id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040603.7 Rolnummer: C.03.0070.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Insolventierecht Invoerdatum: 2004-12-20 Raadplegingen: 639 - laatst gezien 2026-07-05 03:54 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een nieuwe wet is in beginsel niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestand, die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten
(1).
(1)Cass., 6 maart 2003, AR C.02.0132.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030306.7, nr ... Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Algemeen Wettelijke bepalingen: Wet - 30-04-1951 - Art.2 Fiches 2 - 3 Wanneer het faillissement dateert van voor het in voege treden van de nieuwe Faillissementswet en de overeenkomst van tien dagen voor de datum van staking van betaling blijft ze aanvechtbaar met toepassing van de oude wet
(1).
(1)Zie Cass., 6 maart 2003, AR C.02.0132.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030306.7, nr ... Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Faillissementswet Werking in de tijd Overeenkomst Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1997 - Artt.17en150, Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Faillissementswet Overeenkomst Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1997 - Artt.17en150, Tekst van de beslissing Nr. C.03.0070.N
- B.V. LANDHOF EIEREN, vennootschap naar Nederlands recht, met vennootschapszetel gevestigd te 5388 VP Nistelrode (Nederland), Loosbroeksesteenweg 50, geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken te 's Hertogenbosch, nummer 43.292,
- LANDHOF EIEREN, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 1030 Brussel, Generaal Wahislaan 16 E, C/O JURISFISCO NV, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen, nummer 293.134, eiseressen, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- V.M.
- A.G.
- R.F. advocaten te ... in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van VENHOF INTERNATIONAL NV, met vennootschapszetel te 3660 Opglabbeek, Nijverheidslaan 49-51, verweerders, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, en ten aanzien van
- FISCHER WEPPELER GmbH, vennootschap naar Duits recht, in vereffening, met maatschappelijke zetel te 82178 Puchheim (Duitsland), Aubinger Weg 51,
- W.J.A., curator te ... in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de vennootschap naar Nederlands recht B.V. Internationaal Transportbedrijf P. Pouls en Zonen, met maatschappelijke zetel te 6093 BT Hethuysen (Nederland), Belenbroeklaan 95, tot bindendverklaring opgeroepen partijen. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 7 februari 2000 en 7 maart 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Feiten Uit de arresten blijkt dat :
- de NV Venhof International eieren aankocht, sorteerde, verpakte en vervolgens verkocht ;
- zij die eieren voornamelijk aankocht bij de eiseressen terwijl de GmbH Fischer-Weppeler de voornaamste koper was ;
- de NV Venhof International failliet werd verklaard op 12 februari 1996 en de datum van staking van betaling bepaald werd op 12 augustus 1995 ;
- vanaf 7 augustus 1995 opeenvolgende overeenkomsten afgesloten werden tussen de NV Venhof Int., de eiseressen en GmbH Fischer-Weppeler waarbij een vast maandelijks bedrag door deze laatste zou worden betaald aan de eiseressen voor toekomstige leveringen aan de NV Venhof Int. ;
- een gelijkaardige overeenkomst afgesloten werd met de BV Internationaal Transportbedrijf P. Pouls & zonen die het transport van de eieren verzorgde. IV. Middelen De eiseressen voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 2 en 3 van het Burgerlijk Wetboek ; &§9472; de artikelen 17 en 150 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 (nieuwe Faillissementswet) ; &§9472; artikel 445 van de Wet van 18 april 1851 houdende boek III van het Wetboek van Koophandel (B.S., 24 april 1851), waarvan de authentieke Nederlandse tekst werd vastgesteld bij Wet van 21 oktober 1997 (B.S., 27 november 1997) (oude Faillissementswet), zoals deze bepaling van kracht was voor de opheffing van de oude Faillissementswet door artikel 149 van de nieuwe Faillissementswet van 8 augustus
