id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040513.15 Rolnummer: C.00.0472.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Intellectuele eigendom - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2004-12-08 Raadplegingen: 450 - laatst gezien 2026-07-04 07:41 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het hof van beroep te Brussel, waartoe de deposant, na de weigering van het Benelux-Merkenbureau het depot in te schrijven, zich wendt teneinde een bevel tot inschrijving van het depot te verkrijgen, kan alleen oordelen of die weigering al dan niet terecht is, wat inhoudt dat dit hof alleen maar die gegevens in aanmerking kan nemen op grond waarvan het bureau heeft beslist of had moeten beslissen en waaruit is af te leiden dat dit hof geen kennis kan nemen van aanspraken die buiten de beslissing van het bureau vallen of die niet aan het bureau zijn voorgelegd
(1)Benelux Hof, 15 dec. 2003, nr A 2002/2, met andersluidende conclusie van de Heer J. du Jardin, eerste adv.-gen., hoofd van het parket van het Benelux Hof. Thesaurus CAS: MERKEN - BENELUX-MERK Vrije woorden: MERKEN - BENELUX-OVEREENKOMST. BENELUX MERKENWET - Depot - Inschrijving - Benelux-merkenbureau - Onderzoek - Beslissing - Omvang - Hof van beroep - Bevel tot inschrijving - Perken Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: BENELUX - VERDRAGSBEPALINGEN - Benelux Merkenwet - Artikelen 6bis en 6ter - Depot - Inschrijving - Benelux-merkenbureau - Onderzoek - Beslissing - Omvang - Hof van beroep - Bevel tot inschrijving - Perken Tekst van de beslissing Nr. C.00.0472.N BENELUX-MERKENBUREAU, Dienst gemeenschappelijk aan de Beneluxlanden, opgericht krachtens het Benelux-Verdrag inzake warenmerken, met rechtspersoonlijkheid, met zetel in Nederland, 's Gravenhage, Bordewijklaan 15, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen VLAAMSE TOERISTENBOND, vereniging zonder winstoogmerk, met maatschappelijke zetel te 2000 Antwerpen, Sint-Jacobsmarkt 45-47, verweerster. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 mei 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Het Hof heeft op 27 juni 2002 een prejudiciële vraag gesteld aan het Benelux-gerechtshof. Het Benelux-gerechtshof heeft die vraag op 15 december 2003 beantwoord. Eiser heeft na het arrest van het Benelux-gerechtshof opmerkingen neergelegd. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet ; &§9472; de artikelen 774, lid 1, 807, 1042, 1068, 1138, 2°, en 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek ; &§9472; de artikelen 1, 6bis, meer bepaald 6bis.1.a en 6bis.2, 6ter en 39 van de eenvormige Beneluxwet op de merken (als bijlage gevoegd bij het Beneluxverdrag van 19 maart 1962 op de warenmerken, goedgekeurd bij wet van 30 juni 1969), zoals laatst gewijzigd bij Protocol van 2 december 1992 houdende wijziging van de eenvormige Beneluxwet op de merken, goedgekeurd bij wet van 11 mei 1995, de artikelen 6bis ter en 6ter zoals ingevoegd bij artikel I, F van dit Protocol, artikel 39 van genoemde Beneluxwet, toegevoegd door het Protocol van 10 november 1983, houdende wijziging van de eenvormige Beneluxwet op de warenmerken, goedgekeurd bij wet van 8 augustus 1986 ; &§9472; de artikelen 10 (ex-artikel 5) en 249 (ex-art. 189) van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957, zoals gewijzigd door het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie, ondertekend te Maastricht op 7 februari 1992, goedgekeurd bij wet van 26 november 1992 en laatst door het Verdrag van Amsterdam van 2 oktober 1997, goedgekeurd bij wet van 10 augustus 1998 ; &§9472; artikel 3.1.c. van de Eerste Richtlijn nr. 89/104 EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lid-Staten ; &§9472; het algemeen rechtsbeginsel van de noodzakelijke eerbiediging van het recht van verdediging alsook het beschikkingsbeginsel (het beginsel van de autonomie der procespartijen). Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest "ontvangt" de vordering en acht ze "deels gegrond" ; het legt aan de Benelux-Merkenbureau (eiser) op "om het depot nr. 889719 in te schrijven voor de waren en diensten van de klassen 16 en 41, maar met uitsluiting van : reisbrochures, atlassen, landkaarten, wegenkaarten, ontspanning, rij-instructie, sportonderricht, bevorderen en organiseren van culturele, opvoedende, sportieve en ontspannende activiteiten en ontwikkeling, diensten van vakantiekampen, culturele informatie". Het arrest steunt deze "uitsluiting" op het "beschrijvend karakter" van de woordcombinatie "Langs Vlaamse Wegen" terwijl dergelijk "beschrijvend aspect" door het arrest niet voorhanden wordt geacht bij andere waren en diensten (zoals bv. in klasse 16 : boeken, tijdschriften, dagbladen, leermiddelen en onderwijsmateriaal ; in klasse 41 : organisatie van opleidingen, cursussen en seminaria, publiceren, verdelen en uitlenen van boeken en tijdschriften, uitgeverijdiensten, taalonderwijs) (arrest, p. 8 nr. 13). Het bestreden arrest acht de weigering van inschrijving van de woordcombinatie "Langs Vlaamse Wegen" met betrekking tot de waren en diensten uit de klasse 39 gegrond omdat ze "voor het in aanmerking komend publiek ongetwijfeld kan worden geschouwd als informatie over de hoedanigheid of bestemming van de waren en diensten uit deze klasse" (arrest p.7, nr. 11) ; het wijst de vordering op dit punt af. Het bestreden arrest oordeelt ambtshalve voor welke waren en diensten de gedeponeerde woordcombinatie als merk kan worden ingeschreven, op grond van de overweging "dat bij de preventieve toetsing van het depot, dit niet enkel moet worden beschouwd voor de aangegeven klassen in hun geheel, maar voor ieder van de daarin opgesomde waren of diensten ; dat in artikel 6bis 2 immers wordt gesteld dat de weigering om in te schrijven kan worden beperkt tot één of meer waren waarvoor het merk is bestemd ; (...) voor het depot van de klassen 16 en 41 derhalve inschrijving enkel behoort te worden geweigerd wegens het beschrijvend karakter ervan voor de hierna geciteerde waren en diensten" (arrest p. 8, nr. 14). Grieven
- Tweede onderdeel Verweerster heeft tijdens de behandeling voor het Benelux-Merkenbureau, zoals vastgesteld in het bestreden arrest (p.9, nr. 18), "niet (...) te kennen gegeven dat ze bereid was om vrede te nemen met een beperkte gedeeltelijke inschrijving" zodat eiser -het BMB- "niet euvel kan worden geduid dat ze (sic) hiertoe niet is overgegaan". Verweerster vorderde in haar beroepsconclusie (p.11) "in ondergeschikte orde" alleen "de inschrijving te bevelen van het (...) gedeponeerd merk "Langs Vlaamse Wegen" voor het door het hof te bepalen waren en diensten". Verweerster beperkte zich voor het hof van beroep tot het -in ondergeschikte orde- vragen van een gedeeltelijke inschrijving zonder enige aanduiding van de specifieke waren of diensten waarvoor de inschrijving zou verantwoord zijn, a fortiori zonder enige aanduiding van redenen waarom voor bepaalde waren of diensten uit de bij het depot opgegeven klassen 16, 39 en 41, de woordcombinatie niet zou vallen onder de door eiser aangehouden weigeringsgrond, namelijk gebrek aan elk onderscheidend vermogen omdat het teken Langs Vlaamse Wegen "uitsluitend beschrijvend is voor de bestemming en de hoedanigheid langs Vlaamse wegen van de betrokken waren en diensten". Het Hof van Beroep te Brussel oordeelt krachtens de bijzondere bevoegdheid die onder andere dit hof werd toegekend door de Beneluxwetgever -artikel 6ter BMW ingevoegd bij artikel