id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040607.4 Rolnummer: S.03.0008.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-14 Raadplegingen: 573 - laatst gezien 2026-07-04 20:22 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De vreemdeling die een regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van 22 december 1999, wordt door de wet gemachtigd om op het grondgebied van het Rijk te verblijven; mitsdien kan hij tot zolang over zijn aanvraag niet is beslist niet beschouwd worden, wat de hem te verlenen steun betreft, als een persoon die illegaal in het Rijk verblijft in de zin van artikel 57, ,§ 2, OCMW-wet
(1).
(1)Cass., 17 juni 2002, AR S.01.0148.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020617.5, nr 365, met concl. eerste advocaat-generaal Leclercq. Zie ook concl. O.M. Thesaurus CAS: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) Vrije woorden: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) Algemene opdracht Maatschappelijke dienstverlening Vreemdelingen Regularisatieaanvraag Wet van 22 december 1999 Verbod van elke maatregel tot verwijdering Steunverlening Wettelijke bepalingen: Wet - 22-12-1999 - Artt.2en14 Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: VREEMDELINGEN Maatschappelijke dienstverlening Regularisatieaanvraag Wet van 22 december 1999 Verbod van elke maatregel tot verwijdering Steunverlening Wettelijke bepalingen: Wet - 22-12-1999 - Artt.2en14 Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. DE RAEVE, Cass., 7 juni 2004, voltallige zitting, AR S.03.0008.N, A.C., 2004, nr ... . Thesaurus CAS: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) Vrije woorden: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) Algemene opdracht Maatschappelijke dienstverlening Vreemdelingen Regularisatieaanvraag Wet van 22 december 1999 Verbod van elke maatregel tot verwijdering Steunverlening Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: VREEMDELINGEN Maatschappelijke dienstverlening Regularisatieaanvraag Wet van 22 december 1999 Verbod van elke maatregel tot verwijdering Steunverlening Nota: S.03.0008.N. CONCLUSIE Advocaat-generaal De Raeve heeft in hoofdzaak gezegd: Het twistpunt betreft de toepasselijkheid van artikel 57, ,§2 O.C.M.W. wet op vreemdelingen die daadwerkelijk in België verbleven op 1 oktober 1999 en die een regularisatieaanvraag hebben ingediend van hun illegaal verblijf, op grond van de regularisatiewet van 22 december 1999 in afwachting dat er over hun dossier een beslissing wordt genomen. De vraag wordt gesteld of de regularisatieaanvrager gerechtigd is op de beperkte dringende medische hulp hetzij op een volwaardige maatschappelijke dienstverlening. De toekenning van de O.C.M.W.-steunverlening werd sedert de wetswijzigingen in 1984, in 1992 en in 1996, steeds gekoppeld aan de vereiste dat de hulpaanvrager over een legaal verblijfsstatuut beschikt. Men kan er inderdaad niet aan voorbijgaan dat overeenkomstig artikel 191 van de Grondwet ieder vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, de bescherming geniet verleend aan personen en aan goederen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. Trouwens volgens de "ratio legis" in het kader van het vreemdelingenbeleid en de sociale hulpverlening aan vreemdelingen, trachtte men de vreemdelingen te ontmoedigen om nog langer in België te verblijven. De kandidaat-geregulariseerden nemen echter een bijzondere positie in : de (gedwongen) verwijdering van deze vreemdelingen wordt uitdrukkelijk uitgesloten overeenkomstig artikel 14 van de Regularisatiewet, zonder evenwel dat zij in het bezit worden gesteld van een geldig, al dan niet tijdig verblijfsdocument; zij worden ook toegelaten tot de arbeidsmarkt en kunnen financiële middelen verwerven, dit ingevolge omzendbrieven (zie omzendbrieven van 6 april 2000 betreffende de voorlopige arbeidsvergunningen voor de buitenlandse onderdanen die een aanvraag tot regularisatie van het verblijf hebben ingediend) (B.S. 15 april 2000) van 6 februari 2001 (B.S. 24.2.2001) en 1 april 2003 (B.S. 14.5.2003). Gezien de dubbelzinnige interpretaties over de draagwijdte en gevolgen van voornoemde wetsbepalingen, hebben de arbeidsgerechten de meest uiteenlopende beslissingen genomen. Alle mogelijke juridische stellingen werden verdedigd en oplossingen uitgedokterd. Er werden eveneens talrijke prejudiciële vragen gesteld aan het Arbitragehof. De rechtspraak van het Arbitragehof over de grondwettigheid van artikel 57, ,§2 O.C.M.W.