id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040511.30 Rolnummer: P.04.0247.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2005-11-07 Raadplegingen: 618 - laatst gezien 2026-07-05 02:35 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het onderzoeksgerecht dat, bij de regeling van de rechtspleging van het voltooide gerechtelijk onderzoek, over het in conclusie aangevoerde middel van verval van de strafvordering door verjaring moet oordelen, kan zich niet vergenoegen met een prima facie onderzoek van die verjaring; het moet, op grond van de precieze feiten waarvan het oordeelt dat daaromtrent tegen de verdachte voldoende bezwaren bestaan, onderzoeken of deze feiten, mocht de vonnisrechter deze bewezen achten, al dan niet verjaard zijn. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Regeling van de rechtspleging Conclusie Middel waarbij de verjaring van de strafvordering wordt aangevoerd Opdracht van het onderzoeksgerecht Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Algemeen Vrije woorden: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Algemeen Onderzoeksgerechten Regeling van de rechtspleging Conclusie Middel waarbij de verjaring van de strafvordering wordt aangevoerd Opdracht van het onderzoeksgerecht Tekst van de beslissing Nr. P.04.0247.N I C. H., eiser, inverdenkinggestelde, met als raadslieden Mr. L.J. Martens, advocaat bij de balie te Gent en Mr. V. Dauginet, advocaat bij de balie te Antwerpen. II C. R., eiseres, inverdenkinggestelde. III G. P., eiser, inverdenkinggestelde, met als raadslieden Mr. Philip Traest, advocaat bij de balie te Brussel bij wie eiser woonstkeuze doet, en Mr. Antoon Lust, Mr. Antoon Lust advocaat bij de balie te Brugge en Mr. Martine De Roeck, advocaat bij de balie te Antwerpen, ter terechtzitting bijgestaan door Mr. Philip Traest, advocaat bij de balie te Brussel, allen tegen
- CREYF'S INTERIM, naamloze vennootschap,
- DEM ASS., naamloze vennootschap, verweerders, burgerlijk partijen, met als raadslieden Mr. Chris Van Olmen en Mr. Johan Scheurs, advocaten bij de balie te Brussel, ter terechtzitting bijgestaan door Mr. Loubkine, advocaat bij de balie te Brussel. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 6 januari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eisers sub I en III stellen elk in een memorie een middel voor. Die memories zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. De eiseres sub II stelt geen middel voor. IV. Beslissing van het Hof A. Afstand van het cassatieberoep van de eiser sub I Overwegende dat eiser afstand zonder berusting doet van zijn cassatieberoep "behoudens in zoverre de kamer van inbeschuldigingstelling in het bestreden arrest oordeelt bij toepassing van de artikelen 135 en 235bis van het Wetboek van Strafvordering, nu het bestreden arrest voor het overige geen voor onmiddellijk cassatieberoep vatbare beslissing in de zin van artikel 416 van het Wetboek van Strafvordering inhoudt en het cassatieberoep, behoudens in zoverre werd gestatueerd overeenkomstig de voormelde artikelen 135 en 235bis, dienvolgens voorbarig is"; B. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen van de eisers sub II en III Overwegende dat de cassatieberoepen van de eisers onder meer de beschikkingen van het bestreden arrest betreffen die hun hogere beroepen aangaande de gebrekkige motivering van de verwijzingsbeschikking van de raadkamer, de verstreken redelijke termijn, de onvoldoende schuldaanwijzingen en/of de onvolledigheid van het onderzoek, niet ontvankelijk verklaren omdat deze betwistingen, strijdig met de eis van artikel 135, ,§ 2, Wetboek van Strafvordering, geen verzuim of onregelmatigheid in de zin van artikel 131, ,§ 1, Wetboek van Strafvordering of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking opleveren; Dat de cassatieberoepen in zoverre gericht zijn tegen een voorbereidend arrest dat geen arrest inzake bevoegdheid of een arrest met toepassing van artikel 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering is; dat ze dan ook bij toepassing van artikel 416 Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk zijn; C. Onderzoek van het middel van de eisers sub I en III