- Aangevochten beslissingen De appèlrechters oordelen dat de oude Faillissementswet van toepassing is, dat de overeenkomsten tot stand kwamen in de periode van 10 dagen voor de datum van staking van betaling, dat zij een schulddelegatie inhielden en dat de curatoren, in de mate dat die schulddelegatie gediend had om oude vervallen schulden aan te zuiveren, zich terecht beriepen op artikel 445, ten tweede, van de oude Faillissementswet, en dit op grond van de volgende overwegingen : "(...) dat het faillissement dateert van ruim voor het in voege treden van de nieuwe faillissementswet ; dat ook de vordering van (de verweerders), gesteld in het inleidend exploot van 14 en 16 aug. 1996, dateert van voordien ; (...) dat (de verweerders) definitief het recht verworven hadden om zich op de bepalingen van de oude faillissementswet te beroepen ter staving van hun eis ; dat de eerste rechter onterecht de bepalingen van de nieuwe wet toepaste ; (...) dat dienvolgens de overeenkomsten daterend van tien dagen voor de datum van staking van betaling (12 aug. 1995) aanvechtbaar bleven met toepassing van art. 445 (oude) Faill. W. ; (...) dat spijts de beweringen van (de eiseressen) in andere zin de overeenkomsten in kwestie driepartijenovereenkomsten zijn ; dat blijkens de inhoud ervan het gaat om een schulddelegatie waarbij F., schuldenaar van Venhof, er zich toe verbond te betalen aan (eiseressen) (resp. P.) en deze betaling bevrijdende werking had zowel wat betreft de schuld van Fischer ten overstaan van Venhof als wat betreft de schuld van Venhof ten overstaan van (de eiseressen) (resp. Pouls) ; dat ingevolge deze overeenkomsten Fischer schuldenaar werd van (de eiseressen) (Pouls) alhoewel tussen hen geen leveringen gebeurden ; dat deze schuld afhankelijk was van de schuldvordering die Venhof ten overstaan van Fischer bekwam ; (...) dat uit voorgaande volgt dat deze overeenkomsten slechts tot stand kwamen na instemming tussen alle betrokken partijen ; dat (eiseressen) onterecht voorhouden dat het slechts om een overdracht van schuldvordering gaat nu in de overeenkomst Fischer er zich toe verbindt te betalen aan (de eiseressen) (Pouls) en dit met betrekking tot toekomstige schulden ; (...) dat de overeenkomst dan ook slechts dateert van het ogenblik van wilsovereenstemming tussen alle betrokken partijen ; dat blijkens het oudste contract dit ondertekend werd door Venhof op 31 juli 1995, door (de eiseressen) op 1 aug. 1995 en door Fischer op 7 augustus 1995 ; dat nu de uitdrukkelijke instemming van Fischer vereist was, de overeenkomst niet eerder op 7 augustus 1995 geacht kan worden tot stand te zijn gekomen, datum van de instemming van Fischer ; dat derhalve ook deze oudste overeenkomst valt onder toepassing van art. 445 (oude) Faill. W. ; dat de navolgende overeenkomsten (die enkel wat betreft het maandelijks door Fischer te betalen bedrag van de voorgaande verschillen) eveneens onder toepassing van art. 445 (oude) Faill. W. vallen ; (...) dat in art. 445, 2 (oude) Faill. W. geviseerd worden o.m. de betalingen anders dan in geld die gedaan zijn door de gefailleerde voor vervallen schulden ; dat het dan ook op zich irrelevant is dat in de overeenkomst werd bedongen dat de betalingen die Fischer zou doen betrekking hebben op toekomstige leveringen die zij van Venhof moest ontvangen ; dat daarentegen in de overeenkomsten niet is bepaald op welke schulden van Venhof ten overstaan van (de eiseressen) de door Fischer gedane betalingen zouden worden aangerekend ; dat in de mate dat de betalingen die Fischer rechtstreeks aan (de eiseressen) verrichtte dienden ter delging van nieuwe schulden die Venhof ten overstaan van (de eiseressen) moest aangaan om de leveringen aan Fischer te kunnen blijven doen, deze betalingen ontsnappen aan de sanctie van art. 445 (oude) Faill. W. ; dat de schulddelegatie in die mate slechts een afspraak uitmaakt betreffende toekomstige schulden en derhalve tegenstelbaar is aan de massa ; (...) dat in de mate de door Fischer aan (de eiseressen) gedane betalingen gediend hebben om oude