← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040513.16

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040513.16 Rolnummer: C.02.0497.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2004-12-20 Raadplegingen: 608 - laatst gezien 2026-07-04 11:25 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 In een wederkerige overeenkomst vermag een partij de uitvoering van haar verbintenissen op te schorten indien zij bewijst dat haar medecontractant in gebreke is gebleven zijn verbintenissen uit die overeenkomst uit te voeren

(1).
(1)Cass., 15 juni 2000, AR C.97.0118.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000615.7, nr 372; zie Cass., 21 nov. 2003, AR C.01.0357.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031121.9, nr ... Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - VERBINDENDE KRACHT (NIET-UITVOERING) Vrije woorden: OVEREENKOMST - VERBINDENDE KRACHT (NIET-UITVOERING) Wederkerige overeenkomst Exceptie van niet-uitvoering Wettelijke bepalingen: Wet - 31-03-1965 - Art.1102 Thesaurus CAS: VERBINTENIS Vrije woorden: VERBINTENIS Wederkerige overeenkomst Exceptie van niet-uitvoering Wettelijke bepalingen: Wet - 31-03-1965 - Art.1102 Fiches 3 - 4 De exceptio non adimpleti contractus is niet meer dan een tijdelijke exceptie die de partij de mogelijkheid geeft de uitvoering van de eigen verbintenissen op te schorten tot op het ogenblik dat de medecontractant zijn verbintenissen uitvoert of aanbiedt uit te voeren
(1); die partij kan echter van haar verbintenis worden bevrijd wanneer de medecontractant definitief in gebreke blijft en de rechter op grond hiervan de ontbinding van de overeenkomst uitspreekt.
(1)Zie Cass., 15 juni 2000, AR C.97.0118.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000615.7, nr
  1. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - VERBINDENDE KRACHT (NIET-UITVOERING) Vrije woorden: OVEREENKOMST - VERBINDENDE KRACHT (NIET-UITVOERING) Wederkerige overeenkomst Exceptio non adimpleti contractus Aard Bevrijding Wettelijke bepalingen: Wet - 31-03-1965 - Artt.1102en11 Thesaurus CAS: VERBINTENIS Vrije woorden: VERBINTENIS Wederkerige overeenkomst Exceptio non adimpleti contractus Aard Bevrijding Wettelijke bepalingen: Wet - 31-03-1965 - Artt.1102en11 Tekst van de beslissing Nr. C.02.0497.N
  2. D.J., en zijn echtgenote,
  3. V.M., eisers, vertegenwoordigd door Mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 81, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen B.I. verweerster, aan wie rechtsbijstand werd verleend op 7 november 2002 onder nummer G.02.0116.N, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 8 maart 2002 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middelen De eisers voeren in hun verzoekschrift vier middelen aan.
  4. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 1134, 1142, 1184 en 1728, 2°, van het Burgerlijk Wetboek ; &§9472; artikel 2, lid 4, van de wet van 20 februari 1991 betreffende de huurovereenkomsten met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de huurder in het bijzonder, zijnde Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling II van het Burgerlijk Wetboek ; &§9472; het algemeen rechtsbeginsel van exceptie van niet-uitvoering inzake wederkerige overeenkomsten en artikelen 1102 en 1184 van het Burgerlijk Wetboek, dat het bestaan van die exceptie veronderstellen. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis bevestigt op volgende gronden het eerste vonnis, in zoverre het de hoofdvordering van de eisers, strekkende tot betaling van 14 maanden huur, als ongegrond verwerpt : "In zijn vonnis heeft de eerste rechter gesteld dat de verhuurders in de gegeven omstandigheden niet gerechtigd zijn nog enige achterstallige huur te vorderen daar het huurgoed zeker niet voldeed aan de elementaire vereisten van veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid zoals bepaald door artikel 2 van de wet van 20 februari
  5. De rechtbank sluit zich aan bij het standpunt van de eerste rechter. (Verweerster) heeft terecht de exceptio non adimpleti contractus toegepast". Grieven 1.