- Eerste onderdeel Overwegende dat het bestreden arrest de hogere beroepen van de eisers tegen de beschikking van de raadkamer die hen naar de correctionele rechtbank verwijst, ontvankelijk verklaart in zoverre zij, overeenkomstig de eis van artikel 135, ,§ 2, Wetboek van Strafvordering, voor de raadkamer bij schriftelijke conclusie het verval van de strafvordering door verjaring hebben aangevoerd; dat de eisers bij de kamer van inbeschuldigingstelling opnieuw de verjaring van de strafvordering hebben aangevoerd; Overwegende dat het bestreden arrest het verweer van de verjaring van de strafvordering afwijst op grond van de in het middel aangehaalde overwe-gingen die erop neerkomen: - dat de valsheden in geschrifte en gebruik en de gevallen van misbruik van vertrouwen die de eisers worden ten laste gelegd, "gerelateerde misdrijven" zijn; - dat de kamer van inbeschuldigingstelling vaststelt "bij haar prima facie onderzoek dat het aan de bodemrechter zal behoren, in functie van zijn onderzoek van de bewijzen om te oordelen over de onderlinge samenhang van de ten laste gelegde feiten en de eruit voortvloeiende juridische gevolgen, te meer de (eisers) vervolgd worden als daders"; - dat de uiteindelijke doelstelling van de valsheid prima facie veel ruimer blijkt te zijn dan het zich materieel toe-eigenen van de beoogde voordelen; "Het gebruik van het vervalste stuk kan er onder meer in bestaan dat het de (eisers) in staat moest stellen niet alleen zich een bepaald voordeel te vers-chaffen doch tevens om bij ontdekking van de valsheid en het gebruik, het onmogelijk te maken dat het bekomen voordeel ontnomen en ontdragen kan worden. Als een prima facie onderzoek het onderzoeksgerecht niet toelaat een einddatum te bepalen op grond van aanwijzingen dat er nog gebruik, mogelijk oneigenlijk gebruik is, kan het onderzoeksgerecht niets anders dan verwijzen om de bodemrechter te laten beslissen, als in casu". Overwegende dat het onderzoeksgerecht dat bij de regeling van de rechtspleging van het voltooide gerechtelijk onderzoek over het in conclusie aangevoerde middel van verval van de strafvordering door verjaring moet oordelen, zich niet kan vergenoegen met een prima facie onderzoek van die verjaring; Dat het op grond van de precieze feiten waarvan het oordeelt dat daaromtrent tegen de verdachten voldoende bezwaren bestaan, moet onderzoeken of deze feiten, mocht de vonnisrechter deze bewezen achten, al dan niet verjaard zijn; Dat het onderdeel gegrond is;
- Tweede onderdeel Overwegende dat het tweede onderdeel dat niet tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing kan leiden, geen antwoord behoeft; D. Ambtshalve middel wat de eiseres sub II betreft Geschonden wettelijke bepaling -artikelen 135, ,§ 2, en 235bis Wetboek van Strafvordering; Overwegende dat de overwegingen in antwoord op de middelen van de eisers sub I en III ook gelden voor de eiseres sub II; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verleent akte van de door eiser sub I gedane afstand; Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de door de eisers sub I, II en III aangevoerde verjaring en het de eisers wegens afwijzing van het door hen ter zake aangevoerde middel naar de correctionele rechtbank verwijst; Verwerpt voor het overige de cassatieberoepen van de eisers sub II en III; Veroordeelt de eisers in de helft van de kosten van hun respectieve cas-satieberoepen en laat de overige kosten ten laste van de Staat; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van vierhonderd zesenzeventig euro zeventig cent, waarvan I. op het cassatieberoep van H. C.: honderd achtenvijftig euro negentig cent verschuldigd, II. op het cassatieberoep van R. C.: honderd achtenvijftig euro negentig cent verschuldigd en III. op het cassatieberoep van P. G.: honderd achtenvijftig euro negentig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, en uitgesproken in open-bare terechtzitting van elf mei tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040511.30 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131210.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050531.3 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050628.18 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061205.6 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110531.16 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111108.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div