← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040517.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040517.6 Rolnummer: S.03.0054.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 551 - laatst gezien 2026-07-04 22:23 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het bestaan van een arbeidsovereenkomst mag bewezen worden door alle middelen rechtens en meer bepaald ook door de uitvoering die er door de partijen aan gegeven is. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEGRIP. BESTAANSVEREISTEN. VORM - Begrip en bestaansvereisten Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEGRIP. BESTAANSVEREISTEN. VORM - Begrip en bestaansvereisten Overeenkomst voor handelsvertegenwoordiging Bewijs Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art.4,eerstel Fiche 2 Het tegenbewijs van het in artikel 4, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet gestelde vermoeden volgt niet uit de loutere gemeenschappelijke bedoeling van de partijen om een overeenkomst van zelfstandige vertegenwoordiging te sluiten en uit het feit dat de partijen zich gedurende de hele periode van tewerkstelling niet als door een arbeidsovereenkomst verbonden hebben geacht; zolang niet is vastgesteld dat de omstandigheden van werkelijke uitvoering van de overeenkomst de gezagsverhouding uitsluiten kan een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordiging worden bepaald op grond van het in artikel 4, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet gestelde vermoeden, ook al hadden de partijen een andere bedoeling of hun overeenkomst anders gekwalificeerd of zich bij de uitvoering van de overeenkomst als niet verbonden door een arbeidsovereenkomst hebben geacht. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEGRIP. BESTAANSVEREISTEN. VORM - Begrip en bestaansvereisten Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEGRIP. BESTAANSVEREISTEN. VORM - Begrip en bestaansvereisten Overeenkomst voor handelsvertegenwoordiging Bewijs Tegenbewijs Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art.4,tweedel Tekst van de beslissing Nr. S.03.0054.N.-

  1. ARTON-STUDIO coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijk-heid, met vennootschapszetel te 9000 Gent, Meibloemstraat 16, ingeschreven in het handelsregister te Gent onder nummer 154.236,
  2. ARTON, naamloze vennootschap, met vennootschapszetel te 9051 Sint-Denijs-Westrem, Krijzeltand 4, ingeschreven in het handelsregister te Gent onder nummer 181.464, eiseressen, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen D.G., verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 28 januari 2003 gewezen door het Arbeidshof te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseressen voeren in hun verzoekschrift drie middelen aan.
  3. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1108 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek - de artikelen 1, 2, 3, 4 en, voor zoveel als nodig, 20, 3°, en 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing oordeelt het arbeidshof dat de Arbeidsrechtbank te Kortrijk in het vonnis a quo terecht de vordering van verweerder tegen tweede eiseres ontvankelijk heeft verklaard en heropent het ambtshalve de debatten teneinde partijen, tweede eiseres dus inbegrepen, opnieuw te horen en hen toe te laten nader te concluderen over de door verweerder gevorderde bedragen, op grond van de volgende motieven : "
  4. Nopens de ontvankelijkheid van de vordering ten aanzien van de tweede (eiseres). (Eiseressen) stellen incidenteel beroep in tegen het eerste vonnis voor zover geoordeeld werd dat de vordering van (verweerder) gericht tegen de tweede (eiseres) ontvankelijk is. Zij stellen dat er enkel een contractuele band was tussen (verweerder) en de eerste (eiseres) maar niet met de tweede (eiseres). Op basis van de door de (verweerder) voorgelegde stukken (31 en 34) kan, volgens (eiseressen), enkel afgeleid worden dat er tussen (eiseressen) een samenwerking was en dat (eiseressen) niet altijd een duidelijk onderscheid hebben gemaakt tussen hun respectievelijke activiteiten. Uit de stukken voorgelegd door (verweerder) blijkt dat hij van de tweede (eiseres) instructies kreeg en door tweede (eiseres) aan makelaars voorgesteld werd als commercieel afgevaardigde. Het is dan ook duidelijk dat, terwijl met de eerste (eiseres) de oorspronkelijke overeenkomst werd gesloten, deze overeenkomst eveneens uitgevoerd werd met de later opgerichte N. V., die ook als opdrachtgever optrad (tweede (eiseres)). Zeer terecht heeft de eerste rechter de vordering gericht tegen de tweede (eiseres) eveneens ontvankelijk verklaard". Grieven Artikel 1108 van het Burgerlijk Wetboek vereist voor het geldig bestaan van een overeenkomst, de toestemming van de partij die zich verbindt, haar bekwaamheid contracten aan te gaan, een bepaald voorwerp als inhoud van de verbintenis en een geoorloofde oorzaak van verbintenis. Alleen overeenkomsten die de partijen wettig aangingen, strekken hen, krachtens artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek, tot wet. Door eiseressen werd voor het arbeidshof aangevoerd dat tussen verweerder en tweede eiseres geen contractuele band bestond. Het arbeidshof stelt enkel vast dat uit de stukken voorgelegd door verweerder blijkt dat hij van tweede eiseres instructies kreeg en door tweede eiseres aan makelaars werd voorgesteld als commercieel afgevaardigde. Daaruit kan het niet wettig afleiden dat "de oorspronkelijke overeenkomst" met eerste eiseres "eveneens uitgevoerd werd met" de tweede eiseres, minstens niet wettig beslissen dat de eerste rechter de vordering gericht tegen de tweede eiseres zeer terecht ontvankelijk heeft verklaard. Het arbeidshof beslist niet wettig dat de eerste rechter de vordering van verweerder gericht tegen de tweede eiseres ontvankelijk heeft verklaard (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde wettelijke bepalingen).
