← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040525.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040525.6 Rolnummer: P.04.0568.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2005-11-08 Raadplegingen: 879 - laatst gezien 2026-07-05 03:53 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De in art. 473, eerste lid, Sw. bedoelde blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid is de gedeeltelijke of gehele blijvende onbekwaamheid om eender welke bezigheid uit te oefenen, terwijl de invaliditeit een toestand is welke een gedeeltelijke of gehele vermindering van de fysieke of psychische integriteit teweegbrengt; de enkele omstandigheid dat een slachtoffer ingevolge geweld of bedreiging een blijvende invaliditeit ondergaat, houdt niet in dat dit geweld hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking tot gevolg heeft

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: DIEFSTAL EN AFPERSING Vrije woorden: DIEFSTAL EN AFPERSING Diefstal door middel van geweld of bedreiging Verzwarende omstandigheid Blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid Fiche 2 Concl. adv.-gen. DE SWAEF, Cass., 25 mei 2004, AR P.04.0568.N, A.C., 2004, nr ... Thesaurus CAS: DIEFSTAL EN AFPERSING Vrije woorden: DIEFSTAL EN AFPERSING Diefstal door middel van geweld of bedreiging Verzwarende omstandigheid Blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid Nota: P.04.0568.N Conclusie van het Openbaar Ministerie inzake het verzoek tot regeling van rechtsgebied uitgaande van de Procureur des Konings te Antwerpen inzake A.A. en anderen
  1. A.A. en anderen werden door de Raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen bij beschikking van 10 juni 2003 naar de correctionele rechtbank verwezen wegens twee feiten, beide diefstallen met geweld of bedreiging met verzwarende omstandigheden zoals bedoeld in de art. 471 en 472 Sw. De Correctionele Rechtbank te Antwerpen stelde bij tussenvonnis een deskundige aan. Na kennisneming van het deskundigenverslag oordeelt de correctionele rechtbank in het vonnis van 23 januari 2004 dat uit het deskundigenonderzoek blijkt dat een slachtoffer "met een blijvende invaliditeit van twee procent aanpassingsstoornis behept blijft". De rechtbank overweegt voorts dat deze verzwarende omstandigheid niet gekend was bij de verwijzing door de raadkamer naar de correctionele rechtbank terwijl zij nochtans belang heeft bij een juiste omschrijving van de feiten overeenkomstig art. 473 Sw. Zij verklaart zich vervolgens onbevoegd voor de feiten der telastlegging A, stelt vast dat de feiten van de telastlegging B samenhangend zijn en stelt de behandeling van de zaak wat telastlegging B betreft, onbepaald uit. Het verzoek tot regeling van rechtsgebied doet de vraag rijzen naar de precieze betekenis van één van de elementen van de verzwarende omstandigheid bedoeld in art. 473 Sw. Deze bepaling voorziet in een strafverzwaring wanneer het geweld of de bedreiging "hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende fysische of psychische ongeschiktheid, hetzij het volledige verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft". In deze zaak is aan de orde de draagwijdte van het begrip "een blijvende fysische of psychische ongeschiktheid".
  2. Het oorspronkelijke art. 473 Sw. voorzag in dezelfde verzwarende omstandigheid als art. 400 Sw. voor opzettelijke slagen en verwondingen. De strafverzwaring was aldus toepasselijk indien het geweld of de bedreiging "hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, hetzij het volledige verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking" tot gevolg had. Deze verzwarende omstandigheid van art. 473 Sw. werd gewijzigd door de wet van 2 juli 1975.
(1)Het begrip "blijvende fysische of psychische ongeschiktheid" kwam in de plaats van "blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid". Art. 347bis, ,§ 4, 1°, Sw., waarvan de oorspronkelijke tekst eveneens door de wet van 2 juli 1975 werd ingevoerd, voorziet in dezelfde verzwarende omstandigheid. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 2 juli 1975 blijkt dat de wetgever niet echt is stilgestaan bij deze wijziging. Het ontwerp van wet bevatte deze wijziging niet.
(2)In de Senaatscommissie werd evenwel gewezen op het feit dat diefstal met geweld of bedreiging dikwijls een "aantasting van de psychische integriteit" tot gevolg heeft en dat art. 473 Sw. in dat geval niet uitdrukkelijk voorziet in een strafverzwaring.
