id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040527.9 Rolnummer: C.03.0069.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-01-11 Raadplegingen: 756 - laatst gezien 2026-07-04 22:09 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Doet geen afbreuk aan art. 1039 Ger.W. dat bepaalt dat beschikkingen in kort geding geen nadeel toebrengen aan de zaak zelf, de beslagrechter die, bij het beslechten van een executiegeschil, zich beroept op het gezag van gewijsde van een door de kort-gedingrechter ter zake van de uitvoerbaarheid van een uitvoerbare titel genomen beslissing
(1).
(1)Zie Cass., 11 mei 1998, AR C.95.0106.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980511.6, nr é; 9 mei 2003, AR C.00.0656.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030509.3, nr ... Thesaurus CAS: BESLAG - ALGEMEEN Vrije woorden: BESLAG - ALGEMEEN Beslagrechter Bevoegdheid Uitvoerbaarheid van een uitvoerbare titel Beslissing in kort geding Gezag van gewijsde Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.1395en14 Fiche 2 Om te beslissen of de exceptie van het gewijsde aanneembaar is dient met name erop te worden gelet of de nieuwe aanspraak kan worden ingewilligd zonder het voordeel van de vroegere beslissing ongedaan te maken
(1).
(1)Cass., 23 juni 1995, AR C.93.0185.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950623.1, nr
- Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Vrije woorden: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Exceptie Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.23 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0069.N SEAFRONT ZEEBRUGGE, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 8380 Zeebrugge, Vismijnstraat 7, ingeschreven in het handelsregister te Brugge, nummer 84.274, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Philippe Gérard, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 523, bus 28, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen SEAREST, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 8380 Zeebrugge, Vismijnstraat 109-111, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 4 december 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 20, 21, 23 tot en met 27, 28, 584, 1039, 1042, 1127, 1137, 1395, 1397, 1489, 1494 en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing Anders dan de eerste rechter, schorst het Hof van Beroep te Gent de uitvoering van het vonnis op 26 januari 2001 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge in de mate dat het vonnis verweerster in cassatie veroordeelde tot een bezettingsvergoeding en beslist het hof van beroep dat deze opschorting van uitvoering geldt tot zal zijn beslist hetzij door de vrederechter van het derde kanton Brugge omtrent het al dan niet begrepen zijn van de aanhorigheden waarover betwisting in het voorwerp van de huur-verhuur aangegaan tussen de partijen op 25 juni 1997, hetzij door de dertiende kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg van Brugge, op de vordering tot uitlegging van het vonnis van 26 januari 2001, op grond van volgende motieven : "
- Beoordeling. 2.
- De kern van het executiegeschil is en blijft de vraag : - of bepaalde aanhorigheden deel uitmaken van het voorwerp van de huur, aangegaan tussen de partijen op 25 juni 1997, dan wel begrepen zijn in het pand door de partijen benoemd als 'Ice hall' ; - of de verdere bezetting van deze aanhorigheden een bezetting zonder recht, noch titel is en (eiseres) rechtigt op de bezettingsvergoeding, waarvoor zij het bevel tot betaling van 25 juni 2001 liet betekenen aan (verweerster). 2.
- Het gezag van het gewijsde. Waar met (eiseres) moet worden beaamd dat dit hof van beroep, zetelend als beslagrechter in hoger beroep, aan het gezag van gewijsde waarmede het vonnis van de bodemrechter van 26 januari 2001 - betekend op 15 februari 2001 - is bekleed, niet mag raken, kan (eiseres) niet gevolgd worden wat betreft de beslissingsmacht van de beslagrechter, inzonderheid wat betreft het onderzoek van de actualiteit van de titel. Het is opdracht van de beslagrechter zich te vergewissen van de regelmatigheid en de rechtmatigheid van de uitvoering. Dit onderzoek strekt zich noodzakelijk uit tot de vraag of de titel die wordt uitgevoerd actueel is. 2.