  5. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1134 en 1315 van het Burgerlijk Wetboek ; - artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek ; - de artikelen 1, 2, 6, en, voor zoveel als nodig, 18 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst ; - de artikelen
  6. 2, 3, 4, en, voor zoveel als nodig, 20, 3° en 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing stelt het arbeidshof, recht sprekend over de hoofdvordering van verweerder, vast dat bewezen is dat de overeenkomst tussen partijen een arbeidsovereenkomst was en dat het vonnis a quo van de Arbeidsrechtbank te Kortrijk dient vernietigd te worden en verklaart het het hoger beroep van verweerder ontvankelijk en heropent het ambtshalve de debatten teneinde partijen opnieuw te horen en hen toe te laten nader te concluderen over de door verweerder gevorderde bedragen, op grond van de volgende motieven : "4.
  7. De vordering van (verweerder) berust op de veronderstelling dat (verweerder) met (eiseressen) verbonden was door een arbeidsovereenkomst. (Eiseressen) betwisten dit voorhoudend dat (verweerder) tewerk was gesteld als zelfstandige, krachtens een agentuurovereenkomst d.d. 3 februari
  8. Het recht van de arbeidsrechter om aan de gesloten overeenkomst haar juiste kwalificatie te geven en desgevallend voorbij te gaan aan het feit dat de partijen zich tijdens het bestaan van deze overeenkomst door een aannemingsovereenkomst, een agentuurovereenkomst of een andere overeenkomst tot het verrichten van een zelfstandige bedrijvigheid verbonden hebben geacht, kan niet betwist worden (Cass., 15 februari 1982, RW., 1982-83, 2210 ; Cass. 10 december 1984, Arr, Cass., 1984-85,492; Cass., 7 september 1992, Arr. Cass. 1991-077), wat niet wegneemt dat de bewijslast bij die partij ligt die voorhoudt dat de door de partijen gegeven kwalificatie niet met de werkelijkheid overeenstemt (vgl. Arbh. Brussel, 26 oktober 1990, Rechtspr. Arb. Br., 1991, 33). Indien de (verweerder) voorhoudt dat er een arbeidsovereenkomst bestond, dient hij dit bijgevolg te bewijzen. In deze aangelegenheid is het geheel irrelevant dat (verweerder) zich aan het Sociaal Statuut der Zelfstandigen heeft onderworpen, B.T.W.-plichtig zou zijn geweest, bezoldigingen als zelfstandige heeft ontvangen en aan de fiscus heeft aangegeven dan wel of hij in het handelsregister was ingeschreven (Cass., 13 apri1 1992, Arr. Cass., 1991-92, 776; Cass., 7 september 1992, Arr. Cass., 1991-92, 1077, Arbh. Gent, 17 juni 1991, J. T. T., 1993, 318). Op grond van artikel 6 van de Arbeidsovereenkomstenwet, betreffende het dwingend karakter ervan, kunnen de partijen niet zelf beslissen over de toepasselijkheid van het sociaal recht, en is er een arbeidsovereenkomst, wanneer arbeid gepresteerd wordt, tegen betaling van loon, onder gezag van een ander persoon (
  9. Vanachter, Arbeid in ondergeschikt verband, Or.,
  10. 35). Aangezien partijen niet zelf beslissen over de toepasselijkheid van het sociaal recht, acht het arbeidshof het in deze aangelegenheid irrelevant het feit dat partijen zich gedurende de hele periode van tewerkstelling niet als door een arbeidsovereenkomst verbonden hebben geacht. Hetzelfde geldt met betrekking tot het feit dat de (verweerder) op eigen initiatief en/of in akkoord met (eiseressen) als zelfstandige in dienst trad. Dat (verweerder) na het einde van de arbeidsverhouding de juridische toestand aan de door hem beweerde werkelijke toestand wil aanpassen, is een risico dat (eiseressen) konden incalculeren en houdt geen onaanvaardbare houding in van (verweerder). Van belang is dus of (verweerder) tewerkgesteld was in ondergeschikt verband onder het gezag van (eiseressen) of van hun lasthebbers. Tewerkstelling in ondergeschikt verband onder het gezag van de werkgever impliceert dat de werkgever op permanente wijze het recht heeft om gezag uit te oefenen, dat hij de juridische mogelijkheid daartoe heeft, onafgezien of hij daar op bestendige wijze gebruik van maakt (C. Engels, Het ondergeschikt verband naar Belgisch recht, Brugge, Die Keure, 1989, 101 e. v. en de aldaar uitvoerig geciteerde rechtspraak). Het bestaan van een band van ondergeschiktheid vereist niet dat er ook daadwerkelijke leiding en toezicht - uitingsvormen van het gezag - gegeven worden (Cass. 18 mei 1981, Arr. Cass. 1980-81, 1080). Een zekere vrijheid bij het verrichten van arbeid sluit evenmin het bestaan van een arbeidsovereenkomst uit. Bij de beoordeling of de overeenkomst al dan niet een arbeidsovereenkomst is moet de rechter zijn beslissing steunen op een onderzoek van de concrete feitelijke toestand, aan de hand van feitelijke gegevens van de zaak. Het bestaan van een arbeidsovereenkomst of van een zelfstandigenstatuut hangt immers af van een geheel van feitelijke elementen die elk afzonderlijk beschouwd niet doorslaggevend zijn, doch waarvan een samengaan al of niet wijst in de richting van de ondergeschiktheid. Er kan geen argument geput worden uit het feit dat de geschreven overeenkomst, in casu deze van 3 februari 1994, niet als een arbeidsovereenkomst werd bestempeld. Het is mogelijk tegen een geschrift te bewijzen dat er een band van ondergeschiktheid was (zie Cass., 7 september 1992, voornoemd). Krachtens de beginselen die de bewijsvoering beheersen behoort het aan (verweerder) om de voor een arbeidsovereenkomst kenmerkende gezagsverhouding te bewijzen. Krachtens de artikelen 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 is de arbeidsovereenkomst de overeenkomst waarbij een werknemer zich ertoe verbindt tegen loon, onder gezag van een werkgever, arbeid te verrichten. 4.