I, F, van het Protocol van 2 december 1992- over de beslissing van het Benelux-Merkenbureau (BMB) waarbij de inschrijving van een depot werd geweigerd en beveelt desgevallend dit bureau tot inschrijving over te gaan. Dit oordeel en dit eventueel bevel zijn beperkt tot het depot zoals voorgelegd aan en beoordeeld door het BMB ; desgevallend voor het BMB kan een discussie met de deposant gevoerd worden binnen de specifieke door artikel 6bis BMW bepaalde procedure die, overeenkomstig artikel 6bis 2 BMW zelfs kan leiden tot een of meer van de bij het depot vermelde waren of diensten beperkte weigering tot inschrijving. Het hof van beroep kan echter niets anders doen dan oordelen of de weigeringsbeslissing -zoals getroffen door het BMB- terecht was en zo het deze vraag ontkennend beantwoordt, de inschrijving van het depot voor de waren en diensten die door het BMB in aanmerking werden genomen, op te leggen. Wanneer het BMB geen gedeeltelijke weigering heeft uitgesproken, komt het aan het hof van beroep oordelend krachtens artikel 6ter BMW niet toe over te gaan tot een beperking van de weigering en de inschrijving te bevelen voor bepaalde waren en/of diensten. Dergelijke houding houdt een miskenning en negatie in van de essentiële onderzoeksfase voor het BMB, zoals uitgebreid geregeld in artikel 6bis BMW. Hieruit volgt dat het hof van beroep door in het bestreden arrest zelf over te gaan tot een bevel van gedeeltelijke inschrijving voor bepaalde waren en diensten "met uitsluiting" van andere, terwijl de beslissing van het BMB geen dergelijke beperking inhield, hetgeen het BMB overigens, volgens het arrest zelf (punt 18) "niet euvel kan worden geduid", zijn bevoegdheid zoals die volgt uit artikel 6ter BMW, regel die de openbare orde raakt, alsook de bevoegdheid van het BMB (artikel 6bis BMW in het bijzonder artikel 6bis 2 BMW dat aan het BMB de bevoegdheid toekent de weigering de beperken tot bepaalde waren/diensten) miskent, derhalve deze wetsbepalingen alsook artikel 39 BMW krachtens hetwelk voornoemde bepalingen ook van toepassing zijn op tekens ter onderscheiding van diensten, schendt ; in zover het appèlgerecht impliciet zou geoordeeld hebben de bekritiseerde "bevoegdheid" te kunnen steunen op de regels inzake de devolutieve kracht van het "hoger beroep" in de zin van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek of op deze inzake de mogelijke uitbreiding of wijziging van de eis (de artikelen 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek), het bestreden arrest deze regels eveneens schendt daar zij niet van toepassing zijn op de "sui generis" regeling van de artikelen 6bis en 6ter BMW. IV. Beslissing van het Hof Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel in wezen aanvoert dat het Hof van Beroep te Brussel, krachtens de bijzondere hem toegekende bevoegdheid, oordeelt over de beslissing van het BMB waarbij de inschrijving van een depot werd geweigerd en desgevallend het Bureau beveelt tot inschrijving over te gaan, en dat dit oordeel en bevel beperkt zijn tot het depot zoals voorgelegd aan en beoordeeld door het BMB ; dat, in de stelling van eiser, het hof van beroep op grond van artikel 6ter van de BMW een gedeeltelijke inschrijving van een merkdepot voor bepaalde waren of diensten niet kon opleggen indien de weigeringsbeslissing van het BMB op grond van artikel 6bis BMW geen betrekking had op die specifieke waren of diensten maar in het algemeen betrekking had op een volledige klasse waren of diensten ; Overwegende dat artikel 6bis BMW luidt :
- Het Benelux-Merkenbureau weigert een depot in te schrijven, indien naar zijn oordeel : a. het gedeponeerde teken niet beantwoordt aan de in artikel 1 gegeven omschrijving van een merk, met name wanneer het ieder onderscheidend vermogen in de zin van artikel 6quinquies B, onder 2, van het Verdrag van Parijs mist ; b. het depot betrekking heeft op een merk als bedoeld in artikel 4, onder 1 en 2 ;
