id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040517.5 Rolnummer: C.01.0564.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Arbeidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 371 - laatst gezien 2026-07-04 21:39 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het verbod om de werknemersbijdrage voor sociale zekerheid op de werknemer te verhalen geldt niet, wanneer de werkgever de bruto-opzeggingsvergoeding, tot betaling waarvan hij veroordeeld is, ingevolge een rechterlijke beslissing van de beslagrechter moet kantonneren en consigneren, zodat hij alsdan geen inhoudingen kan verrichten. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Werkgever Inning en invordering van bijdragen Werknemersbijdragen Verbod van verhaal van werkgever op werknemer Beperking Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - Art.26,eerste Fiche 2 De tegen een vroegere werknemer ingestelde rechtsvordering tot terugbetaling van het verschil tussen enerzijds, de bruto-opzeggingsvergoeding, tot betaling waarvan de werkgever door een arbeidsgerecht is veroordeeld en die ingevolge een rechterlijke beslissing geconsigneerd is en nadien vrijgegeven in handen van de werknemer, en anderzijds, het netto-gedeelte van de opzeggingsvergoeding is geen vordering die ontstaan is uit de arbeidsovereenkomst, maar wel een vordering die haar oorsprong vindt in de afrekening tussen de partijen bij de uitvoering van de beslissing van het arbeidsgerecht waarin de vorderingen, ontstaan uit de arbeidsovereenkomst, werden beslecht. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - VERJARING Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - VERJARING Werkgever Terugvordering Verschil tussen bruto-opzeggingsvergoeding en netto-gedeelte Afrekening tussen partijen Rechterlijke beslissing Beslagrechter Geen arbeidsrechtelijke beslissing Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art.15,eerste Fiche 3 Wanneer bij gedwongen uitvoering, na een door de beslagrechter bevolen kantonnement en consignatie, het volledig brutobedrag van de opzeggingsvergoeding waartoe de werkgever werd veroordeeld in handen van de werknemer wordt vrijgegeven, kan de werkgever de verplichting tot inhouding van de sociale zekerheidsbijdragen en de bedrijfsvoorheffing niet nakomen en in dit geval mag de werknemer de bijdragen die de werkgever niet kon innen, niet behouden; daaruit volgt dat wanneer de werknemer de bruto-vergoeding voor zich behoudt en de werkgever zich naderhand verplicht ziet de sociale zekerheidsbijdragen op die vergoeding te betalen, er een vermogensverschuiving zonder oorzaak is, doordat de werknemer zich door het behouden van de bruto-vergoeding onrechtmatig heeft verrijkt en de werkgever daardoor onrechtmatig is verarmd. Thesaurus CAS: VERRIJKING ZONDER OORZAAK Vrije woorden: VERRIJKING ZONDER OORZAAK Werknemer Verrijking als gevolg van behoud van bruto-vergoeding Verplichting van werkgever naderhand sociale zekerheidsbijdragen te betalen Onrechtmatige verrijking van werknemer Tekst van de beslissing Nr. C.01.0564.N.- J. L., eiser, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre-Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ESDEEL, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 3670 Meeuwen-Gruitrode, Weg naar As 8, verweerster. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 14 maart 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Bij beschikking van de eerste voorzitter van 20 april 2004 werd deze zaak naar de derde kamer verwezen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Feiten Uit de vaststellingen van het arrest en uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat : 1. verweerster bij arrest van het Arbeidshof te Antwerpen van 19 februari 1991 veroordeeld werd tot het betalen aan eiser van een bruto-opzeggingsvergoeding met interest ; 2. ingevolge een vonnis van de Beslagrechter te Tongeren van 14 juni 1990 verweerster verplicht werd een bedrag van 2.630.591 BEF te kantonneren en te consigneren, wat gebeurde op 30 augustus 1990 ; 3. verweerster met brief van 12 maart 1991 ter kennis bracht dat zij in het arrest van het Arbeidshof te Antwerpen van 19 februari 1991 berustte, dat de geconsigneerde gelden konden vrijgegeven worden, mits specificatie van de bedragen ; 4. de vrijgave van het geconsigneerde bedrag op 25 maart 1991 gebeurde ; 5. eiser het bruto-bedrag met interest voor zich behield ; 6. vermits eiser de bedrijfsvoorheffing, noch de bijdragen voor de sociale zekerheid afrekende, verweerster deze verschuldigde bedragen rechtstreeks overmaakte aan de bevoegde instanties, dit tot beloop van 766.488 BEF in hoofdsom ; IV. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift vijf middelen aan. 1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 26 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ; - de artikelen 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel inzake de vermogensverschuiving zonder oorzaak. Aangevochten beslissing Het hof van beroep veroordeelt eiser, na te hebben vastgesteld bij de omschrijving van het voorwerp van verweersters oorspronkelijke vordering, dat "het hier kennelijk om een vordering op grond van onverschuldigde betaling, minstens op grond van vermogensverschuiving zonder oorzaak (gaat)" en na te hebben vastgesteld dat verweerster bij een bij voorraad uitvoerbaar vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 29 september 1989 veroordeeld werd tot betaling van een opzeggingsvergoeding van 2.275.875 BEF, dat een bedrag van 2.630.591 BEF (zijnde het bedrag van 2.275.875 BEF verhoogd met intresten) gekantonneerd werd en geconsigneerd op 30 augustus 1990, dat bij arrest van 19 februari 1991 van het Arbeidshof te Antwerpen voor recht werd gezegd dat eiser gerechtigd was op een opzeggingsvergoeding van 2.601.000 BEF, en dat op 25 maart 1991 ten voordele van eiser een bedrag van 2.621.642 BEF werd vrijgegeven, zijnde de geconsigneerde gelden verminderd met de kosten van kantonnement en consignatie, en na te hebben overwogen dat "de betwisting welke thans wordt voorgelegd te maken heeft met de onderlinge afrekening tussen partijen ingevolge de tussengekomen uitspraken en gesteund is, zoals reeds aangehaald, op de onverschuldigde betaling en/of de vermogensverschuiving zonder oorzaak", tot betaling aan verweerster van 989.420 BEF verhoogd met gerechtelijke intresten, en tot betaling van een schadevergoeding van 50.000 BEF wegens tergend en roekeloos hoger beroep, verhoogd met gerechtelijke intresten, en veroordeelt eiser tevens tot de kosten van het hoger beroep, op volgende gronden : "... dat (eiser) verder betoogt dat de vordering hoe dan ook ongegrond is, tenminste voor zover deze betrekking heeft op de terugvordering van de R.S.Z. bijdragen en dat hij hiertoe verwijst naar artikel 23, ,§ 1, en artikel 26 van de wet van 27 juni 1969 op de maatschappelijke zekerheid, waarin gesteld wordt dat de bijdragen van de werknemer door de werkgever bij iedere betaling van het loon wordt ingehouden en dat de werkgever de werknemersbijdragen niet mag verhalen op de werknemer, indien hij zou hebben nagelaten de inhoudingen ten gepaste tijde te verrichten ; dat de werkgever inderdaad bij iedere loonuitbetaling het loon dient te verminderen met de werknemersbijdragen voor sociale zekerheid ; dat ingevolge het vonnis van de arbeidsrechtbank (verweerster) weliswaar het volledig bruto-bedrag heeft geconsigneerd én betaald aan (eiser), R.S.Z. bijdrage en bedrijfsvoorheffing inbegrepen ; dat er in casu evenwel geen sprake is van enige nalatigheid in hoofde van (verweerster, nu zij kennelijk en in tegenstelling tot wat (eiser) beweert, haar verplichtingen opzichtens R.S.Z. en Schatkist heeft uitgevoerd, zoals blijkt uit de bijgebrachte stukken ; dat (eiser) zich ten onrechte verschuilt achter de niet overhandiging door (verweerster) van de sociale documenten bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, om alzo de teveel ontvangen bedragen in te houden ; dat, zoals reeds aangehaald, uit de bijgebrachte stukken blijkt dat (eiser) kennelijk wél tijdig in het bezit werd gesteld van loonafrekening en bewijs van RSZ betaling ; dat hoe dan ook de aflevering van de sociale documenten door de werkgever er enkel toe strekt de werknemer in staat te stellen na te gaan of de werkgever alle te betalen bedragen heeft overgemaakt en om na te gaan of de bijdragen voor sociale zekerheid en bedrijfsvoorheffing correct werden ingehouden ; dat, zoals reeds aangehaald, uit de bijgebrachte stukken ook blijkt dat (verweerster) deze bijdragen en bedrijfsvoorheffing wel degelijk heeft betaald aan R.S.Z. en Schatkist ; dat (eiser) zelf de R.S.Z. bijdragen en bedrijfsvoorheffing op de ontvangen vergoeding niet heeft doorgestort, zodat hij -door het in bezit houden van deze bedragen- zich onrechtmatig heeft verrijkt ; dat hij dan ook gehouden is tot terugbetaling van het teveel betaalde aan (verweerster), zijnde 766.488 BEF in hoofdsom, overeenkomstig de -op zich niet betwiste afrekening van (verweerster)- zoals overigens terecht ook de eerste rechter oordeelde". Grieven 1.1. Eerste onderdeel In zoverre de vordering van verweerster ingewilligd werd op grond van het voorhanden zijn van een onverschuldigde betaling, krachtens de artikelen 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek, is de terugvordering van het onverschuldigd betaalde slechts aan twee voorwaarden onderworpen, te weten een betaling en het onverschuldigd karakter ervan. Een betaling is onterecht als blijkt dat zij zonder oorzaak is. Het hof van beroep stelt te dezen expliciet vast en tussen partijen werd niet betwist dat de betaling die verweerster aan eiser had verricht, waardoor hij in het bezit was gekomen van een bedrag van 2.601.000 BEF, het gevolg was van twee rechterlijke beslissingen, te weten eerst het bij voorraad uitvoerbaar vonnis van 29 september 1989 van de Arbeidsrechtbank te Tongeren en vervolgens het arrest van 19 februari 1991 van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, die uitspraak deden op eisers vordering tot het bekomen van een opzeggingsvergoeding. Deze betalingen zijn derhalve geenszins zonder oorzaak gebeurd en konden dienvolgens niet als onverschuldigde betalingen worden opgevat. Hieruit volgt dat het hof van beroep, voor zover het eisers veroordeling op een onverschuldigde betaling grondt, de artikelen 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek schendt. 