vervallen schulden van Venhof aan te zuiveren, de curators zich terecht op art. 445, 2 (oude) Faill. W. beroepen ; dat alsdan immers de gelijkheid tussen de schuldeisers verbroken wordt". In het tussenarrest van 7 maart 2002 wordt de genoemde beslissing herhaald en bevestigd, en wel op grond van de volgende overwegingen : "Uit de motieven van het arrest van 7 februari 2000 volgt dat voor zover deze betalingen dienden om de schulden van de gefailleerde ten overstaan van (de eiseressen) en BV Pouls die vervallen waren op 7 augustus 1995 aan te zuiveren, de gelijkheid tussen de schuldeisers verbroken werd en de betalingen niet tegenstelbaar waren aan de massa. In weerwil van de motieven van het arrest betwisten (de eiseressen) nog steeds dat de overeenkomst van schulddelegatie tot stand kwam op 7 augustus
- Het hof kan te dien aanzien enkel herhalen dat vermits het ter zake gaat om een driepartijenovereenkomst het tijdstip waarop de wilsovereenstemming tot stand komt het tijdstip is waarop alle partijen met de bepalingen van de overeenkomst instemden, hetgeen blijkens de overgelegde stukken gebeurde op 7 augustus 1995, datum waarop GmbH Fischer de overeenkomst (als laatste contractpartij) ondertekende. Ten overvloede dient erop gewezen dat de betalingen die in uitvoering van de overeenkomst gebeurden en die geviseerd worden door het (oude) art. 445 Faill. W. zich slechts nadien situeren, zodat zelfs indien de overeenkomst in kwestie zou dateren van voor 7 augustus 1995 genoemde wetsbepaling onverkort van toepassing zou blijven op de kwestieuze betalingen. De kwalificatie van de litigieuze overeenkomsten, schulddelegatie of overdracht van schuldvorderingen, heeft overigens slechts belang wat betreft het tijdstip van totstandkoming en blijft voor het overige irrelevant voor wat betreft de toepassing van art. 445 (oude) Faill. W. : in elk geval gaat het immers om betalingen van vervallen schulden anders dan in geld waarbij het irrelevant is of de betalingen geschiedden ingevolge schulddelegatie dan wel ingevolge overdracht van schuldvordering". Grieven 1.
- Eerste onderdeel Wetten die van openbare orde zijn, hebben onmiddellijke werking. Het faillissementsrecht, en meer bepaald het hier relevante artikel 17 van de nieuwe Faillissementswet, is van openbare orde. De nieuwe Faillissementswet trad op 1 januari 1998 in werking. Door na de inwerkingtreding van de nieuwe Faillissementswet, met name in de arresten van 7 februari 2000 en 7 maart 2002, niettemin nog de oude Faillissementswet toe te passen, hebben de appèlrechters derhalve artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en 150 van de Faillissementswet geschonden. Tevens hebben zij artikel 445 van de oude Faillissementswet geschonden, door deze bepaling ten onrechte toe te passen, en artikel 17 van de nieuwe Faillissementswet geschonden, door deze bepaling ten onrechte niet toe te passen. 1.
- Tweede onderdeel In de regel is een nieuwe wet niet enkel van toepassing op de toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van een onder de vroegere wet ontstane toestand, die zich voordoen of die voortdurend onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. Inzake overeenkomsten blijft echter de oude wet van toepassing, tenzij de nieuwe wet van openbare orde is of uitdrukkelijk toepassing voorschrijft op de lopende overeenkomsten. De nieuwe Faillissementswet is bijgevolg in beginsel toepasselijk op reeds geopende faillissementen. De appèlrechters stellen in casu niet vast dat de toepassing van de nieuwe wet afbreuk zou doen aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. De opmerking van de appèlrechters dat "de curators definitief het recht verworven hadden om zich op de bepalingen van de oude faillissementswet te beroepen ter staving van hun eis" houdt niet in dat de rechten van de curators reeds onherroepelijk waren vastgesteld. De appèlrechters stellen evenmin vast dat artikel 17 van de nieuwe Faillissementswet niet van openbare orde zou zijn. Door niettemin de oude Faillissementswet van toepassing te verklaren, schenden zij derhalve alle in het middel aangehaalde wetsbepalingen. 1.
