id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040525.4 Rolnummer: P.04.0189.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2005-01-11 Raadplegingen: 496 - laatst gezien 2026-07-05 04:01 Versie(s): Vertaling FR Fiche Behoudens de in art. 16 V.T. Sv. bedoelde gevallen is art. 1353 B.W. dat van toepassing is op het bewijs van de verbintenissen, niet van toepassing voor het bewijs van een misdrijf
(1).
(1)Zie Cass., 18 juni 1985, AR 9287, nr
- Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Vermoedens Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Vermoedens Bewijs van misdrijf Toepassing van artikel 1353, B.W. Tekst van de beslissing Nr. P.04.0189.N I. V. K. O., eiser, burgerlijke partij, met als raadsman Mr. Marnix Moerman, advocaat bij de balie te Gent, tegen
- D. B. T., verweerder, beklaagde,
- AXA ROYALE BELGE, naamloze vennootschap, verweerster, vrijwillig tussengekomen partij, vertegenwoordigd door Mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cas-satie. II. D. B. T., reeds vermeld, eiser, beklaagde en burgerlijke partij, tegen V. K. O., reeds vermeld, verweerder, beklaagde. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis, op 16 december 2003 in hoger beroep gewezen door de Correctionele Rechtbank te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eiser sub I stelt in een verzoekschrift en in een memorie drie de-zelfde middelen voor. Dit verzoekschrift en die memorie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. De eiser sub II stelt geen middel voor. IV. Beslissing van het Hof A. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiser sub II Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat het cassatieberoep van de eiser sub II als burgerlijke partij werd betekend; Dat het cassatieberoep in zoverre niet ontvankelijk is; B. Onderzoek van de middelen
- Eerste en tweede middel Overwegende dat de rechter in strafzaken onaantastbaar oordeelt of de ten laste gelegde misdrijven al dan niet bewezen zijn; Overwegende dat artikel 1353 Burgerlijk Wetboek, dat van toepassing is op het bewijs van de verbintenissen, behoudens de in artikel 16 Vooraf-gaande Titel Wetboek van Strafvordering bedoelde gevallen die zich hier niet voordoen, niet van toepassing is voor het bewijs van een misdrijf; Dat de middelen, die enkel schending van die wetsbepaling aanvoeren, falen naar recht;
- Derde middel Overwegende dat, zoals blijkt uit het antwoord op het eerste en het tweede middel, het middel, in zoverre het schending van artikel 1353 Burger-lijk Wetboek aanvoert, faalt naar recht; Overwegende dat eiser met de in het middel aangehaalde argumenten telkens geen afzonderlijk middel heeft beoogd maar enkel heeft geargumenteerd ter ondersteuning van zijn verweer dat niet hij, maar T. D. B. op het andere rijvak dan het voor hem bestemde rijvak reed; dat het bestreden vonnis dit verweer beantwoordt met de redenen op het twaalfde tot het veertiende blad; Dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist; C. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de tegen de eiser sub II ingestelde strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorges-chreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de cassatieberoepen; Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van driehonderd eenendertig euro vijfenveertig cent, waarvan
- op het cassatieberoep van O. v. K.: zevenendertig euro veertien cent verschuldigd en tweehonderd zevenentwintig euro zestien cent door eiser betaald, en
- op het cassatieberoep van T. D. B.: zevenendertig euro vijftien cent verschuldigd en dertig euro door eiser betaald. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in open-bare terechtzitting van vijfentwintig mei tweeduizend en vier, door afdeling-svoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040525.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160921.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070626.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div