- De weigering om tot inschrijving over te gaan moet het teken dat een merk vormt in zijn geheel betreffen. Zij kan tot een of meer van de waren waarvoor het merk bestemd is, worden beperkt ;
- Het Benelux-Merkenbureau geeft van zijn voornemen de inschrijving geheel of gedeeltelijk te weigeren, onder opgave van redenen, onverwijld schriftelijk kennis aan de deposant en stelt hem in de gelegenheid hierop binnen een bij het uitvoeringsreglement gestelde termijn te antwoorden ;
- Indien de bezwaren van het Benelux-Merkenbureau tegen de inschrijving niet binnen de gestelde termijn zijn opgeheven, wordt de inschrijving van het depot geheel of gedeeltelijk geweigerd. Van de weigering geeft het Benelux-Merkenbureau onder opgave van redenen onverwijld schriftelijk kennis aan de deposant, onder vermelding van het in artikel 6ter genoemde rechtsmiddel tegen die beslissing ; Overwegende dat artikel 6ter BMW, voor zover van belang, luidt : De deposant kan zich binnen twee maanden na de kennisgeving bedoeld in artikel 6bis, vierde lid, bij verzoekschrift wenden tot het Hof van Beroep te Brussel, het Gerechtshof te 's Gravenhage of het Cour d'appel te Luxemburg teneinde een bevel tot inschrijving van het depot te verkrijgen ; Overwegende dat de procedures van de artikelen 6bis en 6ter BMW een inhoudelijke toetsing van het gedeponeerde merk beogen aan de in artikel 6bis, lid 1, BMW vermelde criteria ; Overwegende dat het Beneluxgerechtshof in zijn arrest van 15 december 2003 gezegd heeft dat het Hof van Beroep te Brussel alleen kan oordelen of het BMB al dan niet terecht de inschrijving van het depot heeft geweigerd en geoordeeld heeft dat dit inhoudt dat het Hof van Beroep te Brussel alleen maar die gegevens in aanmerking kan nemen op grond waarvan het BMB heeft beslist of had moeten beslissen ; Dat het daaruit heeft afgeleid dat het Hof van Beroep te Brussel geen kennis kan nemen van aanspraken die buiten de beslissing van het BMB vallen of die niet aan het BMB zijn voorgelegd ; Dat het Beneluxgerechtshof gezegd heeft voor recht in het dictum van het arrest : "De artikelen 6bis en 6ter moeten aldus worden uitgelegd dat het Hof van Beroep te Brussel, het Gerechthof te 's Gravenhage of het Cour d'appel van Luxemburg slechts een bevel tot inschrijving van een depot mag geven voor bepaalde waren of diensten van een klasse in zoverre het BMB, na het onderzoek bepaald bij artikel 6bis, ook een beslissing heeft genomen in verband met die bepaalde waren of diensten en niet alleen een beslissing heeft genomen die dezelfde volledige klasse aanbelangde" ; Overwegende dat het bestreden arrest andere gegevens in aanmerking neemt dan die waarop het BMB heeft beslist of had moeten beslissen en aldus de artikelen 6bis en 6ter van de BMW schendt ; Dat het onderdeel in zoverre gegrond is ;
- Overige grieven Overwegende dat de overige nog niet verworpen onderdelen weergegeven in het arrest van 27 juni 2002, niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit de vordering ontvankelijk verklaart ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel, anders samengesteld. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van dertien mei tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040513.15 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020627.17 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040513.17 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060223.9 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060601.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div