← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040610.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040610.5 Rolnummer: C.02.0039.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2004-12-07 Raadplegingen: 895 - laatst gezien 2026-07-04 20:55 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Misbruik van recht kan bestaan in het uitoefenen van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en zorgvuldig persoon; er kan sprake zijn van rechtsmisbruik ook wanneer dat recht mogelijk steunt op wettelijke bepalingen waarvan de overtreding strafrechtelijk kan worden gesanctioneerd

(1).
(1)Zie de verwijzingen in de concl. O.M. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Misbruik van recht Thesaurus CAS: RECHTSMISBRUIK Vrije woorden: RECHTSMISBRUIK Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. m.o. THIJS, Cass., 10 juni 2004, AR C.02.0039.N, A.C., 2004, nr ... . Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Misbruik van recht Thesaurus CAS: RECHTSMISBRUIK Vrije woorden: RECHTSMISBRUIK Nota: C.02.0039.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Dirk THIJS: In het enig middel tot cassatie verwijt eiseres het bestreden vonnis de beslissing van de eerste rechter te hebben bevestigd dat eiseres misbruik maakte van haar recht en op die grond haar principaal hoger beroep ongegrond te hebben verklaard. Eiseres voert aan dat de appelrechters niet zonder te onderzoeken of de door eiseres opgeworpen inbreuken op de milieuwetgeving bewezen waren of zonder te antwoorden op de aanvoeringen in dat verband, konden besluiten dat eiseres misbruik maakte van haar recht, noch impliciet konden oordelen dat het bestaan van een wetsinbreuk ten opzichte van het rechtsmisbruik irrelevant was. Eiser gaat ervan uit dat de vordering die zij in deze procedure instelt voor de burgerlijke rechter, behandeld moet worden als de vordering tot teruggave die zij ingevolge artikel 44 van het Strafwetboek zou hebben kunnen instellen voor de strafrechter. Deze vordering tot teruggave beoogt inderdaad het herstel in natura van de schade die door het misdrijf werd veroorzaakt (Zie Cass., 17 oktober 1984, A.C., 1984-85, 280). Het middel gaat er geheel van uit dat ten overstaan van deze vordering geen rechtsmisbruik kan worden ingeroepen, nu deze gegrond is op strafrechtelijke inbreuken. Het middel faalt terzake naar recht nu er ook sprake kan zijn van misbruik van recht wanneer dat recht op wettelijke bepalingen steunt waarvan de overtreding strafrechtelijk kan worden gesanctioneerd. Uw Hof oordeelde reeds dat misbruik van recht kan bestaan ook wanneer dat recht op de wet steunt en bij een regelmatige procedure wordt opgeëist (Cass., 10 juni 1988, A.C., 1988-89, nr. 620, met concl. van Proc.- gen. Krings). Terzake kan tevens verwezen worden naar een arrest van Uw Hof van 27 juni 1985 (A.C., 1984-85, nr. 656) waaruit impliciet kan worden afgeleid dat een gemeente misbruik kan maken van het recht om het herstel van de plaatsen in hun vorige staat te vorderen in geval van strafrechtelijke inbreuken op de stedebouwwet, te weten het in stand houden van werken in strijd met de voorschriften inzake stedebouw, inzonderheid met het bijzonder plan van aanleg op grondslag waarvan de bouwvergunning werd afgegeven (art. 64 van de wet van 29 maart 1962). Uit dat arrest kan tevens worden afgeleid dat er sprake kan zijn van rechtsmisbruik wanneer dat recht is gesteund op wettelijke bepalingen die van openbare orde zijn en dus in het algemeen belang uitgevaardigde voorschriften uitmaken. De omstandigheid dat het exploiteren van een onder onderklasse 3 ingedeelde inrichting zonder voorafgaande melding volgens eiseres een voortdurend