(3)Deze opwerping werd niet overtuigend beantwoord door de opmerking dat die aantasting van de psychische integriteit zou vallen onder het begrip "verminking". Uiteindelijk besliste de Commissie de woorden "een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid" te vervangen door "een blijvende fysische of psychische ongeschiktheid".
(4)3. Moet uit deze wetsgeschiedenis blijken dat het begrip "een blijvende fysische of psychische ongeschiktheid" een ruimere draagwijdte heeft dan het begrip "een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid"? Deze vraag werd bij mijn weten nog niet aan het Hof voorgelegd.
(5)De literatuur wijst erop dat het gewijzigde art. 473 Sw. "modifications de détail" t.o.v. het oorspronkelijke artikel bevat
(6)of voorziet in een verzwarende omstandigheid die "vrij analoog" is aan de in art. 400 Sw. vermelde verzwarende omstandigheid.
(7)De vraag is delicaat, niet het minst omdat ook het begrip "blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid" zich niet gemakkelijk laat omschrijven.
(8)Deze moeilijkheid is overigens niet eigen aan het strafrecht. Ook het gemeenrechtelijke schadevergoedingsrecht worstelt met de vraag wat precies moet worden verstaan onder begrippen zoals "invaliditeit", "ongeschiktheid" en "arbeidsongeschiktheid". De rechtspraak van het Hof in verband met art. 399 Sw. met betrekking tot de (tijdelijke) ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid en art. 400 Sw. met betrekking tot de blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid geeft een aantal aanwijzingen (hierna nrs. 4 en 5). 4. Ten eerste: het Hof maakt op terminologisch vlak doorgaans geen onderscheid tussen de begrippen "blijvende arbeidsongeschiktheid" (incapacité permanente de travail) en "blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid" (incapacité permanente de travail personnel").
(9)Zo besliste het Hof inzake een regeling van rechtsgebied dat de vaststelling door de rechter dat de opzettelijke slagen en verwondingen een "blijvende arbeidsongeschiktheid" ten gevolge hebben, de toepassing van art. 400 Sw. meebrengt.
(10)In dezelfde zin besliste het Hof:
(11)dat de rechter niet zonder tegenstrijdigheid de beklaagde kan veroordelen met toepassing van art. 399 Sw. en tevens op civielrechtelijk vlak een deskundige kan aanstellen met als opdracht "het percentage en de duur na te gaan van de arbeidsongeschiktheid (...) en die eventueel van blijvende aard zal zijn", wat de "eventualiteit van een blijvende arbeidsongeschiktheid" niet uitsluit;
(12)dat de rechter niet zonder tegenstrijdigheid de beklaagde kan veroordelen met toepassing van art. 399 Sw. en tevens op civielrechtelijk vlak een deskundige kan aanstellen met als opdracht "het percentage en de duur vast te stellen van de arbeidsongeschiktheid (...) die eventueel van blijvende aard zal zijn", wat impliceert dat de benadeelde mogelijk "arbeidsongeschikt zal blijven";
(13)dat de rechter niet zonder tegenstrijdigheid de beklaagde kan veroordelen met toepassing van art. 400 Sw. en tevens op civielrechtelijk vlak een deskundige kan aanstellen met als opdracht "een verslag op te maken omtrent de verwondingen en de letsels alsook de evolutie ervan tot de genezing of de consolidatie" en "het percentage en de duur van de (...) arbeidsongeschiktheid te bepalen", wat "de mogelijkheid openlaat dat de verwondingen geen blijvende arbeidsongeschiktheid tot gevolg hebben gehad";
(14)dat de rechter niet zonder tegenstrijdigheid de beklaagde kan veroordelen met toepassing van art. 399 Sw. en tevens op civielrechtelijk vlak een deskundige kan aanstellen met als opdracht o.a. de duur van de tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid na te gaan, wat de "eventualiteit van een blijvende arbeidsongeschiktheid die in de bewezen verklaarde feiten niet is begrepen" niet uitsluit;
(15)dat de rechter niet zonder tegenstrijdigheid de beklaagde kan veroordelen met toepassing van art. 399 Sw. en tevens op civielrechtelijk vlak een deskundige kan aanstellen met als opdracht o.a. de eventuele "blijvende invaliditeit te ramen (...) alsmede alle andere blijvende gevolgen der letsels te bepalen", omdat de rechter "aldus de eventualiteit van een blijvende arbeidsongeschiktheid of een ander door de strafwet voorzien blijvend gevolg van de slagen of verwondingen" aanneemt;