- Derde onderdeel Krachtens artikel 150, eerste lid, van de nieuwe Faillissementswet treden de bepalingen van de nieuwe Faillissementswet in werking op 1 januari
- Uit artikel 150, tweede tot en met vijfde lid, blijkt dat een aantal wetsbepalingen op een ander ogenblik in werking treden, doch deze wetsbepalingen zijn hier niet toepasselijk. Ook hieruit volgt dat de rechters in beginsel de nieuwe Faillissementswet moeten toepassen op reeds geopende faillissementen. De appèlrechters hebben derhalve, door na de inwerkingtreding van de nieuwe Faillissementswet toch nog de oude Faillissementswet toe te passen, de artikelen 150 van de nieuwe Faillissementswet en 2 van het Burgerlijk Wetboek geschonden. Tevens hebben zij artikel 445 van de oude Faillissementswet geschonden, door deze bepaling ten onrechte toe te passen, en artikel 17 van de nieuwe Faillissementswet geschonden, door deze bepaling ten onrechte niet toe te passen. 1.
- Vierde onderdeel Krachtens artikel 445, eerste en derde lid, van de oude Faillissementswet zijn met betrekking tot de boedel nietig en zonder gevolg onder meer alle betalingen anders dan in geld of in handelspapier, wegens vervallen schulden, wanneer zij door de schuldenaar zijn verricht sinds het door de rechtbank bepaalde tijdstip van betaling of binnen tien dagen die aan dat tijdstip voorafgaan. Artikel 17, ten eerste, van de nieuwe Faillissementswet luidt in dezelfde zin, met dien verstande dat daarin sprake is van niet tegenwerpelijkheid aan de boedel en dat de periode van tien dagen werd weggelaten. Geen betaling door overdracht in de zin van deze wetsbepalingen en bijgevolg rechtsgeldig en tegenwerpelijk aan de boedel is de overeenkomst van overdracht van schuldvordering die voor de verdachte periode werd gesloten, ook indien aan die overeenkomst vervolgens uitwerking wordt gegeven tijdens de verdachte periode. Door niettemin te beslissen dat artikel 445 van de oude Faillissementswet van toepassing is op betalingen die tijdens de verdachte periode gebeuren in uitvoering van een overeenkomst van overdracht van schuldvordering, schenden de appèlrechters artikel 445 van de oude Faillissementswet, en voor zover als nodig tevens artikel 17 van de nieuwe Faillissementswet.
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 149 van de Grondwet ; &§9472; artikel 3 van de Wet van 14 juli 1987 tot goedkeuring van het Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, van het protocol en van twee gemeenschappelijke verklaringen, opgemaakt te Rome (B.S., 9 oktober 1987) ; &§9472; artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek ; &§9472; de paragrafen 145 tot 157 en 398 van het Duitse "Bürgerliches Gesetzbuch" (BGB). Aangevochten beslissing De appèlrechters kwalificeren de overeenkomst tussen partijen als een overeenkomst van schulddelegatie en beslissen dat deze overeenkomst tot stand kwam op 7 augustus 1995, zijnde de datum waarop alle partijen de overeenkomst hadden ondertekend. Vervolgens beslissen zij dat de overeenkomst bijgevolg tot stand kwam in de tien dagen voor de datum van staking van betaling (12 augustus 1995) en dat zij bijgevolg onder toepassing van artikel 445 van de oude Faillissementswet valt. Dit gebeurt op grond van de volgende overwegingen : "(...) dat dienvolgens de overeenkomsten daterend van tien dagen voor de datum van staking van betaling (12 aug. 1995) aanvechtbaar bleven met toepassing van art. (oude) Faill. W. ; (...) dat spijts de beweringen van (de eiseressen) in andere zin de overeenkomsten in kwestie driepartijenovereenkomsten zijn ; dat blijkens de inhoud ervan het gaat om een schulddelegatie waarbij Fischer, schuldenaar van Venhof, er zich toe verbond te betalen aan (de eiseressen) (resp. Pouls) en deze betaling bevrijdende werking had zowel wat betreft de schuld van Fischer ten overstaan van Venhof als wat betreft de schuld van Venhof ten overstaan van (de eiseressen) (resp. Pouls) ; dat ingevolge deze overeenkomsten Fischer schuldenaar werd van (de eiseressen) (Pouls) alhoewel tussen hen geen leveringen gebeurden ; dat deze schuld afhankelijk was van de schuldvordering die Venhof ten overstaan van Fischer bekwam ; (...) dat uit voorgaande volgt dat deze overeenkomsten