verwerven. Met de term ingenieur zijn in genoemde wetsbepaling die ingenieurs bedoeld die een academische opleiding hebben genoten in de bouwkunde, zijnde in beginsel enkel de ingenieurs-bouwkunde en de ingenieurs-mijnbouw. Zoals vermeld behoort het universitair diploma waarmee (eiser) ingenieur werd niet tot het domein van de bouwkunde. Ook het diploma van Bachelor of Science dat (eiser) behaalde aan de universiteit van Glasgow volstaat niet, noch zelfstandig noch als aanvullende opleiding, om aan de wettelijke voorwaarden te voldoen om als architect erkend te worden. In de bestreden beslissing heeft de provinciale raad terecht benadrukt dat de academische opleiding die (eiser) genoten heeft onvoldoende aansluit bij het beroep van architect om tot de stage toegelaten te worden. De toelating tot de stage veronderstelt immers een vooropleiding die gericht is op het beroep van architect en de stage vermag op zich niet deze vooropleiding te vervangen. Voor het overige bewijst (eiser) niet te voldoen aan de bepalingen van de Richtlijn van de EU dd. 10 juni 1985 om de hoedanigheid van architect te verwerven of te vallen onder de overgangsbepalingen. Het hoger beroep van (eiser) is ongegrond. Bevestigt de bestreden beslissing". (tweede blad van de beslissing). Grieven 2.1. Eerste onderdeel De motiveringsverplichting opgelegd door artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet geldt voor elk met eigenlijke rechtspraak belast orgaan en wordt beschouwd als een algemeen rechtsbeginsel. Ook artikel 46, vijfde lid, van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten eist dat de met toepassing van artikel 17 van die wet genomen beslissingen van de raden van de Orde en van de raden van beroep van de Orde met redenen worden omkleed. Aldus moeten die beslissingen verantwoorden dat geen willekeur in gehanteerd bij het toepassen van de regels waarop de uitoefening van het beroep gegrond moet zijn. Zowel in de akte waarmee eiser beroep heeft aangetekend tegen de beslissing van de raad van de orde van 13 maart 2003, als in de "nota", zijnde een conclusie, die op 4 juni 2003 voor de raad van beroep van de Orde van architecten is neergelegd door de raadsman van eiser, voerde eiser aan : "Alhoewel dergelijke aanvraag van een burgerlijk werktuigkundig-electrotechnisch ingenieur zelden voorvalt, zijn er in het verleden soortgelijke gevallen reeds positief geadviseerd. Slechts enkele voorbeelden van academische ingenieurs, ingeschreven op de lijst van architecten : - de heer J.D.S. uit Kasterlee, afgestudeerd als landbouw ingenieur aan de RUG in 1952. - de heer W.S. uit Oostende, afgestudeerd als burgerlijk electrotechnisch ingenieur aan de RUG in 1955. - de heer P.D. uit Rollegem, afgestudeerd als burgerlijk werktuigkundig-electrotechnisch ingenieur aan de RUG in 1959. - de heer R.L. uit Hansbeke, afgestudeerd als landbouw ingenieur aan de RUG in 1974. - de heer P.D.M. uit Lochristi, afgestudeerd als landbouw ingenieur aan de RUG in 1986. - de heer E.W. uit Mechelen, afgestudeerd als landbouw ingenieur aan de KUL in 1988 (ingeschreven op de lijst provincie Vlaams-Brabant als stagiair-architect in 1991, als architect in 1993)".. (zie bladzijde 2 van de akte houdende beroep tegen de beslissing van de raad van 13 maart 2003 ; zie ook dezelfde precedenten op bladzijde 6 van de "nota inzake beroep tegen een beslissing van de raad van de Orde van Architecten", neergelegd op de zitting van de raad van beroep van de Orde van architecten van 4 juni 2003). Eiser voerde dus aan dat in het verleden ook al houders van andere graden van burgerlijk ingenieur dan de graad van burgerlijk ingenieur bouwkunde werden toegelaten tot het beroep van architect, waaronder houders van de graad van burgerlijk werktuigkundig-electrotechnisch ingenieur. De raad van beroep van de Orde van architecten laat na daarop te antwoorden en verduidelijkt niet waarom diezelfde graad, die eiser heeft, te zijnen aanzien niet aanvaard wordt om toegang te krijgen tot het beroep van architect. De raad van beroep van de Orde van architecten kan dus niet wettig beslissen dat in beginsel enkel de ingenieurs bouwkunde en de ingenieurs mijnbouw bedoeld worden in artikel 12,