(16)dat de rechter niet zonder tegenstrijdigheid de beklaagde kan veroordelen met toepassing van art. 399 Sw. en tevens op civielrechtelijk vlak een deskundige kan aanstellen met als opdracht "het verloop te beschrijven van de letsels en de ongemakken die het slachtoffer had opgelopen en overhoudt, en de graad en periodes van ongeschiktheid alsook de datum van genezing of consolidatie te bepalen en vast te stellen in hoeverre die letsels en ongemakken voor het slachtoffer een blijvende handicap betekenen in de uitoefening van zijn beroep", wat de "mogelijkheid van een blijvende arbeidsongeschiktheid" impliceert;
(17)dat de rechter niet zonder tegenstrijdigheid de beklaagde kan veroordelen met toepassing van art. 400 Sw. en tevens op civielrechtelijk vlak een deskundige kan aanstellen met als opdracht o.a. "de graad van de mogelijke blijvende arbeidsongeschiktheid" te bepalen, omdat dit de mogelijkheid openlaat dat de toegebrachte slagen en verwondingen geen "blijvende arbeidsongeschiktheid" tot gevolg hebben gehad;
(18)dat de rechter niet zonder tegenstrijdigheid de beklaagde kan veroordelen met toepassing van art. 398 Sw. en tevens op civielrechtelijk vlak een deskundige kan aanstellen met als opdracht "de duur van de volledige en de duur en de graad van de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid te bepalen" en "indien in de toekomst een verdere evolutie van de blijvende arbeidsongeschiktheid te verwachten is, een datum te bepalen voor een mogelijke herziening", omdat die beslissing impliceert dat de opzettelijk toegebrachte slagen en verwondingen "arbeidsongeschiktheid" en "eventueel zelfs blijvende arbeidsongeschiktheid" tot gevolg hebben.
(19)In dezelfde zin kunnen nog worden vermeld: een arrest waarin het Hof erop wijst dat hoewel de begrippen invaliditeit (invalidité) en arbeidsongeschiktheid (incapacité professionnelle) wezenlijk van elkaar verschillen, aangezien de tweede niet noodzakelijk volgt uit de eerste, de rechter van geval tot geval op grond van de omstandigheden van de zaak, die hij in feite en dus op onaantastbare wijze beoordeelt, moet nagaan of de door de slagen veroorzaakte invaliditeit al dan niet een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hebben gehad; de rechter kan bijgevolg de beklaagde niet veroordelen met toepassing van art. 400 Sw. op de enkele grond dat een blijvende invaliditeit het bestaan van een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid impliceert, zonder na te gaan of de invaliditeit een blijvende arbeidsongeschiktheid (incapacité permanente de travail) tot gevolg heeft gehad;
(20)een arrest waarin het Hof oordeelt dat de rechter die o.a. vaststelt dat de door de gerechtsdeskundige erkende blijvende arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd door een medisch attest, aldus het bestaan van een "werkelijke ongeschiktheid" vaststelt; de graad ervan heeft dan geen invloed op het bestaan van de verzwarende omstandigheid bedoeld in art. 400, eerste lid, Sw.
(21)Weliswaar zijn er een aantal arresten waarin het Hof niet spreekt over "blijvende arbeidsongeschiktheid" zonder meer, maar verwijst naar art. 400 Sw. of de terminolgie van die bepaling overneemt:
(22)volgens een arrest van 21 november 1989 kan de rechter niet zonder tegenstrijdigheid de beklaagde veroordelen met toepassing van art. 399 Sw. en tevens op civielrechtelijk vlak een deskundige aanstellen met als opdracht de duur van de blijvende of tijdelijke arbeidsongeschiktheid te bepalen, omdat dit "de eventualiteit van een blijvende arbeidsongeschiktheid, in de zin van artikel 400 van het Strafwetboek, die in de bewezen verklaarde feiten niet is begrepen, impliceert";
(23)volgens een arrest van 30 maart 1994 is tegenstrijdig de beslissing die de beklaagde veroordeelt met toepassing van art. 399 Sw. en tevens op civielrechtelijk vlak een deskundige aanstelt met als opdracht o.a. "het percentage van de blijvende arbeidsongeschiktheid" te bepalen omdat die opdracht "de mogelijkheid openlaat dat de slagen of verwondingen een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid hebben veroorzaakt of een ander in het Strafwetboek bepaald blijvend gevolg dat niet in het bewezen verklaarde misdrijf is begrepen".