  11. De 'agentuurovereenkomst' van 3 februari 1994 werd volgens haar bepalingen gesloten tussen (verweerder) en de C. V. Arton (principaal). Volgens de overeenkomst werd (verweerder) aangeworven als zelfstandig agent voor de vertegenwoordiging van diverse diensten die door de eerste (eiseres) aangeboden werd, namelijk het uitwerken van minnelijke regelingen en de integrale uitvoering van expertises bij schadegevallen aan roerende en/of onroerende goederen zowel voor fysieke als voor rechtspersonen en al wat daarmee rechtstreeks of onrechtstreeks verband houdt. Er werd uitdrukkelijk overeengekomen dat de agent zijn opdrachten uitoefent "buiten elk dienstverband" en in volle onafhankelijkheid. Hij legt contacten op zijn wijze en volgens een zelf gekozen tijdsindeling. Alle documenten en briefwisseling, gevoerd tussen Principaal en Agent, dienen aanzien te worden als onontbeerlijk werkinstrument om partijen toe te laten hun opdracht conform hun verbintenissen uit te voeren. Onder geen enkele omstandigheid kunnen zij geïnterpreteerd worden als een aanwijzing die op enige gezagverhouding zou wijzen (artikel 5 agentuurovereenkomst). 4.
  12. De vraag is dus of er uit de bepalingen van de overeenkomst en uit de wijze waarop ze werd uitgevoerd blijkt dat achter de agentuurovereenkomst een arbeidsovereenkomst tussen (eiseressen) en (verweerder) schuil ging. Het is de juridische ondergeschiktheid die op het bestaan van een arbeidsovereen-komst wijst, niet de economische ondergeschiktheid. De mogelijkheid van de opdrachtgever of van de werkgever om gezag uit te oefenen heeft de juridische afhankelijkheid tot gevolg. Volgens (eiseres) bewijst (verweerder) slechts een economische afhankelijkheid. Terwijl de economische afhankelijkheid niet voldoende is om tot het bestaan van een arbeidsovereenkomst te besluiten, is de economische afhankelijkheid toch een belangrijke aanwijzing in de richting van het bestaan van een band van ondergeschiktheid (C. Engels, Het ondergeschikt verband naar Belgisch Recht. Brugge, Die Keure, 1989, 237). 4.
  13. Uit de bepalingen van de geschreven overeenkomst blijkt in ieder geval dat (verweerder) geen eigen onderneming uitbaatte. Hij heeft geen enkele investering gedaan. De (eiseressen) stelden een bedrijfswagen ter beschikking, dat als voordeel in natura werd aangemerkt. Voor het privé-gebruik van de bedrijfswagen betaalde (verweerder) 3.500 BEF. Tenzij voorafgaandelijke toestemming, werd het privé-gebruik uitdrukkelijk beperkt tot een straal van maximum 250 km buiten de woonplaats van (verweerder). Niet naleving van dit verbod werd gesanctioneerd met onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst (artikel 11). (Verweerder) deed niets anders dan zijn arbeid ter beschikking stellen van (eiseressen) en liep geen economisch risico. In de geschreven overeenkomst werd een concurrentieverbod opgelegd aan (verweerder) (artikel 10). Dit houdt voor (verweerder) dus de verplichting in om de ganse werktijd exclusief aan (eiseressen) te besteden. Dit bracht (verweerder) ongetwijfeld niet alleen in een totaal economische afhankelijk-heid, maar is ook een aanwijzing van zijn juridische afhankelijkheid van zijn ondergeschiktheid. De overeenkomst werd intuitu personae gesloten. Er werd niet bedongen dat (verweerder) zich mocht laten vervangen door zelf aangeworven personeel of op eigen initiatief zonder tussenkomst van (eiseressen) door een zelf gekozen vervanger. Wel werd bepaald dat (verweerder) samen met andere agenten, door (eiseressen) aangesteld in andere sectoren, voor permanentie moest zorgen. Uit de feitelijke gegevens kan afgeleid worden dat (verweerder) en zijn collega V. volgens een beurtrol de permanentie van hun beider sector verzorgden. Het werk wordt verricht volgens de instructies van (eiseressen). Er was geen lastenboek. De overeenkomst werd aangegaan voor onbepaalde duur met een proefperiode van 3 maanden. Inzake beëindiging van de overeenkomst werd voor beide partijen een opzeggingstermijn voorzien van 3 maanden. Op deze termijn werden uitzonderingen voorzien, namelijk een opzeggingstermijn van 30 dagen tijdens de proefperiode, een verkorte opzeggingstermijn van één maand voor (eiseressen) indien (verweerder) de minimum omzet niet bereikte en onmiddellijke beëindiging ingeval van dringende reden (zijnde elke inbreuk op de bepalingen van de huidige