id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040511.33 Rolnummer: P.04.0660.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Unierecht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2005-11-07 Raadplegingen: 527 - laatst gezien 2026-07-05 02:06 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Ofschoon het officieel bericht aan de Belgische overheid gegeven door de overheid van het land waar het misdrijf is gepleegd, bedoeld in artikel 7, ,§ 2 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, aan geen vormvoorschrift onderworpen is, dient het wel een kennisgeving aan de Belgische overheid te zijn, opdat deze het aangegeven misdrijf zou kunnen vervolgen of een aan de Belgische overheid gedaan verzoek om vervolging in te stellen
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Europees aanhoudingsbevel Wet van 19 dec. 2003 Tenuitvoerlegging Artikel 4, 4° Weigeringsgrond Bevoegdheid van de Belgische gerechten Artikel 7, ,§ 2 V.T.Sv. Misdrijf in het buitenland gepleegd Misdrijf gepleegd tegen een vreemdeling Voorafgaand officieel bericht Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: STRAFVORDERING Bevoegdheid van de Belgische gerechten Artikel 7, ,§ 2 V.T.Sv. Misdrijf in het buitenland gepleegd Misdrijf gepleegd tegen een vreemdeling Voorafgaand officieel bericht Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid Vrije woorden: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid Misdrijf in het buitenland gepleegd Misdrijf gepleegd tegen een vreemdeling Artikel 7, ,§ 2 V.T.Sv. Voorafgaand officieel bericht Fiche 4 De feitenrechter oordeelt onaantastbaar of er al dan niet een officieel bericht in de zin van artikel 7, ,§ 2 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is; het Hof kan enkel nagaan of de rechter uit de feiten die hij vaststelt, geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Misdrijf in het buitenland gepleegd Misdrijf gepleegd tegen een vreemdeling Artikel 7, ,§ 2 V.T.Sv. Voorafgaand officieel bericht Marginale toetsing door het Hof Grens Fiche 5 Niet naar recht verantwoord is de beslissing waarbij de appèlrechters, die vaststellen dat verweerder niet de Belgische nationaliteit had op het ogenblik van het uitleveringsverzoek, zodat de Belgische gerechten op dat tijdstip niet bevoegd waren, oordelen dat dit uitleveringsverzoek een officieel bericht is in de zin van artikel 7, ,§ 2 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: UITLEVERING Vrije woorden: UITLEVERING Uitleveringsverzoek Misdrijf in het buitenland gepleegd Misdrijf gepleegd tegen een vreemdeling Vereiste van een voorafgaand officieel bericht Dader van vreemde nationaliteit op het ogenblik van het uitleveringsverzoek Onbevoegdheid van de Belgische gerechten Mogelijkheid om het uitleveringsverzoek als officieel bericht in aanmerking te nemen Toepassing Fiches 6 - 10 Concl. adv.-gen. P. Duinslaeger, Cass., 11 mei 2004, AR P.04.0660.N, A.C., 2004, nr ... . Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Europees aanhoudingsbevel Wet van 19 dec. 2003 Tenuitvoerlegging Artikel 4, 4° Weigeringsgrond Bevoegdheid van de Belgische gerechten Artikel 7, ,§ 2 V.T.Sv. Misdrijf in het buitenland gepleegd Misdrijf gepleegd tegen een vreemdeling Voorafgaand officieel bericht Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: STRAFVORDERING Bevoegdheid van de Belgische gerechten Artikel 7, ,§ 2 V.T.Sv. Misdrijf in het buitenland gepleegd Misdrijf gepleegd tegen een vreemdeling Voorafgaand officieel bericht Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid Vrije woorden: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid Misdrijf in het buitenland gepleegd Misdrijf gepleegd tegen een vreemdeling Artikel 7, ,§ 2 V.T.Sv. Voorafgaand officieel bericht Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Misdrijf in het buitenland gepleegd