id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040525.7 Rolnummer: P.03.0622.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2005-11-08 Raadplegingen: 714 - laatst gezien 2026-07-04 15:24 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het gezag van gewijsde van de beslissing inzake douane en accijnzen die, op de strafvordering, de beklaagde vrijspreekt, strekt zich niet uit tot de vordering tot betaling van de ontdoken rechten die door de vervolgende partij voor de rechter in hoger beroep wordt gebracht
(1).
(1)Zie Cass., 19 sept. 2001, AR P.01.0535.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010919.5, nr 472. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Strafzaken Vrije woorden: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Strafzaken Douane en accijnzen Accijnzen Vordering tot betaling van ontdoken rechten Vrijsprekend vonnis Hoger beroep van de vervolgende partij op civielrechtelijk gebied Fiches 2 - 3 Op het ontvankelijk hoger beroep van de vervolgende partij op civielrechtelijk gebied tegen een vrijsprekend vonnis inzake douane en accijnzen, dient de rechter in hoger beroep, m.b.t. de vordering tot betaling van de ontdoken rechten, na te gaan of het aan die vordering ten grondslag liggend feit bewezen is en welk bedrag aan rechten, taksen en nalatigheidsinterest verschuldigd is
(1).
(1)Zie Cass., 19 sept. 2001, AR P.01.0535.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010919.5, nr 472. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Gevolgen Douane en accijnzen Accijnzen Vordering tot betaling van ontdoken rechten Vrijsprekend vonnis Hoger beroep van de vervolgende partij op civielrechtelijk gebied Devolutieve kracht Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Accijnzen Vordering tot betaling van ontdoken rechten Vrijsprekend vonnis Hoger beroep van de vervolgende partij op civielrechtelijk gebied Devolutieve kracht Fiche 4 Om naar recht met redenen omkleed te zijn, moet de veroordelende beslissing op de strafvordering opgave doen van de wettelijke bepalingen waarbij de bestanddelen van het ten laste gelegde misdrijf worden vastgesteld alsook van de wetsbepalingen waarbij de straf wordt bepaald; die motiveringsverplichting is evenwel een vormvereiste, zodat de juiste aanwijzing van die wettelijke bepalingen niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven, en een vergissing in die aanwijzing niet tot cassatie leidt wanneer de uitgesproken veroordeling wettelijk is
(1).
(1)Cass., 3 mei 2000, AR P.99.1197.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000503.17, nr 268. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Motivering in rechte Beslissing op de strafvordering Veroordeling Aan te wijzen wettelijke bepalingen Vergissing Fiche 5 De verbeurdverklaring van de producten waarop accijns is verschuldigd, is een straf
(1).
(1)Zie Cass., 29 april 2003, AR P.02.1459.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.8 en P.02.1578.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.8, nr ... Thesaurus CAS: STRAF - ALLERLEI Vrije woorden: STRAF - ALLERLEI Douane en accijnzen Accijnzen Minerale olie Verbeurdverklaring Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 22-10-1997 - Art.23 Fiche 6 Inzake douane en accijnzen oefent het ministerie van Financiën de strafvordering uit onder meer betreffende de verbeurdverklaring
(1).
(1)Zie Cass., 11 feb. 1997, AR P.96.1031.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970211.3, nr
- Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Douane en accijnzenwet Misdrijf Strafvordering Verbeurdverklaring Vervolgende partij Wettelijke bepalingen: Wet - 18-07-1977 - Art.281,§2 Fiche 7 Bij ontstentenis van hoger beroep van de vervolgende partij op strafgebied tegen een vrijsprekend vonnis inzake douane en accijnzen kan de beklaagde niet in hoger beroep worden veroordeeld tot verbeurdverklaring noch tot betaling van de tegenwaarde bij niet-voortbrenging. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Gevolgen Douane en accijnzen Strafvordering Verbeurdverklaring Veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde bij niet-voortbrenging Vrijsprekend vonnis Ontstentenis van hoger beroep van de vervolgende partij op strafgebied Tekst van de beslissing Nr. P.03.0622.N I.
- POVA FUEL, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, in vereffening, met zetel te Gent, Coupure 373, eiseres, civielrechtelijk aansprakelijke partij,
- P. J., eiser, beklaagde, met als raadsman Mr. Eric Pringuet, advocaat bij de balie te Gent, tegen MINISTER VAN FINANCIËN, met kabinet te Brussel, Wetstraat 14, op vervolging en vordering van de directeur der douane en accijnzen te Hasselt, met kantoor zijn te Hasselt, Voorstraat 41-43-45, verweerder, vervolgende partij. II.
- V. V.,
- M. A., eisers, beklaagden, tegen MINISTER VAN FINANCIËN, reeds vermeld, verweerder, vervolgende partij. III.
- O. G.,
- D. W., eisers, beklaagden, met als raadsman Mr. Johan Durnez, advocaat bij de balie te Leuven, ter terechtzitting bijgestaan door Mr. E. Goffin, advocaat bij de balie te Leuven, tegen MINISTER VAN FINANCIËN, reeds vermeld, verweerder, vervolgende partij. IV. B. R., eiser, beklaagde, met als raadslieden Mr Raf Verstraeten en Mr. Caroline De Baets, advoca-ten bij de balie te Brussel, tegen MINISTER VAN FINANCIËN, reeds vermeld, verweerder, vervolgende partij, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. V.