-wet geeft nog steeds divergentie. Ook de arresten gewezen door het Hof van Cassatie meer bepaald het arrest van 17 juni 2002 over de toepassing en interpretatie van artikel 57, ,§2 O.C.M.W.-wet worden niet altijd bijgetreden door de bodemrechters. Het bestreden arrest verwerpt inderdaad de thesis van eiser in cassatie gesteund op dit arrest. Het Hof oordeelt in voornoemd arrest van 17 juni 2001 op eensluidende conclusie van eerste advocaat-generaal J.F. Leclercq dat het recht op maatschappelijke dienstverlening niet mag worden beperkt voor een vreemdeling die niet kan verwijderd worden krachtens artikel 14 van de Regularisatiewet. Het Hof verwijst naar artikel 23, lid 1 G.W. het recht een menswaardig leven te leiden; naar artikel 23 lid 3 dat uitdrukkelijk het recht op sociale bijstand vermeld onder de aldus gewaarborgde rechten en naar de wettelijk vastgelegde rol van het O.C.M.W. in art. 1 van deze wet, 't is te zeggen bijstandverlening in de ruime zin. Het Hof overweegt dat de wetgever ervoor gekozen heeft dat de aanvrager niet kan worden uitgewezen, hoewel zijn verblijf zelf illegaal is. De beperking van de hulp van illegalen tot dringende medische hulp kan aldus niet volstaan. Klaarblijkelijk toetst het Hof de bestaande regel niet aan de Grondwet maar wijst enkel in het licht van de Grondwet, de beperkende interpretatie van het toepassingsgebied rationae personae af. Ik sluit me aan bij deze rechtspraak. Het is inderdaad niet aanvaardbaar dat er een toestand zou gecreëerd worden waarbij terzelfdertijd de verwijdering van een vreemdeling van het Belgische grondgebied wettelijk niet mogelijk is enerzijds en dat anderzijds die vreemdeling de maatschappelijke dienstverlening op dit zelfde grondgebied zou worden ontzegd. De regularisatieaanvrager kan derhalve niet als illegaal in de zin van artikel 57, ,§2 O.C.M.W.-wet worden beschouwd. Het middel is gegrond. Arrest Tekst van de beslissing Nr. S.03.0008.N.- A. E., eiser, aan wie rechtsbijstand werd verleend op 3 februari 2003, nr. G.03.0010.N, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN OOSTENDE, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met maatschappelijke zetel gevestigd te 8400 Oostende, Edith Cavellstraat 15, verweerder. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 7 november 2002 gewezen door het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge. II. Rechtspleging voor het Hof Bij beschikking van de eerste voorzitter van 18 maart 2004 werd deze zaak van de derde kamer naar de voltallige terechtzitting verwezen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 23 en 191 van de Grondwet ; - de artikelen 1 en 57, ,§,§ 1 en 2, eerste, tweede en derde lid, van de Organieke Wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (,§ 2 zoals van toepassing in zijn huidige vorm, dus na vervanging bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, en, na gedeeltelijke vernietiging door het Arbitragehof bij arrest van 22 april 1998 (nr. 43/98, B.S., 29 april 1998), (hierna ook afgekort: de O.C.M.W.-wet) ; - de artikelen 2, 12, 13 en 14 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (hierna ook afgekort: de Regularisatiewet). Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eiser ongegrond en bevestigt in al zijn beschikkingen het bestreden vonnis, dat zijn vraag tot het bekomen van financiële steun vanwege verweerder had verworpen als ongegrond, om reden dat eiser enkel recht had op dringende medische hulp. Het steunt deze beslissing op de volgende overwegingen : "Vermits de aanvraag tot regularisatie de juridische verblijfsstatus van de betrokken vreemdeling niet wijzigt, en aldus geen verblijfsvergunning verleent aan diegene die illegaal op het grondgebied verblijft, moet besloten worden dat artikel 57, ,§ 2, eerste lid, van de O.C.M.W.-wet, zoals gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, van toepassing is op de illegaal in het Rijk verblijvende vreemdeling die een aanvraag tot regularisatie heeft ingediend, ook al kan er in toepassing van artikel 14 van de wet van 22 december 1999 feitelijk niet tot zijn verwijdering worden overgegaan. Dit is door de wetgever wel degelijk zo bedoeld. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1999 werd meermaals benadrukt dat een aanvraag tot regularisatie als dusdanig geen recht op maatschappelijke dienstverlening doet ontstaan, reden waarom artikel 57, ,§ 2, van de O. C.M. W.-wet ongewijzigd werd behouden (...)". "De wetgever beoogde hiermee de financiële aantrekkingskracht van de aanvraag tot regularisatie te voorkomen om onterechte aanvragen, enkel ingediend met de bedoeling maatschappelijke dienstverlening te verkrijgen, te weren en om bijkomende illegale immigratie tegen te gaan". (...). "Artikel 191 van de Grondwet bepaalt dat iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt de bescherming geniet verleend aan personen en goederen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. Vreemdelingen kunnen zich dus beroepen op de beginselen vastgesteld bij artikel 23 van de Grondwet op voorwaarde dat de wet geen uitzondering heeft gemaakt wat hen betreft. Artikel 57, ,§ 2, eerste lid, van de O.C.M.W.-wet, zoals gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, is precies een wetsbepaling die voor de erin bedoelde vreemdelingen een uitzondering maakt op het recht op maatschappelijke dienstverlening dat in uitvoering van artikel 23, tweede lid, van de Grondwet gewaarborgd wordt door de artikelen 1 en 57, ,§ 1, van de 0.C.M.W.-wet". Het arbeidshof (...) vermag niet, tegen de duidelijke bepalingen van de wet en de uitdrukkelijke wil van de wetgever in, te doen alsof artikel 57, ,§ 2, eerste lid, van de 0.C.M W.-wet, zoals gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, niet van toepassing zou zijn op illegaal in het Rijk verblijvende vreemdelingen die een aanvraag tot regularisatie hebben ingediend, dit op grond van een zogenaamde economie van de artikelen 23 van de Grondwet, 1 en 57, ,§ 2, van de O.C.M. W.-wet en 2, 12 en 14 van de wet van 22 december 1999". "Artikel 57, ,§ 2, eerste lid van de O.C.M. W.-wet, zoals gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, heeft niet enkel tot doel de erin bedoelde vreemdelingen te ontmoedigen om hun illegaal verblijf in het Rijk te verlengen, maar beoogt evenzeer bijkomende illegale immigratie tegen te gaan door de perspectieven minder aantrekkelijk te maken. Evenmin mag uit het oog worden verloren dat dit een bepaling is waarmee de wetgever de bescherming verleend door artikel 23 van de Grondwet ten aanzien van vreemdelingen wil beperken, gebruik makend van de bevoegdheid ontleend aan 191 van de Grondwet, zodat het niet opgaat haar met artikel 23 van de Grondwet in overeenstemming te willen brengen. De eerste rechter was aldus terecht van oordeel dat de taak van (verweerder) in toepassing van artikel 57, ,§ 2, van de O.C..M. W.-wet, zoals gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, beperkt bleef tot het verlenen van dringende medische hulp". Grieven Krachtens artikel 23, eerste lid, van de Grondwet heeft ieder het recht een menswaardig leven te leiden. Volgens het tweede lid van deze grondwetsbepaling waarborgt de wet daartoe, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Artikel 23, derde lid, van de Grondwet stelt dat die rechten inzonderheid "( ...) 2° het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand, " omvatten. Op die sociale bijstand heeft eenieder recht krachtens artikel 1, eerste lid, van de Organieke Wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Deze maatschappelijke dienstverlening heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid (artikel 1, eerste lid, in fine O.C.M.W.-wet). Aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn werd de opdracht toevertrouwd deze dienstverlening te verzekeren onder de bij diezelfde wet gestelde voorwaarden (artikel 1, tweede lid, O.C.M.W.-wet). De taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt nader omschreven bij artikel 57 van de O.C.M.W.-wet : het verzekert niet alleen lenigende of curatieve doch ook preventieve hulp (artikel 57, ,§ 1, tweede lid) ; de dienstverlening kan van materiële, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn (artikel 57, ,§ 1, tweede lid). In afwijking van de andere bepalingen van deze wet is, overeenkomstig artikel 57, ,§ 2, eerste lid, van de O.C.M.W.