Misdrijf gepleegd tegen een vreemdeling Artikel 7, ,§ 2 V.T.Sv. Voorafgaand officieel bericht Marginale toetsing door het Hof UITLEVERING Uitleveringsverzoek Misdrijf in het buitenland gepleegd Misdrijf gepleegd tegen een vreemdeling Vereiste van een voorafgaand officieel bericht Dader van vreemde nationaliteit op het ogenblik van het uitleveringsverzoek Onbevoegdheid van de Belgische gerechten Mogelijkheid om het uitleveringsverzoek als officieel bericht in aanmerking te nemen Toepassing Nota: P.04.0660.N Advocaat-generaal P. Duinslaeger heeft in substantie gezegd: 1. De verweerders maken het voorwerp uit van een Europees aanhoudingsbevel afgeleverd op 19 januari 2004 door een Spaans onderzoeksrechter wegens "het deel uitmaken van een gewapende bende, in aansluiting met het misdrijf van onwettige vereniging". Deze feiten werden gepleegd tussen december 1991 en januari 1992 en bij deze feiten waren er blijkbaar geen Belgische slachtoffers betrokken.. Eerder werd door diezelfde Spaanse gerechtelijke instantie op 20 mei 1993 voor dezelfde feiten een internationaal aanhoudingsbevel afgeleverd, dat resulteerde in een verzoek tot uitlevering. In 1996 besliste de minister van Justitie de uitlevering toe te staan, maar deze beslissing werd, na een schorsingsprocedure voor de Raad van State uiteindelijk ingetrokken. De verweerders verblijven sinds 24 december 1993 officieel in België en zij hebben in oktober 2001 de Belgische nationaliteit bekomen. 2. De procedure die het voorwerp uitmaakt van de zaak die thans aan het Hof wordt voorgelegd, heeft betrekking op de beslissing tot tenuitvoerlegging van dit Europees aanhoudingsbevel in toepassing van de wet van 19 december 2003
(1). Op 17 maart 2004 wees de onderzoeksrechter te Brussel de vordering van de federale procureur tot tenuitvoerlegging af, wegens het bestaan van de verplichte weigeringsgrond van artikel 4, 4° van deze wet. Deze beschikking werd, op het hoger beroep van de federale procureur, een eerste keer bevestigd bij arrest van 30 maart 2004 van de kamer van inbeschuldigingstelling te Brussel. Dit arrest werd, ingevolge het cassatieberoep van de federale procureur, bij arrest van 13 april 2004 door het Hof vernietigd en de zaak werd verwezen naar de kamer van inbeschuldigingstelling te Brussel, anders samengesteld. Bij arrest van 27 april 2004 werd de beschikking van de onderzoeksrechter tot niet-tenuitvoerlegging andermaal bevestigd door de kamer van inbeschuldigingstelling. Ingevolge een nieuw cassatieberoep van de federale procureur wordt deze zaak thans opnieuw aan het Hof voorgelegd.
- Het artikel 4, 4° van de wet van 19 december 2003 bepaalt dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel wordt geweigerd ingeval de strafvordering of de straf volgens de Belgische wet is verjaard en de Belgische gerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van de feiten. De rechtskwestie die thans door het Hof moet worden beslecht heeft uitsluitend betrekking op de vraag of voldaan is aan de voorwaarde betreffende de bevoegdheid van de Belgische gerechten.
- De algemene principes inzake de territoriale bevoegdheid van de Belgische gerechten zijn terug te vinden in de artikelen 3 en 4 van het Strafwetboek. Artikel 3 van het Strafwetboek bepaalt dat de Belgische gerechten bevoegd zijn voor de vervolgingen van misdrijven gepleegd op het Belgisch grondgebied, terwijl artikel 4 van hetzelfde wetboek, in de gevallen die de wet bepaalt, een beperkte bijkomende bevoegdheid toekent aan de Belgische gerechten voor misdrijven die in het buitenland werden gepleegd. Uit de bewoordingen zelf van artikel 4 van het Strafwetboek blijkt reeds dat wij hier staan voor een uitzonderingsregime, zodat deze gevallen en de voorwaarden waaraan moet voldaan worden van strikte interpretatie zijn en beperkend moeten worden opgevat
(2).