misdrijf is (cfr. voorziening in cassatie, p. 13, laatste alinea), vermag aan voormelde principes geen afbreuk te doen. Overigens stelt genoemd arrest dd. 27 juni 1985 uitdrukkelijk vast "dat (ook) het in stand houden van werken in strijd met de wet een voortdurend misdrijf is, waardoor een duurzame en ongeoorloofde toestand wordt geschapen die blijft bestaan zonder ander toedoen van de dader" (cfr. Cass., 8 juni 1994, A.C., 1994, 591). Terzake kan tevens de vergelijking worden gemaakt met de voorschriften van het Veldwetboek die ook strafrechtelijk worden gesanctioneerd. Indien de vorderingen tot rooien en de vordering tot het weghakken van bomen of het afsnijden van takken voor de burgerlijke rechter worden gebracht dan zijn zij volgens de heersende rechtspraak van de feitenrechters vatbaar voor rechtsmisbruik (zie o.a. Vred. Sint-Kwintens-Lennik, 1 december 1997, A.J.T., 1998-99, 275; Rb. Hoei, 6 november 1985, J.L.M.B., 1986, 88; Vred. Luik, 16 februari 1976, J.T., 1976, 370). Zo oordeelde de Vrederechter te Wolvertem dat de cassatierechtspraak volgens welke de eiser die toepassing van art. 36 Veldwetboek vordert, niet hoeft aan te tonen dat hij hinder lijdt, niet belet dat eventueel nagegaan moet worden of hij, door het vorderen van de rooiing van de bomen, zijn recht op een normale wijze uitoefent om een redelijk voordeel te verkrijgen, en de wijze waarop hij dat recht aanwendt, de grenzen van het normaal gebruik ervan niet overschrijdt (Vred. Wolvertem, 10 maart 1994, R.W., 1994-1995, nr. 8, 22 oktober 1994, 266). Ook het vorderen van het staken van het onrechtmatig lozen van huishoudafvalwater is bijgevolg voor misbruik vatbaar. Dergelijk misbruik kan ontstaan niet alleen door de uitoefening van bedoeld recht met het enkele inzicht om te schaden doch eveneens door de uitoefening ervan op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bedachtzaam persoon. Terzake kan verwezen worden naar de vaststaande rechtspraak van Uw Hof (o.m. Cass., 10 september 1971, A.C., 1972, 31, met concl. van Proc.-gen. Ganshof van der Meersch; Cass., 16 december 1982, A.C., 1982-83, 518; Cass., 19 september 1983, A.C., 1983-84, nr. 34; Cass., 6 en 13 april 1984, A.C., 1983-84, nrs. 456 en 474; Cass., 16 januari 1986, A.C., 1985-86, nr. 317; Cass., 19 en 20 november 1987, A.C., 1987-88, nrs. 168 en 171; Cass., 18 februari 1988, A.C., 1987-88, nr. 375; Cass., 7 maart 1988 en 10 juni 1988, A.C., 1987-88, nrs. 414 en 620; Cass., 19 oktober 1989, A.C., 1989-90, nr. 106). Bij arrest van 19 november 1987 specifieerde Uw Hof dat er van misbruik van recht tevens sprake kan zijn als een recht zonder redelijk en voldoende belang wordt uitgeoefend, met name wanneer het aan derden berokkende nadeel buiten verhouding is met het door de houder van het recht beoogde of verkregen voordeel (Cass., 19 november 1987, A.C., 1987-88, nr. 168). Het bestreden vonnis stelt in casu vast dat:
  1. eiseres niet alleen gedurende meer dan dertig jaar geen enkele opmerking maakte over het feit dat het huishoudelijk afvalwater in de gracht stroomde;
  2. de hinder sterk gerelativeerd moet worden: het afvalwater bezinkt eerst in de bezinkput,enkel de overloop, quasi-gereinigd water, komt in de gracht terecht, en sporadische waterafloop via de overloop kan te dezen niet schadelijk zijn;
  3. het water dat door de gracht stroomt ook afkomstig is van andere aangelanden en zelfs van het openbaar wegennet;
  4. er een overduidelijke wanverhouding is tussen het voordeel van de rechtsuitoefening door de rechtstitularis en het nadeel dat daarmee aan een ander berokkend wordt;
