← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040608.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:

Art.520

Fiche 2 In brand steken of een ontploffing veroorzaken vereist niet dat de dader een vuur heeft ontstoken of een ontploffing teweeg heeft gebracht; brandstichting of ontploffing bestaat immers wanneer de dader wetens en willens de feitelijke omstandigheden in het leven roept, waarvan hij in redelijkheid dient te weten dat deze brand of ontploffing tot gevolg kunnen hebben of daartoe aanleiding kunnen geven. Thesaurus CAS: BRANDSTICHTING Vrije woorden: BRANDSTICHTING In brand steken Een ontploffing veroorzaken Bestanddelen Wettelijke bepalingen:

Artt.510en520 Fiches 3 - 5 Artikel 518 Strafwetboek dat een zwaardere straf bepaalt wanneer de dader van de brandstichting moest vermoeden dat een of meer personen aanwezig waren op het ogenblik van het misdrijf, bevat geen wettelijk vermoeden van schuld; het maakt slechts toepassing van het principe dat, wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, het bewijs van het bestaan van die verzwarende omstandigheid kan worden geleverd door middel van alle feitelijke gegevens van de zaak, vermoedens inbegrepen

(1).
(1)Zie Cass., 5 maart 2002, AR P.00.1165.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020305.3, nr 155. Thesaurus CAS: BRANDSTICHTING Vrije woorden: BRANDSTICHTING Verzwarende omstandigheid Aanwezigheid van een of meer personen Bewijsvoering Wettelijke bepalingen:

Art.518Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast.

Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Brandstichting Verzwarende omstandigheid Aanwezigheid van een of meer personen Geen bijzonder bewijsmiddel Wettelijke bepalingen:

Art.518

Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Vermoedens Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Vermoedens Brandstichting Verzwarende omstandigheid Aanwezigheid van een of meer personen Wettelijk vermoeden van schuld Wettelijke bepalingen:

Art.518Tekst van de beslissing Nr.