- De verschillende gevallen evenals de voorwaarden waaraan moet worden voldaan opdat de Belgische gerechten bevoegd zouden zijn, kunnen, voor wat de zaak die ons aanbelangt betreft, teruggevonden worden in het Hoofdstuk II van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, getiteld "Strafvordering wegens misdaden of wanbedrijven buiten het grondgebied van het Rijk gepleegd". Zij worden omschreven in de artikelen 6 tot 14 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering. Deze artikelen stellen specifieke eisen met betrekking tot onder meer, hetzij de aard van de misdrijven, hetzij de hoedanigheid van Belg of vreemdeling van de dader (het actief personaliteitsbeginsel), de hoedanigheid van Belg of vreemdeling van het slachtoffer (het passief personaliteitsbeginsel), de omstandigheden waarin de misdrijven gepleegd werden, met name in vredestijd of in oorlogstijd, de vereiste van dubbele incriminatie, naast eventuele andere voorwaarden die, onder meer, betrekking hebben op de vereiste van het bestaan van een voorafgaande klacht of een voorafgaand officieel bericht of op de vereiste dat de verdachte in België wordt gevonden.
- In het geval dat ons thans interesseert wordt de uitzonderlijke bevoegdheid van de Belgische gerechten, gelet op de aard van het in het buitenland gepleegde misdrijf, geregeld door artikel 7 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 7, ,§ 1 bepaalt dat iedere Belg, en sinds de wijziging van dit artikel bij wet van 5 augustus 2003
(3), ook iedere persoon met hoofdverblijfplaats in het Rijk, die zich buiten het grondgebied van het Rijk schuldig maakt aan een feit dat door de Belgische wet misdaad of wanbedrijf wordt genoemd, in België kan worden vervolgd, indien op het feit een straf is gesteld door de wet van het land waar dat feit is gepleegd. Het betreft hier de vereiste van dubbele incriminatie. Aan deze vereiste lijkt te zijn voldaan, aangezien de feiten, die in Spanje strafbaar zijn gesteld, in België onder toepassing vallen van artikel 324 Strafwetboek. Artikel 7, ,§ 2 bepaalt in zijn eerste lid dat indien het misdrijf is gepleegd tegen een vreemdeling, de vervolging slechts kan plaatshebben op vordering van het openbaar ministerie en bovendien moet voorafgegaan worden door een klacht van de benadeelde vreemdeling of zijn familie ofwel door een officieel bericht, aan de Belgische overheid gegeven door de overheid van het land waar het misdrijf is gepleegd. Zoals ik eerder aangaf werden de door het Europees aanhoudingsbevel bedoelde feiten gepleegd in Spanje tegen niet-Belgen. Zowel op het ogenblik van de feiten als op het ogenblik van het ontvangen van het Spaans uitleveringsverzoek van 30 juni 1993 hadden de verweerders de Spaanse nationaliteit : aan de voorwaarden van artikel 7, ,§ 1 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering was toen dus niet voldaan. De verweerders hebben in oktober 2001 de Belgische nationaliteit hebben verworven. Artikel 10 van de Uitleveringswet van 15 maart 1874 bepaalt dat de vreemdeling die, nadat hij buiten het grondgebied van het Rijk een der misdrijven heeft gepleegd, voorzien in artikel 1 van de wet van 30 december 1836 en in de artikelen 1 en 9 van de Uitleveringswet, de hoedanigheid van Belg zal verwerven of herwerven, zo hij zich in België bevindt, er mag vervolgd, gevonnist en bestraft worden overeenkomstig de Belgische wetten binnen de grenzen als bepaald door voormelde wet van 30 december 1836, waarvan de bepalingen overgenomen werden door de artikelen 6 tot 14 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering. In die gevallen worden de Belgische gerechten dus eveneens bevoegd, op voorwaarde evenwel, in het geval dat thans voorligt, dat ook aan alle vereisten van artikel 7 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering is voldaan.