  5. door te eisen dat verweerders de afloop verwijderen, dit impliceert dat zij zich zouden aansluiten op het rioolnet, terwijl uit de plaatsgesteldheid volgt dat verweerders vrij hoge kosten moeten maken om deze aansluiting mogelijk te maken (bestreden vonnis, p. 3-4). Op grond van de erin vermelde feitelijke gegevens, kon het vonnis, met een onaantastbare beoordeling beslissen dat er in hoofde van eiseres sprake is van een kennelijk onredelijke rechtsuitoefening, zonder dat het hoefde te onderzoeken of de door eiseres opgeworpen inbreuken op de milieuwetgeving bewezen waren en zonder dat het verder hoefde te antwoorden op de niet meer ter zake dienende aanvoeringen van verweerders in dat verband. Het middel kan, hoe dan ook, niet worden aangenomen. Besluit: VERWERPING. Arrest Tekst van de beslissing Nr. C.02.0039.N A.M., eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  6. A.A.,
  7. V.P.P., verweerders. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 20 april 2001 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Feiten Het bestreden vonnis stelt vast dat :
  8. de verweerders hun huishoudelijk afvalwater lozen op het achterliggend erf van eiseres ;
  9. dit afvalwater, niet de beerput, eerst naar een bezinkput achter hun woonhuis vloeit waar het vuil bezinkt en enkel de overloop in de gracht komt en op het erf van eiseres ;
  10. er geen openbaar rioleringsnet aan de straatzijde van de partijen is. IV. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet ; &§9472; artikel 4, derde lid, van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering ; &§9472; artikel 44 van het Strafwetboek ; &§9472; artikel 23, derde lid, 4°, van de gecoördineerde Grondwet ; &§9472; de artikelen 2, enig lid, 1°, 3, 4, 39, inzonderheid ,§1, enig lid, 2°, van het decreet van de Vlaamse Raad van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning ; &§9472; de artikelen 1, enig lid, 4°, 9°, 10° en 2, ,§1, van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning (Vlarem I) en de bijlage I gevoegd bij dit besluit ; &§9472; de artikelen 4.1.2.1., 4.1.3.2., 4.2.7.1.1., 4.3.3.1., enig lid, 2°, 4°, 6.1.0.1., 6.2.1.1., ,§ 2, 6.2.1.
  11. van het Besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II) genomen in uitvoering van het Decreet van de Vlaamse Raad van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning ; &§9472; de artikelen 1, 2 en 41 van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging - Vlaamse Gewest (artikel 2 zoals gewijzigd bij Decreet van de Vlaamse Raad van 28 juni 1985 en bij Decreet van de Vlaamse Raad van 22 december 1995) ; &§9472; artikel 90 van het Veldwetboek ; &§9472; het algemeen rechtsbeginsel van verbod van rechtsmisbruik ; &§9472; voorzover nodig, de artikelen 21, eerste lid, en 26 van de Voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. Aangevochten beslissingen De rechtbank van eerste aanleg verklaart in de bestreden beslissing, eiseres' principaal hoger beroep ontvankelijk, maar wijst het af als ongegrond en bevestigt de beslissing van de eerste rechter, luidens welke eiseres' vordering om onder verbeurte van een dwangsom de lozing door de verweerders op het perceel van eiseres te staken en de afvoer te doven en te horen zeggen voor recht dat de verweerders gehouden zijn binnen dezelfde termijn en onder verbeurte van dezelfde dwangsom om zich aan te sluiten bij het openbare rioleringsnet aan de straatzijde of subsidiair eiseres te machtigen om zelf ten koste van de verweerders de nodige werken te mogen uitvoeren ongegrond was, op grond van volgende motieven : "Ofschoon er op 30 september 1997 nog geen verjaring was ingetreden (op 30 september 1997 werd door (eiseres) een aangetekende brief gestuurd - op 13 november 1968 zijn (de verweerders) in hun woning