1.2. Tweede onderdeel In zoverre de vordering van verweerster ingewilligd werd op grond van het voorhanden zijn van een vermogensverschuiving zonder oorzaak, dient te worden vastgesteld dat, opdat er sprake zou kunnen zijn van een vermogensverschuiving zonder oorzaak, onder meer de afwezigheid van een rechtsgrond vereist wordt voor de verarming die een partij ondergaat ten voordele van een andere partij. Het hof van beroep stelt te dezen expliciet vast en tussen partijen werd niet betwist dat de betaling die verweerster aan eiser had verricht, waardoor hij in het bezit was gekomen van een bedrag van 2.601.000 BEF, het gevolg was van twee rechterlijke beslissingen, te weten eerst het bij voorraad uitvoerbaar vonnis van 29 september 1989 van de Arbeidsrechtbank te Tongeren en vervolgens het arrest van 19 februari 1991 van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, die uitspraak deden op eisers vordering tot het bekomen van een opzeggingsvergoeding. Er kan aldus niet worden voorgehouden dat er geen rechtsgrond bestond voor de verarming die verweerster ingevolge de betaling had ondergaan, Hieruit volgt dat het hof van beroep, voor zover het eisers veroordeling op een vermogensverschuiving zonder oorzaak grondt, het desbetreffende algemeen rechtsbeginsel schendt. 1.3. Derde onderdeel Overeenkomstig artikel 26, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, mag de werkgever op de werknemer niet de werknemersbijdrage verhalen waarvan hij de inhouding ten gepaste tijde zou nagelaten hebben te verrichten. Het arrest schendt die bepaling door te oordelen dat eiser, werknemer, de werknemersbijdrage voor sociale zekerheid die hem door verweerster, zijn werkgever, werd uitbetaald, aan verweerster verschuldigd is. Hieraan doet de omstandigheid dat de werkgever de betreffende sociale zekerheidsbijdragen uiteindelijk ook aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid heeft overgemaakt, geen afbreuk. Hieruit volgt dat het hof van beroep niet wettig eiser tot terugbetaling van deze bijdragen kon veroordelen (schending van artikel 26 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Aangevochten beslissing Het hof van beroep oordeelt dat verweersters vordering niet verjaard was, en veroordeelt vervolgens eiser tot betaling van 989.420 BEF verhoogd met gerechtelijke intresten, en tot betaling van een schadevergoeding van 50.000 BEF wegens tergend en roekeloos hoger beroep, verhoogd met gerechtelijke intresten, en veroordeelt eiser tevens tot de kosten van het hoger beroep, op volgende gronden : "... dat (eiser) in de eerste plaats stelt dat de vordering verjaard zou zijn ; dat hij zich hierbij steunt op artikel 15 van de wet van 3 juni 1978, dat bepaalt dat de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het eindigen van deze overeenkomst ; dat artikel 15 evenwel betrekking heeft op de rechtsvorderingen die uit de (arbeids)overeenkomst ontstaan, terwijl dit in casu kennelijk niet het geval is ; dat de betwisting betreffende de (beëindiging van
- de)arbeidsovereenkomst definitief geregeld werd bij arrest van het Arbeidshof te Antwerpen van 19 februari 1991 en dat de betwisting welke thans wordt voorgelegd te maken heeft met de onderlinge afrekening tussen partijen ingevolge de tussengekomen uitspraken en gesteund is, zoals reeds aangehaald, op de onverschuldigde betaling en/of de vermogensverschuiving zonder oorzaak ; dat het hier niet meer gaat om een arbeidsrechterlijke betwisting doch dat het de terugvordering betreft van bedragen welke (verweerster) wettelijk verplicht was te betalen aan de R.S.Z. en aan de Schatkist en welke zij ten onrechte tevens aan (eiser) betaald heeft ; dat er derhalve van verjaring geen sprake is". Grieven Het hof van beroep stelt dat de betwisting te maken heeft met de onderlinge afrekening tussen partijen ingevolge de tussengekomen uitspraken. Het hof van beroep verwijst daarbij naar het arrest van het Arbeidshof van 19 februari 1991. De betwisting heeft derhalve te maken met arbeidsrechterlijke uitspraken. Aan de orde was, in het verzoekschrift tot hoger beroep van (eiser). "VII. De betwisting aanhangig gemaakt voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren en ingevolge huidig verzoekschrift voorgelegd aan het hof van beroep, betreft eigenlijk de opzeggingsvergoeding ingevolge een opzeggingstermijn van 21 maanden, zoals vastgesteld door de Arbeidsrechtbank van Tongeren 26 september 1989 en na beroep van (eiser), verhoogd tot een opzeggingstermijn van 24 maanden, ingevolge het arrest van het Arbeidshof te Antwerpen van 19 februari 1991. Het is duidelijk dat deze vergoeding onderworpen is aan de wetgeving inzake maatschappelijke zekerheid en dat de wet op de arbeidsovereenkomsten van toepassing is. Artikel 82, ,§ 2, van de Arbeidsongevallenwet (wet 3 juli 1978) voorziet, dat de duur van de opzeggingstermijn vastgesteld wordt, hetzij bij overeenkomst, hetzij door de rechter. Het is duidelijk dat indien de rechter geroepen wordt tot bepaling van de opzeggingstermijn, zoals in casu, dit geen afbreuk doet aan de toepasselijkheid van de arbeidswetgeving in haar geheel. Het kan niet ernstig betwist worden, dat huidige procedure onmiddellijk verband houdt met en de nasleep is van een arbeidsgeschil". Zoals door het hof van beroep zelf vastgesteld, streefde verweerster de betaling na lastens eiser van bedragen die de sociale zekerheidbijdragen en de bedrijfsvoorheffing vertegenwoordigden die verschuldigd waren op de opzeggingsvergoeding waartoe zij jegens eiser was veroordeeld en die zij, in uitvoering van rechterlijke beslissingen had betaald. Overeenkomstig artikel 15, eerste lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten verjaren de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden. Opdat een rechtsvordering uit een arbeidsovereenkomst ontstaat, volstaat het dat de vordering zonder de arbeidsovereenkomst niet kon ontstaan. De verplichting tot betaling van sociale zekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing op een opzeggingsvergoeding is het gevolg van het bestaan van een arbeidsovereenkomst, zoals blijkt uit de artikelen 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers (wat de sociale zekerheidsbijdragen betreft) en uit artikel 270, enig lid, 1°, van het Wetboek op de Inkomstenbelastingen 1992 of 180, enig lid, 1° van het Wetboek op de Inkomstenbelastingen (oud), wat de bedrijfs-voorheffing betreft. Slechts bij onregelmatige beëindiging van een arbeidsovereenkomst moet tot betaling van een opzeggingsvergoeding en het doorstorten van sociale zekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing worden overgegaan. Het hof van beroep stelde vast dat de arbeidsrelatie van eiser eindigde op 10 november 1988. De vordering waarover het hof van beroep uitspraak diende te doen, werd ingeleid bij dagvaarding van 1 april 1994, zijnde méér dan één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst, zonder dat de rechter vaststelt dat er gronden waren tot stuiting of schorsing van de verjaringstermijn bedoeld bij artikel 15 van de genoemde Arbeidsovereenkomstenwet. Aan de orde was, in het verzoekschrift tot hoger beroep van (eiser) : "VIII. Uit de reeds hoger geciteerde handlichting van 12 maart 1991 (...) blijkt, dat (verweerster) de zaak wilde afsluiten, hetgeen nochtans niet belet dat zij drie jaar later, namelijk op 1 april 1994, een nieuwe vordering inleidt, dan wanneer de beschikking van de Beslagrechter van 24 december 1992 een einde stelde aan de betwisting, (...) IX. In zijn conclusies en aanvullende conclusies voor de eerste rechter heeft (eiser) zich beroepen op artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 (...), en voorgehouden dat het in casu ging om een rechtsvordering uit een overeenkomst, die verjaart één jaar na het eindigen van deze overeenkomst". En in de aanvullende conclusies van 15 oktober 1998 van (eiser) : "De rechtsvorderingen die uit een arbeidsovereenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het eindigen van die overeenkomst. De definitieve beschikking van 24 december 1992 van de Beslagrechter van Tongeren, betekend op 17 februari 1993, is toch wel het definitieve einde van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Hoe kan eiseres in eerste aanleg dan nog vorderen meer dan één jaar nadat deze beschikking kracht van gewijsde heeft". Het hof van beroep stelde vast : "- bij arrest van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, van 19 februari 1991 werd voor recht gezegd dat J. gerechtigd is op 2.601.000 BEF bruto en (...) ; - op 25 maart 1991 werd het bedrag van 2.621.642 BEF in opdracht van de N.V. Esdeel vrijgegeven ten voordele van J. (...) ; - opnieuw werd op verzoek van J. het bewarend beslag (...) omgezet in een uitvoerend beslag met nieuwe verkoopdag van 16 december 1991, waartegen opnieuw verzet door de N.V. Esdeel (...) ; - bij beschikking van de Beslagrechter te Tongeren van 24 december 1992 werd het (uitvoerend) beslag gelicht (...)" ; Deze beschikking werd betekend op 17 