- Het komt het hof van beroep evenwel voor dat niet de vraag naar de actualiteit van de uitgevoerde titel aan de orde is, doch wel dient onderzocht of de titel -m.n. het vonnis van 26 januari 2001 uitvoerbaar is. De vakantiekamer van dit hof van beroep, zetelend als kort gedingrechter, heeft bij arrest van 11 juli 2001 de reële executie (de uitdrijving uit de 'aanhorigheden' voormeld op verzoek van (eiseres)) opgeschort. In het arrest van 11 juli 2001 heeft het hof van beroep gesteld dat, in het kader van het prima facieonderzoek dat toekomt aan de kortgedingrechter, de uitvoering (uitdrijving) diende opgeschort omdat (eiseres) niet voldoende aannemelijk maakte dat de lokalen, dienst doende als aanhorigheden bij de gelagzaal van het restaurant Fishbone, geen deel uitmaakten van het voorwerp van de huur van 25 juni
- Dit arrest van 11 juli 2001 waartegen een voorziening in verbreking werd ingesteld, bij exploot van 29 oktober 2001, is (nog steeds) bekleed met het gezag van gewijsde. De beslagrechter is gebonden door wat in het arrest van 11 juli 2001 werd beslist en door de motieven die aan deze beslissing ten grondslag liggen. Met name heeft het hof van beroep in zijn arrest van 11 juli 2001 onder meer vastgesteld en overwogen :
(1)dat, in de stelling van (verweerster) : - het grondplan overgelegd door (eiseres) en waarnaar het ten uitvoer gelegde vonnis van 26 januari 2001 verwijst, niet concordant is met de feitelijke situatie en niet klopt met wat effectief qua werken werd gerealiseerd door (eiseres), voorafgaand het aangaan en de uitvoering van de overeenkomst huur-verhuur van 25 juni 1997 ; - de (verweerster) vanaf het begin van uitvoering van de huurceel, met als voorwerp de horecazaak, het genot heeft gehad van deze aanhorigheden ;
(2)dat geen grondplan werd gehecht aan de huur-verhuur van 25 juni 1997 en de partijen geen gemeenschappelijk opgesteld plan van de actuele situatie overleggen, terwijl op het 'prima architectura'plan 'Z17c' geen binnenmuren zijn getekend, derwijze dat dit plan (daterend van 28 oktober 1995, in projectfase) geen verduidelijking geeft van het voorwerp van de huurverhuur dd. 25 juni
- Het hof van beroep heeft daaruit afgeleid dat het vonnis van 26 januari 2001 niet kan worden geëxecuteerd zonder nadere specificatie (planmatige afbakening) van wat precies het voorwerp van de (beweerde) huur van enerzijds de Ice-hall en anderzijds de horecazaak (huur van 25 juni 1997, zoals deze daadwerkelijk en ab initio werd uitgevoerd) omvat(te). Daarbij werd gesteund op het gegeven dat het 'prima architectura'plan 'Z17c' waarnaar de geëxecuteerde titel verwijst, geen aanwijzingen geeft omtrent de afbakening van de verschillende panden, in tegenstelling tot een uitvoeringsplan dat in het bezit zou zijn van de geïntimeerde, doch dat deze laatste - nog steeds - zou weigeren over te leggen. De bezetting van lokalen waarvan de vakantiekamer van dit hof van beroep oordeelde niet te kunnen bepalen of ze al dan niet deel uitmaakten van de huur-verhuur van het restaurant Fishbone, dan wel van het pand 'Ice-hall', kan derhalve - hic et nunc - geen gedwongen invordering van een bezettingsvergoeding verantwoorden. De stelling dat de bezetting van de aanhorigheden zonder recht noch titel is, is vooralsnog geen feit. Anders beslissen zou in strijd zijn met het arrest van 11 juli
- Het behoort dat voorafgaandelijk door de bodemrechter (Vrederechter, derde kanton Brugge) desbetreffend wordt beslist of anders dat de tiende kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg van Brugge het vonnis van 26 januari 2001 nader uitlegt". Grieven 1.
- Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 1395 van het Gerechtelijk Wetboek worden alle vorderingen betreffende bewarende beslagen, middelen tot tenuitvoerlegging en collectieve schuldenregeling voor de beslagrechter gebracht ; in het kader van deze bevoegdheid dient de beslagrechter de wettigheid en regelmatigheid van de uitvoering na te gaan doch mag hij geen uitspraak doen over de grond van de zaak en dus over de materieelrechtelijke positie van de partijen. Binnen die grenzen oordeelt de beslagrechter als bodemrechter van het executiegeschil en beslist hij als de bevoegde rechter over de wettigheid en rechtmatigheid van de uitvoering ; zijn uitspraak over het executiegeschil is derhalve, anders dan die van de rechter in kort geding, niet bij voorraad. De rechter in kort geding kan voorlopige maatregelen bevelen tot bewaring van recht wanneer hij vaststelt dat de zaak urgent is en, na de belangen te hebben afgewogen, oordeelt dat voor de eiser in kort geding onmiddellijke schade dreigt indien een bepaalde bewarende maatregel niet wordt bevolen ; de rechter in kort geding maakt daarbij geen toepassing van het materiële recht en spreekt zich niet uit over de rechten van partijen ; zoals bepaald in artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek, hebben dergelijke beslissingen in kort geding geen gezag van gewijsde ten opzichte van de voor het geschil bevoegde bodemrechter, nu zij geen nadeel toebrengen aan de zaak zelf. De beslagrechter die uitspraak moet doen over de wettigheid of regelmatigheid van de uitvoering, is derhalve als bevoegde rechter voor het executiegeschil niet gebonden door de voorlopige maatregelen bevolen door de rechter in kort geding noch door de aan die maatregelen ten grondslag liggende belangenafweging en motieven. Te dezen heeft het arrest van, 11 juli 2001 gewezen in kort geding derhalve geen gezag van gewijsde ten opzichte van de appèlrechter die zetelt als beslagrechter en is de appèlrechter bijgevolg niet gebonden door die beslissing en de motieven ervan. Door, zetelend als beslagrechter in hoger beroep, te beslissen dat "de vakantiekamer van dit hof van beroep, zetelend als kort geding rechter, bij arrest van 11 juli 2001 de reële executie (de uitdrijving uit de aanhorigheden voormeld op verzoek van (eiseres)) (heeft) opgeschort', dat 'de beslagrechter is gebonden door wat in het arrest van 11 juli 2001 werd beslist en door de motieven die aan deze beslissing ten grondslag liggen' en na deze beslissing te hebben besproken, dat 'De bezetting van lokalen waarvan de vakantiekamer van dit hof van beroep oordeelde niet te kunnen bepalen of ze al dan niet deel uitmaakten van de huur-verhuur van het restaurant Fishbone, dan wel van het pand 'Ice-hall', kan derhalve - hic et nunc - geen gedwongen invordering van een bezettingsvergoeding verantwoorden. De stelling dat de bezetting van de aanhorigheden zonder recht noch titel is, is vooralsnog geen feit. Anders beslissen zou in strijd zijn met het arrest van 11 juli 2001", heeft de appèlrechter derhalve zijn beslissing niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 23 tot en met 27, 584, 1039, 1042, 1395, 1489, 1494 van het Gerechtelijk Wetboek). 1.
- Tweede onderdeel Krachtens artikel 24 van het Gerechtelijk Wetboek heeft iedere eindbeslissing gezag van gewijsde vanaf de uitspraak ; overeenkomstig artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek is daartoe vereist dat de gevorderde zaak dezelfde is, dat de vordering op dezelfde oorzaak berust en dat de vordering tussen dezelfde partijen in dezelfde hoedanigheid bestaat. Zoals de appèlrechter vaststelt, heeft de Vakantiekamer van het Hof van Beroep te Gent zetelend in kort geding bij arrest van 11 juli 2001 beslist de uitvoering van het vonnis van 25 januari 2001 te schorsen in de mate dat het de reële executie (de uitdrijving uit de aanhorigheden) beveelt. De voorliggende vordering van verweerster toegekend in het bestreden arrest strekte ertoe, zoals de appèlrechter vaststelt, de uitvoering van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg van Brugge van 25 januari 2001 te schorsen in de mate dat het verweerster veroordeelt tot een bezettingsvergoeding van 10.000 BEF per dag voor de periode vanaf 2.3.
- De vordering waarover het Hof van Beroep te Gent in zijn arrest van 11 juli 2001 uitspraak heeft gedaan (de uitdrijving), heeft derhalve niet hetzelfde voorwerp als de vordering waarover uitspraak werd gedaan in het bestreden arrest van 4 december 2001 (bezettingsvergoeding). Derhalve heeft het arrest van 11 juli 2001 geen gezag van gewijsde ten opzichte van de rechter die dient uitspraak te doen over de vordering tot schorsing van de uitvoering van de veroordeling tot betaling van een bezettingsvergoeding van 10.000 BEF per dag vanaf 2.3.