slechts tot stand kwamen na instemming tussen alle betrokken partijen ; dat (de eiseressen) onterecht voorhouden dat het slechts om een overdracht van schuldvordering gaat nu in de overeenkomst Fischer er zich toe verbindt te betalen aan (de eiseressen) (Pouls) en dit met betrekking tot toekomstige schulden ; (...) dat de overeenkomst dan ook slechts dateert van het ogenblik van wilsovereenstemming tussen alle betrokken partijen ; dat blijkens het oudste contract dit ondertekend werd door Venhof op 31 juli 1995, door (de eiseressen) op 1 aug. 1995 en door Fischer op 7 augustus 1995 ; dat nu de uitdrukkelijke instemming van Fischer vereist was, de overeenkomst niet eerder op 7 augustus 1995 geacht kan worden tot stand te zijn gekomen, datum van de instemming van Fischer ; dat derhalve ook deze oudste overeenkomst valt onder toepassing van art. 445 (oude) Faill. W. ; dat de navolgende overeenkomsten (die enkel wat betreft het maandelijks door Fischer te betalen bedrag van de voorgaande verschillen) eveneens onder toepassing van art. 445 (oude) Faill. W. vallen ; (...) dat in art. 445,2 (oude) Faill. W. geviseerd worden o.m. de betalingen anders dan in geld die gedaan zijn door de gefailleerde voor vervallen schulden ; dat het dan ook op zich irrelevant is dat in de overeenkomst werd bedongen dat de betalingen die Fischer zou doen betrekking hebben op toekomstige leveringen die zij van Venhof moest ontvangen ; dat daarentegen in de overeenkomsten niet is bepaald op welke schulden van Venhof ten overstaan van (de eiseressen) de door Fischer gedane betalingen zouden worden aangerekend ; dat in de mate dat de betalingen die Fischer rechtstreeks aan (de eiseressen) verrichtte dienden ter delging van nieuwe schulden die Venhof ten overstaan van (de eiseressen) moest aangaan om de leveringen aan Fischer te kunnen blijven doen, deze betalingen ontsnappen aan de sanctie van art. 445 (oude) Faill. W. ; dat de schulddelegatie in die mate slechts een afspraak uitmaakt betreffende toekomstige schulden en derhalve tegenstelbaar is aan de massa ; (...) dat in de mate de door Fischer aan (de eiseressen) gedane betalingen gediend hebben om oude vervallen schulden van Venhof aan te zuiveren, de curators zich terecht op art. 445,2 (oude) Faill. W. beroepen ; dat alsdan immers de gelijkheid tussen de schuldeisers verbroken wordt". In het tussenarrest van 7 maart 2002 wordt de genoemde beslissing herhaald en bevestigd, en wel als volgt : "Uit de motieven van het arrest van 7 februari 2000 volgt dat voor zover deze betalingen dienden om de schulden van de gefailleerde ten overstaan van (de eiseressen), en BV Pouls die vervallen waren op 7 augustus 1995 aan te zuiveren, de gelijkheid tussen de schuldeisers verbroken werd en de betalingen niet tegenstelbaar waren aan de massa. In weerwil van de motieven van het arrest betwisten (de eiseressen) nog steeds dat de overeenkomst van schulddelegatie tot stand kwam op 7 augustus
- Het hof kan te dien aanzien enkel herhalen dat vermits het ter zake gaat om een driepartijenovereenkomst het tijdstip waarop de wilsovereenstemming tot stand komt het tijdstip is waarop alle partijen met de bepalingen van de overeenkomst instemden, hetgeen blijkens de overgelegde stukken gebeurde op 7 augustus 1995, datum waarop GmbH Fischer de overeenkomst (als laatste contractpartij) ondertekende. Ten overvloede dient erop gewezen dat de betalingen die in uitvoering van de overeenkomst gebeurden en die geviseerd worden door het (oude) art. 445 Faill. W. zich slechts nadien situeren, zodat zelfs indien de overeenkomst in kwestie zou dateren van voor 7 augustus 1995 genoemde wetsbepaling onverkort van toepassing zou blijven op de kwestieuze betalingen. De kwalificatie van de litigieuze overeenkomsten, schulddelegatie of overdracht van schuldvorderingen, heeft overigens slechts belang wat betreft het tijdstip van totstandkoming en blijft voor het overige irrelevant voor wat betreft de toepassing van art. 445 (oude) Faill. W. : in elk geval gaat het immers om betalingen van vervallen schulden anders dan in geld waarbij het irrelevant is of de betalingen geschiedden ingevolge schulddelegatie dan wel ingevolge overdracht van schuldvordering". Grieven 2.
