id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040511.29 Rolnummer: P.04.0327.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2004-12-07 Raadplegingen: 146 - laatst gezien 2026-07-03 16:07 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 125 Tarief Strafzaken heeft niets uitstaande met het gebruik van een stuk uit een strafdossier door het openbaar ministerie of de politie. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Vrije woorden: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Aanwending door het openbaar ministerie of de politie van een proces-verbaal uit een ander strafdossier Artikel 125 Tarief Strafzaken Toepasselijkheid Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Allerlei Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Allerlei Proces-verbaal Aanwending door het openbaar ministerie of de politie van een proces-verbaal uit een ander strafdossier Artikel 125 Tarief Strafzaken Toepasselijkheid Tekst van de beslissing Nr. P.04.0327.N K. S., eiser, inverdenkinggestelde en beklaagde, met als raadsman Mr. Jan Kerkhofs, advocaat bij de balie te Gent. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht, tegen: - het arrest, op 10 juli 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling; - het arrest, op 21 januari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in twee memories telkens een middel voor, een betreffende het arrest van 10 juli 2001, het andere betreffende het arrest van 21 januari
- Deze memories zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van het middel tegen het arrest van 10 juli 2001 Overwegende dat het arrest eisers hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 10 april 2001 die hem naar de correctionele rechtbank verwijst, ontvankelijk maar ongegrond verklaart, vaststelt dat de van nietigheid verdachte verwijzingsbeschikking regelmatig is gewezen, zegt dat er geen redenen zijn voor toepassing van artikel 235 Wetboek van Strafvordering en zegt dat er geen onregelmatigheid, nietigheid, grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering werd vastgesteld; Overwegende dat eiser aanvoert dat het arrest de rechtspleging niet vermocht te regelen daar hij op 9 april 2001, dit is daags vóór de beschikking van de raadkamer, ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen regelmatig een aan de onderzoeksrechter gericht verzoekschrift tot opheffing van een onderzoekshandeling met betrekking tot zijn goederen, als bedoeld in artikel 61quater Wetboek van Strafvordering, heeft neergelegd; Overwegende dat eiser vraagt dat "desgevallend" de prejudiciële vraag aan het Arbitragehof wordt gesteld; Overwegende dat daar het arrest van 21 januari 2004 uitspraak doet over de inbeslaggenomen goederen van eiser, het middel geen belang meer vertoont en derhalve niet ontvankelijk is; Overwegende dat er dan ook geen reden is om de door eiser opgeworpen prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen; B. Onderzoek van het middel tegen het arrest van 21 januari 2004
- Eerste onderdeel Overwegende dat het bestreden arrest vaststelt: - dat in het aanvankelijke proces-verbaal van huidige zaak verwezen wordt naar inlichtingen vervat in een proces-verbaal van een andere zaak en waarvan een kopie aan dat aanvankelijke proces-verbaal is gevoegd; - dat het andere proces-verbaal het verhoor van een persoon betreft die na dit verhoor op bevel van de procureur des Konings gearresteerd werd; - dat krachtens de artikelen 28bis en 28ter Wetboek van Strafvordering het wettelijk toegelaten is dat een politiedienst autonoom overgaat tot het verrichten van vaststellingen; - dat uit deze elementen naar eis van recht kan worden afgeleid dat inlichtingen vermeld in het proces-verbaal van de andere zaak niet onregelmatig verkregen werden zodat zeker niets verantwoordt dat het gehele dossier van het gerechtelijk onderzoek in de andere zaak, wordt voorgelegd; Overwegende dat de appèlrechters op deze gronden wettig mochten oordelen, zonder eisers recht van verdediging te miskennen, dat de inlichtingen van de andere zaak regelmatig verkregen werden en dat de overlegging van het dossier van het gerechtelijk onderzoek dat op het andere proces-verbaal is gevolgd, niet nodig is om tot hun overtuiging te komen; Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen; Overwegende dat eiser ondergeschikt vordert dat de volgende prejudiciële vragen aan het Arbitragehof worden gesteld: - "of artikel 12 alleenstaand dan wel in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM en het recht van verdedigingwordt geschonden doordat eiser niet zou worden toegelaten de regelmatigheid te controleren en aan te vechten van de strafvordering van een vreemd gerechtelijk onderzoek waaruit slechts één proces-verbaal à charge wordt geplukt en gebruikt en waarbij de totstandkoming en regelmatigheid van de totstandkoming van dat ene proces-verbaal niet mag worden gecontroleerd aan de hand van alle stukken van dat vreemde gerechtelijk onderzoek"; - "of artikel 10 en 11 Grondwet wordt geschonden doordat de personen die worden vervolgd in dat vreemde gerechtelijk onderzoek en die evenzo worden geconfronteerd (à charge) met een verklaring in dat ene proces-verbaal, wel de mogelijkheid hebben om de ontvankelijkheid van de strafvordering van dat gerechtelijk onderzoek te controleren en aan te vechten met gebruikmaking van alle stukken van dat gerechtelijk onderzoek"; Overwegende dat de opgeworpen prejudiciële vragen niet aangeven welke in artikel 26, ,§ 1, Wet Arbitragehof vermelde wet, decreet of regel ze bedoelen; dat derhalve het middel in zoverre dat stoelt op de opgeworpen prejudiciële vragen niet ontvankelijk is, zodat krachtens artikel 26, ,§ 2, 1°, Wet Arbitragehof het Hof niet gehouden is deze vragen te stellen;
- Tweede onderdeel Overwegende dat artikel 125 Tarief Strafzaken niets uitstaande heeft met het gebruik van een stuk uit een strafdossier door het openbaar ministerie of de politie; Dat het onderdeel faalt naar recht; C. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van honderd zesenveertig euro vijfenvijftig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van elf mei tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040511.29 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div