  2. a)en b), van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect en dat het universitaire diploma waarmee eiser ingenieur werd, niet tot het domein van de bouwkunde behoort en op die grond de bestreden beslissing van de raad van de orde bevestigen eiser niet op te nemen op de lijst van de stagiairs, zonder te antwoorden op het middel door eiser aangevoerd dat in het verleden houders van andere graden dan die van burgerlijk ingenieur wel toegelaten werden tot het beroep van architect (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet en van artikel 46, vijfde lid, van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten). 2.2. Tweede onderdeel Krachtens de artikelen 4 en 5 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een orde van architecten mag niemand op een tabel van de Orde of op de lijst van de stagiairs worden ingeschreven als hij niet voldoet aan de voorwaarden van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, en mag niemand in België het beroep van architect uitoefenen als hij niet op een van de tabellen van de Orde of op een lijst van de stagiairs is ingeschreven. Elke persoon die niet op een tabel van de Orde is ingeschreven en die het beroep van architect in België wenst uit te oefenen, moet zich laten inschrijven op een lijst van de stagiairs krachtens artikel 2 van het Stagereglement, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 13 mei 1965 tot goedkeuring van het door de nationale raad van de Orde der architecten vastgesteld stagereglement, waaraan aldus bindende kracht is verleend met toepassing van artikel 39, eerste lid, van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten. De wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect regelt de voorwaarden waaronder Belgen en onderdanen van de overige lidstaten van de Europese Gemeenschap of van een andere staat die partij is bij het akkoord betreffende de Europese Economische Ruimte de titel van architect mogen voeren en het beroep ervan mogen uitoefenen. Krachtens artikel 1, ,§1, van die wet mag niemand de titel voeren van architect, noch het beroep ervan uitoefenen indien hij niet in het bezit is van een diploma waaruit blijkt dat hij met goed gevolg de examenproeven heeft afgelegd welke vereist zijn voor het bekomen van dat diploma. Artikel 12 van genoemde wet luidt : "Mogen optreden in hoedanigheid van architect, doch blijven onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 5, 6 en 9 van deze wet :
  3. a)De ingenieurs die gediplomeerd werden overeenkomstig de wetten op het toekennen der academische graden ;
  4. b)De ingenieurs, die hun diploma bekomen hebben aan de Belgische universiteit, zoals zij bepaald werd bij bedoelde wetten, of in een daarmee gelijkgestelde instelling ;
  5. c)De officieren der genie of der artillerie die uit de applicatieschool komen ;
  6. d)De personen, die door de commissie ingesteld krachtens de wet van 11 september 1933, ertoe worden gemachtigd een titel van burgerlijk ingenieur met of zonder aanduiding te voeren". Op het ogenblik van het inwerking treden van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect bestonden verschillende graden van burgerlijk ingenieur. Artikel 1 van de wet van 21 mei 1929 op het toekennen der academische graden en het programma der universitaire examens vermeldt inderdaad de volgende graden van burgerlijk ingenieur : - burgerlijk mijningenieur, - burgerlijk bouwkundig ingenieur, - burgerlijk metaalkundig ingenieur, - burgerlijk scheikundig ingenieur, - burgerlijk elektrotechnisch ingenieur, - burgerlijk werktuigkundig ingenieur, - burgerlijk scheepbouwkundig ingenieur, - burgerlijk ingenieur-architect, - burgerlijk ingenieur der textielnijverheid. Krachtens artikel 1 van de wet van 31 december 1949 betreffende de wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, zijn daarbij nog de graden van landbouwkundig ingenieur en ingenieur voor de scheikunde en de landbouwindustrieën gekomen. Artikel 12 van de wet van 20 februari 1939 is duidelijk en behoeft geen interpretatie. In heel die wet is er geen enkele precisering van de vereiste titel van ingenieur, noch van specifiek vereiste kennis of bekwaamheden. Ook het