- Het Hof dient zich evenwel over dit vraagstuk thans niet uit te spreken, aangezien het in elk geval niet volstaat dat voldaan zou zijn aan de vereiste van het actief personaliteitsbeginsel. Voor de goede orde en de volledigheid wil ik het Hof er op wijzen dat ik bij mijn verdere uiteenzetting abstractie maak van het feit dat de verweerders blijkbaar sinds 1993 hun hoofdverblijf hadden in België, hetgeen, wat het actief personaliteitsbeginsel betreft een nieuwe bevoegdheidsgrond oplevert sinds de wetswijziging van 5 augustus 2003, evenals van de problematiek van de verjaring van de feiten, omdat beide aspecten mij voor het verder onderzoek van de zaak door het Hof niet rechtstreeks relevant lijken. Het Hof hoeft omtrent deze kwestie thans geen uitspraak te doen, om de eenvoudige reden dat, ook wanneer wij zouden vertrekken van de voor de verweerders meest gunstige hypothese dat voldaan is aan de vereiste van artikel 7, ,§ 1 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, omdat de verweerders thans als Belg, in toepassing van artikel 10 van de Uitleveringswet van 15 maart 1874, in België zouden kunnen vervolgd, gevonnist en bestraft worden, dan nog bijkomend ook moet voldaan zijn aan de vereiste van artikel 7, ,§ 2 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, met name aan de voorwaarde dat er een voorafgaande klacht van de benadeelde vreemdeling of van zijn familie moet bestaan of dat er een voorafgaand officieel bericht moet gegeven zijn aan de Belgische overheid door de overheid van het land waar het misdrijf is gepleegd : het door het Europees aanhoudingsbevel bedoelde misdrijf is immers een misdrijf gepleegd tegen vreemdelingen.
- In de voorliggende zaak is er geen sprake van enige klacht vanwege de benadeelde vreemdeling of van zijn familie. Het Hof kan zich bijgevolg beperken tot het onderzoek van de wettigheid en de regelmatigheid van de beslissing van het bestreden arrest omtrent het al dan niet bestaan van dit voorafgaand officieel bericht. Het bestreden arrest oordeelt hieromtrent enkel dat "voldaan is aan de in artikel 7, ,§ 2 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering vervatte vereiste van een voorafgaand 'officieel bericht' aan de Belgische overheid gegeven door de overheid van het land waar het misdrijf is gepleegd; dat bedoeld officieel bericht een mededeling is waarbij de Belgische bevoegde autoriteiten op de hoogte worden gebracht van het bestaan van een misdrijf; dat hierbij geen enkele formaliteit is vereist en dat het uitleveringsverzoek van 30 juni 1993 van de Spaanse overheid, en waaraan geen gevolg werd gegeven, als dusdanig kan worden beschouwd". In het tweede onderdeel van zijn enig middel komt de federale procureur, in zijn hoedanigheid van eiser, op tegen deze beslissing.
- Het is inderdaad correct te stellen, zoals het bestreden arrest terecht oordeelt, dat het officieel bericht, bedoeld in artikel 7, ,§ 2 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, niet aan enig vormvoorschrift is onderworpen. Dit betekent evenwel niet dat een dergelijk bericht, dat in elk geval moet uitgaan van de bevoegde vreemde overheid, gericht moet zijn aan de bevoegde Belgische overheid en betrekking moet hebben op het in het buitenland gepleegde misdrijf, wat de inhoud van dit bericht betreft, niet aan bepaalde vereisten moet voldoen om beschouwd te kunnen worden als een officieel bericht in de zin van artikel 7 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering. Verschillende argumenten lijken er mij op te wijzen dat een dergelijk officieel bericht, wil het in aanmerking komen als een bericht in de zin van artikel 7, ,§ 2 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, een kennisgeving aan de Belgische overheid dient te zijn opdat deze het in het buitenland gepleegde misdrijf zou kunnen vervolgen of een aan de Belgische overheid gedaan verzoek om vervolging in te stellen of de vervolging over te nemen