-wet (zoals vervangen bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996), de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft. Op grond van zijn bevoegdheid om de voorwaarden voor de uitoefening van de sociale rechten te bepalen heeft de wetgever, teneinde de politiek inzake de toegang tot het Rijk niet uit te hollen, aldus die categorie van vreemdelingen willen ontmoedigen om hun verblijf in België te verlengen. Artikel 57, ,§ 2, eerste lid, van de O.C.M.W.-wet dateert evenwel van vóór de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. Bij artikel 2 van deze wet (ook : "de Regularisatiewet") worden welbepaalde categorieën van vreemdelingen opgesomd die, voorzover zij reeds daadwerkelijk in België verbleven op 1 oktober 1999, een aanvraag kunnen indienen om hun verblijf te regulariseren. Artikel 14 van de Regularisatiewet bepaalt dat, behalve voor maatregelen tot verwijdering die gemotiveerd zijn door de openbare orde of de nationale veiligheid, of tenzij de aanvraag kennelijk niet beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in artikel 9 van die wet, er niet feitelijk zal worden overgegaan tot verwijdering tussen de indiening van de aanvraag en de dag waarop een negatieve beslissing wordt genomen met toepassing van artikel 12. Uit deze bepaling volgt dat de wetgever, teneinde welbepaalde categorieën van vreemdelingen toe te laten om hun verblijf effectief te regulariseren, en onder voorbehoud van de opgesomde uitzonderingen, verboden heeft dat een anders gerechtvaardigde maatregel van verwijdering van het grondgebied zou uitgevoerd worden tijdens de behandeling van de aanvraag. De vreemdeling die aldus een regularisatieaanvraag heeft ingediend vermag bijgevolg krachtens de wet zijn - nochtans illegaal - verblijf op het grondgebied te verlengen. Deze Regularisatiewet bevat echter geen bepaling waarbij de door die wet geviseerde categorieën van vreemdelingen van de grondwettelijke sociale grondrechten zouden zijn uitgesloten of waarbij die rechten ten aanzien van hen zouden zijn beperkt. Aangezien, overeenkomstig artikel 191 van de Grondwet, iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt de bescherming verleend aan personen en goederen geniet, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen, en de Regularisatiewet niet in een dergelijke uitzondering voorziet, en, gelet op het geheel van de hiervoor aangehaalde grondwets- en wetsbepalingen, geldt de beperking van artikel 57, ,§ 2, eerste lid, van de O.C.M.W.-wet niet voor een vreemdeling die niet materieel van het grondgebied verwijderd kan worden krachtens artikel 14 van de wet van 22 december 1999. Het bestreden arrest dat oordeelt dat artikel 57, ,§ 2, eerste lid, van de O.C.M.W.-wet een op grond van artikel 191 van de Grondwet getroffen wettelijke uitzondering uitmaakt op het recht op maatschappelijke dienstverlening dat in uitvoering van artikel 23 van de Grondwet gewaarborgd wordt door de artikelen 1 en 57, ,§ 1, van de O.C.M.W.-wet, en op die grond oordeelt dat artikel 57, ,§ 2, eerste lid, van de O.C.M.W.-wet toepasselijk is op de bij de Regularisatiewet geviseerde vreemdelingen die in toepassing van artikel 14 van die wet niet van het grondgebied verwijderd kunnen worden (waaronder eiser), schendt bijgevolg alle in het middel aangehaalde wetsbepalingen. Voorzover het arrest steunt op de voorbereidende werken van de wet van 22 december 1999 waarbij de wetgever de bedoeling geuit zou hebben om artikel 57, ,§ 2, eerste lid, van de O.C.M.W.-wet ook van toepassing te zien op de bij de Regularisatiewet geviseerde vreemdelingen ("Dit is door de wetgever wel degelijk zo bedoeld. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1999 werd meermaals benadrukt dat een aanvraag tot regularisatie als dusdanig geen recht op maatschappelijke dienstverlening doet ontstaan, reden waarom artikel 57, ,§ 2, van de O.C.M.W.