overeenkomst). Verder werd voorzien dat (eiseressen) ingeval van zware fout, contractbreuk, en/of dringende reden in hoofde van de agent het recht hadden om de overeenkomst onmiddellijk te beëindigen en ook nog een forfaitaire schadevergoeding te eisen (12 maanden commissieloon), meer de vergoeding van de effectief geleden schade indien die hoger zou zijn dan het forfait. De wijze waarop opzegging moest gegeven worden is grotendeels gelijklopend met deze voorzien in de Arbeidsovereenkomstenwet. Alhoewel de bepalingen van de agentuurovereenkomst niet onverenigbaar zijn met een statuut van zelfstandige, zijn er toch sterke aanwijzingen van een gezagsverhouding. Er werden in de geschreven overeenkomst mechanismen ingebouwd die het de (eiseressen) mogelijk maakten controle, gezag en leiding te geven zowel op het gebied van organisatie van het werk, als op het gebied van de uitvoering ervan, als op het gebied van de resultaten. De afwezigheid van uitbating van een eigen onderneming, de afwezigheid van enig economisch risico, de afwezigheid van enige beroepsinvestering, de afwezigheid van verantwoordelijkheid en beslissings-macht om de onderneming rendabel te houden, een minimum inkomengarantie, zijn wel op zichzelf niet determinerend om te besluiten tot het bestaan van een arbeidsovereenkomst, maar vormen wel een sterke aanwijzing daartoe. 4.
  14. Verder stelt het arbeidshof vast dat (verweerder) de verplichting werd opgelegd om dagelijks schriftelijk te rapporteren. In de brief van 15 maart 1995 (stuk 33 (verweerder)), met bijgevoegd model van een weekrapport, luidde deze opdracht als volgt: "De raad van bestuur van Arton Studio cv heeft op 13 maart 1995 beslist dat, (...) voortaan ook de commercieel afgevaardigden een werkrapport dienen op te maken met, in functie van hun opdracht, een specifieke vermelding van : -uur- en dagindeling, - prospectie van tipgevers + gegevens (adres, tel., ... ), - bezoek aan schadelijders + gegevens (adres, tel., makelaar, ...), - bezoek aan makelaars + gegevens (adres, tel., ...), - verplaatsingen - km, - speciale opmerkingen, - onkosten, ...(...) Teneinde U deze taak te vergemakkelijken vindt U ingesloten een weekblad. Gelieve, met ingang van 16 maart 1995, dit week-rapport zo getrouw mogelijk in te vullen en Ons dit elke maandag door te sturen". Zeer terecht merkt (verweerder) op dat zelfs de toon van deze brief geen twijfel laat over het effectief bestaan van een gezagsverhouding. Het werk werd verricht volgens de instructies van (eiseressen), die de mogelijkheid hadden om gezag en controle uit te oefenen en dit ook deden. (Eiseressen) controleerden de arbeid en de resultaten ervan. Het is duidelijk dat (verweerder) geen enkel eigen beleid kon voeren en niet in volle onafhankelijkheid werkte zoals bepaald in de agentuurovereenkomst. Gelet op de laatste zin van deze brief kan het door Arton overgemaakte model niet beschouwd worden als een "richtlijn" om het werk van (verweerder) te vergemakkelijken. Er is geen sprake van organisatie en communicatie in het kader van een zelfstandige samenwerking. maar wel van een tewerkstelling waarbij (verweerder) aan een zeer strikt keurslijf was gebonden. De vermelding van de aanvangstijd of het aanvangsuur waarop een schadelijder bezocht werd, zonder dat de volledige duur moest worden opgegeven, kan niet bedoeld zijn voor facturatie, maar is duidelijk een controlemiddel. De vergelijking met andere zelfstandige beroepen (zoals architecten en advocaten) gaat niet op. Inzake werd geen lastenboek opgesteld en (verweerder) oefent zijn activiteiten niet naar eigen goeddunken uit. Zelfstandige architecten en advocaten verrichten hun beroep niet in een band van juridische ondergeschiktheid. Het feit dat (verweerder) alle inlichtingen waarover hij beschikt moet overmaken aan (eiseressen) is niet onverenigbaar met een statuut van zelfstandige, is op zichzelf niet determinerend en wijst niet noodzakelijk op een juridische afhankelijkheid. Echter in casu houden de verplichtingen met betrekking tot de rapportering en de modaliteit ervan een belangrijke beperking in van de mogelijkheid van (verweerder) zelf te bepalen welke resultaten hij op welke manier wilde bereiken. Deze verplichting maakte niet alleen de controle op de uitvoering van de overeenkomst mogelijk, maar ook op de dagelijkse activiteiten van (verweerder). 4.