- HOUTMEYERS, naamloze vennootschap, met zetel te Geel, Aca-ciastraat 24, eiseres, civielrechtelijk aansprakelijke partij,
- B. J., eiser, beklaagde, tegen MINISTER VAN FINANCIËN, reeds vermeld, verweerder, vervolgende partij. VI. R. A. S., eiser, beklaagde, tegen MINISTER VAN FINANCIËN, reeds vermeld, verweerder, vervolgende partij. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 19 maart 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eisers sub I voeren in een memorie drie middelen aan. De eisers sub III voeren elk in een verzoekschrift twee middelen aan. De eiser sub IV voert in een memorie drie middelen aan. De memories en verzoekschriften zijn aan dit arrest gehecht en ma-ken daarvan deel uit. De overige eisers voeren geen middel aan. IV. Beslissing van het Hof A. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat het cassatieberoep van de bvba Pova Fuel in vereffening werd betekend; Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat het cassatieberoep van de nv Houtmeyers werd bete-kend; Dat die cassatieberoepen niet ontvankelijk zijn; B. Onderzoek van de middelen van J. P.
- Eerste middel Overwegende dat de appèlrechters beslissen dat "alle verdere argu-mentatie van beklaagde en gedaagde met betrekking tot het niet bijbrengen van de elektriciteitsbedradingsschema's te dezen in wezen irrelevant is"; Dat zij hieraan toevoegen "dat de weigering tot het bijbrengen van de bewuste schema's overigens niet uitging van de vervolgende partij, doch van de installateur van de installatie"; Dat het middel gericht is tegen een overtollige beschouwing en niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is;
- Tweede middel Overwegende dat de appèlrechters onaantastbaar in feite vaststellen dat de sub II en III aan eiser ten laste gelegde feiten samenhangend zijn met de sub I aan eiser ten laste gelegde feiten, zodat de Correctionele Rechtbank te Hasselt voor alle feiten bevoegd was; Dat het middel niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is;
- Derde middel Overwegende dat het middel alleen gericht is tegen de veroordeling van bvba Pova Fuel; Dat het middel wegens de onontvankelijkheid van het cassatieberoep van eiseres geen antwoord behoeft; C. Onderzoek van de middelen van G. O. en W. D. Overwegende dat de middelen van beide eisers dezelfde zijn;
- Eerste middel Overwegende dat het middel dat schending van artikel 149 Grond-wet en van het algemeen rechtsbeginsel van "het gezag erga omnes" aan-voert, in werkelijkheid alleen de miskenning van het algemeen rechtsbegin-sel van het gezag van gewijsde bedoelt; Overwegende, voor het overige, dat het gezag van gewijsde van de beslissing die, op de strafvordering, de beklaagde vrijspreekt, zich niet uits-trekt tot de vordering tot betaling van de ontdoken rechten die door de ver-volgende partij voor de rechter wordt gebracht; Dat de appèlrechter, op het ontvankelijk hoger beroep van de vervol-gende partij op civielrechtelijk gebied tegen een vrijsprekend vonnis, inge-volge de devolutieve kracht van het hoger beroep, met betrekking tot de vordering tot betaling van de ontdoken rechten kan en moet nagaan of het aan die vordering ten grondslag liggend feit bewezen is en welk bedrag aan rechten, taksen en nalatigheidsinterest verschuldigd is; Dat het middel faalt naar recht;
- Tweede middel Overwegende dat het middel in zijn geheel ervan uitgaat dat de appè-lrechters niet vermochten de ten laste gelegde feiten bewezen te verklaren; Dat het middel, zoals blijkt uit het antwoord op het eerste middel, faalt naar recht; D. Onderzoek van de middelen van R. B.