getrokken) is, zoals (eiseres) terecht aanstipt het debat omtrent het precieze tijdsverloop rechtens totaal niet relevant. Daarentegen moet de Vrederechter wel bijgetreden worden waar hij stelde dat er sprake is van rechtsmisbruik. Er is een overduidelijke wanverhouding tussen het voordeel van de rechtsuitoefening door de rechtstitularis en het nadeel dat daarmee aan een ander berokkend wordt. Er is sprake van rechtsmisbruik wanneer de titularis zijn recht gebruikt met het oogmerk om de ander te schaden of zonder redelijk belang, of wanneer de titularis die over verschillende manieren beschikt om een recht uit te oefenen, de manier kiest waardoor de tegenpartij het meest schade lijdt ; wanneer er bij het uitoefenen van een bevoegdheid een kennelijke onevenredigheid ontstaat tussen het gediende belang en het geschade belang ; wanneer men een recht zodanig gebruikt dat men een rechtmatig vertrouwen schendt (...). Bovendien heeft het algemene rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt, de marginale controle als beoordelingstechniek : enkel een kennelijk onredelijke rechtsuitoefening zal door de rechtbank worden gesanctioneerd. In casu zijn alle voorwaarden die kunnen leiden tot rechtsmisbruik, zoals de eerste rechter terecht besliste, voldaan. Het gaat wel degelijk om een kennelijk onredelijke rechtsuitoefening : niet alleen maakte (eiseres) gedurende meer dan dertig jaar geen enkele opmerking over het feit dat het huishoudelijk afvalwater in de gracht stroomde, bovendien moet de hinder sterk gerelativeerd worden : het afvalwater bezinkt eerst in de bezinkput. Enkel de overloop - quasi gereinigd water- komt in de gracht terecht. Ook merken (de verweerders) op dat het water dat door de gracht stroomt ook afkomstig is van andere aangelanden en zelfs van het openbaar wegennet. De Vrederechter besloot wel degelijk terecht dat er in huidig geval sprake is van een kennelijk onredelijke rechtsuitoefening. Hij haalde hiervoor een viertal argumenten aan : - het gaat om de overloop van een bezinkput en bijgevolg is er geen sprake van het continu aflopen van water. Wanneer de bezinkput regelmatig leeggemaakt wordt, kan er normaal geen sprake zijn van een vervuilde waterloop door de werking van de bezinkput ; - door het grote niveauverschil tussen de grond van (eiseres) en (de verweerders) tekenen er zich sowieso bij iedere regenval meestal plassen af, sporadisch waterafloop via de overloop kan in casu niet schadelijk zijn ; - (eiseres) duldde de aanwezigheid van de overloop gedurende bijna dertig jaar ; - door te eisen dat (de verweerders) de afloop verwijderen, impliceert dit dat zij zich zouden aansluiten op het rioolnet. Uit de plaatsgesteldheid volgt dat het onmogelijk is dat de waters natuurlijk naar de riool aan de straatzijde vloeien. (De verweerders) zouden vrij hoge kosten moeten maken om deze aansluiting mogelijk te maken" (vonnis, p. 3-4). Grieven Overeenkomstig artikel 3 van het decreet van de Vlaamse Raad van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna afgekort als milieuvergunningsdecreet) worden de inrichtingen die hinderlijk geacht voor de mens en het leefmilieu in drie klassen worden ingedeeld, afhankelijk van de aard en de belangrijkheid van de daaraan verbonden milieueffecten. De Vlaamse Regering stelt de lijst en de klasse van die inrichtingen vast. Overeenkomstig artikel 2, enig lid, 1°, van datzelfde decreet moet voor de toepassing van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten worden verstaan onder "inrichting" onder meer toestellen of handelingen die voorkomen op een lijst opgesteld door de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering heeft deze twee bepalingen uitgevoerd