- Eerste onderdeel De eiseressen hadden in hun regelmatig aan de appèlrechters voorgelegde conclusies betoogd dat de overeenkomst aan het Duitse recht was onderworpen en dat bijgevolg zowel de kwalificatie van deze overeenkomst als het ogenblik van totstandkoming ervan naar Duits recht dienden te worden beoordeeld. De eiseressen betoogden dat de overeenkomst geldig en solo consensu was tot stand gekomen door de ondertekening van de cedent en de cessionaris op 1 augustus 1995, en met andere woorden, ook indien de oude Faillissementswet van toepassing zou zijn, nog voor de tien dagen voor de datum van staking van betaling (12 augustus 1995). De eiseressen betoogden meer bepaald hetgeen volgt : "4.3.2 Aard van de overeenkomst, datum van totstandkoming a. De overeenkomst is aan Duits recht onderworpen. De Abtretungsvereinbarung dd. 31 juli 1995 bepaalt in haar laatste alinea : 'Diese Vereinbarung unterliegt Deutschem Recht' (vertaald : 'Deze overeenkomst is aan Duits recht onderworpen'). De aard van de overeenkomst dient dus naar Duits recht geïnterpreteerd te worden. ',§ 398 BGB behandelt de cessie niet als een zakenrechtelijke overdracht van eigendom van een schuldvordering, maar als een verbintenisrechtelijke vervanging van schuldeiser. Cessie kan vormvrij plaatsvinden en is vanaf het sluiten van de cessieovereenkomst tegenwerpbaar aan derden. Naar Duits recht wordt een onderscheid gemaakt tussen de zakenrechtelijke cessieovereenkomst (Abtretung) en de obligatoire overeenkomst die daaraan ten grondslag ligt. Zo zal bij de verkoop van een vordering de obligatoire overeenkomst (Kausalgeschäft) de verplichting tot overdracht creëren. De overdracht wordt erga omnes gerealiseerd door de zakenrechtelijke cessie-overeenkomst. Beide overeenkomsten zijn strikt van elkaar gescheiden. De zakenrechtelijke cessieovereenkomst brengt de overdracht van de vordering teweeg en de ongeldigheid van de obligatoire overeenkomst doet daaraan geen afbreuk (Abstraktionsprinzip). Mededeling aan de debiteur is voor de overdracht van de vordering erga omnes niet vereist'. (VAN HAEGENBORG, G., Grensoverschrijdende aspecten : cessie in het internationaal rechtsverkeer, in : Overdracht en inpandgeving van schuldvorderingen, ed. DIRIX, E., Kluwer, 1995, p. 165-166). De overdracht van schuldvordering wordt gerealiseerd door de Abtretungsvereinbarung en is vanaf de datum waarop deze overeenkomst werd gesloten erga omnes tegenwerpbaar. De initiële Abtretungsvereinbarung werd door Venhof (cedant) ondertekend op 31 juli 1995 en op 1 augustus 1995 door Landhof Eieren N.V. en Landhof Eieren B.V. (cessionarissen). De overeenkomst werd mee ondertekend door Fischer-Weppler (gecedeerde schuldenaar) op 7 augustus
- Zoals uit hoger geciteerde tekst blijkt, is de ondertekening van deze laatste echter geen constitutieve vereiste voor het tot stand komen van de overdracht van schuldvordering. De overeenkomst kwam dus volmaakt tot stand op datum waarop de cessionarissen de overeenkomst tekenden, nl. op 1 augustus
- De overdracht van schuldvordering werd niet gesloten in de verdachte periode en is bijgevolg tegenstelbaar aan de boedel en geenszins nietig". (conclusie in hoger beroep van de eiseressen, ingediend ter griffie op 22 maart 1999, blz. 9-10). "Volgens appelanten dienen de consequenties van het faillissement (o.a. de toepasselijkheid van art. 445) op de Abtretungsvereinbarungen naar het Belgisch recht te worden beoordeeld. Dit neemt niet weg dat de aard van de overeenkomst, de geldigheid en de datum van totstandkoming geïnterpreteerd dienen te worden naar het Duitse recht, nu de laatste alinea bepaalt, dat de overeenkomst aan het Duitse recht is onderworpen. Ingevolge het Duitse recht kwam de overeenkomst geldig en solo consensu tot stand door de ondertekening van de cedant en cessionaris op 1 augustus