  6. Eerste onderdeel Wanneer de verhuurder zijn verbintenissen niet naleeft, kan de huurder ofwel de uitvoering van die verbintenissen vorderen ofwel de ontbinding van de huurovereenkomst vragen met schadevergoeding (artikelen 1142 en 1184 van het Burgerlijk Wetboek en 2, lid 4, van de hierboven vermelde wet van 20 februari 1991). De huurder is echter ingevolge artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek niet gerechtigd om daarenboven een ontlasting te bekomen van zijn verbintenis, voorzien in artikel 1728, 2°, van het Burgerlijk Wetboek, om de huur te betalen. Het bestreden vonnis schendt de artikelen 1134 en 1728, 2°, van het Burgerlijk Wetboek, alsmede de artikelen 1142 en 1184 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 2, lid 4, van de hierboven vermelde wet van 20 februari 1991, door de vordering van de eisers tot betaling van de achterstallige huur van 14 maanden ongegrond te verklaren om de reden dat de eisers hun verhuurdersverplichtingen niet zouden hebben nageleefd, o.m. de verplichting ervoor te zorgen dat het huurgoed zou beantwoorden aan de elementaire vereisten van veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid : het bestreden vonnis kon als sanctie voor de niet-nakoming van die verbintenissen enkel de huurovereenkomst ontbinden met schadevergoeding, hetgeen het ook heeft gedaan, maar niet tevens aan eisers de huurprijs voor de laatste 14 maanden ontzeggen. 1.
  7. Tweede onderdeel De exceptie van niet-uitvoering (exceptio non adimpleti contractus) is een tijdelijk verweer, dat in een wederkerige overeenkomst door de schuldenaar van een verbintenis kan worden ingeroepen indien en zolang de andere partij zijn verbintenissen niet uitvoert of aanbiedt uit te voeren. Wanneer de rechter de overeenkomst ontbindt ten nadele van die andere partij wegens niet-uitvoering van zijn verbintenissen en die andere partij wegens niet-naleving van zijn verbintenissen, vermelde schuldenaar niet meer gerechtigd is de exceptie van niet-uitvoering in te roepen om de uitvoering van zijn eigen verbintenissen te weigeren. Die schuldenaar bekomt immers een schadevergoeding als compensatie voor de niet-uitvoering door de andere partij van zijn verbintenissen en moet derhalve dan zijn eigen verbintenis uitvoeren. Het bestreden vonnis ontbindt ten nadele van de eisers de huurovereenkomst en kent aan verweerster een schadevergoeding toe van 1.500 BEF (of 37,18 euro) per maand wegens genotsderving, dus wegens niet-naleving door eisers van hun verplichtingen als verhuurder. Het bestreden vonnis verwerpt tevens de hoofdvordering van de eisers strekkende tot betaling van 14 maanden achterstallige huur om de reden dat het huurgoed niet voldeed aan de elementaire vereisten van veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid en verweerster "terecht de exceptio non adimpleti contractus toepast". Het bestreden vonnis schendt aldus het algemeen rechtsbeginsel van niet-uitvoering inzake wederkerige overeenkomsten (en voor zoveel als nodig artikelen 1102 en 1184 van het Burgerlijk Wetboek, die het bestaan van vermelde exceptie veronderstellen), daar het niet tezelfdertijd enerzijds de overeenkomst tussen partijen kan ontbinden ten laste van de eisers met schadevergoeding wegens niet-naleving door de eisers van hun verbintenissen als verhuurder betreffende de staat, het onderhoud en het herstel van het huurgoed en anderzijds aan de eisers het recht op de betaling van de huur voor de 14 laatste maanden kan ontzeggen op grond van het motief dat verweerster terecht de exceptio non adimpleti contractus toepast.