(24)5. Ten tweede: het Hof maakt een onderscheid tussen de begrippen "invaliditeit" en "ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid". De omstandigheid dat slagen slechts een tijdelijke en niet een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hebben gehad, sluit niet uit dat die slagen niettemin een blijvende invaliditeit tot gevolg hebben gehad.
(25)Omgekeerd kan uit de vaststelling dat de slagen een blijvende invaliditeit hebben teweeggebracht, niet worden afgeleid dat de slagen een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hebben gehad.
(26)6. Wat de art. 399 en 400 Sw. betreft, dient nog te worden vermeld dat, aangezien de wet geen onderscheid maakt, m.i. de oorzaak van de blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid zowel fysiek als psychisch kan zijn.
(27)Hiermee is niet in tegenspraak de rechtspraak van het Hof volgens dewelke "aanhoudende psychotrauma's die leed veroorzaken en met therapeutische middelen moeten worden behandeld" een ziekte zijn in de zin van de artikelen 399 of 400 Sw.
(28)De vraag of die ziekte ook een (in dit geval psychische) ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid impliceerde, behoefde bijgevolg geen antwoord. Ook de andere in art. 400 Sw. vermelde verzwarende omstandigheden (volledig verlies van het gebruik van een orgaan, zware verminking) staan overigens los van de ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid
(29), al lijkt het evident dat zij doorgaans zo een ongeschiktheid tot gevolg hebben. 7. Waarin ligt het hierboven vermelde onderscheid tussen invaliditeit, ongeschiktheid en arbeidsongeschiktheid?
(30)Invaliditeit is, zo wordt algemeen aangenomen, een medisch begrip. In zijn ruimste betekenis bestaat invaliditeit in elke aantasting van de fysieke of psychische integriteit. Die aantasting kan van louter anatomische aard zijn (b.v. een borsttrauma zonder functionele weerslag) maar ook een functionele weerslag hebben. Een invaliditeit met functionele weerslag, dit is een invaliditeit op functioneel vlak, houdt in dat de betrokkene beperkingen ondervindt bij het verrichten van activiteiten. De Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van Invaliditeit (O.B.S.I.) geeft een omschrijving van het begrip invaliditeit op functioneel vlak: invaliditeit is "een toestand welke een gedeeltelijke of gehele vermindering van de fysische of psychische integriteit teweegbrengt. Elke valide mens kan zijn vermogens, krachten en bewegingen op volkomen wijze doen samenwerken om ze aan een activiteit dienstbaar te maken. Het is deze validiteit welke als vergelijkingspunt geldt om te bepalen in welke mate zij door kwetsuren, gebrekkigheden of ziekten kan verminderd zijn". Indien het begrip invaliditeit op functioneel vlak wordt betrokken op een bepaalde activiteit, wordt gesproken over ongeschiktheid, dit is de (gehele of gedeeltelijke) ongeschiktheid tot het verrichten van die activiteit. In zoverre de ongeschiktheid wordt bepaald ten aanzien van alle activiteiten, valt de aldus bepaalde ongeschiktheid samen met de invaliditeit op functioneel vlak. De ongeschiktheid kan echter ook worden bepaald ten aanzien van arbeidsverrichtingen. In dat geval wordt gesproken over arbeidsongeschiktheid. Het gaat dan nog steeds over de mate van aantasting van het fysiek (of psychisch) functioneren met betrekking tot arbeidsverrichtingen. Men spreekt bijgevolg soms duidelijkheidshalve over fysieke arbeidsongeschiktheid. De arbeidsverrichtingen moeten niet noodzakelijk beroepsarbeid betreffen maar kunnen ook betrekking hebben op dagelijkse arbeidsverrichtingen, zoals bijvoorbeeld huishoudelijke arbeid. Deze (fysieke) arbeidsongeschiktheid is te onderscheiden van het begrip "arbeidsongeschiktheid" als vergoedbaar schadebestanddeel in het gemeenrechtelijke schadevergoedingsrecht. Dit begrip verwijst immers naar de (althans in principe) concrete economische weerslag van de invaliditeit en niet naar de fysieke of psychische aantasting als zodanig. 8. Wat bedoelde de wetgever in 1867 met het begrip "ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid"? Uit de memorie van toelichting blijkt dat de wetgever dacht aan de ongeschiktheid tot het verrichten van lichamelijke arbeid in het algemeen, abstractie makend van de gewoonlijke arbeid die het slachtoffer verricht.
