← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040525.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040525.8 Rolnummer: P.04.0238.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2005-01-24 Raadplegingen: 150 - laatst gezien 2026-07-03 15:57 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De strafrechter zal de mildere bepaling van art. 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, zoals aangevuld bij art. 7 van het decreet van 4 juni 2003 retroactief toepassen ingevolge art.2, tweede lid, Sw., indien de in het decreet vervatte voorwaarden van straffeloosheid aanwezig zijn

(1).
(1)Zie M. Boes, Verjaring van stedenbouwmisdrijven R.W., 2003-2004, 601
(619); G. Debersaques, Stedenbouwmisdrijven: instandhouding en herstel - Fundamentele wijzigingen door het decreet van 4 juni 2003, T.R.O.S., 2003, 208 (nr 44). Thesaurus CAS: STEDENBOUW - SANCTIES Vrije woorden: STEDENBOUW - SANCTIES Strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken Mildere strafwet Retroactieve toepassing Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Werking in de tijd Stedenbouw Strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken Mildere strafwet Retroactieve toepassing Tekst van de beslissing Nr. P.04.0238.N I
  1. S. A. J.,
  2. S. R. A. M., eisers, beklaagden, met als raadsman Mr. Johan Vanden Abeele, advocaat bij de balie te Gent, ter terechtzitting bijgestaan door Mr. Toon Van Osselaer, advocaat bij de balie te Gent. II SAMARO, naamloze vennootschap, met zetel te Lokeren, Eksaardebaan 104, vertegenwoordigd door Mr. Godfried De Smedt, advocaat bij de balie te Lokeren, eiseres, beklaagde, beide cassatieberoepen tegen GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor het grondgebied van de provincie Oost-Vlaanderen, in naam van het Vlaamse Gewest, met kantoor te Gent, de Gebroeders Van Eyckstraat 2-6, als wettelijk opvolger van de gemachtigde ambtenaar van de provincie Oost-Vlaanderen, met als raadsman Mr. Veerle Tollenaere, advocaat bij de balie te Gent, ter terechtzitting bijgestaan door Mr. Filip Van Acker, advocaat bij de balie te Gent. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 2 januari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eisers sub I stellen in een memorie grieven voor. De eiseres sub II stelt in een memorie zeven middelen voor. Die memories zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van de grieven van de eisers sub I
  3. Eerste grief Overwegende dat de grief, die geheel opkomt tegen de beoordeling van feiten door de rechter, niet ontvankelijk is;
  4. Tweede grief Overwegende dat de grief die opkomt tegen de beoordeling van feiten door de rechter en het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, niet ontvankelijk is;
  5. Derde grief Overwegende dat de rechter in feite oordeelt of samen met de uitspraak over de straf meteen uitspraak kan worden gedaan over de herstelvordering; Dat de grief die opkomt tegen dit onaantastbare oordeel van de feitenrechter, niet ontvankelijk is; B. Onderzoek van de middelen van de eiseres sub II
  6. Eerste middel Overwegende dat, anders dan waarvan het middel uitgaat, de appèlrechters de door het artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, zoals aangevuld bij artikel 7 van het decreet van 4 juni 2003, bepaalde straffeloosheid niet uitsluiten om de reden dat het kwestieuze perceel gelegen is in een ruimtelijk kwetsbaar gebied, maar deze niet toepassen omdat de werken en handelingen een ernstige inbreuk vormen op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het gewestplan; Dat het middel feitelijke grondslag mist;
  7. Tweede middel Overwegende dat het middel geheel is afgeleid uit het vergeefs aangevoerde eerste middel; Dat het middel niet ontvankelijk is;
  8. Derde middel Overwegende dat artikel 149, ,§ 1, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, zoals gewijzigd door artikel 8, 1°, van het decreet van 4 juni 2003, het herstel van de misdrijven gepleegd vóór 1 mei 2000 door de betaling van een geldsom gelijk aan de meerwaarde, niet toelaat indien het misdrijf een zwaarwichtige en onherstelbare inbreuk vormt op de essentiële voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg; Dat de appèlrechters vaststellen dat de werken en handelingen een ernstige inbreuk vormen op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het gewestplan; dat zij aldus wettig het herstel van de plaats in de vorige toestand bevelen; Dat het middel niet kan worden aangenomen;
  9. Vierde middel Overwegende dat de wettelijke bepaling waarvan de schending wordt aangevoerd, vreemd is aan de beoordeling door de rechter van de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de herstelvordering; Dat het middel niet ontvankelijk is;
  10. Vijfde middel Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat eiseres voor de appèlrechters het bestaan van een vermoeden dat de werken vergund waren, heeft aangevoerd; Dat het middel niet voor het eerst voor het Hof kan worden aangevoerd; Dat het middel niet ontvankelijk is;
  11. Zesde middel Overwegende dat, anders dan het middel aanvoert, de appèlrechters de mildere bepaling van artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, zoals aangevuld bij artikel 7 van het decreet van 4 juni 2003, wèl retroactief toepassen, maar vaststellen dat de erin vervatte voorwaarden van straffeloosheid niet aanwezig zijn; Dat het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest, mitsdien feitelijke grondslag mist;
  12. Zevende middel Overwegende dat, bij ontstentenis van desbetreffende conclusie, de appèlrechters door de feiten in de bewoordingen van de wet bewezen te verklaren, het wettelijk vereiste opzet vaststellen; Dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist; Overwegende dat het middel, in zoverre het voor het overige opkomt tegen de feitelijke beoordeling van de appèlrechters dat dit opzet aanwezig is, niet ontvankelijk is; C. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de cassatieberoepen; Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van honderd en twaalf euro acht cent, waarvan
  13. op het cassatieberoep van A. en R. S. : zesenvijftig euro vier cent verschuldigd en
  14. op het cassatieberoep van nv Samaro: zesenvijftig euro vier cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van vijfentwintig mei tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040525.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.