(4). Een eerste argument voor deze stelling kan geput worden uit de tekst zelf van artikel 7, ,§ 2 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering: in dit artikel is er immers, zoals ik hiervoor heb uiteengezet, niet alleen sprake van de mogelijkheid om in België te vervolgen wanneer er een voorafgaand officieel bericht is van de vreemde overheid, maar ook, als alternatieve voorwaarde, wanneer er een voorafgaande klacht is van de benadeelde vreemdeling of zijn familie. Artikel 7, ,§ 2 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering plaatst beide gevallen, een voorafgaande klacht of een voorafgaand officieel bericht, volledig op gelijke voet. Waar de term "officieel bericht", wat de inhoud van een dergelijk bericht betreft, op het eerste zicht volstrekt neutraal is, is dit evenwel niet langer het geval voor de op gelijke voet geplaatste term "klacht". Een klacht heeft noodzakelijkerwijze een specifieke inhoud, een specifieke bedoeling en beoogt een specifiek rechtsgevolg : de klacht van de benadeelde vreemde particulier of van zijn familie, waarbij het strafbaar feit ter kennis wordt gebracht van de Belgische overheid, is dus allesbehalve een "vrijblijvende" kennisgeving. Juist omwille van dit door de wetgever gewilde parallellisme dient, naar mijn oordeel, aangenomen te worden dat ook het "officieel bericht", waarop artikel 7 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering doelt, inhoudelijk moet beantwoorden aan een kennisgeving met een welbepaalde finaliteit. Een ander argument dat deze stelling ondersteunt, kan gevonden worden in de rechtsleer, waar de meeste auteurs een dergelijk officieel bericht kwalificeren als "aangifte" of "dénonciation", hetgeen er op wijst dat ook zij ervan uitgaan dat er een bepaalde intentie of finaliteit ten grondslag moet liggen aan het initiatief van de kennisgevende vreemde overheid
(5). C. Van Den Wyngaert gaat overigens nog verder en stelt zelfs dat de ratio legis van de voorwaarde van het officieel bericht ligt in het vermijden van dubbele vervolgingen wegens hetzelfde feit, enerzijds in het land waar het feit werd gepleegd en anderzijds in België. Volgens deze auteur houdt het officieel bericht in dat de overheid van het land waar het feit gepleegd werd te kennen geeft dat zij zelf van vervolging afziet : het officieel bericht komt dan in wezen neer op een bericht waarbij verzocht wordt om de overname van de strafvordering
(6). Wanneer het uitleveringsverzoek van de Spaanse overheid van 30 juni 1993, dat door het bestreden arrest als officieel bericht beschouwd wordt, getoetst wordt aan de hiervoor vermelde vereisten, moet vastgesteld worden dat dit verzoek weliswaar beantwoordt aan een deel van de voorwaarden, in de mate dat het uitgaat van de bevoegde Spaanse overheid, gericht is aan de bevoegde Belgische overheid en dat het tevens betrekking heeft op de gepleegde misdrijven, maar moet daarentegen evenzeer vastgesteld worden dat dit uitleveringsverzoek geenszins beantwoordt aan het criterium dat het op zijn minst een kennisgeving dient te zijn, gericht aan de Belgische overheid opdat deze overheid het misdrijf, waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft, zou kunnen vervolgen of nog, een aan de Belgische overheid gedaan verzoek om vervolging in te stellen. Wel integendeel, aangezien de Spaanse overheid bij het toezenden van het uitleveringsverzoek precies het tegenovergestelde doel beoogde. Het arrest miskent naar mijn oordeel de finaliteit van het uitleveringsverzoek en de intenties van de verzoekende Staat : het bestreden arrest wendt het uitleveringsverzoek van zijn aanvankelijk doel af, met name de bedoeling van de verzoekende Spaanse overheden om de feiten in Spanje te vervolgen, om het te gebruiken voor een ander doel, dat net het tegenovergestelde wil bereiken dan oorspronkelijk door de verzoekende Partij gewenst werd, met name de eventuele vervolging in België of minstens de vaststelling dat de Belgische gerechten de bevoegdheid hadden om van de feiten kennis te nemen. 10. Op grond van deze analyse moet ik alleszins besluiten dat een uitleveringsverzoek zeker niet zomaar of niet zonder meer als een officieel bericht kan beschouwd worden in de zin van artikel 7 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering. Uit dit besluit afleiden dat een uitleveringsverzoek nooit of onder geen enkele omstandigheid zou kunnen beschouwd worden als een officieel bericht lijkt mij evenwel een brug te ver. Trousse en Vanhalewijn