(31)Aldus wordt de strafmaat bepaald door de intrinsieke ernst van de verwonding en niet door de maatschappelijke positie, de levenswijze en de gewoonten van het slachtoffer. De wetgever wees daarbij op het onderscheid tussen strafrecht en schadevergoeding. Bij de begroting van de schade moet de rechter wél rekening houden met de gewoonlijke arbeid van het slachtoffer. Een handelaar wiens handel niet werd beïnvloed door zijn verwonding, lijdt op dit vlak hierdoor geen schade; omgekeerd, "si les violences exercés sur un homme de lettres l'avaient rendu pendant quelque temps incapable de reprendre ses études habituelles, le juge ne pourrait lui refuser des indemnités de ce chef, sous le prétexte que ces violences n'étaient pas de nature à l'empêcher de scier du bois ou de bêcher la terre."
(32)Eveneens blijkt met zekerheid uit de parlementaire voorbereiding dat de ongeschiktheid niet volledig moet zijn; de wetgever leek echter ook van oordeel te zijn dat niet elke, geringe ongeschiktheid volstaat om het bestaan van de verzwarende omstandigheid aan te nemen.
(33)De vraag rijst of deze benadering wel nog actueel is. De wet beperkt het begrip "persoonlijke arbeid" niet tot lichamelijke arbeid. De vraag rijst waarom de tijdelijke of blijvende aantasting van het vermogen om geestesarbeid te verrichten niet de verzwarende omstandigheid bedoeld in art. 399 en 400 Sw. zou kunnen uitmaken. Waarom zou het vermogen tot geestesarbeid een mindere strafrechtelijke bescherming moeten genieten als het vermogen tot het verrichten van lichamelijke arbeid? Bovendien lijkt uit de rechtspraak van het Hof te volgen dat een "werkelijke" ongeschiktheid, ongeacht de graad ervan, volstaat om het bestaan van de verzwarende omstandigheid aan te nemen.
(34)Het begrip ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid is in elk geval vreemd aan het begrip "arbeidsongeschiktheid" als vergoedbare schade in het schadevergoedingsrecht. Bijgevolg volstaat voor de toepassing van de art. 399 en 400 Sw. de vaststelling dat de schending van de fysieke of psychische integriteit het vermogen om arbeid te verrichten (tijdelijk of blijvend) aantast, anders gezegd dat een (tijdelijke of blijvende) ongeschiktheid (of invaliditeit op functioneel vlak) met betrekking tot arbeidsverrichtingen bestaat. In acht genomen de onzekere terminologie verdient het de voorkeur dat de strafrechter steeds nagaat wat een deskundige heeft bedoeld wanneer hij gewag maakt van invaliditeit, ongeschiktheid, arbeidsongeschiktheid of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid.
  1. Uit het voorgaande kan volgen dat het in art. 473 Sw. gebezigde begrip "ongeschiktheid" ruimer zou kunnen zijn dan het begrip "ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid". "Ongeschiktheid" komt immers neer op een invaliditeit op functioneel vlak in het algemeen, dit is de invaliditeit die met betrekking tot alle activiteiten, niet alleen met betrekking tot arbeidsverrichtingen wordt gewaardeerd. Er zijn evenwel geen voldoende aanwijzingen dat zulks in de bedoeling van de wetgever lag. De wetgever beoogde wellicht geen uitbreiding van het begrip "ongeschiktheid" als zodanig, maar wenste alleen te onderstrepen dat de verzwarende omstandigheid ook diende te worden aangenomen bij een "ongeschiktheid" van psychische aard. Het ligt in de rede dat de wetgever, indien hij een andere mening toegedaan was, de voorkeur zou hebben gegeven aan het begrip "blijvende fysieke of psychische invaliditeit" of aan "blijvende aantasting van de fysieke of psychische integriteit".