in Vlarem I (Besluit van de Vlaamse Executieve van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning). Artikel 1, enig lid, 4°, van dit besluit bepaalt dat inrichtingen onder meer toestellen en handelingen zijn die op de indelingslijst voorkomen. Ditzelfde artikel definieert afvalwaters als verontreinigd water waarvan men zich ontdoet, zich moet ontdoen of de intentie heeft zich te ontdoen, met uitzondering van hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigde stoffen (enig lid, 9°). Huishoudelijke afvalwater wordt overeenkomstig ditzelfde artikel, enig lid, 10° (in tegenstelling met koelwater en bedrijfsafvalwater, zoals omschreven in respectievelijk enig lid, 11° en enig lid, 12°) gedefinieerd als afvalwater dat bestaat uit water afkomstig van normale huishoudelijke activiteiten, sanitaire installaties, keukens, van het reinigen van bepaalde gebouwen of afvalwater afkomstig van wassalons, waar de toestellen uitsluitend door het cliënteel zelf worden bediend. In Bijlage I gevoegd bij dit besluit wordt een indelingslijst opgenomen, waarbij voor alle hinderlijke toestellen en handelingen wordt vermeld in welke klasse ze ingedeeld zijn. Hieruit volgt dat het lozen van huishoudelijk afvalwater enkel afkomstig van normale huishoudelijke activiteiten met inbegrip van reinigen van woningen en voorzover het lozen in de openbare riolering geschiedt of er een individuele waterzuivering is bij de woning, niet wordt ingedeeld in een klasse (rubriek 3, opmerkingen van de bijlage l). Wanneer de lozing niet in de openbare riolering gebeurt of er geen individuele waterzuivering bij de woning is, wordt de handeling ingedeeld in klasse 3 (rubriek 3.3, niet begrepen in rubriek 3.
  12. Bijlage I). Ingevolge de wijziging van 12 januari 1999 (inwerkingtreding 1 mei 1999) zijn het beheren van inrichtingsmaatregelen in een onbevaarbare waterloop of een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater, het afscheiden van grove bestanddelen uit het waterig medium door middel van een zeef of een rooster, het scheiden van de bestanddelen aanwezig in het waterig medium op basis van het verschil in dichtheid tussen de aanwezige vervuilde bestanddelen en het waterig medium, uitgezonderd centrifuges en een septische put behorende bij lozing van huishoudelijk afvalwater, niet ingedeelde inrichtingen (rubriek 3, opmerkingen, 2, c, d en e). Huishoudelijk afvalwater enkel afkomstig van sanitaire installaties of keukens is steeds ingedeeld in klasse
  13. Sanitaire installaties, moeten bij gebrek aan wettelijke definitie in de gebruikelijke betekenis worden begrepen, namelijk inrichtingen als W.C.'s en badkamers. Artikel 2, ,§1, van dit besluit verbiedt dat iemand zonder daarvan vooraf melding te hebben gedaan een inrichting die behoort tot de derde klasse te exploiteren. Artikel 4, ,§2, van het milieuvergunningsdecreet bepaalt dat niemand zonder voorafgaande melding een in klasse drie ingedeelde inrichting mag exploiteren. Artikel 39 van het decreet stelt strafbaar hij die de bepalingen van het decreet en zijn uitvoeringsbesluiten niet naleeft. Ter uitvoering van het Decreet van de Vlaamse Raad van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid in het Besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne) (Vlarem II) werden milieukwaliteitsnormen voor ingedeelde inrichtingen (Deel 4 en 5 Vlarem II) en milieuvoorwaarden voor niet ingedeelde inrichtingen (Deel 6 Vlarem II) opgenomen. Inrichtingen in klasse drie zijn verplicht om zelf de algemene milieuvoorwaarden voor ingedeelde inrichtingen na te leven. Zo moet onder meer de best beschikbare techniek worden gehanteerd om mens en milieu te beschermen (artikel 4.1.2.