-wet ongewijzigd werd behouden",) om hieruit af te leiden dat de beperking van artikel 57, ,§ 2, van de O.C.M.W.wet ook geldt voor de bij de Regularisatiewet geviseerde vreemdelingen, leidt het uit de voorbereidende werken van de wet iets af dat niet in de wet zelf is opgenomen, met name de uitsluiting van de door de Regularisatiewet geviseerde vreemdelingen van de door artikel 57 voorziene dienstverlening, zodat het bijgevolg, met schending van de in het middel aangehaalde bepalingen van de Regularisatiewet, aan deze wet iets toevoegt of in deze wet iets leest dat het niet bevat. IV. Beslissing van het Hof 1. Middel Overwegende dat, overeenkomstig artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, hierna te noemen OCMW-wet, elke persoon recht heeft op maatschappelijke dienstverlening, die tot doel heeft eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid ; Dat artikel 57, ,§1, eerste lid, van de OCMW-wet aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn de taak opdraagt aan personen of gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is ; Overwegende dat artikel 57, ,§2, eerste lid, van de OCMW-wet bepaalt dat, in afwijking van de andere bepalingen van deze wet, de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt is tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft ; Dat die bepaling moet gelezen worden in samenhang met de bepaling van artikel 191 van de Grondwet op grond waarvan iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, de bescherming geniet verleend aan personen en goederen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen; dat het genoemde artikel 57, ,§2, een dergelijke uitzondering inhoudt voor de illegaal in het Rijk verblijvende personen ; Dat de wetgever met die bepaling tot doel had de illegaal verblijvende vreemdelingen te ontmoedigen om nog langer in België te verblijven ; Overwegende dat artikel 2 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk de categorieën van vreemdelingen opsomt, die, in zoverre ze op 1 oktober 1999 daadwerkelijk in België verbleven, een aanvraag kunnen indienen tot regularisatie van hun verblijf ; Dat artikel 14 van die wet bepaalt dat, behalve voor maatregelen tot verwijdering die gemotiveerd zijn door de openbare orde of de nationale veiligheid, of tenzij de aanvraag kennelijk niet beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in artikel 9 van de wet, er niet feitelijk zal worden overgegaan tot de verwijdering tussen de indiening van de aanvraag en de dag waarop een negatieve beslissing wordt genomen met toepassing van artikel 12 ; Dat uit die bepaling volgt dat de wetgever, ten einde de aan sommige categorieën van vreemdelingen toegekende mogelijkheid tot regularisatie van hun verblijf te verwezenlijken, onder voorbehoud van de door hem bepaalde uitzonderingen, de tenuitvoerlegging, voor de duur van de behandeling van de aanvraag, van elke maatregel tot verwijdering die anders wegens de toestand van die vreemdeling gerechtvaardigd zou zijn geweest, verboden heeft ; Dat de vreemdeling die een regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van 22 december 1999, aldus door de wet gemachtigd wordt om op het grondgebied van het Rijk te verblijven ; dat hij mitsdien tot zolang over zijn aanvraag niet is beslist niet kan beschouwd worden, wat de hem te verlenen steun betreft, als een persoon die illegaal in het Rijk verblijft in de zin van artikel 57, ,§2, OCMW-wet ; Dat het arrest dat anders beslist, artikel 57, ,§2, OCMW-wet schendt ; Dat het middel gegrond is ; 2. Kosten Overwegende dat gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de kosten ten laste zijn van verweerder ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ; Veroordeelt verweerder in de kosten ; Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Brussel. De kosten begroot op de som van vierentwintig euro zevenenveertig cent in debet jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, voltallige kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitters Claude Parmentier en Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois, Philippe Echement, Christian Storck en Daniel Plas, en in openbare en voltallige terechtzitting van zeven juni tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040607.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101118.7 ECLI:BE:CTMON:2006:ARR.20060503.12 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020617.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061023.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div