(7)stellen desbetreffend in hun standaardwerk inzake uitlevering, dat, indien het slachtoffer een vreemdeling is en er bijgevolg moet voldaan worden aan de vereiste van het voorafgaand officieel bericht, het verzoek tot uitlevering, dat door de Belgische regering niet kon worden ingewilligd ingevolge de hoedanigheid van de dader van het misdrijf, als officieel bericht wordt beschouwd. Het lijkt wel mij nodig hierbij te preciseren dat het werk van Trousse en Vanhalewijn moet gesitueerd worden in zijn tijd, met name in de periode dat als principe gold dat België zijn onderdanen niet uitleverde en dat de uitvoerende macht exclusief bevoegd was om de eindbeslissing inzake uitlevering te nemen, ook in die gevallen waar thans de wet betreffende het Europees aanhoudingsbevel kan toegepast worden. Het blijft in elk geval een gegeven dat deze auteurs de mogelijkheid om een uitleveringsverzoek te beschouwen als "officieel bericht" en op basis daarvan in België te vervolgen, onmiddellijk en rechtstreeks verbinden aan de voorwaarde dat dit uitleveringsverzoek niet kon worden ingewilligd omwille van de hoedanigheid van de dader. Zij verbinden met andere woorden de mogelijkheid om het uitleveringsverzoek als een officieel bericht te beschouwen rechtstreeks aan de dubbele voorwaarde van de onmogelijkheid om uit te leveren en van de mogelijkheid om in België te vervolgen : wanneer de uitlevering niet mogelijk is omwille van de hoedanigheid van de dader, kan het verzoek tot uitlevering beschouwd worden als een officieel bericht, teneinde de daders alsnog, maar dan voor een Belgische rechter te vervolgen. Dit lijkt mij een logisch gevolg van het doortrekken van het principe "aut dedere, aut judicare" : wanneer blijkt dat de aangezochte Staat, op het ogenblik zelf van het ontvangen van het uitleveringsverzoek, niet in de mogelijkheid is om in te gaan op de vraag van de verzoekende Staat tot "dedere", dan kan de aangezochte Staat, wanneer ook aan alle andere voorwaarden is voldaan, louter en alleen op basis van dit verzoek dat dan beschouwd wordt als een officieel bericht, zelf overgaan tot het "judicare", ook al beperkte de verzoekende Staat zijn verzoek tot het "dedere". Er mag immers van uitgegaan worden dat de verzoekende Staat, bij het formuleren van het uitleveringsverzoek, rekening dient te houden met alle gevolgen van dit verzoek: de verzoekende Staat rekent uiteraard op de uitlevering, maar moet ook aanvaarden dat, wanneer de uitlevering niet mogelijk is, de aangezochte Staat, op grond van het uitleveringsverzoek, eventueel zelf zal kunnen overgaan tot het instellen van vervolgingen. Wanneer men uitgaat van de voorwaarde van deze rechtstreekse en gelijktijdige koppeling tussen de onmogelijkheid tot uitleveren in hoofde van de aangezochte Staat en de alternatieve mogelijkheid om zelf vervolgingen in te stellen, dan moet hieruit afgeleid worden dat deze koppeling reeds moet bestaan op het ogenblik van het ontvangen van het uitleveringsverzoek. Wanneer de aangezochte Staat op het ogenblik van het ontvangen van dit uitleveringsverzoek, zelf evenmin in de mogelijkheid verkeert om te vervolgen, zal het dan ook niet meer mogelijk zijn om later, wanneer de toestand zo zou evolueren dat de aangezochte Staat uiteindelijk toch bevoegd wordt om te vervolgen, ditzelfde inmiddels ge dateerde uitleveringsverzoek toch nog als een officieel bericht in de zin van artikel 7, ,§ 2 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering te beschouwen. Wanneer men ook in het geval van een latere bevoegdheid van de aangezochte Staat aan deze Staat zou toelaten om louter en alleen op basis van het eerdere uitleveringsverzoek zelf vervolgingen in te stellen, kent men aan dit uitleveringsverzoek gevolgen toe, die de oorspronkelijke intenties van de verzoekende Staat niet alleen miskennen, maar die bovendien door die verzoekende Staat onmogelijk gekend, noch voorzien konden worden. Wanneer de aangezochte Staat op het ogenblik van het toezenden van het uitleveringsverzoek door de verzoekende Staat, in de absolute onmogelijkheid verkeert om zelf vervolgingen in te stellen, kan er in hoofde van de verzoekende Staat op geen enkele wijze sprake zijn geweest van enige, weze het ondergeschikte of subsidiaire bedoeling om het uitleveringsverzoek desgevallend ook in de zin van een "aangifte" of een "verzoek tot overname van de strafvordering" te laten uitleggen. In mijn inleiding gaf ik reeds aan dat de materie van de uitzonderlijke bijkomende bevoegdheid van de Belgische gerechten voor misdrijven die gepleegd werden in het buitenland, van strikte interpretatie is. Een dergelijke strikte interpretatie van