  14. Vlarem II) en treft de exploitant als normaal zorgvuldig persoon alle nodige maatregelen om de buurt niet te hinderen door geur (artikel 4.1.3.
  15. Vlarem 11). Niet-ingedeelde inrichtingen zijn enkel verplicht de milieuvoorwaarden toe te passen. Deze zijn niet van toepassing op ingedeelde inrichtingen (artikel 6.1.0.1.). In artikel 6.2.1.
  16. van Vlarem II wordt omschreven aan welke eisen een individuele voorbehandelingsinstallatie, zoals septische putten, moet voldoen. In deze werd door de appèlrechters zelfs niet vastgesteld dat een dergelijke installatie aanwezig was. Voor beide soorten inrichtingen zijn de exploitanten ervan verplicht de algemene milieuvoorwaarden voor de lozing van huishoudelijk afvalwater na te leven (6.2.1.1., ,§2 en 4.2.7.1.1., ,§1). De lozing in de gewone oppervlaktewateren is onderhevig aan talrijke beperkende voorwaarden (zie artikel 4.2.7.1.1.) en is pas toegelaten als er geen openbare riolering is. Artikel 4.3.3.1., enig lid, 2°, van Vlarem II, toepasbaar op alle ingedeelde inrichtingen, stelt dat ter voorkoming van verontreiniging van de bodem en het grondwater enkel indirecte lozing van huishoudelijk afvalwater mogelijk is via een besterfput (wat als een synoniem van een bezinkput moet worden beschouwd). Artikel 4.3.3.1., enig lid, 4°, van Vlarem II bepaalt dat de besterfput geen overloop mag hebben. Dit wordt bevestigd in het derde punt waar wordt bepaald dat deze besterfput op 50 meter van oppervlaktewater moet gelegen zijn, dit om te voorkomen dat het zogenaamde "reine water" in het oppervlaktewater zou lopen. Overeenkomstig artikel 2 van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging is het direct of indirect lozen van voorwerpen of stoffen in oppervlaktewateren verboden. Onder oppervlaktewateren worden onder meer volgens artikel 1 van de wet de wateren van de onbevaarbare waterlopen en van de afwateringen met voortdurende of onderbroken afvoer bedoeld. Hoewel het lozen in private wateren niet strafbaar is ingevolge deze bepaling, wordt wel aangenomen dat als dit water uitkomt in openbare oppervlaktewateren de ongeoorloofde lozing dan wel strafbaar is. De lozing in private wateren wordt echter ook strafbaar gesteld ingevolge artikel 90 van het Veldwetboek, als de stoffen vissterfte kunnen meebrengen, zodat de lozing zonder vergunning in beginsel in beide gevallen (private wateren met afwatering in openbare oppervlaktewateren en zonder) strafbaar kan zijn. Artikel 41 van deze wet stelt onder meer de inbreuken op artikel 2 strafbaar. Het verbod van artikel 2 was echter geen algemeen verbod nu een lozingsvergunning bekomen kon worden waardoor men wel mocht lozen overeenkomstig deze vergunning. Deze vergunningen zijn thans opgeheven door Vlarem I (Deel 7 wijzigings-, opheffing- en slotbepalingen) en vervangen door de bepalingen van Vlarem II. Deze strafbepalingen zijn van openbare orde. Eiseres voerde in haar verzoekschrift tot hoger beroep aan dat verweerders door hun afvalwater te lozen de "Vlarem-reglementering" schonden, omdat deze inrichting onder meer meldingsplichtig was (verzoekschrift tot hoger beroep, p. 8-9) en in conclusie dat "het lozen van afvalwaters op zulke manier dat zij langs natuurlijke weg in de bij art. 1 van de wet van 26 maart 1971 bedoelde wateren kunnen terecht komen, een strafbaar feit is" (conclusie, p. 5-6, nr. 10). Eiseres stelde ook dat een bodemloze bezinkput niet gebruikt mag worden tenzij voorzien wordt in "ofwel een persoonlijke waterzuiveringsinstallatie ... ofwel aangesloten is op de riolering" en dit omdat "de vloeistoffen van de vaste stoffen op rudimentaire wijze (worden) gescheiden en daarna in het grondwater terechtkomen" (conclusie, p. 4, nr. 6). Eiseres wees er terecht op dat eenieder het recht heeft zijn rechtsvordering tot herstel van de schade, veroorzaakt door een misdrijf bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken (artikel 4, derde