  8. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Aangevochten beslissingen De bevestiging door het bestreden vonnis van het eerste vonnis, zowel wat de ongegrondheid van de hoofdvordering van de eisers betreft als wat de principiële gegrondheid van de tegenvorderingen van verweerster betreft, is gesteund op de beschouwing dat eisers als verhuurders zijn tekortgekomen wat betreft hun verplichtingen betreffende de staat, het onderhoud en het herstel van het onroerend goed, waardoor verweerster een genotsderving heeft geleden. In verband met de huurovereenkomst tussen partijen en met die genotsderving overweegt het bestreden vonnis het volgende : "Bij mondelinge huurovereenkomst hebben (eisers) een studio (...) verhuurd aan (verweerster) Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de staat van het huurgoed te wensen overliet en dat dit ongetwijfeld zijn weerslag had op het huurgenot. Nochtans blijft (verweerster) in gebreke om exact aan te tonen op welke punten specifiek haar studio gebreken vertoonde. Het pand werd hoofdzakelijk niet conform de politieverordening bevonden omdat het niet voldeed aan de veiligheidsvoorschriften inzake brandpreventie. Daaruit kan niet noodzakelijk een derving van huurgenot worden afgeleid". Grieven Nu, volgens het bestreden vonnis, de huurovereenkomst tussen partijen de verhuur van een studio betreft, het tegenstrijdig is te oordelen : enerzijds : dat uit de voorgelegde stukken blijkt dat het huurgoed te wensen overliet en dat dit ongetwijfeld zijn weerslag had op het huurgenot en anderzijds : dat verweerster in gebreke blijft om exact aan te tonen op welke punten specifiek haar studio gebreken vertoonde en dat het pand hoofdzakelijk niet conform de politieverordening werd bevonden inzake brandpreventie, waaruit, volgens de appèlrechters, niet noodzakelijk een derving van huurgenot kan worden afgeleid. Inderdaad, indien verweerster niet kan aantonen op welke specifieke punten het verhuurde goed, zijnde een studio, gebreken vertoonde en indien de niet-conformiteit van het verhuurde goed met de politieverordening op verhuur van kamers hoofdzakelijk betrekking heeft op veiligheid, nl. brandpreventie (hetgeen, zoals terecht beslist door de appèlrechters, niet noodzakelijk derving van huurgenot veronderstelt), onmogelijk kan worden gesteld dat uit de stukken blijkt, m.a.w. dat is aangetoond, dat er een genotsderving is wegens de staat van het huurgoed, die te wensen overliet. Met andere woorden, als de staat van een verhuurd goed te wensen overlaat, moet specifiek kunnen worden aangetoond waaruit de gebreken bestaan. Gezien de beoordeling van de hoofdvordering en van de tegenvordering gesteund is op de staat van het goed en de eruit voortvloeiende genotsderving, heeft vermelde tegenstrijdigheid in motieven tot gevolg dat zowel de beslissing betreffende de hoofdvordering, als de beslissing betreffende de tegenvorderingen, niet gemotiveerd zijn (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).
  9. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis beslist dat een vergoeding wegens genotsderving ten belope van 1.500 BEF per maand vanaf februari 1997, hetzij 33 maanden, volstaat (p. 8 in fine) en dat de rechtbank van oordeel is dat er geen reden is om een totale genotsderving van 8.000 BEF per maand toe te kennen (p. 9). Het bestreden vonnis beslist niettemin dat verweerster de laatste 14 maanden huur (8.000 BEF per maand) niet dient te betalen (zie verwerping van de hoofdvordering) en dat voor wat betreft de genotsderving (33 maanden), "een verrekening dient te gebeuren voor de maanden waarin geen huur werd betaald (14 maanden), hetzij 33 maanden min 14 maanden = 19 maanden à rato van 1.500 BEF per maand = 28.500 BEF of 706,50 Euro" (p. 8 in fine). Grieven Het is tegenstrijdig enerzijds te beslissen dat een genotsderving van 1.500 BEF per maand vanaf februari 1997 (hetzij de laatste 33 maanden) volstaat en dat er geen reden is om een totale genotsderving van 8.000 BEF per maand toe te kennen en anderzijds de genotsderving à 1.500 BEF per maand enkel te berekenen voor 19 maanden huur en voor de overige 14 maanden eisers te ontslaan van de betaling van de volledige huur (8.000 BEF per maand), door de hoofdvordering van eisers te verwerpen, en aldus voor 14 maanden de genotsderving te bepalen op 8.000 BEF i.p.v. 1.500 BEF. Die tegenstrijdige motivering neerkomt op een ontbreken van motivatie, zowel voor wat betreft de beslissing inzake de hoofdvordering als voor wat betreft de beslissing inzake de tegenvordering, in zoverre die betrekking heeft op een vergoeding wegens genotsderving (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).