  7. d)van dat artikel 12 spreekt enkel van "een" titel van burgerlijk ingenieur met of zonder aanduiding. Wanneer artikel 12 van de wet van 20 februari 1939 onverkort bepaalt dat de ingenieurs die gediplomeerd werden overeenkomstig de wetten op het toekennen der academische graden, mogen optreden in hoedanigheid van architect, dan doelt die term "ingenieurs" op alle ingenieurs die overeenkomstig de wetten op het toekennen der academische graden werden gediplomeerd. Bijgevolg zijn alle ingenieurs die gediplomeerd zijn overeenkomstig de wetten op het toekennen der academische graden, gerechtigd op toegang tot het beroep van architect, en niet enkel die ingenieurs die een academische opleiding in de bouwkunde hebben genoten. Conclusie De raad van beroep van de Orde van architecten kan niet wettig beslissen dat de term ingenieurs in artikel 12,
  8. a)en b), van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect enkel die ingenieurs bedoelt die een academische opleiding genoten hebben in de bouwkunde, zijnde in beginsel enkel de ingenieurs-bouwkunde en de ingenieurs-mijnbouw en op die grond het beroep van eiser ongegrond, dat de nationale raad van de Orde van architecten gegrond verklaren en de bestreden beslissing bevestigen eiser niet op te nemen op de lijst van de stagiairs (schending van artikel 1, ,§1, en artikel 12,
  9. a)en b), van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect ; van artikel 1 van de wet van 21 mei 1929 op het toekennen der academische graden en het programma der universitaire examens ; van artikel 1 van de wet van 31 december 1949 betreffende de wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, gecoördineerd bij het besluit van de regent van 31 december 1949 ; van de artikelen 4 en 5 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten ; van artikel 2 van het Stagereglement, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 13 mei 1965 tot goedkeuring van het door de nationale raad van de Orde der architecten vastgesteld stagereglement). IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Overwegende dat, krachtens artikel 46, eerste lid, van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten, de beslissingen van de organen van de Orde bij meerderheid van de aanwezige leden worden genomen, behoudens andersluidende bepaling in de wet ; Dat, krachtens artikel 17, ,§1, vierde lid, van dezelfde wet, wanneer de raad van de Orde van oordeel is een afwijkende beslissing betreffende de inschrijving op de lijst van de stagiairs te moeten nemen, hij de belanghebbende hiervan op de hoogte brengt bij aangetekende brief en een definitieve beslissing slechts kan genomen worden met een twee derde meerderheid ; Dat, krachtens artikel 31, eerste lid van dezelfde wet, de raden van beroep uitspraak doen over de beroepen ingesteld tegen de beslissingen die de raden van de Orde op grond van de artikelen 17, 20 en 61 hebben uitgesproken ; Dat uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat wanneer de raad van beroep uitspraak doet over de afwijzende beslissing van de raad van de Orde tot inschrijving op de lijst van de stagiairs, die beslissing van de raad van beroep een twee derde meerderheid vereist ; Overwegende dat de bestreden beslissing de aanvraag van eiser tot inschrijving op de lijst van de stagiairs van de architecten van de provincie West-Vlaanderen afwijst, zonder dat uit de beslissing of enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de beslissing met een twee derde meerderheid werd genomen ; Dat de beslissing aldus de in het middel aangewezen wettelijke bepalingen schendt ; Dat het middel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt de bestreden beslissing ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing ; Veroordeelt verweerster in de kosten ; Verwijst de zaak naar de raad van beroep van de Orde van architecten met het Nederlands als voertaal, anders samengesteld. De kosten begroot op de som van vijfhonderd zesenzestig euro drieënnegentig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd vijfenveertig euro eenenveertig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van zes mei tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040506.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.