februari 1993 en er werd geen hoger beroep ingesteld. Het hof van beroep stelde tevens vast dat de arbeidsrelatie van eiser eindigde op 10 november 1988. De vordering waarover het hof van beroep uitspraak diende te doen, werd ingeleid bij dagvaarding van 1 april 1994, zijnde meer dan één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst, alsook meer dan één jaar na de betaling van 25 maart 1991 en de beschikking van de Beslagrechter met kracht van gewijsde, zonder dat de rechter vaststelt dat er gronden waren tot stuiting of schorsing van de verjaringstermijn bedoeld bij artikel 15 van de genoemde Arbeidsovereenkomstenwet. Hieruit volgt dat het hof van beroep niet wettig kon oordelen dat de vordering van verweerster niet verjaard was (schending van artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). 3. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 19, 23, 24, 25, 26, 28, 569, enig lid, 5°, en 1395 van het Gerechtelijk wetboek, Aangevochten beslissingen Het hof van beroep veroordeelt eiser in de bestreden beslissing tot betaling van 989.420 BEF verhoogd met gerechtelijke intresten en tot betaling van een schadevergoeding van 50.000 BEF wegens tergend en roekeloos hoger beroep, verhoogd met gerechtelijke intresten, en veroordeelt eiser tevens tot de kosten van het hoger beroep, na te hebben vastgesteld " -partijen voerden een procedure voor de Arbeidsrechtbank te Tongeren naar aanleiding van een betwisting ingevolge het beëindigen van de arbeidsrelatie van J. per 10 november 1988 ; - bij vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 29 (lees : 26) september 1989 werd de N.V. Esdeel veroordeeld tot betaling van een opzeggingsvergoeding van 2.275.875 BEF + afgifte van de sociale en fiscale bescheiden (...). Dit vonnis was uitvoerbaar bij voorraad ; - dit vonnis werd betekend op 7 november 1989 en er werd hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis op 5 december 1989 ; - ondertussen werd weliswaar bewarend beslag gelegd ten verzoeke van (eiser) van 27 november 1989 omgezet in een uitvoerend beslag van 15 februari 1990, waartegen verzet op 2 maart 1990 en waarbij door de N.V. Esdeel een aanbod werd gedaan tot kantonnement en tot consignatie van de som van 2.275.875 BEF ; - bij beschikking van de Beslagrechter te Tongeren van 14 juni 1990 werd het uitvoerend beslag opgeheven onder voorwaarde van kantonnement van voormeld bedrag van 2.275.875 BEF ; - bij arrest van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, van 19 februari 1991 werd voor recht gezegd dat (eiser) gerechtigd is op 2.601.000 BEF bruto en werd voor het overige het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank bevestigd ; - opnieuw werd op verzoek van (eiser) het bewarend beslag van 27 november 1989 omgezet in een uitvoerend beslag met nieuwe verkoopdag (...) ; - bij beschikking van de Beslagrechter te Tongeren van 24 december 1992 werd het (uitvoerend) beslag gelicht (...)". Grieven Overeenkomstig artikel 569, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek, behoort de tenuitvoerlegging van de vonnissen en arresten tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg. De beslagrechter is bevoegd, luidens artikel 1395 van het Gerechtelijk Wetboek, inzake alle vorderingen betreffende bewarende beslagen en middelen tot tenuitvoerlegging. Te dezen maakte verweerster na de betekening ten verzoeke van eiser, van het arrest van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, van 19 februari 1991, een vordering aanhangig bij de beslagrechter, waarbij zij in gebreke bleef de individuele rekening over te maken ter verantwoording van de inhoudingen inzake R.S.Z. en bedrijfsvoorheffing. De Beslagrechter te Tongeren verwees in zijn beschikking van 24 december 1992 naar het vonnis van 26 september 1989 van de Arbeidsrechtbank te Tongeren en naar het arrest van 19 februari 1991 van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, en statueerde over alle aspecten van uitvoering daarvan. Door de Beslagrechter werd tevens voor recht gezegd dat eiser niet nog bijkomend aanspraak kon maken op verdere uitbetalingen en handlichting werd bevolen van het in uitvoerend beslag omgezette bewarend beslag. Betreffende de af te dragen delen van de vergoeding aan R.S.Z. en fiscus werd de werkgever opgedragen hieromtrent verantwoording af te leggen door middel van door de wet voorgeschreven sociale en fiscale documenten. Verweerster liet deze beschikking van de beslagrechter betekenen wat, bij ontstentenis van hoger beroep aldus leidde tot de kracht van gewijsde van deze beslissing. Verweerster stelde vervolgens meer dan een jaar later bij dagvaarding van 1 april 1994 opnieuw eisen in dat verband, zodat de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren en later het Hof van Beroep te Antwerpen uitspraak deden over een betwisting waarover een ander rechter, te dezen de beslagrechter, reeds uitspraak had gedaan en zijn rechtsmacht hierover had uitgeput. Eiser voerde in zijn verzoekschrift tot hoger beroep aan dat uit de handlichting van het uitvoerend beslag van 12 maart 1991 bleek dat verweerster de zaak wilde afsluiten, "hetgeen nochtans niet belet dat zij drie jaar later, namelijk op 1 april 1994, een nieuwe vordering inleidt, dan wanneer de beschikking van de Beslagrechter van 24 december 1992 een einde stelde aan de betwisting (...)". Eiser stelde in zijn aanvullende conclusie in hoger beroep van 15 oktober 1998 dat "de definitieve beschikking van 24 december 1992 van de Beslagrechter van Tongeren, betekend op 17 februari 1993, toch wel het definitieve einde (