- Concluante verwijst dienaangaande naar haar eerste conclusie. Vanaf deze datum was de overeenkomst erga omnes tegenstelbaar. De ondertekening door FiWe was geenszins een constitutieve vereiste voor de totstandkoming van de overeenkomst, daar deze uitdrukkelijk bepaalt, dat FiWe slechts de overdracht van schuldvordering erkent. De overeenkomst bepaalt geenszins dat zij zich jegens Landhof verplichtte om aan haar te betalen. De erkenning door FiWe van het bestaan van de schuldoverdracht heeft inderdaad tot gevolg dat de betalingen vergemakkelijkt werden en in zekere zin daardoor zekerder werden. De interpretatie van de curatoren dat aan deze zogenaamde 'constructie' de betalingsverplichting van FiWe jegens Landhof ten grondslag moet liggen, is in strijd met de bewoording van de Abtretungsvereinbarung en de bewoording van de conclusies van FiWe. Het betreft geenszins een delegatieovereenkomst, doch een volgens het Duitse recht bepaalde overdracht van schuldvordering die geldig tot stand kwam buiten de verdachte periode. De betalingen zijn bijgevolg niet nietig en wel tegenstelbaar aan de boedel". De appèlrechters antwoorden noch met de hoger aangehaalde overwegingen, noch met enige andere overweging op het voorgaande, zodat zij artikel 149 van de Grondwet schenden. 2.
- Tweede onderdeel Luidens artikel 3, ,§1, van de Wet van 14 juli 1987 tot goedkeuring van het Verdrag van 19 juli 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst word een overeenkomst beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. In casu kozen de partijen voor toepassing van Duits recht op de tussen hen afgesloten overeenkomsten. Dit werd, zoals blijkt uit het eerste onderdeel van het tweede middel, door de eiseressen aangevoerd en door de verweerders niet betwist. Bovendien wordt dit vastgesteld door het vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Tongeren van 20 mei 1998 (blz. 2). Door niettemin, minstens impliciet doch zeker, Belgisch recht toe te passen bij de kwalificatie van de overeenkomst van schulddelegatie en bij de vaststelling van het ogenblik van totstandkoming van de overeenkomst, schenden de appèlrechters artikel 3, ,§1, van de Wet van 14 juli 1987 alsook de verbindende kracht van deze overeenkomst (schending van artikel 1134 B.W.). 2.
- Derde onderdeel Uit de paragrafen 145 tot 157 van het BGB vloeit voort dat overeenkomsten naar Duits recht in beginsel tot stand komen door de loutere wilsovereenstemming. Luidens paragraaf 398 BGB kan een vordering door de schuldeiser bij overeenkomst met een ander aan die ander worden overgedragen, hetgeen "Abtretung" wordt genoemd (vertaalbaar als "overdracht"). Luidens dezelfde wetsbepaling treedt de nieuwe schuldeiser door de afsluiting van deze overeenkomst in de plaats van de vroegere schuldeiser. De "Abtretung" ("overdracht") is naar Duits recht vormvrij en komt door de loutere wilsovereenstemming tussen cedent en cessionaris tot stand. Zij heeft onmiddellijk gevolgen erga omnes, zonder dat een mededeling aan de debiteur vereist is. De appèlrechters stellen vast dat de oudste "Abtretungsvereinbarung" ("overeenkomst van overdracht") werd ondertekend door Venhof (thans verweerders) als cedent op 31 juli 1995, door de eiseressen als cessionarissen op 1 augustus 1995 en door de gecedeerde schuldenaar (Fischer-Weppeler) op 7 augustus 1995 (tussenarrest van 7 februari 2000, blz. 5-6). De "Abtretungsvereinbarung" ("overeenkomst van overdracht") kwam bijgevolg naar Duits recht tot stand op 1 augustus
- Door de "Abtretungsvereinbarung" ("overeenkomst van overdracht") niet te kwalificeren als een overeenkomst van "Abtretung" ("overdracht") naar Duits recht, doch als een overeenkomst van schulddelegatie, en door te beslissen dat deze overeenkomst van schulddelegatie tot stand kwam op 7 augustus 1995, en niet op 1 augustus 1995, schenden de appèlrechters de aangehaalde wetsbepalingen op grond waarvan dergelijke overeenkomst onmiddellijk tot stand komt en erga omnes gevolgen heeft door de loutere wilsovereenstemming tussen cedent en cessionaris (schending van de paragrafen 145-157 en 398 BGB). IV. Beslissing van het Hof
- Tweede middel 1.