- Door te beslissen dat "de vakantiekamer van dit hof van beroep, zetelend als kort geding rechter, bij arrest van 11 juli 2001 de reële executie (de uitdrijving uit de aanhorigheden voormeld op verzoek van (eiseres)) heeft opgeschort" en dat "de beslagrechter is gebonden door wat in het arrest van 11 juli 2001 werd beslist en door de motieven die aan deze beslissing ten grondslag liggen" en door te overwegen, na deze beslissing te hebben besproken, dat : "De bezetting van lokalen waarvan de vakantiekamer van dit hof van beroep oordeelde niet te kunnen bepalen of ze al dan niet deel uitmaakten van de huur-verhuur van het restaurant Fishbone, dan wel van het pand 'Ice-hall'; kan derhalve - hic et nunc - geen gedwongen invordering van een bezettingsvergoeding verantwoorden. De stelling dat de bezetting van de aanhorigheden zonder recht noch titel is, is vooralsnog geen feit. Anders beslissen zou in strijd zijn met het arrest van 11 juli 2001", heeft de appèlrechter derhalve zijn beslissing niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 23 tot en met 27 van het Gerechtelijk Wetboek). 1.
- Derde onderdeel Overeenkomstig artikel 1395 van het Gerechtelijk Wetboek worden alle vorderingen betreffende bewarende beslagen, middelen tot tenuitvoerlegging en collectieve schuldenregeling voor de beslagrechter gebracht. In het kader van deze bevoegdheid gaat de beslagrechter na of het beslag wettig en regelmatig is ; behoudens de wettelijke uitzonderingen, kan hij daarbij evenwel geen kennis nemen van geschillen die weliswaar verband houden met de tenuitvoerlegging maar niet met de wettigheid of de regelmatigheid ervan. De beslagrechter kan geen uitspraak doen over de zaak zelf en, in het bijzonder, over de rechten van de partijen waarover reeds is beslist in de titel waarvan de uitvoering betwist wordt. Te dezen werd, zoals in het bestreden arrest wordt vastgesteld (blz. 3), in de uitvoerbare titel van 26 januari 1980 (lees : 2001) beslist door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dat verweerster "het betreffende pand 'Oude Vismijn' te Zeebrugge, meer bepaald de ruimte 'Ice hall' (nieuw gedeelte "Oude Vismijn") op het gelijkvloers en bijhorende burelen en sanitair alsook, eerste verdieping, aangeduid op het plan dd. 28.10.1995 onder nr. Z17c, bezet zonder recht noch titel" en werd verweerster veroordeeld tot "een bezettingsvergoeding van vierhonderd negentig duizend vierhonderd negentig BEF voor de periode van 26.01.1998 tot en met 15.03.1998, meer de vergoedende intresten vanaf de gemiddelde datum van 19.02.1998 meer de gerechtelijke vergoedende intresten" en een bezettingsvergoeding van 10.000 BEF per dag vanaf 16.03.1998 tot aan de gehele ontruiming van het betreffende pand, meer de vergoedende gerechtelijke intresten vanaf de respectievelijke vervaldata". Ter zake van zijn bevoegdheid als beslagrechter in beroep, overweegt de appèlrechter : "2.