  15. Kennelijk verrichtte (verweerder) dezelfde taken op dezelfde wijze als zijn collega V., die door een arbeidsovereenkomst verbonden was. Het zou wel heel vreemd zijn dat aangenomen kan worden dat (verweerder) die taken dan ook kon verrichten zonder eveneens door een arbeidsovereenkomst verbonden te zijn. De vergelijking tussen de arbeidsovereenkomst van de andere handelsagent te werkgesteld bij (eiseressen), namelijk V., en de agentuurovereenkomst toont aan dat er geen wezenlijke verschillen zijn. De agentuurovereenkomst was ook van onbepaalde duur en ook met een proefperiode van 3 maanden. Het werk was hetzelfde en (verweerder) kreeg, evenals zijn collega een sector toegewezen. Dat die sector niet dezelfde was is vanzelfsprekend. Zij moesten op dezelfde manier rapporteren. In tegenstelling met de bewering van (eiseressen), is de clausule opgenomen in artikel 17 van de arbeidsovereenkomst, ook opgenomen in de agentuurovereenkomst, namelijk in artikel
  16. Ook de vergoedingen die zij ontvingen waren vergelijkbaar. Rekening houdend met de kosten en lasten die (eiseressen) voor haar werknemer V. betaalden is het vanzelfsprekend dat (verweerder) bruto een hogere vergoeding ontving dan V.. Terwijl in de agentuurovereenkomst wel werd gestipuleerd dat (verweerder) zijn opdracht conform de overeenkomst en in volle onafhankelijkheid mocht uitvoeren, werd dit niet ingelast in de arbeidsovereenkomst van V., die zich streng moest houden aan de onderrichtingen van de (eiseressen). Dit verschil in bewoording is echter niet dienend aangezien dit punt immers het voorwerp van huidige betwisting uitmaakt. 4.
  17. Ingevolge de 24 uur op 24 permanente dienstverlening kon hij slechts verlof nemen na overleg : Een halve dag verlof of onbeschikbaarheid moest in mindering gebracht worden van de factuur. Dit laatste kadert uiteraard niet in een statuut van zelfstandige en is ook niet conform aan de bepalingen van de agentuurovereenkomst. Ingevolge de permanentie, verzekerd ofwel door (verweerder) ofwel door V. of een zaakvoerder van (eiseressen), was Arton in de mogelijkheid om steeds controle uit te oefenen en werd de vrijheid van (verweerder) met betrekking tot de organisatie van zijn werk dusdanig beperkt dat er een onverenigbaarheid was met een statuut van zelfstandige. 4.
  18. De verplichting in verband met de tipgevers, waarbij de tipgevers van (verweerder) (eiseressen) rechtstreeks moesten contacteren, blijkt ingevoerd te zijn om organisatorische reden, maar impliceert eveneens de mogelijkheid voor de (eiseressen) om controle en gezag uit te oefenen op de werkzaamheden van (verweerder) en op de wijze waarop hij deze verrichtte en uitvoerde. 4.
  19. Het arbeidshof stelt vast, dat spijts de benaming van de overeenkomst, uit de diverse elementen zoals hiervoor omschreven, reeds voldoende bewezen is dat de overeenkomst tussen partijen een arbeidsovereenkomst was, dat de (verweerder) tewerkgesteld was in ondergeschikt verband, dat de (eiseressen) permanent leiding gaven en voortdurend in de mogelijkheid waren gezag uit te oefenen. Het vonnis dient vernietigd te worden". Grieven Krachtens artikel 1 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, hieronder afgekort als Handelsagentuur-overeenkomstwet, is de handelsagentuurovereenkomst een overeenkomst waarbij de ene partij, de handelsagent, door de andere partij, de principaal, zonder dat hij onder diens gezag staat, permanent en tegen vergoeding belast wordt met het bemiddelen en eventueel het afsluiten van zaken in naam en voor rekening van de principaal. De handelsagent deelt zijn werkzaamheden naar eigen goeddunken in en beschikt zelfstandig over zijn tijd. Artikel 6 van de Handelsagentuurovereenkomstwet legt de handels-agent op de belangen van de principaal te behartigen en loyaal en te goeder trouw te handelen. In het bijzonder moet de handelsagent 1° zich naar behoren wijden aan de onderhandelingen over en, in voorkomend geval, aan het afsluiten van de zaken waarmee hij belast is ; 2° aan de principaal alle nodige inlichtingen verschaffen waarover hij beschikt ; 3° de redelijke richtlijnen opvolgen die de principaal hem geeft. Luidens de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, hieronder afgekort als Arbeidsovereenkomstenwet, is een arbeidsovereenkomst een overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon onder gezag van een werkgever arbeid te verrichten. Wanneer de partijen aan hun overeenkomst een kwalificatie hebben gegeven, mag de rechter geen andere kwalificatie in de plaats stellen daarvan indien de feiten die aan zijn beoordeling zijn voorgelegd, niet toelaten de door de partijen gegeven kwalificatie uit te sluiten. Door, op de bladzijde 7 van het bestreden arrest, de uiteenzetting van de eerste rechter met de feitelijke omstandigheden van het geschil te bevestigen en te hernemen, stelt het arbeidshof vast dat - tussen verweerder en eerste eiseres op 3 februari 1994 een agentuurovereenkomst werd gesloten, waarbij bepaald werd dat verweerder als agent zelfstandig actief was in de bemiddeling van de diensten, in dezelfde of gelijkaardige sector van de diensten verstrekt door de principaal, zijnde eerste eiseres ; - artikel 5 van die overeenkomst bepaalde dat verweerder zijn opdracht uitoefende buiten