- is)van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Hoe kan (verweerster) dan nog vorderen meer dan één jaar nadat deze beschikking kracht van gewijsde heeft (?)". Het gezag van rechterlijk gewijsde verhindert luidens artikel 25 van het Gerechtelijk Wetboek dat de vordering opnieuw wordt ingesteld. Hieruit volgt dat het arbeidshof het gezag van rechterlijk gewijsde miskent door opnieuw uitspraak te doen over een punt van de vordering waarover reeds definitief was beslist door een ander rechter (schending van de artikelen 19, 23, 24, 25, 26 en 28 van het Gerechtelijk wetboek en voor zoveel als nodig van de artikelen 569, enig lid, 5° en 1395 van het Gerechtelijk Wetboek). 4. Vierde middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 19, 23, 24, 25, 26 en 28 van het Gerechtelijk Wetboek ; - de artikelen 16 en 21 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten ; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek ; - artikel 21 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep oordeelt na te hebben vastgesteld dat "bij vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 29 (lees : 26) september 1989 de N.V. Esdeel veroordeeld (werd) tot betaling van een opzeggingsvergoeding van 2.275.875 BEF + afgifte van de sociale en fiscale bescheiden (...). Dit vonnis was uitvoerbaar bij voorraad". - dat "ook de individuele rekening thans voor het eerst in graad van beroep (wordt) bijgebracht (stuk 13 bundel (verweerster), waarvan (eiser) evenwel beweert dat dit stuk overigens niet zou beantwoorden aan het document dat overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 augustus 1980 bedoeld werd in het vonnis van de arbeidsrechtbank" ; - dat "(eiser) zich ten onrechte verschuilt achter de niet overhandiging door (verweerster) van de sociale documenten bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst (...)" ; - en dat "uit de bijgebrachte stukken blijkt dat (eiser) kennelijk wél tijdig in het bezit werd gesteld van de loonafrekening en bewijs van RSZ-betaling (...)"; en veroordeelt eiser tot betaling van 989.420 BEF verhoogd met gerechtelijke intresten en tot betaling van een schadevergoeding van 50.000 BEF wegens tergend en roekeloos hoger beroep, verhoogd met gerechtelijke intresten, en veroordeelt eiser tevens tot de kosten van het hoger beroep. Grieven De afgifte van de individuele rekening maakt integraal deel uit van de uitvoering van het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 26 september 1989, bevestigd door het arrest van 19 februari 1991 van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, en is de uitsluitende plicht van de werkgever. Te dezen lag aldus de naleving van de verplichting van de werkgever ten aanzien van de werknemer ter beoordeling voor, waarbij de verplichtingen van de werkgever ten opzichte van de overheidsinstanties niet kunnen worden tegengesteld aan de werknemer. Inhoudingen op de opzeggingsvergoeding, zegge loon, zonder verantwoording met de 'individuele rekening' vormt een miskenning van het gezag van rechterlijk gewijsde. De werkgever is gehouden door artikel 21 van de Arbeidsovereenkomstenwet, luidens hetwelk hij verplicht is bij het einde van de arbeidsovereenkomst de werknemer alle sociale bescheiden te overhandigen. De werkgever is tevens gehouden tot naleving van de voorschriften van het koninklijk besluit van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten, en moet dienvolgens overeenkomstig artikel 21, wanneer hij enig loon of enig ander bedrag na de beëindiging van de overeenkomst aan de werknemer uitbetaalt, aan deze laatste binnen de twee daaropvolgende maanden een afschrift bezorgen van de rekening betreffende die betaling. Overeenkomstig artikel 16, ,§1, 7°, van ditzelfde koninklijk besluit vermeldt de individuele rekening per uitbetalingsperiode de sommen betaald of verschuldigd aan de werknemer en bepaalde gegevens voor de berekening van het bedrag van het loon en van elk ander bedrag dat aan de werknemer verschuldigd is, zoals het bedrag van de werknemersbijdragen voor sociale zekerheid (d), het bedrag van de bedrijfsvoorheffing (