- De kern van het executiegeschil is en blijft de vraag - of bepaalde aanhorigheden deel uitmaken van het voorwerp van de huur, aangegaan tussen de partijen op 25 juni 1997, dan wel begrepen zijn in het pand door de partijen benoemd als 'Ice hall' ; - of de verdere bezetting van deze aanhorigheden een bezetting zonder recht, noch titel is en de geïntimeerde rechtigt op de bezettingsvergoeding, waarvoor zij het bevel tot betaling van 25 juni 2001 liet betekenen aan (verweerster) Het is de opdracht van de beslagrechter zich te vergewissen van de regelmatigheid en de rechtmatigheid van de uitvoering. Dit onderzoek strekt zich noodzakelijk uit tot de vraag of de titel die wordt uitgevoerd actueel is. (2.3) Het komt het hof van beroep evenwel voor dat niet de vraag naar de actualiteit van de uitgevoerde titel aan de orde is, doch wel dient onderzocht of de titel - m.n. het vonnis van 26 januari 2001 uitvoerbaar is". Door te beslissen dat het bij hen aanhangige executiegeschil ging over de vraag over welke aanhorigheden deel uitmaakten van het gebouw, over de vraag of de bezetting van deze aanhorigheden een bezetting is zonder recht noch titel en of het vonnis van 26 januari 2001 uitvoerbaar was, en door vervolgens de executie van de veroordeling tot betaling van een bezettingsvergoeding te schorsen in afwachting van een beslissing van de vrederechter of de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, heeft de appèlrechter uitspraak gedaan over de materieelrechtelijke positie van de partijen en heeft hij aldus de grenzen van zijn rechtsmacht als beslagrechter overschreden (schending van de artikelen 1395, 1489, 1494 en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek). Bovendien heeft de appèlrechter daardoor, en in het bijzonder door te beslissen dat "De bezetting van lokalen waarvan de vakantiekamer van dit hof van beroep oordeelde niet te kunnen bepalen of ze al dan niet deel uitmaakten van de huur-verhuur van het restaurant Fishbone, dan wel van het pand 'Ice-hall' kan derhalve - hic et nunc - geen gedwongen invordering van een bezettingsvergoeding verantwoorden. De stelling dat de bezetting van de aanhorigheden zonder recht noch titel is, is vooralsnog geen feit. Anders beslissen zou in strijd zijn met het arrest van 11 juli
- Het behoort dat voorafgaandelijk door de bodemrechter (Vrederechter, derde kanton Brugge) desbetreffend wordt beslist of anders dat de tiende kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg van Brugge het vonnis van 26 januari 2001 nader uitlegt", het gezag van gewijsde van het vonnis van 26 januari 2001 waarin voor recht wordt gezegd dat verweerster de betrokken ruimten, afgebakend overeenkomstig plan Z17c, bezet zonder recht noch titel en verweerster wordt veroordeeld tot betaling van een bezettingsvergoeding van 10.000 BEF per dag, geschonden (schending van de artikelen 23 tot 27 van het Gerechtelijk Wetboek). 1.
- Vierde onderdeel Krachtens artikel 28 van het Gerechtelijk Wetboek, gaat een rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde zodra zij niet meer voor verzet of hoger beroep vatbaar is, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt en onverminderd de gevolgen van de buitengewone rechtsmiddelen ; de uitvoering van een in kracht van gewijsde gegane beslissing kan niet meer worden geschorst, behoudens de wettelijke uitzonderingen van de schorsende werking van een buitengewoon rechtsmiddel en behoudens het geval waarin de uitvoerbare titel intussen is tenietgegaan. Het door de appèlrechter geschorste vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge van 26 januari 2001 werd gewezen in hoger beroep ; blijkens de vaststellingen van het bestreden arrest, heeft verweerster tegen dit vonnis "meerdere acties" ondernomen, zijnde een (onmiddellijk) verzet voor de beslagrechter, een in conclusie van 29 juni 2001 geformuleerde tussenvordering voor de vrederechter, een vordering in kort geding, een herroeping van gewijsde bij exploot van 3 juli 2001 en een verzet bij de beslagrechter bij exploot van 29 juni 2001 tegen het bevel tot betaling van de bezettingsvergoeding ; het vonnis werd niet bestreden met enig buitengewoon rechtsmiddel dat schorsende werking zou hebben en de appèlrechters stellen zulks ook niet vast. Door de voorlopige opschorting te bevelen van de uitvoering van het vonnis van 26 juni (lees : januari) 2001 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, in de mate dat verweerster werd veroordeeld tot het betalen van een bezettingvergoeding van 10.000 BEF per dag, schendt de appèlrechter dan ook de kracht van gewijsde van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge van 26 januari
- Daardoor verleent de appèlrechter een schorsende werking aan de in het dispositief vermelde vordering voor de vrederechter en de vordering tot uitlegging voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, nu geen van deze vorderingen de uitvoering van het vonnis schorst en overtreedt de appèlrechter tevens het verbod voor de beslagrechter de materieelrechtelijke rechtspositie van partijen te bepalen (schending van de artikelen 20, 21, 28, 584, 1039, 1042, 1127, 1137, 1395, 1397, 1489, 1494 en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof
- Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek, de beschikkingen in kort geding geen nadeel toebrengen aan de zaak zelf ; Overwegende dat de beslagrechter die krachtens artikel 1395 van het Gerechtelijk Wetboek kennis neemt van de vorderingen die betrekking hebben op de bewarende beslagen en de middelen tot tenuitvoerlegging, overeenkomstig artikel 1489 van dat wetboek oordeelt of het beslag rechtmatig en regelmatig is ; Dat de beslagrechter bij deze beoordeling niet raakt aan de materiële verhouding zoals die uit de uitvoerbare titel blijkt maar enkel het executiegeschil beslecht en desgevallend de tenuitvoerlegging van de titel schorst in afwachting van de beslissing van de bodemrechter ; Overwegende dat de beslagrechter bij het onderzoek van de rechtmatigheid en regelmatigheid van de tenuitvoerlegging niet oordeelt als bodemrechter, maar enkel het executiegeschil beslecht, zonder te raken aan de materieelrechtelijke verhouding tussen partijen zoals die uit de titel blijkt ; Overwegende dat het onderdeel dat er geheel van uitgaat dat de beslagrechter die bij het beslechten van een executiegeschil zich beroept op het gezag van gewijsde van een door de kortgedingrechter ter zake van de uitvoerbaarheid van die titel genomen beslissing, afbreuk doet aan het bepaalde in artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek, berust op een verkeerde rechtsopvatting ; Dat het onderdeel faalt naar recht ;
- Tweede onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek, het gezag van gewijsde zich niet verder uitstrekt dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt, waarbij vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is, dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid is gedaan ; Overwegende dat uit het feit dat de oorzaak en het voorwerp van een rechtsvordering waarover definitief uitspraak is gedaan en die van een latere rechtsvordering tussen dezelfde partijen, niet volledig overeenstemmen, niet noodzakelijk volgt dat de rechter een aanspraak, waarvan de grond onverenigbaar is met een vroeger geoordeelde zaak, kan aannemen ; Overwegende dat de appèlrechter vaststelt dat het arrest van 11 juli 2001, gewezen tussen de partijen, heeft geoordeeld dat het vonnis van 26 januari 2001 niet vatbaar is voor reële executie en de uitdrijving van verweerster geen voortgang kan vinden omdat niet kan worden uitgemaakt of de lokalen die dienen als aanhorigheden bij de gelagzaal van het restaurant wederrechtelijk door verweerster worden bezet ; Dat de appèlrechter oordeelt dat "de bezetting (door verweerster) van de aanhorigheden zonder recht noch titel, vooralsnog" niet vaststaat en het vonnis van 26 januari 2001 "hic et nunc geen gedwongen invordering van een bezettingsvergoeding (kan) verantwoorden" omdat "anders beslissen in strijd (zou) zijn met het arrest van 11 juli 2001" ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
- Derde onderdeel Overwegende dat de appèlrechter oordeelt dat de gedongen invordering van de bezettingsvergoeding "hic et nunc" niet kan worden toegestaan omdat de ten uitvoerlegging van het vonnis van 26 januari 2001 in strijd zou komen met de beslissing van het arrest van 11 juli 2001 en op die gronden de tenuitvoerlegging schorst in afwachting van de beslissing van de bevoegde bodemrechter ; Dat het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appèlrechter uitspraak heeft gedaan over de materieelrechtelijke positie van de partijen, berust op een verkeerde lezing van het arrest ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ;
- Vierde onderdeel Overwegende dat de appèlrechter zonder schending van de als geschonden aangevoerde wettelijke bepalingen oordeelt dat het vonnis van 26 januari 2001 geen uitvoerbare titel oplevert omdat de tenuitvoerlegging ervan in strijd zou komen met het arrest van 11 juli 2001 waarbij de tenuitvoerlegging van dit vonnis ter zake van de uitdrijving werd geschorst om reden dat niet kan worden uitgemaakt of de aanhorigheden door verweerster wederrechtelijk worden bezet ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van vijfhonderd vierendertig euro negenentwintig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd tweeënzestig euro negen cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van zevenentwintig mei tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040527.9 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CAMON:2015:ARR.20151124.1 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170616.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950623.1 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980511.6 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030509.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100106.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151211.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div