  10. Vierde middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 1142 tot en met 1151 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis bevestigt het eerste vonnis wat betreft de veroordeling van de eisers tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan zes maanden huur wegens ongeldige opzegging (1.189,89 euro) en een ontbindingsvergoeding gelijk aan drie maanden huur (594,94 euro). Grieven De schadevergoeding wegens ongeldige opzegging door de verhuurder van de huur, is een vergoeding voor schade die de huurder lijdt doordat de verhuurder de huur heeft beëindigd op een ongeldige wijze. De schadevergoeding die de verhuurder aan de huurder verschuldigd is wegens ontbinding ten laste van de verhuurder van de huur, is een vergoeding voor schade die de huurder lijdt doordat de verhuurder, wegens zijn zwaarwichtige tekortkomingen, de huur heeft beëindigd. Beide schadevergoedingen vergoeden dus eenzelfde schade, te weten de schade die de huurder lijdt door de onrechtmatige beëindiging van de huur ingevolge een contractuele tekortkoming van de verhuurder. Voor dezelfde schade, ontstaan ingevolge contractuele tekortkomingen, kan niet tweemaal een vergoeding worden toegekend. Het bestreden vonnis, door aan verweerster en een schadevergoeding wegens ongeldige opzegging en een ontbindingsvergoeding toe te kennen, tweemaal een vergoeding toekent voor dezelfde schade, ontstaan ingevolge contractuele tekortkomingen van de eisers, hetgeen in strijd is met de artikelen 1142 tot en met 1151 van het Burgerlijk Wetboek, die de schadevergoeding wegens niet-nakoming van een verbintenis regelen. IV. Beslissing van het Hof
  11. Eerste middel 1.
  12. Eerste onderdeel Overwegende dat in het geval de partijen verbonden zijn door een wederkerige overeenkomst, een partij de uitvoering van haar verbintenissen vermag op te schorten, indien zij bewijst dat haar medecontractant in gebreke is gebleven diens verbintenissen uit die overeenkomst uit te voeren ; Overwegende dat, krachtens artikel 1184, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, voor het geval dat een van de partijen in een wederkerige overeenkomst haar verbintenis niet nakomt, de partij jegens wie de verbintenis niet is uitgevoerd, de keuze heeft om ofwel de andere partij te noodzaken de overeenkomst uit te voeren ofwel de ontbinding van de overeenkomst te vorderen met schadevergoeding ; Overwegende dat de exceptio non adimpleti contractus niet meer dan een tijdelijke exceptie is die de partij de mogelijkheid geeft de uitvoering van de eigen verbintenissen op te schorten tot op het ogenblik dat de medecontractant haar verbintenissen uitvoert of aanbiedt uit te voeren ; Dat die partij echter van haar verbintenis kan worden bevrijd wanneer de medecontractant definitief in gebreke blijft en de rechter op grond hiervan de ontbinding van de overeenkomst uitspreekt ; Dat het middel faalt naar recht ; 1.
  13. Tweede onderdeel Overwegende dat de appèlrechters, mede onder overname van de redenen van de eerste rechter oordelen dat de eisers niet gerechtigd zijn "nog enige achterstallige huur te vorderen daar het (gehuurde) goed niet voldeed aan de elementaire vereisten van veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid" en dat verweerster wegens die tekortkoming vóór de ontbinding van de overeenkomst gerechtigd was de betaling van de huur op te schorten op grond van de exceptio non adimpleti contractus ; Dat het onderdeel dat berust op een onvolledige lezing van het bestreden vonnis, feitelijke grondslag mist ;
  14. Tweede middel Overwegende dat de appèlrechters zonder de aangevoerde tegenstrijdigheid oordelen dat het gehuurde goed "niet voldeed aan de elementaire vereisten van veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid" ; Dat het middel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis, feitelijke grondslag mist ;
  15. Derde middel Overwegende dat de appèlrechters zonder de aangevoerde tegenstrijdigheid oordelen dat verweerster bevrijd is de huurgelden te betalen en bijkomend gerechtigd is tot schadevergoeding ; Dat het middel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis, feitelijke grondslag mist ;
  16. Vierde middel Overwegende dat de onrechtmatige opzegging van de huurovereenkomst aanleiding kon geven tot andere schade dan deze ten gevolge van de tekortkoming door de verhuurder aan zijn verplichtingen die de ontbinding van de overeenkomst wettigt ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van zevenhonderd negentien euro zeventig cent jegens de eisende partijen en op de som van zeventig euro zesenzeventig cent in debet. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van dertien mei tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040513.16 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000615.7 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031121.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.