lid, van de Voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering), zonder dat een burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter vereist is (conclusie, p. 5-6, nr. 10). Overeenkomstig artikel 44 van het Strafwetboek moet een einde gemaakt worden aan de met de strafwet strijdige toestand en herstel in de vorige toestand bij wijze van schadevergoeding kan bevolen worden. Artikel 23, derde lid, 4°, van de gecoördineerde Grondwet geeft eenieder het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. Eiseres had ook aangevoerd dat een contra-legem praktijk niet kan worden voortgezet omdat de vraag om zich rechtsconform te gedragen in hoofde van eiseres niet foutief is en dus nooit rechtsmisbruik zou kunnen uitmaken ; de verweerders konden aan de rechter niet verzoeken "hen -en hun latere rechtsopvolgers het subjectief recht te geven in de toekomst te blijven handelen in strijd met het objectieve recht, zelfs met het strafrecht" (conclusie, p. 2, nr. 2). De rechtbank oordeelde dat er geen erfdienstbaarheid bestond ten laste van het erf van eiseres, zij ook niet vaststelde dat de verweerders een subjectief recht hadden om afvalwater op eiseres' erf te lozen. De appèlrechters stelden wel feitelijk vast dat het afvalwater afkomstig van de woning van verweerders naar een bezinkput liep en vervolgens naar het erf van eiseres en naar een gracht liep (te onderscheiden van de openbare gracht aan de straatzijde) (vonnis, p. 2 medio). De appèlrechters stelden niet vast dat er een beerput aanwezig was voor de afloop van het toilet en lijken trouwens impliciet de afwezigheid ervan aan te nemen. Hetzelfde geldt voor een (afzonderlijke) citerne. De appèlrechters stelden feitelijk vast dat de verweerders niet aangesloten waren op de openbare riolering. Zij stelden ten slotte niet vast dat er een (individuele) waterzuiveringsinstallatie was. De appèlrechters stelden zelf vast dat er een overloop aan de bezinkput bestond. Zij stelden echter niet vast binnen welke afstand de bezinkput lag ten opzichte van de oppervlaktewateren. De appèlrechters onderzochten niet of de door eiseres opgeworpen inbreuken op de milieuwetgeving bewezen waren en dit kan op basis van hun feitelijke vaststellingen zeker niet uitgesloten worden. Het bestaan van wetsinbreuken ten opzichte van rechtsmisbruik is niet irrelevant, omdat het ontnemen van een onrechtmatig voordeel dat verweerders bekwamen door de strafwet te miskennen nooit rechtsmisbruik kan vormen. De appèlrechters konden bijgevolg niet tot het bestaan van rechtsmisbruik in hoofde van eiseres besluiten zonder dit onderzoek te verrichten. Eiseres wendde daarenboven het gebruik van haar recht op herstel niet af van haar normaal doel. Eiseres riep trouwens bepalingen in die van openbare orde zijn en dus in het algemeen belang zijn. Het bestaan van wetsinbreuken bijgevolg in deze relevant was. De appèlrechters hadden alleszins eiseres' recht op bescherming van een gezond leefmilieu (artikel 23, derde lid, 3°, van de gecoördineerde grondwet) moeten betrekken bij de belangenafweging ; dat een overweging over kosten of over relatieve hinder in dit opzicht niet kon volstaan. De appèlrechters oordeelden daarenboven dat de rechtsvordering niet verjaard was (vonnis, p. 2). De appèlrechters stelden evenmin vast dat de lozingen gestaakt waren. Het langdurig bestaan van de lozingen is strafrechtelijk niet relevant. Eiseres vorderde trouwens het staken van de lozingen die op het ogenblik van het inleiden van de vordering plaatsvonden. De appèlrechters konden niet zonder te onderzoeken of de door eiseres opgeworpen inbreuken op de milieuwetgeving bewezen waren of zonder te antwoorden op de aanvoeringen in dat verband besluiten dat eiseres misbruik maakte van haar recht, noch konden impliciet oordelen dat het bestaan van een wetsinbreuk ten opzichte van het rechtsmisbruik irrelevant was. Op basis van de door de rechtbank aangegeven