- Eerste onderdeel Overwegende dat het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer verwerpt en beantwoordt met de in het middel weergegeven motivering ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; 1.
- Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel het arrest verwijt het Duitse recht niet te hebben toegepast op de betwiste overeenkomsten, die dateren van na 1 april 1991, dag van de inwerkingtreding van het verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst ; Dat het onderdeel daarbij enkel schending aanvoert van artikel 3, ,§1, van de wet van 14 juli 1987 tot goedkeuring van het Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst ; Overwegende dat voor overeenkomsten gesloten na de inwerkingtreding van het verdrag van 19 juni 1980, geen toepassing meer kan worden gemaakt van de wet van 14 juli 1987 ; Overwegende dat het onderdeel dat geen schending aanvoert van artikel 3, ,§1, van het Verdrag van 19 juni 1980 in zoverre niet ontvankelijk is ; Overwegende verder dat het onderdeel aanvoert dat het arrest de verbindende kracht van de betwiste overeenkomst schendt en in zoverre steunt op de veronderstelling dat het Duitse recht toepasselijk is op grond van de wet van 14 juli 1987 ; Dat het onderdeel in zoverre afgeleid is uit de vergeefs aangevoerde schending van de overige in het onderdeel vermelde aanvoeringen ; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is ; 1.
- Derde onderdeel Overwegende dat het onderdeel opkomt, op grond van het Duitse recht, tegen de beoordeling van de appèlrechters betreffende de kwalificatie en de juridische gevolgen van de betwiste overeenkomst ; Overwegende dat het onderdeel dat enkel schending aanvoert van het vreemd recht maar geen schending van de verwijzingsregel, niet ontvankelijk is ;
- Eerste middel 2.
- Eerste, tweede en derde onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, een nieuwe wet in beginsel niet alleen van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestand, die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten ; Overwegende dat, krachtens artikel 150, eerste lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, de bepalingen van deze wet in werking traden op 1 januari 1998 ; Overwegende dat artikel 17 van de nieuwe Faillissementswet van 8 augustus 1997 van toepassing is op lopende faillissementen, maar geen terugwerkende kracht heeft ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat het faillissement dateert van ruim voor het in voege treden van de nieuwe Faillissementswet ; Dat zij vervolgens oordelen dat de overeenkomsten daterend van tien dagen voor de datum van staking van betaling aanvechtbaar bleven met toepassing van het te dezen toepasselijk artikel 445 van de Faillissementswet ; Dat zij aldus hun beslissing naar recht verantwoorden ; Dat de onderdelen niet kunnen worden aangenomen ; 2.
- Vierde onderdeel Overwegende dat het onderdeel geheel is gebaseerd op de in het tweede middel vergeefs aangevoerde onderstelling dat de betwiste overeenkomst werd gesloten vóór de verdachte periode ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eiseressen in de kosten. De kosten begroot op de som van negenhonderd zesenvijftig euro zesendertig cent jegens de eisende partijen en op de som van honderd tweeënzestig euro negen cent jegens de verwerende partijen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van drie juni tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040603.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120426.2 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130503.1 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260326.1N.7 ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091113.10 ECLI:BE:CTBRL:2012:ARR.20120210.13 ECLI:BE:CTBRL:2012:ARR.20121214.7 ECLI:BE:CTBRL:2012:ARR.20121214.8 ECLI:BE:CTBRL:2022:ARR.20220523.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030306.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081007.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div