- Eerste middel Overwegende dat het middel aanvoert dat het bestreden arrest de ar-tikelen 149 Grondwet en 195 en 211 Wetboek van Strafvordering schendt doordat het alleen melding maakt van artikel 12 van de wetsbepalingen be-treffende het accijnsregime van minerale olie, gecoördineerd op 20 novem-ber 1963, dat van toepassing was op het ogenblik waarop de feiten werden gepleegd, maar niet van de wetsbepaling die van toepassing is op het ogen-blik van de uitspraak, namelijk artikel 23 van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie; Overwegende dat, in strafzaken, veroordelende beslissingen, om naar recht met redenen omkleed te zijn, opgave moeten doen van de wette-lijke bepalingen waarbij de bestanddelen van het ten laste gelegde misdrijf worden vastgesteld alsook van de wetsbepalingen waarbij de straf wordt be-paald; dat die motiveringsplicht evenwel een vormvereiste is, zodat de juiste aanwijzing van dergelijke wettelijke bepalingen niet op straffe van nietig-heid is voorgeschreven en een vergissing in die aanwijzing niet tot cassatie leidt wanneer de uitgesproken veroordeling wettelijk is; Dat het middel aldus uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting en faalt naar recht;
- Tweede middel Overwegende dat de rechter zijn motiveringsplicht vervult als hij de redenen opgeeft waarom hij het verweer van de beklaagde verwerpt, zonder dat hij daarenboven moet antwoorden op elk van de argumenten die de be-klaagde tot staving van dat verweer aanvoert en die geen afzonderlijk mid-del vormen; Overwegende dat de appèlrechters met de redenen die het arrest vermeldt (blz. 126, tweede tot en met zesde alinea), het verweer van eiser verwerpen en beantwoorden; Dat het middel feitelijke grondslag mist;
- Derde middel Overwegende dat ingevolge artikel 18, eerste en tweede lid, Arbeidsovereenkomstenwet de werknemer die bij de uitvoering van zijn overeenkomst de werkgever of derden schade berokkent, enkel aansprakelijk is voor zijn bedrog en zware schuld en voor lichte schuld enkel aansprakelijk is als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voor-komt; Overwegende dat uit de overwegingen van het bestreden arrest "be-treffende feiten sub I" (blz. 93 tot 99) blijkt dat de appèlrechters op grond van de feiten die ze bewezen achten, van oordeel zijn dat de feiten een op-zettelijke fraude met het bedrieglijk oogmerk van ontduiking van accijns en bijzondere accijns opleveren, terwijl uit de overwegingen "betreffende de (eiser)" (blz. 125 tot 127) blijkt dat de appèlrechters van oordeel zijn dat, alhoewel "te dezen geen bijzonder opzet is vereist" eiser wetens en willens aan deze fraude zijn medewerking heeft verleend; Overwegende dat daar het bestreden arrest eisers bewuste medewer-king aan bedrog vaststelt, artikel 18, eerste en tweede lid, Arbeidsovereen-komstenwet, geen toepassing kan vinden, en derhalve het middel niet tot cassatie kan leiden ook al ware het gegrond; Dat het middel niet ontvankelijk is; E. Ambtshalve middel op het cassatieberoep van A. M., G. O. en W. D. Geschonden wettelijke bepalingen: - artikel 12 van het koninklijk besluit van 20 november 1963 tot coordinatie van de wetsbepalingen betreffende het accijnsregime van minerale olie en artikel 23 van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie; - artikel 281, ,§ 1 en 2, A.W.D.A.; Overwegende dat de verbeurdverklaring bepaald in artikel 12 van het koninklijk besluit van 20 november 1963 tot coordinatie van de wetsbepa-lingen betreffende het accijnsregime van minerale olie en artikel 23 van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven in-zake minerale olie, een straf is; Dat inzake douane en accijnzen de strafvordering betreffende onder meer de verbeurdverklaring wordt uitgeoefend door verweerder als vervolgende partij; Overwegende dat de eerste rechter de eisers A. M., G. O. en W. D. vrijspreekt van het hen ten laste gelegde feit; Dat het hoger beroep van de vervolgende partij tegen onder anderen deze gedaagden alleen werd ingesteld "tegen al de schikkingen van het von-nis op burgerlijk gebied"; Dat hieruit volgt dat de appèlrechters niet tegen de eisers A. M., G. O. en W. D. de verbeurdverklaring van 1.604.781 liter gasolie konden uitspreken en hen niet konden veroordelen tot betaling van de tegenwaarde bij niet-wederoverlegging ervan; F. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat, behoudens de beslissing over de verbeurdverklaring ten laste van de eisers A. M., G. O. en W. D., de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het beslist tot verbeurdverklaring van 1.604.781 liter gasolie ten laste van A. M., G. O. en W. D. en in zoverre zij worden veroordeeld tot betaling van de tegenwaarde bij niet-wederoverlegging ervan; Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; Veroordeelt de eisers sub I, II, IV, V en VI in de kosten van hun cas-satieberoep en de eisers sub III in twee derde van de kosten van hun cassa-tieberoep; laat de overige kosten ten laste van de Staat; Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van zevenhonderd drieëndertig euro dertien cent, waarvan
- op het cassatieberoep van Pova Fuel bvba en J. P.: honderd vierentwintig euro eenentachtig cent verschuldigd,
- op het cassatieberoep van V. V. en A. M.: honderd eenentwintig euro zevenenzestig cent verschuldigd,
- op het cassatieberoep van G. O. en W. D.: honderd eenentwintig euro zevenenzestig cent verschuldigd,
- op het cassatieberoep van R. B.: honderd eenentwintig euro zesenzestig cent verschuldigd,
- op het cassatieberoep van Houtmeyers nv en J. B.: honderd eenentwintig euro zesenzestig cent verschuldigd en
- op het cassatieberoep van A. R.: honderd eenentwintig euro zesenzestig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brus-sel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huy-brechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uit-gesproken in openbare terechtzitting van vijfentwintig mei tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advo-caat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040525.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110112.3 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191023.1 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241218.2F.11 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970211.3 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000503.17 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010919.5 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200325.2F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div