- g)en het bedrag van het loon en van elke andere som na aftrek van de bijdrage voor sociale zekerheid en van de bedrijfsvoorheffing (h). Zoals door eiser aangevoerd (verzoekschrift tot hoger beroep p. 10, IX), moet de werkgever aldus de afhoudingen die hij doet, legitimeren door de individuele rekening. Zoals door het hof van beroep vastgesteld, bracht verweerster voor het eerst in graad van beroep, te weten in 1998, haar stuk 13 bij. Het hof van beroep vat dit stuk ten onrechte op als een individuele rekening, terwijl dit stuk het opschrift "projectfiche" draagt en doorstreept. Dit stuk maakt derhalve geen "individuele rekening" uit en verplichtte de werkgever tot niets. Het hof van beroep was gehouden te oordelen over de authenticiteit van de voorgelegde stukken en met name na te gaan of deze voldeden aan de vereisten van de documenten waarvan de afgifte bevolen werd door de Arbeidsrechtbank te Tongeren en door het Arbeidshof te Antwerpen. De handelwijze van de werkgever was derhalve arbitrair nu hij zich, zoals door eiser aangevoerd niet gedroeg naar de tussengekomen rechterlijke beslissingen. Bij ontstentenis van de individuele rekening was de werkgever gehouden de opzeggingsvergoeding te voldoen à 2.601.000 BEF en bleef hij dienvolgens aan de werknemer het saldo van 525.810 BEF verschuldigd, verhoogd met intresten, Hieruit volgt dat het hof van beroep alle in het middel vermelde wetbepalingen schendt. 5. Vijfde middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1072bis (zoals ingevoerd bij wet van 3 augustus 1992), 1403, 1404 en 1405 van het Gerechtelijk Wetboek ; - artikel 1378 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep veroordeelt eiser in de bestreden beslissing tot betaling van 989.420 BEF verhoogd met gerechtelijke intresten en tot betaling van een schadevergoeding van 50.000 BEF wegens tergend en roekeloos hoger beroep, verhoogd met gerechtelijke intresten, en veroordeelt eiser tevens tot de kosten van het hoger beroep, na te hebben vastgesteld : - "per brief van 15 februari 1993 en op verzoek van de raadsman van (eiser) werden aan deze laatste overgemaakt : - loonfiche 281.1 - bijdragebon Z&I met refertes van aangifte fiscale en sociale bijdrage (stuk 6 bundel (eiser)) - ook de individuele rekening wordt thans voor het eerst in graad van beroep bijgebracht (stuk 13 bundel (verweerster) (...)" ; en na te hebben geoordeeld : - "dat de eerste rechter evenwel ten onrechte geen uitspraak deed over de eis betreffende de interesten ... waarvoor (verweerster) incidenteel hoger beroep instelt" ; - "... dat (eiser) bij tegeneis ook nog een schadeloosstelling vordert die hij schat op 350.000 BEF, zijnde de vergoeding "voor het hem aangedane nadeel", wegens het voeren van diverse procedures (...) ; dat (eiser) niet eens aantoont welke deze "kosten" wel zouden zijn en welke "schade" hij wel zou hebben opgelopen (...)" ; - en "... dat (eiser), door spijts de niets aan duidelijkheid te wensen overlatende stukken en spijts de pertinente motivering van het bestreden vonnis en door het opnieuw poneren van de in eerste aanleg aangehaalde bewering dat (verweerster) (haar) verplichtingen opzichtens R.S.Z. en bedrijfsvoor-heffing nooit zou zijn nagekomen, zonder hiertoe enig bijkomend bewijs te leveren, een proceshouding aanneemt die getuigt van kwade trouw". Grieven Zoals uit de aanvoeringen van het derde middel tot cassatie moge blijken, middel dat hier voor herhaald wordt beschouwd, werden ten onrechte twee procedures gevoerd. Zoals uit de aanvoeringen van het vierde middel tot cassatie moge blijken, middel dat hier voor herhaald wordt beschouwd, behoort het aan de meest gerede partij toe, te dezen, de werkgever, de correcte stukken over te leggen. Overeenkomstig artikel 1378 van het Burgerlijk Wetboek moet alleen hij die ontvangen heeft te kwader trouw, niet alleen het kapitaal teruggeven, doch ook de intresten. Eiser is ingevolge het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren van 6 november 1997 overgegaan tot consignatie van 1.002.995 BEF op 5 december 1997. Consignatie geldt als betaling, en dit bedrag bevindt zich ingevolge de artikelen 1403, 1404 en 1405 van het Gerechtelijk Wetboek niet meer in het patrimonium van eiser. Dit getuigt niet van kwade trouw en eiser vermocht dienvolgens hoger beroep aan te tekenen. Hieruit volgt dat het hof van beroep ten onrechte eiser tot een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep veroordeelt (schending van alle in het middel aangehaalde wetsbepalingen). V. Beslissing van het Hof 1. Eerste middel 1.1. Eerste onderdeel Overwegende dat het arrest de vordering van verweerster toekende op grond van verrijking zonder rechtmatige oorzaak ; Dat het onderdeel dat ervan uitgaat dat het arrest zijn beslissing op een onverschuldigde betaling grondt, feitelijke grondslag mist ; 1.2. Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel aanvoert dat de betaling aan eiser door verweerster van de bruto-opzeggingsvergoeding een rechtmatige oorzaak had, namelijk de veroordelingen door de Arbeidsrechtbank te Tongeren bij vonnis van 26 september 1989 en door het Arbeidshof te Antwerpen bij arrest van 19 februari 1991, zodat hij niet veroordeeld kon worden tot terugbetaling van een deel van de bedragen op grond van verrijking zonder rechtmatige oorzaak ; Overwegende dat de veroordeling van de werkgever tot betaling aan zijn werknemer van de bruto-opzeggingsvergoeding niet belet dat de werkgever bij de vrijwillige uitvoering van deze veroordeling regelmatig, gelet op de wettelijke verplichtingen in dit verband, de socialezekerheidsbijdragen en de bedrijfsvoorheffing inhoudt en doorstort naar de bevoegde instanties en slechts het netto-gedeelte aan de werknemer overmaakt ; Dat evenwel wanneer bij gedwongen uitvoering, na een door de beslagrechter bevolen kantonnement en consignatie, het volledig brutobedrag in handen van de werknemer wordt vrijgegeven, de werkgever de verplichting tot inhouding van de socialezekerheidsbijdragen en de bedrijfsvoorheffing niet kan nakomen ; Dat in dit geval de werknemer de bijdragen die de werkgever niet kon innen, niet mag behouden ; Dat daaruit volgt dat wanneer de werknemer de bruto-vergoeding voor zich behoudt en de werkgever zich naderhand verplicht ziet de sociale zekerheidsbijdragen op die vergoeding te betalen, er een vermogensverschui-ving zonder oorzaak is, doordat de werknemer zich door het behouden van de bruto-vergoeding onrechtmatig heeft verrijkt en de werkgever daardoor onrechtmatig is verarmd ; Dat het onderdeel dat ervan uitgaat dat er in dergelijk geval een rechtmatige verrijking is van de werknemer en geen onrechtmatige verarming van de werkgever, faalt naar recht ; 1.3. Derde onderdeel Overwegende dat, naar luid van artikel 26, eerste lid, van de Sociale Zekerheidswet van 29 juni 1967, de werkgever de werknemersbijdrage waarvan hij de inhouding te gepaste tijde zou nagelaten hebben te verrichten, niet op de werknemer mag verhalen ; Overwegende dat deze wetsbepaling niet van toepassing is wanneer de werkgever de bruto-opzeggingsvergoeding, tot betaling waarvan hij veroordeeld is, ingevolge een rechterlijke beslissing van de beslagrechter moet kantonneren en consigneren, zodat hij aldan geen inhoudingen kan verrichten ; Dat de werkgever aldus niet nalatig is ; Dat het onderdeel faalt naar recht ; 2. Tweede middel Overwegende dat, overeenkomstig artikel 15, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, de rechtsvorderingen die uit de arbeidsovereenkomst ontstaan, één jaar na het eindigen van deze overeenkomst verjaren of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden ; Overwegende dat de tegen een vroegere werknemer ingestelde rechtsvordering tot terugbetaling van het verschil tussen enerzijds, de bruto-opzeggingsvergoeding, tot betaling waarvan de werkgever door een arbeidsgerecht is veroordeeld en die ingevolge een rechterlijke beslissing geconsigneerd is en nadien vrijgegeven in handen van de werknemer, en anderzijds, het netto-gedeelte van de opzeggingsvergoeding, geen vordering is die ontstaan is uit de arbeidsovereenkomst, maar wel een vordering die haar oorsprong vindt in de afrekening tussen de partijen bij de uitvoering van de beslissing van het arbeidsgerecht waarin de vorderingen, ontstaan uit de arbeidsovereenkomst, werden beslecht ; Dat het middel faalt naar recht ; 3. Derde middel Overwegende dat het vonnis van de Beslagrechter te Tongeren van 24 december 1992 de opheffing beval van een beslag, dit naar aanleiding van de gedwongen uitvoering van het arrest van het Arbeidshof te Antwerpen van 19 februari 1991, maar geen definitieve afrekening tussen de partijen vastlegde, noch uitspraak deed over de door de verweerster ingestelde vordering tot teruggave van bedragen, waarover het bestreden arrest uitspraak doet ; Dat het middel feitelijke grondslag mist ; 4. Vierde middel Overwegende dat het middel een aantal wettelijke bepalingen met verschillende inhoud als geschonden aanwijst en niet uitlegt hoe en waardoor het arrest die bepalingen schendt ; Dat het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk is ; 5. Vijfde middel Overwegende dat het middel gedeeltelijk afgeleid is uit de in het derde en vierde middel tevergeefs aangevoerde grieven ; Overwegende dat het middel voorts opkomt tegen een feitelijke beoordeling van de appèlrechters ; Dat het middel niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van vijfhonderd vierendertig euro elf cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van zeventien mei tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040517.5 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221017.3N.7 ECLI:BE:CTBRL:2025:ARR.20251022.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div