elk dienstverband en in volle onafhankelijkheid. Het arbeidshof stelt voorts rechtstreeks zelf vast dat op 3 februari 1994 tussen verweerder en eerste eiseres een agentuurovereenkomst werd gesloten volgens dewelke - verweerder werd aangeworven als zelfstandig agent voor de vertegenwoordiging van diverse diensten die door eerste eiseres aangeboden werd ; - uitdrukkelijk werd overeengekomen dat de agent zijn opdrachten uitoefent buiten elk dienstverband en in volle onafhankelijkheid ; - de agent contacten legt op zijn wijze en volgens een zelf gekozen tijdsindeling : - alle documenten en briefwisseling gevoerd tussen principaal en agent dienen aangezien te worden als onontbeerlijk werkinstrument om partijen toe te laten hun opdracht conform hun verbintenissen uit te voeren en onder geen enkele omstandigheid kunnen geïnterpreteerd worden als een aanwijzing die op enige gezagsverhouding zou wijzen. Het arbeidshof overweegt dat - het irrelevant is dat partijen zich gedurende de hele periode van tewerkstelling niet door een arbeidsovereenkomst verbonden hebben geacht en dat verweerder op eigen initiatief en/of in akkoord met eiseressen als zelfstandige in dienst was ; - geen argument kan geput worden uit het feit dat de geschreven arbeidsovereenkomst van 3 februari 1994 niet als een arbeidsovereenkomst werd bestempeld. Het arbeidshof beslist dat, spijts de benaming van de overeenkomst, bewezen is dat de overeenkomst tussen partijen een arbeidsovereenkomst was, dat verweerder in ondergeschikt verband was tewerkgesteld, dat eiseressen permanent leiding gaven en voortdurend in de mogelijkheid waren gezag uit te oefenen. 2.1 Eerste onderdeel Het arbeidshof steunt zich voor zijn voornoemde beslissing op de hierboven, in het citaat uit de "Aangevochten beslissing", weergegeven elementen, die in essentie als volgt kunnen worden samengevat : - de economische afhankelijkheid van verweerder, onder meer bestaande in het feit dat hij geen eigen onderneming exploiteerde en enkel zijn arbeid ter beschikking stelde, een concurrentieverbod opgelegd kreeg en een minimum inkomensgarantie genoot ; - de overeenkomst werd intuitu personae gesloten, zonder dat werd bedongen dat verweerder zich mocht laten vervangen ; - het werk werd verricht volgens de instructies van eiseressen, er was geen lastenboek ; - de proeftijd en de wijzen en modaliteiten waarop aan de overeenkomst een einde kon worden gemaakt en het feit dat de wijze waarop opzegging moest worden gegeven, grotendeels gelijklopend is met die bepaald in de Arbeidsovereenkomstenwet ; - de aan de verweerder opgelegde verplichting dagelijks schriftelijk te rapporteren, waarvan de modaliteiten controle mogelijk maken op de uitvoering van de overeenkomst en de dagelijkse activiteiten van verweerder en het feit dat het werk werd verricht volgens de instructies van eiseressen ; - de omstandigheid dat verweerder dezelfde taken op dezelfde wijze verrichte als zijn collega V., die door een arbeidsovereenkomst verbonden was, en de ontstentenis van wezenlijke verschillen tussen die arbeidsovereenkomst en de agentuurovereenkomst ; - de omstandigheid dat verweerder slechts vakantie kon nemen na overleg en dat vakantiedagen in mindering werden gebracht van de factuur ; - de verplichting volgens welke de tipgevers van verweerder eiseressen rechtstreeks dienden te contacteren. De aldus door het arbeidshof vastgestelde omstandigheden kunnen ook, zoals het arbeidshof overigens met betrekking tot een aantal ervan zelf vaststelt, ook gepaard gaan met of bedongen worden in een handelsagentuurovereenkomst of het gevolg zijn van de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen. De door het arbeidshof vastgestelde elementen zijn noch afzonderlijk, noch geheel of gedeeltelijk samen genomen, onverenigbaar met het bestaan van een agentuurovereenkomst en op die grond schuift het arbeidshof dan ook niet wettig de door partijen aan hun overeenkomst gegeven kwalificatie van agentuurovereenkomst terzijde en beslist het niet wettig dat de overeenkomst tussen partijen een arbeidsovereenkomst was (beslist het arbeidshof dan ook niet wettig tot het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen partijen (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde bepalingen). 2.1 Tweede onderdeel Artikel 4, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet omschrijft de arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers als de overeenkomst waarbij een werknemer, de handelsvertegenwoordiger, zich verbindt tegen loon clientèle op te sporen en te bezoeken me het oog op het onderhandelen over en het sluiten van zaken, verzekeringen uitgezonderd, onder het gezag, voor rekening en in naam van een of meer opdrachtgevers. Het tweede lid van artikel 4 van die wet bepaalt dat niettegenstaande elke uitdrukkelijke bepaling van de overeenkomst of bij het stilzwijgen ervan, de overeenkomst gesloten tussen opdrachtgever en tussenpersoon, welke ook de benaming zij, beschouwd wordt als een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers, tenzij het tegendeel wordt bewezen. Volgens het derde lid van dat artikel 4 is naar luid van de Arbeidsovereenkomstenwet geen handelsvertegenwoordiger, de handelsagent die met zijn opdrachtgever verbonden is door een aannemingsovereenkomst