artikel 7 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering ondersteunt nog meer het hiervoor uiteengezette standpunt: artikel 7, ,§ 1 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering maakte, in de versie die toepasselijk was op het ogenblik van het ontvangen van het Spaans uitleveringsverzoek van 30 juni 1993, enkel gewag van de uitbreiding van de bevoegdheid van de Belgische gerechten, wanneer een Belg zich in het buitenland schuldig gemaakt had aan misdaden of wanbedrijven. Artikel 10 van de Uitleveringswet die de werking van dit artikel uitbreidt tot vreemdelingen die na de feiten de Belgische nationaliteit verwerven of herwerven, kon op dat ogenblik niet toegepast worden, aangezien de verweerders pas op 15 oktober 2001 de Belgische nationaliteit hebben bekomen. De wet van 5 augustus 2003, die thans ook een bevoegdheid voorziet voor personen met een hoofdverblijf in België, kon uiteraard evenmin toegepast worden. Artikel 7, ,§ 2 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering vereist, wanneer aan de voorwaarden van artikel 7, ,§ 1 reeds is voldaan, als bijkomende voorwaarde een klacht of een officieel bericht wanneer het slachtoffer een vreemdeling is. Aangezien de materie van de bevoegdheidsuitbreiding van strikte interpretatie is, mag dan ook aangenomen worden dat een bericht, ongeacht of het een uitleveringsverzoek betreft of niet, slechts als "officieel bericht" in de zin van artikel 7, ,§ 2 zal kunnen beschouwd worden, wanneer de persoon die het voorwerp uitmaakt van dit bericht, op het ogenblik van het ontvangen van dit bericht, qua hoedanigheid voldoet aan één van de voorwaarde van artikel 7, ,§ 1 en dus hetzij Belg is of alreeds de Belgische nationaliteit heeft verworven of, sinds de inwerkingtreding op 7 augustus 2003 van de wet van 5 augustus 2003, wanneer de vreemdeling op dat ogenblik reeds zijn hoofdverblijf had in België. Het is immers pas wanneer deze voorwaarde vervuld is dat de Belgische gerechten bevoegd zullen zijn om zelf de vervolging in te stellen of over te nemen. In het geval dat ons thans aanbelangt werd het uitleveringsverzoek van de Spaanse overheden toegezonden aan de Belgische overheden op een tijdstip waarop enkel de mogelijkheid van uitlevering openstond: de verweerders hadden toen nog de Spaanse nationaliteit en de mogelijkheid van een eventuele vervolging in België was wettelijk onbestaand. Er kon dan ook op geen enkele wijze gekozen worden tussen één van de twee alternatieven van het principe "aut dedere, aut judicare", aangezien het alternatief van het "judicare" absoluut uitgesloten was en enkel de mogelijkheid van het "dedere" overbleef. De Belgische gerechten waren op geen enkele wijze bevoegd om kennis te nemen van het misdrijf. Er kan dan ook geen sprake geweest zijn van enige intentie van "aangifte" in hoofde van de Spaanse overheden. Het uitleveringsverzoek van 30 juni 1993 voldoet bijgevolg niet aan de inhoudelijke vereiste van een kennisgeving aan de Belgische overheid opdat deze het door dit verzoek bedoelde misdrijf zou kunnen vervolgen en het is al evenmin een aan de Belgische overheid gedaan verzoek om te vervolgen. Het bestreden arrest kon bijgevolg het uitleveringsverzoek van 30 juni 1993 op zich niet wettig als een officieel bericht in de zin van artikel 7, ,§ 2 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering beschouwen. Hoewel het al dan niet bestaan van een officieel bericht valt onder de onaantastbare beoordeling door de rechter kan het Hof hieromtrent nagaan of de rechter uit de feiten die hij vaststelt, geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond van die vaststellingen niet kunnen worden verantwoord. De redenen die het arrest desbetreffend vermeldt doorstaan deze marginale toetsing door het Hof niet en het tweede onderdeel van het enig middel van eiser lijkt mij dan ook gegrond. De twee overige onderdelen kunnen niet tot ruimere cassatie of tot cassatie zonder verwijzing leiden en behoeven bijgevolg geen antwoord meer. Conclusie : vernietiging van het bestreden arrest, met verwijzing naar het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, in een nog andere samenstelling dan deze die de twee eerdere arresten wees. ___________________________
(1)Wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel (B.S. 22 december 2003), in werking getreden op 1 januari 2004.