  2. In deze zaak heeft de correctionele rechtbank vastgesteld dat uit het deskundigenonderzoek blijkt dat het slachtoffer behept blijft met een "blijvende invaliditeit van twee procent aanpassingsstoornis". Uit het verslag blijkt bovendien dat de deskundige tot de conclusie komt: "Er is geen blijvende arbeidsongeschiktheid, geen ongeschiktheid tot persoonlijke arbeid". Aldus staat vast dat de correctionele rechtbank, dat zijn oordeel steunt op het deskundigenverslag, niet kon beslissen dat het geweld of de bedreiging een in art. 473 Sw. bedoelde verzwarende omstandigheid tot gevolg had. Het vonnis van de correctionele rechtbank moet bijgevolg worden vernietigd en de zaak verwezen naar de Correctionele Rechtbank te Antwerpen, anders samengesteld. ___________________________
(1)Wet van 2 juli 1975 tot wijziging van sommige bepalingen van het Strafwetboek met het oog op de bestraffing van gewapende roofovervallen en van het nemen van gijzelaars, B.S. 24 juli 1975.
(2)Zie art. 6, Parl. St. Senaat, 1974-75, nr. 554/1, p. 9-10.
(3)Parl. St. Senaat, 1974-75, nr. 554/2, p. 3.
(4)Parl. St. Senaat, 1974-75, nr. 554/2, p. 7.
(5)Zie wel Cass., 20 september 1976, Pas. 1977, I, 72 en A.C. 1977, 78 m.b.t. een regeling van rechtsgebied waarbij de door de correctionele rechtbank vastgestelde "incapacité permanente, spécialement psychique" (vertaald als "blijvende ongeschiktheid, ten deze voornamelijk van geestelijke aard") zowel de verzwarende omstandigheid bepaald in art. 347bis Sw. als die bepaald in art. 400 Sw. leek te impliceren.
(6)M. Regout-Masson, "La loi du 2 juillet 1975 modifiant certaines dispositions du Code pénal en vue de la répression des agressions à main armée et des prises d'otages", J.T. 1976, p. 163, nr. 15.
(7)A. De Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Mechelen, Kluwer, 2002, p. 214, nr. 347.
(8)Zie hierover S. Van Overbeke, "Blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid als verzwarende omstandigheid van de opzettelijk toegebrachte slagen en verwondingen" (noot onder Cass. 28 juni 1995), R.W. 1996-97, 461-463 en P. Boxho, "La notion d'incapacité de travail personnel", Rev. dr. pén. 1999, 67-84.
(9)Vgl. met Frankrijk: Y. Mayaud, "Violences involontaires (théorie générale)" in Répertoire pénal Dalloz, p. 11, nrs. 54-55, met betrekking tot de wijziging van het vroegere begrip "incapacité de travail personnel" door "incapacité de travail". De ongeschiktheid kan betrekking hebben op beroepsactiveiten of op persoonlijke activiteiten. In het eerste geval verwijst "incapacité de travail" naar de ongeschiktheid om een beroep uit te oefenen, rekening houdend met de concrete omstandigheden waarin het slachtoffer zich bevindt, terwijl in het tweede geval het begrip verwijst naar de ongeschiktheid om welke activiteit ook te verrichten, onafhankelijk van de beroepssituatie van het slachtoffer. De rechtspraak lijkt het begrip "incapacité de travail" niet te beperken tot de professionele arbeidsongeschiktheid met uitsluiting van elke andere activiteit.
(10)Cass., 24 maart 1982, A.C. 1981-82, nr. 445.
(11)Zie naast de hierna vermelde rechtspraak ook nog Cass. 30 oktober 1991, Rev. dr. pén. 1992, 222 en Cass. 16 februari 1994, A.R. P.93.1238.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940216.6, nr. 81 en 12 november 1997, A.R. P.97.0761.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971112.14, nr. 469.