motieven kon niet besloten worden dat de vordering van eiseres om de lozingen van afvalwater te beëindigen rechtsmisbruik vormde. Hieruit volgt dat de appèlrechters, door te beslissen dat eiseres' principaal hoger beroep ongegrond was en de beslissing van de eerste rechter te bevestigen luidens welke eiseres' vordering om onder verbeurte van een dwangsom de lozing door de verweerders op het perceel van eiseres te staken en de afvoer te doven en te horen zeggen dat verweerders gehouden zijn binnen dezelfde termijn en onder verbeurte van dezelfde dwangsom om zich aan te sluiten bij het openbare rioleringsnet aan de straatzijde of subsidiair eiseres te machtigen om zelf ten koste van de verweerders de nodige werken te mogen uitvoeren ongegrond was, hun beslissing niet regelmatig met redenen omkleden (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet) en hun beslissing niet naar recht verantwoorden (schending van alle in de aanhef van het middel aangehaalde wetsbepalingen en algemene rechtsbeginselen, artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet uitgezonderd). IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat misbruik van recht kan bestaan in het uitoefenen van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en zorgvuldig persoon ; dat rechtsmisbruik niet uitgesloten wordt doordat het uitoefenen van een recht mogelijk steunt op wettelijke bepalingen waarvan de overtreding strafrechtelijk kan worden gesanctioneerd ; Dat het middel, in zoverre het uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht ; Overwegende verder dat het bestreden vonnis oordeelt dat :
  17. er een duidelijke wanverhouding is tussen het voordeel van de rechtsuitoefening door de rechtstitularis en het nadeel dat daarmee aan een ander wordt berokkend ;
  18. eiseres meer dan dertig jaar geen enkele opmerking heeft gemaakt over het feit dat het huishoudelijk afvalwater in de gracht stroomde ;
  19. de hinder sterk gerelativeerd moet worden : het afvalwater bezinkt eerst in een bezinkput, enkel de overloop, quasi-gereinigd water, komt in de gracht terecht ;
  20. sporadische waterafloop via de overloop te dezen niet schadelijk kan zijn ;
  21. eisen dat de verweerders de afloop verwijderen, inhoudt dat zij zich zouden moeten aansluiten op het rioolnet en dat dit wegens de plaatsgesteldheid met vrij hoge kosten zou gepaard gaan ; Dat het bestreden vonnis op grond van vermelde feitelijke gegevens beslist dat eiseres haar recht kennelijk onredelijk uitoefent ; Overwegende dat gelet op zijn beslissing het bestreden vonnis niet hoefde te antwoorden op de in het middel weergegeven aangevoerde inbreuken, nu dit verweer wegens zijn beslissing doelloos was geworden ; Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Zonder acht te slaan op de memorie van antwoord die niet door een advocaat bij het Hof is ondertekend ; Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de verweerders in de kosten van hun memorie van antwoord ; Veroordeelt eiseres in de overige kosten ; De kosten begroot op de som van vijfhonderd en vijf euro drieëntachtig cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door raadsheer Ernest Waûters, waarnemend voorzitter, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van tien juni tweeduizend en vier uitgesproken door raadsheer Ernest Waûters, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040610.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100301.4 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110909.1 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150402.6 ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101210.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051212.6 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080922.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081017.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110117.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.