(2)THOMAS, F. "De internationale gelding van de strafwet in de ruimte", in DE NAUW, A. e.a. (eds), Actuele problemen van Strafrecht, Kluwer, 1988, p. 203.
(3)Wet van 5 augustus 2003, in werking getreden op 7 augustus 2003.
(4)Zie Cass., 10 juni 1998,A.R. P.98.0610.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980610.14, nr. 298
(5)Zie, bij wijze van voorbeeld, in de Belgische en Franse rechtsleer, onder meer : DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 3de Editie, 2003, p. 38, nr. 61; VERSTRAETEN, R., Handboek Strafvordering, p. 58, nr. 57; STEFANI, G. en LEVASSEUR, G., Procédure pénale, Dalloz, 1971, p. 300, nr. 351.
(6)VAN DEN WYNGAERT, C., Strafrecht en Strafprocesrecht in hoofdlijnen, 1998, p. 577.
(7)TROUSSE, P.E. en VANHALEWIJN, J., Uitlevering en internationale rechtshulp in strafzaken, A.P.R., p. 93, nr.
- Tekst van de beslissing Nr. P.04.0660.N FEDERALE PROCUREUR, Quatre-Brasstraat 19 te Brussel, eiser, tegen G. A. R., verweerster, inverdenkinggestelde, met als raadsman Mr. Paul Bekaert, advocaat bij de balie te Brugge. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 27 april 2004 op ver-wijzing ingevolge het arrest van het Hof van 13 april 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit ar-rest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Tweede onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 4, 4°, van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt geweigerd ingeval de strafvordering of de straf volgens de Belgische wet is verjaard en de Belgische gerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van de feiten; Overwegende dat artikel 7 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvor-dering, zoals gewijzigd bij artikel 15 van de wet van 5 augustus 2003, bepaalt: ",§
- Iedere Belg of persoon met hoofdverblijfplaats in het Rijk die zich buiten het grondgebied van het Rijk schuldig maakt aan een feit dat door de Belgische wet, misdaad of wanbedrijf wordt genoemd, kan in België vervolgd worden in-dien op het feit straf gesteld is door de wet van het land waar het is gepleegd. ,§
- Indien het misdrijf gepleegd is tegen een vreemdeling, kan de vervolging slechts plaatshebben op vordering van het openbaar ministerie en moet zij bo-vendien voorafgegaan worden door een klacht van de benadeelde vreemdeling of van zijn familie ofwel door een officieel bericht, aan de Belgische overheid gegeven door de overheid van het land waar het misdrijf is gepleegd (...)"; Overwegende dat zo een officieel bericht aan geen vormvoorschrift on-derworpen is, het wel een kennisgeving aan de Belgische overheid dient te zijn opdat deze het aangegeven misdrijf zou kunnen vervolgen of hetzij een aan de Belgische overheid gedaan verzoek om vervolging in te stellen; Overwegende dat de feitenrechter onaantastbaar oordeelt of er al dan niet een officieel bericht is; dat het Hof enkel nagaat of de rechter uit de feiten die hij vaststelt, geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord; Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat verweerster pas sinds oktober 2001 de Belgische nationaliteit heeft en die dus niet had op het ogen-blik van het Spaanse verzoek tot uitlevering van 30 juni 1993; Dat hieruit volgt dat, zo de Belgische gerechten thans wel bevoegd zouden zijn, zij dit niet waren op 30 juni 1993, omdat verweerster toen de Bel-gische nationaliteit nog niet had; Overwegende dat de appèlrechters op grond van hun vaststellingen niet wettig vermochten te oordelen dat het uitleveringsverzoek van de Spaanse overheid van 30 juni 1993 een officieel bericht in de zin van artikel 7, ,§ 2, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is; Dat de appèlrechters aldus hun beslissing niet naar recht verantwoor-den; Dat het onderdeel gegrond is; B. Overige onderdelen Overwegende dat deze onderdelen die niet tot ruimere cassatie kunnen leiden, geen antwoorden behoeven; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest; Laat de kosten ten laste van de Staat; Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld dan bij de arresten van 30 maart 2004 en 13 april
- Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, en uitgesproken in open-bare terechtzitting van elf mei tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040511.33 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230906.2F.15 precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980610.14 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080527.14 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120403.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div