(12)Cass., 16 november 1983, A.R. nr. 3181, nr. 145.
(13)Cass., 15 februari 1984, A.R; nr. 3286, nr. 323.
(14)Cass., 11 april 1984, A.R. nr. 3453, nr. 463.
(15)Cass., 20 augustus 1984, A.R. nr. 8955, nr. 630.
(16)Cass., 28 mei 1985, A.R. nr. 9428, nr. 588
(17)Cass., 16 april 1986, A.R. nr. 4813, nr. 500.
(18)Cass., 6 september 1988, A.R. nr. 1800, nr. 8. Vgl. Cass. 21 september 1988, Rev. dr. pén. 1989, 90 waarin sprake van de mogelijkheid dat de slagen en verwondingen geen incapacité permanente tot gevolg hebben gehad
(19)Cass., 31 oktober 1989, A.R. nr. 3318, nr. 132
(20)Cass., 31 maart 1993, A.R. nr. 372, nr. 168 en J.L.M.B. 1994, 182, noot A. Masset.
(21)Cass., 28 juni 1995, A.R. P.95.0162.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950628.1, nr. 338 en R.W. 1996-97, 461, noot S. Van Overbeke.
(22)Vgl. i.v.m. art. 473 Sw. Cass., 16 mei 1995, A.R. P.95.0327.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950516.8, nr. 240 en Cass., 15 januari 1997, A.R. P.96.1484.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970115.9 nr. 33: tegenstrijdig is de beslissing die de beklaagde veroordeelt met toepassing van art. 472 Sw. en tevens op civielrechtelijk vlak een deskundige aanstelt om o.a. "de graad van mogelijke blijvende arbeidsongeschiktheid" vast te stellen wat de mogelijkheid openlaat van het bestaan van een door het art. 473 Sw. bepaalde verzwarende omstandigheid die niet in het bewezen verklaarde misdrijf is begrepen.
(23)Cass., 21 november 1989, A.R. nr. 3315, nr. 183. Zie ook Cass. 10 februari 1993, A.R. nr. 309, nr. 85 (notitie).
(24)Cass. 30 maart 1994, A.R. P.93.1596.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940330.6, nr. 155.
(25)Cass., 18 mei 1993, A.R. nr. 5816, nr. 242 en 25 mei 1999, A.R. P.98.0620.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990525.12, nr. 306. Vgl. Cass., 20 september 1976, A.C. 1977, 77: de rechter voldoet niet aan de verplichting de precieze bestanddelen van het aanhangig gemaakte feit te bepalen wanneer hij de beklaagde veroordeelt met toepassing van art. 472 Sw. en op de civielrechtelijke vordering een deskundige aanstelt met als opdracht het percentage van de eventuele blijvende invaliditeit te bepalen omdat uit die opdracht kan blijken dat de kwalificatie onvolledig is.
(26)Cass., 31 maart 1993, A.R. nr. 372, nr. 168 en J.L.M.B. 1994, 182, noot A. Masset.
(27)Vgl. anders (impliciet) Th. Denys en C. De Roy, "Gijzeling" in Strafrecht en strafvordering. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, p. 14, nr. 32.
(28)Cass. 28 juni 2000, A.R. P.99.1886.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000628.24, nr. 409: bijgevolg is tegenstrijdig de beslissing die de beklaagde veroordeelt met toepassing van art. 398 Sw. maar tevens op civielrechtelijk vlak een deskundige aanstelt met als opdracht de psychotrauma's te beschrijven waaronder het slachtoffer nog steeds te lijden heeft en de therapie te bepalen die het slachtoffer zou toelaten geheel of gedeeltelijk van trauma's verlost te worden.
(29)A. De Nauw, o.c., p. 143, nr. 227.
(30)Zie B. De Temmerman, "Invaliditeit, arbeidsongeschiktheid en inkomensverlies. Een bespreking, naar aanleiding van de nieuwe Indicatieve tabel, van het belang van deze begrippen voor de vaststelling en begroting van letselschade naar gemeen recht", T.A.V.W., 2002, p. 241-243, nrs. 2-3 met verwijzingen.
(31)Zie het citaat bij J. Nypels en J. Servais, Le code pénal belge interpreté, Brussel, Bruylant, 1898, III, 17-18.