in de zin van de wet op de handelsagentuurovereenkomst. Het tegenbewijs van het wettelijk vermoeden van artikel 4 Arbeidsovereenkomstenwet volgt uit de gemeenschappelijke, werkelijke bedoeling van de partijen om een overeenkomst van zelfstandige vertegenwoordiging te sluiten. Uit de stukken van de procedure en de vermeldingen van het bestreden arrest, blijkt dat verweerder zich voor het arbeidshof beriep op het vermoeden van artikel 4, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet en dat eiseressen zich daarop hebben verweerd. Uit de hierboven, in het begin van het middel vermelde vaststellingen van het arbeidshof blijkt dat de partijen de werkelijke bedoeling hadden een handelsagentuurovereenkomst te sluiten en zich gedurende de hele periode van tewerkstelling niet als door een arbeidsovereenkomst verbonden hebben geacht. Het arbeidshof schuift op grond van de gegevens die het vaststelt, niet wettig de door partijen aan hun overeenkomst gegeven kwalificatie van agentuurovereenkomst terzijde en beslist niet wettig dat de overeenkomst tussen partijen een arbeidsovereenkomst was (schending van alle in de aanhef van het middel opgegeven bepalingen).
  20. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1050, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.0 Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de tegenvordering van eerste eiseres, zich bevoegd om te oordelen over die tegenvordering en verklaart het het hoger beroep van verweerder tegen het vonnis a quo van de Arbeidsrechtbank te Kortrijk ontvankelijk en heropent het ambtshalve de debatten teneinde partijen opnieuw te horen en hen toe te laten nader te concluderen over o.m. de tegeneis van eerste eiseres, op grond van de volgende motieven : "4.
  21. Nopens de tegenvordering van eerste (eiseres). De eerste (eiseres) vraagt in conclusies neergelegd ter griffie op 15 juni 2001 om verder te concluderen over haar in eerste aanleg gestelde tegenvordering voor zover het arbeidshof het bestaan van een arbeidsovereenkomst erkent en zich bevoegd zou verklaren op basis van artikel 18 van de agentuurovereenkomst. Aangezien het arbeidshof oordeelt dat (verweerder) met (eiseressen) verbonden was door een arbeidsovereenkomst, is het arbeidshof wel degelijk bevoegd om te oordelen over de tegenvordering van eerste (eiseres), die haar oorzaak vindt in een arbeidsovereenkomst. Met betrekking tot dit punt worden de debatten heropend om partijen toe te laten standpunt in te nemen en te concluderen". Grieven Krachtens artikel 1050, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan tegen een beslissing inzake bevoegdheid slechts hoger beroep worden aangetekend samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis. Het eindvonnis in de zin van die wetsbepaling is een vonnis inzake de ontvankelijkheid of de gegrondheid, uitgesproken door de rechter die zich bevoegd heeft verklaard, dan wel door de als bevoegd aangewezen rechter. De beslissing waarmee de Arbeidsrechtbank te Kortrijk zich in het in eerste aanleg gewezen vonnis ratione materiae onbevoegd verklaart om over de grond van de tegenvordering van eerste eiseres te oordelen en de zaak verwijst naar de bevoegde rechtbank, namelijk de Rechtbank van Koophandel te Gent, is een vonnis inzake bevoegdheid. Verweerder tekende bij verzoekschrift dat hij op 10 april 2001 neerlegde ter griffie van het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, hoger beroep aan tegen het voornoemde vonnis en vorderde onder meer dat de tegenvordering van eerste eiseres onontvankelijk, minstens ongegrond zou worden verklaard. Uit de stukken waarop uw Hof acht mag slaan, blijkt niet en het arbeidshof stelt in het bestreden arrest niet vast dat de Rechtbank van Koophandel te Gent, die als bevoegde rechter werd aangewezen, een vonnis wees over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de tegenvordering van eerste eiseres en in ieder geval is het hoger beroep van verweerder maar aangetekend tegen één vonnis, met name het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Kortrijk van 27 februari 2001 waarin de rechtbank zich onder meer onbevoegd verklaart om van de tegenvordering van eerste eiseres kennis te nemen. De wettelijke regels inzake de ontvankelijkheid van het hoger beroep in burgerlijke zaken raken de openbare orde, zodat eerste eiseres gerechtigd is voor het eerst voor uw Hof de niet-ontvankelijkheid aan te voeren van het hoger beroep van verweerder tegen het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Kortrijk van 27 februari 2001 in de mate dat de arbeidsrechtbank zich in dat vonnis ratione materiae onbevoegd verklaart om over de tegenvordering van eerste eiseres te oordelen. Het arbeidshof kon zich niet wettig bevoegd verklaren om te oordelen over de tegenvordering van eerste eiseres en het hoger beroep van verweerder ontvankelijk verklaren in de mate dat het gericht is tegen de beslissing van de eerste rechter zich ratione materiae onbevoegd te verklaren om over de grond van de tegenvordering van eerste eiseres te oordelen en de zaak te verwijzen naar de Rechtbank van Koophandel te Gent (schending van artikel 1050, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof
  22. Eerste middel Overwegende dat, luidens artikel 4, eerste lid, van de Arbeidsovereen-komstenwet, de arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers de overeenkomst is waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon cliënteel op te sporen en te bezoeken met het oog op het onderhandelen over het sluiten van zaken, verzekeringen uitgezonderd, onder het gezag, voor rekening en in naam van een of meer opdrachtgevers ; Dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst mag bewezen worden door alle middelen rechtens en meer bepaald ook door de uitvoering die er door de partijen aan gegeven is ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat verweerder instructies kreeg van de tweede eiseres en door de tweede eiseres aan makelaars werd voorgesteld als haar commercieel afgevaardigde ; dat zij verder oordelen dat de oorspronkelijk met eerste eiseres gesloten overeenkomst ook door de tweede eiseres werd uitgevoerd en dat de tweede eiseres "ook als opdrachtgever optrad" ; Dat zij door op die gronden het bestaan aan te nemen van een arbeidsovereenkomst tussen verweerder en de tweede eiseres hun beslissing naar recht verantwoorden ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ;
  23. Tweede middel 2.
  24. Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 4, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, niettegenstaande elke uitdrukkelijke bepaling van de overeenkomst of bij stilzwijgen ervan, de overeenkomst gesloten tussen opdrachtgever en tussenpersoon, welke ook de benaming zij, beschouwd wordt als een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers, tenzij het tegendeel bewezen wordt ; Dat hieruit volgt dat de partij die voorhoudt dat de gesloten overeenkomst waarbij hij als tussenpersoon dient op te treden een arbeidsovereenkomst betreft, hiervan het bewijs niet moet leveren, maar dat het de andere partij is die bij betwisting het bewijs moet leveren van de overeenkomst van zelfstandige samenwerking als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet ; dat deze partij dan dient aan te tonen dat de elementen van de overeenkomst en de uitvoering ervan geenszins verenigbaar zijn met een arbeidsovereenkomst en dat er geen gezagsrelatie bestond ; Overwegende dat het arrest vaststelt dat :
  25. verweerder het vermoeden van artikel 4, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet heeft ingeroepen;
  26. sommige van de vastgestelde feitelijke gegevens niet onverenigbaar zijn met een overeenkomst voor zelfstandige samenwerking zoals een agentuurovereenkomst; Overwegende dat het onderdeel, in zoverre het ervan uitgaat dat het tegenbewijs van het in artikel 4, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde vermoeden is geleverd wanneer een aantal van de vastgestelde feitelijke omstandigheden "ook gepaard gaan met of bedongen worden in een agentuurovereenkomst", niet kan worden aangenomen ; 2.
  27. Tweede onderdeel Overwegende dat het tegenbewijs van het in artikel 4, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet gestelde vermoeden niet volgt uit de loutere gemeenschappelijke bedoeling van de partijen om een overeenkomst van zelfstandige vertegenwoordiging te sluiten en het feit dat de partijen zich gedurende de hele periode van tewerkstelling niet als door een arbeidsovereenkomst verbonden hebben geacht ; Dat zolang niet is vastgesteld dat de omstandigheden van werkelijke uitvoering van de overeenkomst de gezagsverhouding uitsluiten, een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordiging kan worden bepaald op grond van het in artikel 4, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet gestelde vermoeden, ook al hadden de partijen een andere bedoeling of hun overeenkomst anders gekwalificeerd of zich bij de uitvoering van de overeenkomst als niet verbonden door een arbeidsovereenkomst hebben geacht ; Dat het onderdeel faalt naar recht ;
  28. Derde middel Overwegende dat, luidens artikel 1050, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, tegen een beslissing inzake bevoegdheid slechts hoger beroep kan worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis ; dat wanneer de beslissing over de bevoegdheid gepaard gaat met een eindvonnis over een ander geschilpunt, hoger beroep kan ingesteld worden samen met het hoger beroep tegen deze eindbeslissing ; Overwegende dat de eerste rechter de hoofdvordering van verweerder ontvankelijk doch ongegrond verklaarde en rechtdoende over de tegenvordering van eiseres, zich onbevoegd verklaarde en de zaak verwees naar de Rechtbank van Koophandel te Gent ; dat tegen dit vonnis door verweerder hoger beroep werd ingesteld ; dat de appèlrechters door dit hoger beroep ontvankelijk te verklaren, artikel 1050, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet schenden ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eiseressen in de kosten. De kosten begroot op de som van tweehonderd tweeëndertig euro zevenenvijftig cent jegens de eisende partijen en op de som van honderd vijfenzestig euro zevenendertig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van zeventien mei tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Joahn Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040517.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070419.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.