P.03.1740.N

  1. L. C. A., eiser, beklaagde,
  2. L. M.,
  3. V. B. M.-C., eisers, civielrechtelijk aansprakelijke partijen, met als raadslieden Mr. A. Coulier, Mr. J. Lagrou en Mr. M. Portier, advocaten bij de balie te Veurne, tegen
  4. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging, met zetel te Brussel, Kwartier Koningin Elisabeth,
  5. M. S., handelend in eigen naam en als bestuurder van de goederen van zijn minderjarige zoon C.,
  6. V. P.,
  7. DUERINCK N., advocaat te Brussel, in haar hoedanigheid van curator van het faillissement van SEMINA nv, thans in faling,
  8. NEWPORT INVESTMENT COMPANY nv, met zetel te Nieuwpoort, Zeelaan 8,
  9. SANDESHOVED nv, met zetel te Nieuwpoort, Goethalsstraat 1,
  10. AXA-ROYALE BELGE nv, verzekeringsmaatschappij, met zetel te Brus-sel, Vorstlaan 25,
  11. ING INSURANCE nv, met zetel te Antwerpen, Desguinlei 92,
  12. AXA ROYALE BELGE nv, met zetel te Brussel, Vorstlaan 25,
  13. L. A.,
  14. M. P., en zijn echtgenote
  15. S. N., beiden handelend in eigen naam en als bestuurders van de goederen van hun minderjarige kinderen J. en B.,
  16. P & V VERZEKERINGEN cv, met zetel te Brussel, Koningsstraat 151,
  17. CENTRALE DIENST VOOR SOCIALE EN CULTURELE ACTIE, met zetel te Brussel, Leuvensesteenweg 392,
  18. ZELIA VERZEKERINGEN nv, met zetel te Brussel, de Meessquare 37,
  19. DE VOLKSVERZEKERING nv, verzekeringsmaatschappij, met zetel te Brussel, Linvingstonelan 6,
  20. V. E. L., burgerlijke partijen,
  21. FORTIS AG nv, met zetel te Brussel, Emile Jacqmainlaan 53, verweerster, vrijwillig tussengekomen partij, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassa-tie, verweerders. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 7 november 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Jean-Pierre Frère heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eisers stellen in een memorie vijf middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat het cassatieberoep van de eisers sub 2 en 3 is betekend; Dat die cassatieberoepen niet ontvankelijk zijn; Overwegende dat de beslissing over de begroting van de door de verweerder S. M. gevorderde schadevergoedingen betreft, geen eindbeslissing is; Overwegende dat de beslissing waarbij de verdere behandeling van de vorderingen van de burgerlijke partijen P. V. en Mr. N. Duerinck, handelend in haar hoedanigheid van curator van het faillissement van de nv Semina, onbepaald wordt uitgesteld, evenmin een eindbeslissing is; Dat het cassatieberoep van de eiser sub 1 in zoverre het betrekking heeft op die beslissingen, niet ontvankelijk is; B. Onderzoek van de middelen
  22. Eerste en tweede middel Overwegende dat uit de verwijzing door artikel 520 Strafwetboek naar de artikelen 510 tot en met 519 van dat wetboek en naar het onderscheid aldaar gemaakt, volgt dat het vernielen of pogen te vernielen van een gebouw door ontploffing wordt gelijkgesteld met het vernielen of pogen te vernielen ervan door brandstichting; Overwegende dat voor "in brand steken" of "veroorzaken van een ont-ploffing" zoals bedoeld in de artikelen 510 en 520 Strafwetboek, niet is vereist dat de dader een vuur heeft ontstoken of een ontploffing teweeg heeft gebracht; Dat immers brandstichting of ontploffing in de betekenis van de ver-melde wettelijke bepalingen bestaat wanneer de dader wetens en willens de fei-telijke omstandigheden in het leven roept, waarvan hij in redelijkheid dient te weten dat deze brand of ontploffing tot gevolg kunnen hebben of daartoe aan-leiding kunnen geven; Overwegende dat de middelen, in zoverre ze ervan uitgaan dat opzette-lijke brandstichting of opzettelijk veroorzaken van een ontploffing uitgesloten is wanneer de dader niet eigenhandig vuur heeft aangestoken noch een ontplof-fing teweeg heeft gebracht, falen naar recht; Overwegende voor het overige dat de middelen, in zoverre ze misken-ning van de bewijsregels in strafzaken aanvoeren, in werkelijkheid geheel op-komen tegen de beoordeling van de feiten door de rechters; Dat de middelen in zoverre niet ontvankelijk zijn;
  23. Derde middel Overwegende dat het middel, in zoverre het uitgaat van de gegrondheid van het in het eerste en het tweede middel vergeefs aangevoerde verweer, niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is; Overwegende voor het overige dat artikel 518 Strafwetboek geen af-breuk doet aan het beginsel van de vrije bewijswaardering door de rechter in strafzaken, mitsdien geen wettelijk vermoeden van schuld bevat; Overwegende, integendeel, dat het vermelde artikel, in zoverre het een zwaardere straf bepaalt wanneer de dader van de brandstichting moest vermoeden dat een of meer personen aanwezig waren op het ogenblik van het misdrijf, slechts toepassing maakt van het principe dat, wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, het bewijs van het bestaan van die verzwarende omstandigheid kan worden geleverd door middel van alle feitelijke gegevens van de zaak, vermoedens inbegrepen; Overwegende dat, anders dan het middel aanvoert, er aldus geen sprake is van omkering van de bewijslast, noch van miskenning van het vermoeden van onschuld dat onaangetast blijft; Dat het middel in zoverre faalt naar recht;
  24. Vierde middel Overwegende dat de omstandigheid dat de rechter een telastlegging bewezen verklaart niettegenstaande het andersluidende verweer van de be-klaagde, geen miskenning van het vermoeden van onschuld oplevert; Dat het middel faalt naar recht;
  25. Vijfde middel Overwegende dat, anders dan het middel aanvoert, het tussenarrest van 7 juni 2002 geen uitspraak doet over de grond van de zaak en niet zegt dat de handelwijze van eiser geen veroordeling op grond van de artikelen 510, 518 en 520 Strafwetboek wettigt; Dat het middel feitelijke grondslag mist; C. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorges-chreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de cassatieberoepen; Veroordeelt de eisers in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van honderd en tien euro eenenveer-tig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, en uitgesproken in open-bare terechtzitting van acht juni tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040608.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000905.10 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020305.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250318.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.