(32)J. Nypels en J. Servais, o.c., 17.
(33)J. Nypels en J. Servais, o.c., 18.
(34)Zie Cass., 28 juni 1995, A.R. P.95.0162.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950628.1, nr. 338 en R.W. 1996-97, 461, noot S. Van Overbeke. Het middel, dat het Hof niet aannam, beriep zich uitdrukkelijk op de parlementaire voorbereiding. Tekst van de beslissing Nr. P.04.0568.N PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE ANTWERPEN, verzoeker tot regeling van rechtsgebied, inzake van
  1. A. A.,
  2. B. S.,
  3. P. M.,
  4. I. M.,
  5. V. R. M., beklaagden, tegen C. T., burgerlijke partij. I. Voorwerp van het verzoek De procureur des Konings te Antwerpen verzoekt om regeling van rechtsgebied ingevolge: - de beschikking, op 10 juni 2003 gewezen door de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen. - het vonnis, op 23 januari 2004 gewezen door de Correctionele Rechtbank te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Verzoek Het verzoekschrift tot regeling van rechtsgebied is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat bij beschikking van 10 juni 2003, de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen A. A., S. B., M. P., M. K. I. en M. v. R. wegens de in het verzoekschrift vermelde telastleggingen die strafbaar zijn met een criminele straf, naar de correctionele rechtbank heeft verwezen na te hebben geoordeeld dat er voor elk van de beklaagden wegens het bestaan van verzachtende omstandigheden slechts correctionele straffen dienen te worden uitgesproken; Overwegende dat de correctionele rechtbank bij vonnis van 23 januari 2004 de feiten van de telastlegging A, zijnde het misdrijf bepaald in de artikelen 461, 468, 471 en 472 Strafwetboek, herkwalificeert door de verzwarende omstandigheid bepaald in artikel 473, eerste lid, van hetzelfde wetboek aan te houden, met name dat het geweld of de bedreiging hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge gehad hebben; dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de feiten van de telastlegging kennis te nemen op grond dat die verzwarende omstandigheid de raadkamer niet bekend was op het ogenblik dat zij verzachtende omstandigheden aannam; Overwegende dat de in het voormelde artikel 473, eerste lid, bedoelde blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid de gedeeltelijke of gehele blijvende onbekwaamheid is om eender welke bezigheid uit te oefenen, terwijl de invaliditeit een toestand is welke een gedeeltelijke of gehele vermindering van de fysieke of psychische integriteit teweegbrengt; Overwegende dat de enkele omstandigheid dat een slachtoffer ingevolge geweld of bedreiging een blijvende invaliditeit ondergaat niet inhoudt dat dit geweld hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking tot gevolg heeft; Overwegende dat het vonnis van de correctionele rechtbank oordeelt dat de feiten van de telastlegging A, indien bewezen, gepleegd werden met de verzwarende omstandigheid bepaald in artikel 473, eerste lid, Strafwetboek op de enkele grond dat het slachtoffer ingevolge die feiten wegens aanpassings-stoornissen een blijvende invaliditeit van twee procent ondergaat; dat het aldus de beslissing tot herkwalificatie van die telastlegging niet naar recht verantwoordt; Overwegende dat de raadkamer de feiten van de telastlegging A heeft gekwalificeerd als de misdaad bepaald in de artikelen 461, 468, 471 en 472 Strafwetboek, zonder de verzwarende omstandigheid bepaald in artikel 473, eerste lid, van hetzelfde wetboek aan te houden; dat zij de zaak regelmatig bij de correctionele rechtbank aanhangig gemaakt heeft; Dat de correctionele rechtbank zich derhalve onterecht onbevoegd heeft verklaard; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het vonnis op 23 januari 2004 gewezen door de Correctionele Rechtbank te Antwerpen in zoverre zij zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de feiten omschreven onder telastlegging A; Verwijst de zaak naar de Correctionele Rechtbank te Antwerpen, anders samengesteld. Laat de kosten ten laste van de Staat; Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van vijfentwintig mei tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040525.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211019.2N.11 precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940216.6 ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940330.6 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950516.8 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950628.1 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970115.9 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971112.14 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990525.12 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000628.24 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061114.6 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.